agenda onderwerpen

3._verslag_overleg_20050222

Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 05 075

Fax


Datum

30 maart 2005

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@utwente.nl


Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 22 februari 2005


Aanwezig:

Leden UR:

Becht, Bijleveld (vz), Bosschaart, Bouwman, Brinkman, Brugge, Van Doorn, Girisch, Houweling, IJzermans, Van der Mark, Meijer, Waals, Zuurbier

College van Bestuur:

Te Beest, Zijm

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)

Afwezig:

Pol, Poorthuis, Schrama, Wormeester (allen m.k.)




1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 14.30 uur de vergadering. Hij heet in het bijzonder Zijm welkom, die voor het eerst als RM/CvB-lid de overlegvergadering bijwoont, en spreekt mede namens de UR zijn vertrouwen in een goede samenwerking uit.


De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

De voorzitter: Plotseling is overleden Gerrit Bultstra; hij was werkzaam bij EWI en is lange tijd actief geweest in diverse medezeggenschapsorganen bij de UT, waaronder de faculteitsraad en de UR.

Zuurbier: Er wordt een informatiebijeenkomst georganiseerd over Triangle, hij heeft hierover inmiddels contact met het college. Nader bericht volgt.


3.Verslag van de overlegvergadering van 7 december 2004 (UR 04-421)

Pag. 3 r2: “… als speerpunt. De provincie heeft M€ 5 uitgetrokken ….”.

Pag. 8 r11: “Het onderzoek start in januari/februari 2005.”

Met inachtneming van deze wijzigingen wordt het verslag vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 2 pt.5 – Onderwijsjaarcirkel 2005-2006: UReka betreurt het dat het college de gevraagde toezeggingen niet heeft gedaan en verzoekt om heroverweging, met name waar het gaat om de tentamenvrije week. Het college kan ter vergadering geen reactie geven en zal hierop terugkomen.

Pag. 4 r45 e.v. – Er heeft geen gesprek met De Jong plaatsgevonden om te komen tot verheldering van begrippen in het UR-reglement. Afgesproken wordt dat Zijm en Brinkman nu op korte termijn dat gesprek zullen hebben.

Pag. 5 pt. 9 – Avantium: Meijer spreekt zijn teleurstelling uit over het feit dat rondom Avantium de zaak blijft zoals hij is, ondanks een eerdere afspraak daarover tussen UR en college over de afwikkeling van het risico. Zijn teleurstelling geldt ook het feit dat zijn mede-raadsleden niet bereid bleken hier een hard punt van te maken. Hij vraagt zich af wat de zin is van afspraken met het college als ze niet worden nagekomen, en hij roept ook de raad op zich aan gemaakte afspraken te houden.

Pag. 7 r43 – De UR zal nagaan of de door Te Beest beloofde notitie daadwerkelijk ontvangen is.

Pag. 8 pt. 14f – Poederbrief: Van de niet-bewoners die in het gebouw waren ten tijde van het openen van de poederbrief zijn alleen de studenten ingelicht over de uitkomsten van het onderzoek en niet de medewerkers. Volgens Te Beest zou dat wel gebeurd moeten zijn – hij zal dat nagaan.


4.Arbo-richtlijnen UT (UR 04-369, UR 05-029)

- Werken met kankerverwekkende en reprotoxische stoffen

- Werken tijdens zwangerschap en borstvoeding

De UR stemt in met de Arbo-richtlijnen UT “Werken met kankerverwekkende en reprotoxische stoffen” en “Werken tijdens zwangerschap en borstvoeding”, conform conceptbesluit UR 05-029.


5.Rookbeleid UT (UR 04-415, UR 05-028)

Het college kan zich vinden in het voorstel van Houweling om in de Toelichting “bij voorkeur” te schrappen in de eerste zin van punt 3.

Met betrekking tot de tweede toezegging wijst het college erop dat het aan de gebouwbeheerders is om voorzieningen te treffen, maar het is niettemin bereid te laten nagaan of er mogelijkheden zijn om met geringe middelen binnen gebouwen rokersruimten te creëren.

Bouwman wijst erop dat er kennelijk in meerdere borrelkelders geen rookverbod geldt, waarop Te Beest antwoordt dat in de regeling expliciet wordt aangegeven waar wèl gerookt mag worden – met andere woorden: overal elders mag het niet.


