reacties van de URaad

4. Nota Focus in HRM beleid brief personeel

logo URaad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500



Aan het College van Bestuur,




Uw kenmerk

375.370, 16-8-2006

Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 06-263

Fax


Datum

7 september 2006

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Betreft: Reactie personeel UR op brief CvB 375.370, d.d.16-8-2006, nota focus op HRM-beleid




Geacht college,



De Universiteitsraad heeft kennis genomen van uw schriftelijke reactie (UR 06-238) op het besluit van de personeelsgeleding van de UR om niet in te stemmen met de nota focus op HRM-beleid (UR 06-227). De studentgeleding heeft overigens afgezien van een advies daar zij geen inhoudelijke bijdrage aan het debat heeft geleverd.
De discussie in de UR en het genomen besluit kunnen niet geheel los gezien worden van eerdere discussie over dit onderwerp in voorgaande raadsvergaderingen. Ook in zijn brief verwijst het college naar eerder vastgesteld beleid. Op de PA&O-site staat de nota van 14 oktober 2003 inderdaad vermeld als het vigerende personeelsbeleid 2003-2007. Met de nota heeft de UR inderdaad ingestemd in december 2003, maar wel met de afspraak dat deze beleidsarme nota binnen een jaar inhoudelijk zou worden verrijkt en het geheel opnieuw ter instemming zal worden voorgelegd. Het college heeft toen een tiental projecten gepresenteerd waarmee het personeelsbeleid nader vorm zou worden gegeven en de UR heeft in een advies (mei 2004) aangegeven waar zijn prioriteiten m.b.t. het personeelsbeleid lagen. Resultaten van al die projecten, op het ouderenbeleid i.o.m. het OPUT na, zijn overigens nooit gepresenteerd. Wij begrijpen ook dat de voortdurende reorganisaties de bestuurlijke en ambtelijke aandacht afleiden van het desalniettemin onderschreven belang van een goed personeelsbeleid. Des te schrijnender is onze constatering bij die reorganisaties dat het de afgelopen jaren juist aan actief personeelsbeleid heeft ontbroken. Naar ons oordeel ondersteunt het personeelsbeleid het primaire proces dus onvoldoende. Om een ander voorbeeld te noemen: het is spijtig dat in het kader van in- en doorstroom van jong talent de zogenaamde “van Rijn middelen” al jaren ongebruikt in de algemene middelen vloeien.


Uit uw brief ontstaat het beeld dat u de UR slechts ervaart als een sta-in-de-weg voor een goed personeelsbeleid en dat u van plan bent de UR alleen bij onontkoombare wettelijke verplichtingen te raadplegen. De UR herkent zich niet in voornoemde perceptie van het college: het is juist onze ambitie, om een beleidsrijk, transparant en goed bekostigd personeelsbeleid voor alle personeelscategorieën af te spreken. En juist dáárom is de personeelsgeleding van de UR tot een negatief oordeel gekomen.
Nu u de nota “Focus in HRM-beleid” intrekt, en er naar ons oordeel feitelijk geen geaccordeerd personeelsbeleid is geformuleerd, is het formeel niet mogelijk de hoofdlijnen uit dat beleid te implementeren. Uiteraard geldt dat niet voor het onderdeel “Vrouwen aan de UT” waarover de besluitvorming reeds is afgerond, ook in het kader van de adviesbevoegdheid van de UR t.a.v. “emancipatie”. Verdere uitwerking van het beleid ten aanzien van ontwikkeling van het

personeel, in de meest brede zin, stuit uiteraard niet op bezwaren van onze kant, maar de UR wil wel graag betrokken worden bij de keuzes daarin, alvorens implementatie plaatsvindt.


Minimaliseren van het overleg over het personeelsbeleid, zoals u suggereert in uw brief, lijkt ons geen “good governance” en niet in het belang van de UT en zijn medewerkers. Wij stellen dan ook voor met de nieuwe raad, die per 1 september is aangetreden, een nieuwe start te maken en bieden u aan om de komende maanden ons te richten op de inhoud van het personeelsbeleid. De UR zou daarbij de eerste stap kunnen maken door zijn prioriteiten voor de verdere ontwikkeling van het personeelsbeleid ter discussie aan het college aan te bieden.






Met vriendelijke groet,

namens de personeelsgeleding van de Universiteitsraad,




Ir. T.M.J. Meijer

voorzitter