reacties_van_de_URaad

4. Brief UR bericht van de voorzitter CvB

logo Universiteitsraad UT

universiteitsraad

Griffie

Spiegel – kamer 500




Aan het College van Bestuur





Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 06-074

Fax


Datum

30 maart 2006

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl

Betreft: reactie UR n.a.v. Bericht van de Voorzitter





Geacht college,



Het bericht van uw voorzitter naar aanleiding van de strategische UMT bijeenkomst is aanleiding voor een aantal vragen.

Ten eerste de bezuinigingsoperatie van M€ 5. Een deel hiervan wordt gevonden bij het vastgoed (M€ 1.2) en dit levert in die zin geen optimalisering van bedrijfsvoering op, temeer daar de omvang van de investering nu weer op het oorspronkelijke niveau van 2003 zit. Bij de begrotingsbehandeling 2006 hebben wij van u begrepen dat een dusdanige bezuiniging alleen al nodig is om gevolgen van de inflatie op te vangen.

1.Is dit nog steeds het geval?

Een omvang van M€ 5 vraagt ook om een duidelijke prioriteitstelling en het lijkt niet waarschijnlijk dat simpelweg efficiënter werken voldoende is.

2.Zijn deze prioriteiten inmiddels gesteld, welke werkafspraken zijn hierover gemaakt en zijn nu al personele consequenties voorzien?

Tevens kan een dusdanige operatie niet los gezien worden van vorige reorganisaties op de dienstverlening, zoals de meest recente in 2003.

3.Heeft deze laatste operatie de gewenste effecten gehad en is een evaluatie hiervan inmiddels beschikbaar?

De uitgangspunten voor een model van financiële allocatie zullen opnieuw ter discussie worden gesteld om er voor te zorgen dat dit in het verlengde komt van strategische doelen en stabiliteit waarborgt.

4.Over welke uitgangspunten is in het UMT reeds overeenstemming bereikt en is de leerstoel als business unit nog steeds één van die uitgangspunten?

Nadere uitwerkingen worden in het najaar voorzien. De UR onderschrijft de noodzaak om de sterke ongewenste effecten in het verdeelmodel te elimineren. Het geschetste tijdpad betekent dat veranderingen niet eerder dan bij de begroting van 2008 geïmplementeerd kunnen worden. Een goede discussie over dit onderwerp behoort deze ruimte te krijgen. Bij de begroting 2006 was het echter noodzakelijk om een behoorlijk noodverband aan te leggen ten aanzien van het premiecompartiment. Op universitair niveau betekent dit niet anders dan dat de omvang van de premiemiddelen per faculteit / instituut bevroren zijn. Dit is eenvoudig door te trekken mits duidelijk inhoud wordt gegeven aan het volumebeleid zoals afgesproken. Faculteitsraden, instituutsraden en leerstoelen melden hierover dat de ongewenste onduidelijkheid nog steeds voortduurt. Binnen faculteiten en instituten is dit noodzakelijk om de spiraal van concurrentie op een aantal plaatsen met als gevolg dalende prijzen te doorbreken. De UR is van mening dat dit een gezamenlijke UT verantwoordelijkheid blijft zoals uitgesproken bij de noodzaak voor volumebeleid.

5.Op welke wijze wordt op dit moment het volumebeleid ontwikkeld en zal dit zijn beslag krijgen voor het uitbrengen van de begrotingsrichtlijnen 2007?

De UR dringt er bij u op aan om op dit punt z.s.m. voor perspectief te zorgen, maar zeker met ingang van de begroting 2007. Welk model uiteindelijk voor financiële allocatie wordt gekozen, de omvang van premieplaatsen in vooral de 2e geldstroom is dusdanig dat de UT nu al ternauwernood in de benodigde ondersteuning kan voorzien en een verdere ongecontroleerde groei vermeden moet worden.

Tot slot een vraag over de “exploitatie van de campus”, die sterker ter hand wordt genomen:

6.Aan welke activiteiten wordt daarbij gedacht?




Met vriendelijke groet,

namens de Universiteitsraad,






Ir. T.M.J. Meijer

voorzitter