Er vindt een stemming plaats over instemming met het rookbeleid. Uitslag:

Vóór: 12 stemmen

Tegen: 2 stemmen


De UR stemt in met het rookbeleid UT 2005 conform conceptbesluit UR 05-028, met de toevoeging dat in de eerste zin van punt 3 (UR 04-415) “bij voorkeur” geschrapt wordt.


6.Voorstel inrichting kwaliteitszorg op onderzoeksgebied (UR 05-008, UR 05-040)

Het college is het eens met de in het conceptbesluit UR 05-040 geformuleerde eerste toezegging. Inderdaad worden bij te maken keuzes veel meer overwegingen betrokken dan alleen de onderzoeksvisitaties.

En natuurlijk is het zo dat een zorgvuldig (medezeggenschaps)proces moet worden doorlopen als de positie van een leerstoel aan de orde is; volgens Zijm is het niet nodig dat specifiek te omschrijven zoals geprobeerd door de UR in het concept-instemmingsbesluit. Wel zullen de toezeggingen van het college – zoals altijd – verwerkt worden in de collegebesluiten.


De UR stemt in met het voorgenomen besluit over de inrichting van de kwaliteitszorg op onderzoeksgebied conform conceptbesluit UR 05-040, met dien verstande dat de tweede toezegging geschrapt wordt.


7.Concept Instellingsplan (UR 04-386a, UR 04-414, UR 05-027, UR 05-034)

Het college begrijpt de reactie van de UR niet. Becht legt uit dat het college naar het gevoel van de UR in de beantwoording niet meer doet dan slechts op wat kleine facetten ingaan.

Te Beest merkt op dat het college meent wel degelijk op de inhoudelijke punten te zijn ingegaan. Hij wijst erop dat al in meerdere ronden over het Instellingsplan is gesproken en dat het nu alleen nog zou moeten gaan om het zetten van wat puntjes op de i, en niet om een herschrijving.

Ter illustratie van wat de UR bedoelt wordt wat nader ingegaan op onderwerp 9, het verdeelmodel. De afgelopen tijd is duidelijk geworden, aldus de UR, dat het verdeelmodel een enorme impact heeft op de primaire processen. Verwacht wordt dan ook dat op z’n minst de belangrijkste uitgangspunten van het verdeelmodel in het IP ter discussie worden gesteld. Dan is het antwoord van het CvB in de trant van “we zullen het er in het UMT nog eens over hebben” naar de mening van de UR volstrekt onvoldoende. Te Beest antwoordt dat het IP op korte termijn vastgesteld moet worden, terwijl de discussie over het verdeelmodel nog gevoerd moet worden; dan kunnen toch geen uitgangspunten in het IP opgenomen worden die waarschijnlijk t.z.t. nog weer wijzigen? Meijer vraagt zich af waarom dan niet nog even gewacht kan worden met het vaststellen van het IP.


Na een korte schorsing voor intern UR-overleg legt de voorzitter aan het college de vraag voor of er nog ruimte is voor substantiële wijzigingen in het concept-Instellingsplan. Zo ja, dan stelt de UR voor een aparte O&O-commissievergadering in te lassen om met elkaar van gedachten te wisselen en te bespreken waar wijzigingen toegepast zouden kunnen worden. Te Beest vindt “substantieel” een lastig woord; wat het college betreft zijn wijzigingen echter nog wel mogelijk. Hij wijst erop dat het IP een neerslag is van een beleving op een moment in de huidige context; als de nieuwe WHW een feit is, is de context weer anders. Het IP is per definitie een document op hoofdlijnen Brinkman is van mening dat een IP richtinggevend moet zijn, en dat is nu te weinig het geval. Te Beest stelt dat het de bedoeling is te komen tot een IP dat aangeeft waar de instelling de komende jaren naar op weg is, zonder zeker te weten of dat zal lukken gegeven hetgeen er in de omgeving gebeurt; Brinkman is het daarmee eens.

Afgesproken wordt dat er een extra O&O-vergadering uitgeschreven zal worden ter nadere bespreking van de door de UR aangedragen punten met het college.


De voorzitter informeert of het aantreden van een nieuwe voorzitter CvB nog van invloed is op het moment van vaststelling van het IP. Te Beest antwoordt daarop ontkennend.


