reacties van de URaad

5. Brief UR Nota Onderwijsbeleid vragen

Onderwijsnotitie (bijlage bij UR 06-306)


De onderstaande vragen en opmerkingen hebben betrekking op de onderwijsnota:


Inleiding

1.Pagina 3:

(UReka) 4e alinea: Honour tracks: Hoe staat het ermee?

(UReka) 5e alinea: Wat is een “gezond en stabiel” aantal studenten?


2.Pagina 4:

(Campussy) 2e alinea: Hoe denkt het CvB dergelijk op maat gesneden onderwijs te kunnen bekostigen?

(Campussy) 4e alinea: Welke maatregelen gaan concreet worden genomen voor ‘meer aandacht gaat besteden aan de positie en de onderwijskwaliteiten’

(Campussy) Groei 1e alinea: Is groei wel beter? Is hogere kwaliteit van onderwijs ipv kwantiteit misschien niet een betere oplossing? Voorbeeld: CalTech is veel kleiner dan UT maar veel succesvoller.

(Campussy) Groei 2e alinea: Hoe ‘toon’ je aan dat je je op je vakgebied onderscheidt?

(CC): 2e alinea: “Om deze diversiteit… flexibilisering van het aanbod in de breedste zin van het woord”. Flexibilisering zal i.v.m. kosten en beschikbaar personeel altijd aan grenzen gelegd moeten worden het is daarom belangrijk om juist duidelijk aan te geven waar deze grenzen liggen.


3.Pagina 5:

(Campussy) Onderwijsprofiel punt 1: Is het misschien niet meer gewenst betere studenten en cursisten te hebben in plaats van enkel meer.

(UReka) Onderwijsprofiel bullet 3: Bewaak deze kleinschaligheid ook echt, dit is juist één van de kenmerken waarom de onderwijskwaliteit op de UT relatief hoof is, pas dus op bij groei.

(CC) Onderwijsprofiel punt 1: Is de toenemende mate van diverse achtergrond een wens of een gevolg van de wens om meer studenten/cursisten te bereiken?

(CC) Onderwijsprofiel bullet 1:”..opleidingen…met een ontwerpgerichte, ondernemende aanpak als gemeenschappelijk kenmerk.” . Veel studenten en personeelsleden zullen dat niet als kenmerkend voor hun opleiding ervaren: ontwerperopleidingen zijn vervolgopleidingen die nu juist afgebouwd worden en de ondernemende aanpak staat niet expliciet in de OERS als een te bereiken eindterm.

(CC) Onderwijsprofiel bullet 3: Kleinschaligheid is meer een gegeven gezien de instroomaantallen dan een gekozen profiel: zie de opleiding PSY waar men niet aan de kleinschaligheid vasthoudt en de opleidingen bij BBT waar men kiest voor grotere groepen (van meerdere opleidingen) uit efficiëntieoverwegingen.


Flexibiliteit

4.Pagina 6:

(Campussy) Laatste alinea: Is een opleiding die meer aan de “actualiteit” voldoet wel iets goeds? Je studie is immers voor de rest van je leven ipv de dan geldende actualiteit. Is het probleem dat huidige studies misschien te weinig studenten trekken een gevolg van bijvoorbeeld slechte communicatie?

(CC) 3e alinea: Ín de belangrijke doelgroep voor masteronderwijs worden niet de life-long-learners genoemd.

(CC) 6e alinea: Een 'duidelijke beroepsprofiel' wordt als voorwaarde gezien, die bij brede leerweg kennelijk niet belangrijk is?


5.Pagina 7:

(CC) 3e alinea: “Uiteraard met uitsluiting van elke overlap met de eigen discipline”. Dit is niet volledig correct omdat een minor ook als verdieping van de eigen opleiding gebruikt kan worden.

(CC) 6e alinea: AT wordt als voorbeeld aangedragen van ‘brede bachelors’, terwijl inhoudelijke invulling van AT haaks staat op het beschreven gewenste beleid.

