reacties_van_ de_ URaad

Brief UR Focus in HRM beleid

logo URaad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500



Aan het College van Bestuur




Uw kenmerk

374.462/PA&O

Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 06-196

Fax


Datum

22 juni 2006

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Betreft: Nota Focus in HRM beleid



Geacht college,



De voorliggende nota is in de commissievergadering op 13 juni jl. besproken en toegelicht. Met name is duidelijk geworden dat de gelijkheid van waardering voor onderwijs en onderzoek niet alleen bestaat uit het uitspreken van waardering, maar ook door bij bevorderingen rekening te houden met prestaties die zijn geleverd aan de onderwijskant eventueel ten koste van de onderzoekskant (bijv. het aantal publicaties). Met het inzetten van “Tenure tracks” is het mogelijk om medewerkers een goed toekomstperspectief binnen onze (3TU-)instelling te bieden. Er dient echter zorgvuldig te worden gekeken naar de voorwaarden die gelden bij de beoordelingsmomenten in het carrièreverloop van de medewerker, omdat bij een Tenure track heel nadrukkelijk geldt dat bij onvoldoende prestaties de betrokken medewerker de instelling dient te verlaten.


Over het argument dat aanleiding gaf om de groep “oudere medewerkers” niet meer als aparte doelgroep te benoemen is opgemerkt dat dit door WP en OBP verschillend wordt ervaren en er is aangevoerd dat er andere kenmerken van deze groep zijn te noemen die toch vragen om een aparte behandeling of benadering.


Tijdens de commissievergadering, maar ook in de interne vergadering van de raad op 20 juni is gesproken over de zorg die wij hebben dat het HRM-beleid uiteenvalt in kleine stukjes waarbij onvoldoende duidelijk is hoe de bekostiging is geregeld, hoe we kunnen zien wat er van de voorgestelde maatregelen terecht komt en hoe we er voor kunnen zorgen dat de uitwerking binnen de eenheden ook werkelijk plaatsvindt, zoals door het college beoogd. Naar onze overtuiging is HRM-beleid voor elke werknemer van de UT en dient het beleid ook ingekaderd te worden zodat de verbanden met andere beleidsvelden zichtbaar worden. Als voorbeeld noemen wij het streven om de onderwijsondersteuning efficiënter en moderner vorm te gaan geven. Hiervoor is de inzet van ICT essentieel, maar dat betekent dat het personeel dat de onderwijsondersteuning moet gaan verzorgen op de juiste wijze met benodigde ICT-middelen om kan gaan en dus in ieder geval hoger opgeleid moet zijn.

Door het aanbieden van deelnota’s ter bespreking voelen wij ons nu, bij de instemmingsvraag voor de voorliggende nota, in een spagaat gedwongen. Enerzijds vinden we de nota onvoldoende ingaan op bovengenoemde punten, maar anderzijds willen de uitvoering van het voorgestelde beleid niet frustreren door geen instemming te verlenen. Ook wat betreft de voorliggende nota zouden we willen instemmen, onder de voorwaarde dat de deelnota’s die worden aangekondigd, te zijner tijd ook ter instemming aan de raad zullen worden voorgelegd.

Onze vraag aan het college is dan ook: Wanneer zijn de hoofdlijnen van het personeelsbeleid zodanig uitgewerkt, dat de eenheden er echt invulling aan kunnen geven door het opstellen van plannen, op welke wijze het college daar in gaat sturen en hoe de resultaten van de uitgevoerde plannen geëvalueerd kunnen worden?



CONCEPT BESLUIT Universiteitsraad


De Universiteitsraad,

gezien:

De Nota Focus in HRM beleid (kenmerk 374.462/PA&O);

de begeleidende brief Nota focus in HRM (kenmerk 374.791/PA&O, d.d. 8 juni 2006);

overwegende dat:

het gevaar bestaat dat, doordat het HRM-beleid wordt versnipperd tot kleine deelnota’s met steeds een andere focussering, de samenhang in beleid onvoldoende zichtbaar is en daardoor de ingezette instrumenten niet voldoende zullen bijdragen aan het behalen van de oorspronkelijke doelstellingen;

in de nota te weinig verband wordt gelegd met andere beleidsvelden en de consequenties die daaruit voortvloeien, waarbij als voorbeeld kan dienen het streven om de onderwijsondersteuning efficiënter en moderner in te richten, hetgeen niet zal gaan zonder de inzet van hoger geschoold personeel;

gehoord:

de toezegging van het college dat de binnen de leeftijdsopbouw van UT-medewerkers, herkenbare groep “ouderen”, die te maken (zullen) hebben met een verminderde (externe) mobiliteit, weliswaar geen focus krijgen in het vigerende HRM-beleid, in de vorm van een deelnota, maar wel speciale aandacht zullen krijgen bij het uitwerken van het beleid en het inzetten van verschillende instrumenten;

de toelichting van het College op welke wijze de gelijke waardering voor onderwijs- en onderzoekstaken daadwerkelijke tot uiting gebracht zal worden, met name door bij de spelregels voor bevorderingen tot UHD, ook de prestaties op onderwijsgebied mee te tellen en op te laten wegen tegen eventueel onvoldoende aantallen publicaties;

de toezegging dat de aangekondigde deelnota’s over functieroulatie, talentbeleid en tenure tracks ter instemming aan de universiteitsraad zullen worden aangeboden;

besluit:

de personeelsgeleding van de raad in te stemmen met de Nota Focus in HRM beleid, terwijl de studentengeleding positief adviseert over de voorliggende nota.




Met vriendelijke groet,

namens de Universiteitsraad




Ir. T.M.J. Meijer

voorzitter