Tot slot merkt Zijm nog op dat hij als nieuwkomer in de overlegvergadering lichtelijk verbaasd is over de gevoerde discussie. Hij dringt erop aan de discussie op hoofdlijnen te voeren en verzoekt allen ervan overtuigd te zijn dat het college de kritiek van de UR wel degelijk serieus neemt.


De UR stemt vooralsnog niet in met het concept Instellingsplan. In een extra vergadering van de commissie O&O zal met het college nader worden ingegaan op de reactie van de UR op het concept.


8.Gemeenschappelijke Regeling + Implementatie Sectorplan (UR 05-030, UR 05-035)

In reactie op UR 05-035 merkt Te Beest op dat de Gemeenschappelijke Regeling er moet komen, omdat dat zowel in het proces binnen de 3TU is afgesproken als naar buiten toe is aangekondigd. In de relatie met de rijksoverheid is dit een cruciaal onderdeel. Bovendien is er wel degelijk sprake van vooruitgang (waarover later meer). Overigens, als de UR vindt dat het niet snel genoeg gaat zou het vreemd zijn dat te vertalen in het blokkeren van de voortgang op een bepaald dossier.

De CC-fractie vraagt zich af waarom dit proces nodig is en waarom er niet overgegaan kan worden tot een samenwerkingsbijeenkomst. Te Beest wijst erop dat het voorliggende document van alle kanten bekeken is en dat alle partijen het eens zijn over de formulering. Vanavond buigt het voorzittersoverleg zich erover, en als daar is ingestemd zal de regeling worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraden. De overlegcyclus voor Delft en Eindhoven is in maart; voor de UT is dat pas in april, reden waarom het CvB er nu al graag met de UR over wil spreken.


De voorzitter wijst erop dat de UR geen besluit kan nemen zo lang het voorzittersoverleg 3TU niet heeft ingestemd en vraagt de fracties aan te geven of zij een extra interne UR-vergadering noodzakelijk vinden danwel bereid zijn de UR-besluitvorming te mandateren aan het presidium.

UReka: Besluitvorming mandateren aan het presidium.

CC: Extra interne vergadering.

DD: Extra interne vergadering.


Zijm zegt met stomheid geslagen te zijn. Naar zijn mening maakt de UR zich enigszins belachelijk. Immers, er wordt maandenlang gediscussieerd, vervolgens wordt de concepttekst van de GR geaccordeerd, en nu zet de UR daar ineens weer vraagtekens bij.

Meijer stelt dat vanuit de UR aldoor vraagtekens zijn gezet bij de noodzaak van een GR om tot samenwerking te komen. Dat samenwerking op zich tussen de 3 TU’s een goede zaak is, is ook de UR vanaf het begin duidelijk gezien de financiële problematiek en de omstandigheden waarin de TU’s moeten opereren. Het is jammer dat er zoveel tijd is gaan zitten in een uiteindelijk inhoudsloos juridisch document. Liever had de UR gezien dat er vooral was ingezet op inhoudelijke samenwerkingsafspraken op het gebied van de primaire taken om dan vervolgens op basis daarvan een en ander vast te leggen in een gemeenschappelijke of andere regeling. Met andere woorden: de UR gaat liever voor de inhoud dan voor de vorm.

Verder merkt Meijer op dat er nu soms ver voor de groepen uitgelopen wordt; bijvoorbeeld bij het omvormen van de wiskundeopleidingen tot één opleiding: naar de medewerkers toe wordt dit gecommuniceerd als een soort besluit dat alleen nog maar geïmplementeerd hoeft te worden – echter noch op decentraal noch op centraal niveau hebben betrokkenen er hun mening over kunnen geven.

Het stoort Zijm dat kennelijk de gedachte leeft dat de TU-colleges veel tijd verdoen aan juridisch gekeuvel. Er wordt wel degelijk volop aan de inhoud gewerkt. Op veel terreinen echter kunnen geen besluiten genomen worden omdat er geen GR is. Hij vraagt dan ook met klem de medewerking van de medezeggenschap om te voorkomen dat de vooruitgang stagneert.

Te Beest merkt nog op dat een samenwerkingsovereenkomst iets anders is dan een GR. In een GR worden afspraken gemaakt. En: afspraak is afspraak. Met andere woorden: de GR heeft een bindende werking.