(CC) 6e alinea: Bij de instroom van AT staat 2-25-79 in 2003-2004-2005, maar bij de Tabel op pag. 8 staat 79 TOTAAL. Zijn er dan nu al 26 gestopt/overgestapt? Dat is gezien de rendementen waar men het later over heeft dan wel erg veel!


6.Pagina 9:

(Campussy) Laatste alinea: Voor de brede bachelor wordt een vergelijking met University College gemaakt. UC bestaat echter niet enkel uit een dergelijke bachelor maar ook uit een compleet studentenleven op een dergelijke campus waar bij ook veel nadruk ligt op zelf ontplooiing. Wil het CvB ook een dergelijke omgeving creëren op de UT?

(CC) 4e alinea: De vraag naar brede bachelors wekt de indruk dat er door geen eisen te stellen het aanspreekbaar voor iedereen moet zijn en het daarom alleen een kwantitatief doel en geen kwalitatief doel heeft. Het is alsof de instellingen aan ieder persoonlijke wens van een student moet kunnen voldoen.

(CC) Onderaan: Moet zo’n University College volgens het CvB een aparte organisatie worden, zoals in Utrecht? Dat idee is een paar jaar terug nog afgewezen. Of is het een verzameling van facultaire organisaties?


7.Pagina 10:

(UReka) 2e alinea: “Met name” wijzigen in “ook”.

(UReka) 2e alinea: Het geven van een inleidend vak dat de samenhang van het curriculum aantoont en het expliciteren van de leerdoelen, en verwachtingen aan het begin van elk vak, werkt zeer motiverend, een erg goed punt dus wat gemakkelijk te realiseren is.

(UReka) 4e alinea: Goed dat de Minor 30 EC wordt!

(CC) 1e alinea: Kan in een (ver)brede bachelor nog een verbredingsminor bestaan gegeven de onderwijsruimte die nodig is om voldoende diepgang te behouden t.b.v. accreditatie.


8.Pagina 11:

(Campussy) 1e alinea: Sluit het honours idee van de UT aan bij dat van internationale instellingen? (1st class, 2nd class, honours etc.)

(UReka) Laatste alinea: Er zijn in het stuk een aantal keer tegenstellingen: willen we de student de collegezalen inkrijgen door d.m.v. motivatie (blended learning, enthousiaste en goede docenten) of door verplichte colleges (pagina 12, alinea 3 en 4)?

(CC) Skills certificate: Hoe wordt de bekostiging daarvan georganiseerd, gezien het feit dat het buiten het curriculum valt?

(CC) Skills certificate: Waarom worden academische competenties, die vaak expliciet genoemd worden in benchmarking en criteria zoals die van ABET en Dublin descriptoren plotseling buiten de curricula getrokken? Wat betekent dienaangaande "complementair" in de tekst? Ten opzichte van wat is het Skilsscertificate complementair? Bedenk wel dat er grote verschillen bestaan tussen curricula als het gaat om expliciete thematisering van academische competenties.

(CC) Slotopmerking: bovengenoemde initiatieven richten zich bij uitstek op de actief lerende student die zelf verantwoordelijkheid neemt en raad weet met een toegenomen keuzevrijheid. Wat voor initiatieven hebben we dan voor de studenten die hier niet toe behoren en hoeveel zijn dat er?!


9.Pagina 12:

(UReka) 2e alinea: Met de behoefte aan flexibiliteit doordat de student studievertraging heeft opgelopen door mobiliteit, sport, cultuur en activisme, zijn wij het helemaal eens.

(CC) 2e alinea: is studievertraging door mobiliteit, sport, cultuur en activisme te vereniging met het behalen van studierendement.

(CC) 4e alinea: flexibel onderwijs is niet verkeerd, echter, het is ook niet verkeerd om discipline aangeleerd te krijgen en deadlines te moeten halen, 's ochtends vroeg aan het werk te gaan, etc. Studenten moeten voorbereid zijn op een baan in het bedrijfsleven/overheid, waar dit ook het geval is! Niet alles kan en moet naar hun zin/agenda maar aangepast worden!


10.Pagina 13:

(Campussy) 4e alinea: Wat is de (financiële) reden voor het maar 3x tentamineren van een vak?

(UReka) 4e alinea: Wat gebeurt er als je na drie herkansingen het vak nog steeds niet hebt gehaald?

(UReka) 6e alinea: Alweer verschoolsing! Een vaardigheid als zelfstandigheid en verantwoordelijkheid zijn toch veel belangrijkere vaardigheden voor de beroepspraktijk?

(CC) 4e alinea: 2 instroommomenten voor de master betekent dat de vakken in het eerste jaar verwisselbaar moeten zijn en je geen follow-up vakken kan geven binnen dat jaar. Is dit wel wenselijk?

(CC) Flexibiliseren in tijd en plaats lijkt erg op de “Open Universiteit’ gedachte. Iedereen moet alles overal en op elk tijdstip kunnen doen. ICT ondersteuning lijkt dan onontbeerlijk. Maar willen we dit en levert het wat op? Kunnen we dit en wat blijft er dan over van persoonlijk docent-student contact en de laagdrempeligheid die we graag behouden en staat afstandsonderwijs niet haaks op ‘blended learning’.


11.Pagina 14:

(CC) Laatste alinea: Light versies: waarom? Moedigt aan om niet meer college te volgen, dus weinig contact met docenten en studiegenoten. Lijkt me geen goede ontwikkeling. Is denk ik ook met e-learning al een probleem, het hele sociale kader wat wegvalt.




12.Pagina 15:

(Campussy) 1e alinea: Zou bij een harde knip de lagere flexibiliteit voor studenten niet zorgen dat de UT master studenten verliest die ergens anders hun master gaan doen waar mensen wel direct kunnen beginnen?

(UReka) 2e alinea: De mogelijkheid voor het bijhouden van een portfolio is prima, maar dit zou je niet verplicht moeten stellen (dat staat er ook niet letterlijk in, maar is een aandachtspunt).

(CC) 1e en 4e alinea: Toetsbeleid en toetsmogelijkheden (drie keer per vak?). Pilots in 2007, dus er is nu al een ontwerp gereed met toetsbare criteria?


Kwaliteitszorg

13.Pagina 17:

(Campussy) Holle bullets, als je op strategisch niveau naar onderwijs kijkt vinden wij dat je moet kijken naar curriculum, arbeidsmarkt en eindtermen. We vinden het huidige lijstje onduidelijk.

(UReka) Als het BSA wordt ingevoerd, moeten de voorwaarden goed nageleefd worden, hier wil UReka graag bij betrokken blijven.

(CC) 3e alinea: Nog goed te keuren plan van aanpak als pilot in herfst 2006? Wat is de stand van zaken en zijn de eindtermen van opleidingen al in eindcompetenties vastgesteld?


14.Pagina 18:

(Campussy) Stilstaan bij stilstand, wat zijn dan ideeën voor die ‘echte incentives’?

(UReka) 1e alinea: Wat zijn de gevolgen van het eventueel niet accrediteren van een opleiding?

(UReka) 8e alinea: Vergroten we niet de concurrentie tussen faculteiten door decanen meer vrijheid te geven in het verdelen van gelden? Dit kan nadelig uitpakken voor studenten (denk aan het niet centraal inloggen op de UT).


15.Pagina 19:

(Ureka) 3e alinea: (BSA) Hoe vullen we “verwijzen” in, moet de student naar een andere instelling of mag de student ook een andere studie op de UT volgen bij tegenvallende prestaties?

(CC) tabel: Op basis waarvan denkt het college dat de genoemde rendementen haalbaar zijn? Weet men wat de reden is dat een deel van de studenten het eind niet haalt, ligt dit aan het onderwijs of aan de studenten zelf? Verder is het bijzonder gevaarlijk om op rendementen te gaan sturen, dit kan gemakkelijk ten koste van kwaliteit gaan (praktijkervaring!).

(CC) tabel: In hoeverre zijn de verbeterde studierendementen reëel als deze voor een groot deel ook worden bepaald door de mentaliteit van de student zelf.