Vervolgens noemt het college een aantal trajecten die in gang zijn gezet en een bestuurlijke bedding in de vorm van een GR behoeven om vooruit te kunnen:

3TU innovation lab: Een aantal activiteiten is afgesloten en andere staan op stapel. Er zijn afspraken gemaakt over het harmoniseren van diverse regelingen:

oOctrooien / IPR (intellectual property rights) en de beloning in dat kader. Het is de bedoeling een gezamenlijk contract te sluiten met een aantal octrooibureaus om intellectuele eigendom “uit te licentiëren”.

oHet gezamenlijk optuigen van een geharmoniseerde TOP-regeling van de 3TU.

oBeleidsexperimenten: De 3TU krijgen van EZ onder de conditie van een samenwerkingsverband ruimte om ieder een project op te zetten, dat vervolgens een project wordt van de 3 universiteiten. Voor de UT betreft dat de samenwerking met het MKB (toegankelijk maken van universitaire kennis voor het MKB). Een voorbeeld is de technostarterregeling: er kunnen additionele projecten ingediend worden die aan elkaar gelinkt zijn.

oDe 3TU zouden wel eens kunnen worden aangewezen in het kader van het beleid Kansrijke Zones. In dergelijke zones is de regelgeving minder stringent teneinde ruimte te geven aan vernieuwing.

oEr is een toezegging van EZ dat de 3TU samen één leerstoel krijgen op het gebied van internationaal ondernemerschap.

oEr zijn gezamenlijke onderhandelingen gaande met de grote ondernemingen in Nederland over aio-tarieven, over IPR etc.

Er zijn dus veel dingen gaande die gezamenlijk worden opgepakt, en omdát dat gezamenlijk gebeurt wordt er meer ruimte geboden, is er concurrentievoordeel te behalen en wordt naar de buitenwereld toe duidelijk gemaakt dat de 3TU willen samenwerken om daadwerkelijk iets te bereiken.


Zijm gaat in dit verband ook nader in op de samenwerking op het gebied van onderwijs en onderzoek:

3TU Graduate School:

In Nederland wordt in toenemende mate met het ministerie van OC&W discussie gevoerd over de macrodoelmatigheid van opleidingen. Als opleidingen te klein zijn krijgen ze geen accreditatie dan wel raken ze die kwijt. De minister staat geen enkele nieuwe opleiding toe tenzij die door de 3TU wordt ingebracht. Op dit moment wordt gewerkt aan 6 nieuwe opleidingen in 3TU-verband waarvoor accreditatie verworven moet worden. Vreemd in dit verband is dat de 3TU op dit moment geen rechtspersoon is – de GR kan daarbij helpen. En dat geldt ook voor bestaande opleidingen die zich (vanuit het oogpunt van de macrodoelmatigheid) in de gevarenzone bevinden, zoals chemische technologie en toegepaste wiskunde. In die opleidingen zal dus ook samengewerkt moeten worden. Daarom wordt bijvoorbeeld nadrukkelijk gestreefd naar een gezamenlijke technische wiskundeopleiding.

Er zijn ook gezamenlijke activiteiten te noemen die al behoorlijk ver gevorderd zijn, zoals landelijke toelating tot de mastersopleidingen, drempelloze doorstroming bachelor/master, invoering beta-beurzen e.d. Ook zijn er diverse werkgroepen bezig rondom de flexibilisering van het bacheloronderwijs, voorlichting, marketing, internationalisering etc. En uiteindelijk is het ook de bedoeling de ICT-ondersteuning gezamenlijk vorm te geven door de colleges op meerdere plaatsen toegankelijk te maken.

Ook het onderzoek is een heel wezenlijk punt. Twente loopt daarin enigszins voorop en is bezig te bepalen welke speerpunten gekozen worden en hoe dat vertaald kan worden in acties. In dat kader is door het ministerie van OC&W geld beschikbaar gesteld voor de nieuwe opleidingen en het 3TU Institute of Science and Technology.

Heel belangrijk is de discussie rondom de technologische topinstituten. Als de 3TU niet vergaand samenwerken en dat vastleggen in een GR “vechten ze elkaar de tent uit”. Het 3TU-overleg is leidend in de tti-discussie, en de GR is noodzakelijk om te laten zien dat het de universiteiten ernst is.


Meijer vraagt of de GR niet juist een beperking vormt omdat er geen bevoegdheden in zijn neergelegd. Immers, besluitvorming zal steeds op universitair niveau moeten plaatsvinden. Zijm beaamt dat de bevoegdheden bij de instellingen blijven. Het is echter noodzakelijk te laten zien dat het de universiteiten ernst is met de samenwerking, en de GR biedt daartoe de mogelijkheid.

Op een vraag van Becht wordt geantwoord dat het niet zo is dat de GR de bevoegdheden van de lokale instituties uitholt. Wel is het zo dat, als vanuit het 3TU-overleg de richting wordt aangegeven, men van goeden huize moet komen om het anders te laten zijn. Als alle besluitvormingsprocessen doorlopen zijn, zijn het de 3TU-voorzitters die bepalen wat er gebeuren gaat.


Na deze uitgebreide toelichting en discussie legt de voorzitter aan de fracties de vraag voor of nut en noodzaak van de GR naar hun mening nu aangetoond zijn.

CC: Nut en noodzaak zijn duidelijk. Echter nog wel graag intern fractieoverleg.

UReka: Nog steeds overtuigd van nut en noodzaak.

DD: Nut en noodzaak zijn duidelijk.

Nadat CC tijdens een korte schorsing de gelegenheid heeft gekregen intern fractieoverleg te plegen wordt het volgende besloten:


De UR mandateert de besluitvorming ten aanzien van de Gemeenschappelijke Regeling aan het presidium.


Afgesproken wordt vervolgens dat het college de UR met enige regelmaat, bijvoorbeeld driemaandelijks, op de hoogte houdt van de voortgang in het 3TU-proces.


9.Invulling bezuinigingstaakstellingen EWI, BBT en TNW 2005 (UR 05-036)

Te Beest hoopt in april informatie te kunnen verstrekken over de structurele situatie waarop de faculteiten BBT, EWI en TNW zich prepareren en over de wijze waarop zij de structurele bezuinigingen willen realiseren. De bezuinigingstaakstelling voor dit jaar is als volgt:

EWI – k€ 700

BBT – k€ 800

TNW – k€ 600.


10.Arbo en milieujaarverslag 2003 (UR 04-409, UR 05-039)

Het college is het volkomen eens met de UR dat er sprake is van nalatigheid in de informatieverstrekking inzake arbo en milieu, en trekt zich dat aan. Er wordt momenteel hard gewerkt aan het Arbo en milieujaarverslag 2004. Het college zegt toe dat in mei zowel het jaarverslag 2004 als het jaarplan 2005 met de UR besproken zal worden. Mocht aan die afspraak onverhoopt toch niet voldaan kunnen worden, dan zal de UR daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd worden.


11.Schriftelijke rondvraagpunten (UR 04-395)

11a. Salarisverschillen tussen aio’s en oio’s

Het college zal hier schriftelijk op terugkomen.


11b. Devaluatie van pc-tegoedbon van promovendi

Het college zal hier schriftelijk op terugkomen.


11c. CCO

Ook Zijm vindt dat er wat de CCO betreft sprake is van een oneigenlijke constructie. Hij zal nog deze week aan de decanen voorstellen de CCO te laten bestaan uit 5 opleidingsdirecteuren en 2 studentleden; daarnaast zou hij de directeuren van drie betrokken (diensten ITBE, Disc en Bureau Communicatie) bij de CCO-vergaderingen willen uitnodigen als toehoorders die wel kunnen meediscussiëren maar geen stemrecht hebben. De voorzitter zou wat hem betreft een opleidingsdirecteur moeten zijn – hij wil het aan de CCO laten dat te regelen. Concreet betekent dit dat het CvB niet meer aanwezig zal zijn bij de CCO-vergaderingen.

De CCO heeft twee taken: beleidsuitvoering en beleidsadvisering. Naar het oordeel van Zijm berust het primaat voor het onderwijs bij de decanen – hij zou dan ook graag zien dat vanuit de CCO door de betrokken opleidingsdirecteuren wordt teruggekoppeld naar de decanen, zodat zij weten waarover in de stuurgroep Onderwijs verder gediscussieerd dient te worden. Tegelijkertijd stelt hij zich voor dat hijzelf als voorzitter van de stuurgroep Onderwijs wordt geïnformeerd door de voorzitter CCO over de uitgebrachte adviezen.


Ten slotte verzoekt Zijm de UR met een voordracht te komen voor de twee studentlidmaatschappen.