16.Pagina 20:

(UReka) Onderaan bij BSA: Wat is verwant aan elkaar?

(UReka) Onderaan bij BSA: Een motivatieprobleem is niet beperkt tot slechte opleidingskeus, er zijn nog veel andere factoren die daarmee samenhangen (wennen aan de omgeving, net op kamers, nieuwe vrienden maken, enz)

(CC) 3e alinea: Hoe verhoudt de uitbreidingen voor mentoraat en studiebegeleiding tot de voorgenomen bezuinigingen op de onderwijsondersteuning waaronder zij vallen? Deze uitbreidingen zullen wel een groter structureel beslag op de onderwijsmiddelen leggen


17.Pagina 21:

(UReka) 2e alinea: Waarom wordt de pilot van BSA gedaan bij TCW? Moet dit niet door de UR voor goedkeuring?


18.Pagina 22:

(Campussy) 1e alinea, ‘Engelstalige en interculturele competenties’ dit valt niet te leren in een cursus, hiervoor is praktische ervaring vereist. Wat is het plan om docenten deze ervaring te laten krijgen?

(UReka) Laatste alinea: “Kunnen doorstaan” moet veranderd worden in “naar behoren hebben doorstaan”.

(CC) 1e alinea: “Ook nieuw aangestelde hoogleraren kunnen een training didatische vaardigheden volgen”. Wordt het niet verplicht voor zittende HL? Waarom zouden ze hiervan vrijgesteld worden?

(CC) 7e alinea: Het heeft weinig zin om een nieuwe functie als ‘onderwijs-UHD’ in het leven te roepen. De huidige structuur biedt voldoende mogelijkheden, maar er moet voor gezorgd worden dat hier ook gebruik van wordt gemaakt. Het UHDabel lijkt in strijd met combi onderwijs onderzoek.


19.Pagina 23:

(Campussy/CC) 1e alinea: Wat zijn de consequenties als iemand ‘faalt’ volgens het nieuwe HRM beleid (bijvoorbeeld BDA)?

(Campussy) 2e alinea: Engelse taal zou misschien geen harde voorwaarde moeten vormen voor Nederland specifieke vakgroepen. Kan je bovendien wel de benodigde kwaliteit garanderen als je een vakgroep in het Engels moet werken? (Wat als de keuze komt tussen goed Nederlands onderwijs of slecht Engels onderwijs)

(UReka) 2e alinea: Vakevaluaties moeten ook meegenomen worden.

(UReka) Laatste alinea: Bij de pilot moeten ook studenten worden gevraagd naar hun mening, studenten zijn immers de eindgebruikers.


Onderwijsorganisatie

20.Pagina 24:

(Campussy) 2e alinea: Wat wordt er gedaan aan de ingangseisen zodat we juist goede internationale studenten krijgen?


21.Pagina 25:

(Campussy) 5e alinea: Ligt de verantwoordelijkheid van het door de studenten bereiken van de ingangseisen door middel van een pre-master of iets dergelijks wel bij de universiteit?

(UReka) 2e alinea: moet “Bachelor instroom” niet “Master instroom” zijn

(CC) 2e alinea: “Het College behoudt zich het recht voor om de harde knip te overwegen….” Moeten we daar nu mee instemmen?

22.Pagina 26:

(UReka) 1e alinea: Het VWO engels voldoet voor veel studenten helemaal niet!

(UReka) 3e alinea: Het denken in eindtermen i.p.v. ingangstermen is goede ontwikkeling.


23.Pagina 28:

(UReka) 3e alinea: “De wens van de studenten” moet vervangen worden door “de wens van de studenten en docenten”.


24.Pagina 29:

(UReka) 3e alinea: “Het vak beter worden afgestemd op de motivatie en kwaliteit van studenten” à Vakken zouden niet moeten worden afgerekend op de kwaliteit van de studenten, maar op hun belang en kwaliteit binnen het curriculum. Als een vak dus moeilijk blijkt voor studenten, moet je niet het vak makkelijker maken, maar bijvoorbeeld meer begeleiding geven.