11d. Robotica-instituut

Zijm: Er is een voorstel gedaan voor een technologisch topinstituut, een robotica-instituut ofwel het Biocompatible Systems Institute (BSI). In het voorstel wordt onder meer gesproken over de aantallen onderzoek-fte’s die ingebracht zijn. Op het moment dat de status van tti wordt toegekend zal het CvB moeten aangeven dat bepaalde toezeggingen gestand zullen worden gedaan; er is echter nu nog geen enkele sprake van een formele toezegging.

Dit thema wordt meegenomen in het 3TU-overleg. Als daar acties uit voortvloeien zal ook de UR daarover geïnformeerd worden.

Zijm merkt op dat er allerlei vormen van voorstellen voor tti’s circuleren. Daarbij zouden dezelfde vragen gesteld kunnen worden als nu t.a.v. het BSI. Hij zegt toe dat, wanneer dergelijke voorstellen zouden worden gerealiseerd (dat zal zeker niet eerder dan in 2006 zijn) en er in formele zin gevolgen zouden zijn voor capaciteitsinzet of financiële toezeggingen, de UR daar tijdig over geïnformeerd zal worden.


11e. Evaluatie huisartsenvoorziening

Het college zal nog in februari zorgen voor gerichte informatie aan de doelgroep inclusief buitenlandse studenten, begeleiders, studieadviseurs, verwijzers, en wel door middel van een verbeterde website, betere verwijzing, een brochure (en dat alles tweetalig).


11f. Huisvestingsproblematiek studieverenigingen

Te Beest: De huisvesting van studieverenigingen is een zaak van de faculteiten (decanen). Uiteraard wordt een en ander bezien mede in het kader van de bezuinigingen en de ontwikkelingen in het vastgoedplan. Uit de door faculteiten ingediende plannen blijkt dat er wel degelijk rekening wordt gehouden met ruimte voor studieverenigingen.

Het college zegt toe bij de decanen te zullen informeren hoe zij hiermee omgaan en de UR daarover inlichten.

Van der Mark legt nogmaals de nadruk op de nijpende situatie van Paradoks, die een veel te kleine ruimte tot haar beschikking heeft en waarvoor snel verbetering noodzakelijk is.


11g. Vestiging Friesland

Zijm: Uiteraard verkeren betrokkenen in een precaire positie. Ontslag is echter niet aan de orde. Overigens zou dat ook pas kunnen als er volstrekte helderheid is over de toekomst van de vestiging Friesland. Het opheffen van functies is een lokale aangelegenheid. Als zou worden besloten tot een reorganisatie van EWI is er geen sprake van een lokale aangelegenheid, omdat het gaat om vergelijkbare functies die ook op de Enschedese campus een rol zouden kunnen spelen en dan dus moeten worden meegenomen in een grotere pool.


11h. Memorandum of Understanding KPN

Te Beest: Het MOU schaadt geen relaties met anderen. Over de projecten is nog niet gesproken – de stuurgroep komt binnenkort voor het eerst bijeen.


11i. VIST

Er zijn meerdere redenen, aldus Zijm, voor het niet goed functioneren van het VIST, waaronder het te laat of helemaal niet invoeren van gegevens. De verbeterde informatievoorziening aan studenten heeft prioriteit, en daarmee ook de zoekfunctie.

Desgevraagd geeft Zijm aan dat er geen mogelijkheid is om docenten te “dwingen” tijdig informatie aan te leveren. Maar hij vindt dat wel over maatregelen nagedacht zou moeten worden – wellicht zou er iets ingebouwd kunnen worden in een kwaliteitszorgsysteem.

Brinkman denkt dat dit soort informatievoorziening over te veel schijven loopt, waardoor docenten op veel verschillende punten informatie moeten aanleveren. Er zou een betere coördinatie of koppeling moeten komen. Zijm zegt toe na te zullen denken over mogelijkheden voor rechtstreekse toegang voor docenten tot VIST.


11j. “Ruim baan voor talent”

Te Beest vertelt dat de subsidie vooralsnog is afgewezen, tot verbazing van het college. Gepoogd zal worden in de volgende tranche wel aan de beurt te komen.


12.Rondvraag

Van de rondvraag wordt geen gebruik gemaakt.


13.Sluiting

De voorzitter sluit om 17.10 uur de vergadering.