(CC) 2e alinea: Samenvattend moet het onderwijs niet teveel tailormade zijn, maar moet wel op de individuele behoeften van studenten aangepakt worden. Bedoelt het college dat de vorm wel flexibel moet zijn maar de inhoud niet?

(CC) 2e alinea: Het werven van studenten bij bachelor vakken door vakgroepen kan je niet financieel aanpakken, aangezien het niet aan te tonen is! Dan kan je enthousiast doceren door iemand ook financieel gaan afstraffen doordat er een aantrekkende werking vanuit gaat. En sommige onderwerpen zijn nou eenmaal populairder.

(CC) 3e alinea: In hoeverre kan gesproken worden over stabilisering en groeiende internationale instroom als hier nog weinig van bekend is en als kleine veranderingen op deze gebieden grote effecten kunnen hebben.


25.Pagina 30:

(UReka) 4e alinea: numerus fixus voor de “bacheloropleiding” van Technische Geneeskunde en voor de “studie” Psychologie. Is er een duidelijk verschil tussen bacheloropleiding en studie? Zo niet, waarom wordt er dan niet hetzelfde woord gebruikt (roept namelijk verwarring op).


Prioriteitstelling voornemens

26.Pagina 38:

(Campussy) Implementatie SAKAI: Is er al officieel gekozen dan voor SAKAI? Zou deze keuze pas niet begin volgend jaar worden genomen?

(CC) Er is geen duidelijk tijdspad met taken en doelstellingen, er zou goed aan gedaan worden om hoofdstuk 6 uit te bereiden met een duidelijk tijdspad van die punten die men binnen reëel tijdsbestek in de praktijk wil brengen.


Algemene punten van CC

De algehele nota is meer een omgevingsanalyse en inventarisatie van aanpakmogelijkheden dan plan hoe tot goed onderwijs te komen.

Er is nauwelijks sprake van meetbare doelen.

Alle genoemde visies vragen een grote mate van verandering en daarmee een grote mate van inspanning. Is er een visie op wie, hoe en wanneer iets moet worden uigevoerd?

In de nota worden geen duidelijke keuzes gemaakt. Het lijkt alsof alles ondernomen wordt. Welke keuzes worden nu echt gemaakt en door wie?

Deelt het college de mening dat het leggen van (volgtijdelijke) dwarsverbanden met andere UT-initiatieven – bijv. ICT-systemen, efficiënte bedrijfsvoering, instellingskwaliteitzorg e.d. – een noodzakelijke voorwaarde is voor adequate implementatie van (delen van) de genoemde onderwijsplannen.

Uit de nota komt slecht naar voren wat de implicaties zijn van de voorstellen en of dat betekent dat het verdeelmodel aanpassing behoeft. Uit de nota is niet af te leiden of dit het geval zal zijn. Toch kan een noodzaak voor een onderwijsbegroting uit de nota afgeleid worden.

In de nota wordt zo weinig gesproken over ‘centrale stimulering onderwijs’ dat aangenomen mag worden dat stimulering onderwijs alleen decentraal plaatsvindt en de pot geld voor centrale stimulering daarmee ook overbodig is.

Alle genoemde visies kosten geld, maar er is geen zicht waar dat vandaan moet komen.

Toevoeging van financieel hoofdstuk *EN* HRM hoofdstuk is erg gewenst: wat voor consequenties heeft het beleid op het personeel, wat gaat dit kosten, etc.
Even snel rekenen: als een docent 100 uur nodig heeft om een vak te ICT-seren, en we hebben 1400 vakken, is er dus iets van 100FTE nodig, dit kost vele miljoenen...willen we het dan nog steeds net zo graag, is het geld er en zo ja waar? Waar gaan docenten de tijd vandaan halen voor het aanpassen? En wat is de investering voor het ICT systeem zelf, de software, infrastructuur, de extra bandbreedte benodigd voor elektronisch leren (bijv. Door Video on demand colleges?)

Er zal een tweede nota noodzakelijk zijn die verder ingaat op de financiële consequenties wat aangaat het CSO en model implicaties.