verslag

van 2004 04 06

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 6 april 2004

Aanwezig:

Leden UR:

Becht, Van Benthem, Berends, Brinkman, Hartsuiker, Houweling, Huisman, Krol, Meijer, Van Rijn, Schrama (vz), Vinke, Wallinga-de Jonge, Wispels, Wormeester

College van Bestuur:

Te Beest, De Jong, Van Vught

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)

Afwezig:

Boersma, Borggreve, Bulter (allen m.k.)



1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 13.35 uur de vergadering.


De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

UReka

UReka is zich zeer bewust van het feit dat de UT zich in een krappe financiële situatie bevindt. Het is Te Beest weliswaar gelukt een mooie lening voor het Vastgoedplan af te sluiten, maar toch wil UReka het college graag iets meegeven om eens een extraatje te kunnen betalen. Wispels overhandigt Te Beest een spaarvarken met inhoud en een hamer om het beest kapot te slaan. Het varken gaat vervolgens rond voor een duit in het zakje van de raad.

Staatssecretaris Nijs is op 13 april a.s. (na het vervallen van een eerdere afspraak op 23 maart) aanwezig bij een openbare discussiebijeenkomst met betrekking tot onder meer studiefinanciering. UReka nodigt allen uit hierbij aanwezig te zijn.


Van Vught

Het HOOP is in de Tweede Kamer behandeld. Ook voor de UT zal dat gevolgen hebben. In dat kader zal wellicht ook bij de drie TU’s de collegegelddifferentiatie een rol gaan spelen.

Hij zal na 1 februari 2005 niet beschikbaar zijn voor een verlenging van zijn benoeming als rector magnificus van de UT en lid/voorzitter van het college van bestuur.


Voorzitter

Schrama staat kort stil bij de aankondiging door Van Vught van zijn vertrek. Het presidium van de UR heeft het erg op prijs gesteld te hebben behoord tot degenen die vóór de algemene bekendmaking al op de hoogte zijn gebracht van dit besluit. Hiermee is tevens het begin van het einde van een tijdperk voor de UT aangekondigd. In het tijdperk Van Vught is de medezeggenschap onder de MUB vormgegeven. De UR heeft niets cadeau gekregen. Het is nu zo’n zeven jaar later en er is een goede verstandhouding ontstaan. Schrama hoopt dat de UT-gemeenschap iets heeft aan hetgeen gezamenlijk tot stand is gebracht, en dat op 1 februari 2005 gezegd kan worden dat het gelukt is nog enkele grote zaken, zoals het Sectorplan Wetenschap & Techniek en het Instellingsplan, naar tevredenheid van alle partijen te regelen.


3a. Verslag van de overlegvergadering van 24 februari 2004 (UR 04-078)

Voor alle genoemde afwezigen geldt dat zij met kennisgeving ontbraken.

Pag. 1, r.28: „conform de voorstellen van de WR uitgewerkt worden.”

Pag. 4, r.31/32: “hoe het in dit kader zit met de homologatieprogramma’s voor niet-EER studenten die een kortere bacheloropleiding doen in voorbereiding op een master aan de UT.

Pag. 4, r.41: “een deel van de Tuition fee betaald moet worden.”

Pag. 4, r.43: “tijdens het informele overleg dat vrijdag plaatsvindt.”

Pag. 4, r.47: “Berends geeft aan dat het Studenten Statuut ook geldt voor buitenlandse studenten.”

Pag. 4, r.54: “Schrama geeft aan dat hij aansluitend aan dit overleg een kort intern beraad wil beleggen.”


Met inachtneming van deze opmerkingen wordt het verslag vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 1, r.30-32: De rapportage van de Wetenschappelijke Raad is nog niet binnen.

Pag. 5, r.26 e.v. – Benoeming WD IBR: Onlangs is er een instituutsraad ingesteld onder leiding van voorzitter Erwin Seijdel. Deze zal een kennismakingsgesprek hebben met de beoogde WD om met hem te spreken over diens visie op het onderzoek, waarna een uitspraak van de instituutsraad zal volgen.

Wallinga-de Jonge: Het is jammer dat het interne beraad in aansluiting aan de vergadering heeft plaatsgevonden zonder verslaglegging, waardoor gemaakte afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd.


3b. Verslag vertrouwelijk deel overlegvergadering van 24 februari 2004 (UR 04-101)

Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.


4.Aanpassing regeling financiële ondersteuning studenten

a. Regeling garantiebeurzen en b. Regeling topsporters (UR 04-089, UR 04-103)

De UR stemt in met het voorgenomen CvB-besluit en het opnemen van de aldus gewijzigde Regeling garantiebeurzen en Regeling ondersteuning topsport in het Studentenstatuut van de UT, conform het concept-instemmingsbesluit UR 04-103.


5.UR-advies Personeelsbeleid (UR 04-091-v4)

De Jong gaat in op het initiatief-advies van de UR en zegt in algemene zin daarmee zeer te zijn ingenomen. Het bevestigt de hoofdlijnen die in de Nota Personeelsbeleid aan de orde worden gesteld. De vragen die door de UR zijn geformuleerd zullen het CvB kunnen helpen bij de verdere uitwerking van de nota. Het college zal nog met een schriftelijke reactie komen. Op enkele punten gaat hij alvast heel kort in:

UFO / indelingscriteria: De Jong leest dit als een soort verwijzing naar de noodzaak om met competentieprofielen te komen.

Seniorenbeleid: In de CAO zijn daarover hele duidelijke afspraken gemaakt en ook is erover gesproken in het OPUT. In de komende tijd zal er ongetwijfeld nog nadere discussie plaatsvinden.

Kwaliteitsrapport: Het is heel belangrijk aandacht te besteden aan kwaliteitsaspecten in samenhang met het personeelsbeleid. In de komende maanden zal er een uitgebreide versie van een kwaliteitsborgingssysteem verschijnen.

Openbaarheid managementcontracten e.d.: Onderdeel van het kwaliteitsborgingssysteem zal zijn het adequaat omgaan met rapportages over geleverde prestaties (en dan gaat het in algemene zin over het kwaliteitsbeleid).

Bij projecten waarin het personeelsbeleid vorm krijgt dienen medewerkers vanuit PAO en faculteiten betrokken te worden. Voorts zal voortgegaan worden met rondetafelgesprekken binnen de universitaire gemeenschap, zodat de verschillende personeelsgeledingen betrokken blijven bij de verdere ontwikkelingen van het personeelsbeleid. Hij kan zich zelfs voorstellen dat dergelijke rondetafelgesprekken een wat permanenter karakter krijgen, want er valt veel uit te leren.


Meijer stelt voor de schriftelijke reactie van het college te laten bestaan uit de opstelling van het beleidsdocument. Aldus wordt afgesproken, waarbij wordt besloten de discussie over de details van het UR-advies door te schuiven naar het moment waarop dat document – de Nota Personeelsbeleid – gereed is.


6.Vaststelling collegegeldtarieven en Inschrijvingsregeling UT 2004-2005 (incl. Tuition Fee) (UR 04-088, UR 04-098, UR 04-095)

Standpunt UR: Instemmingsrecht op deelregelingen van het studentenstatuut inzake financiële ondersteuning van studenten (niet vallend onder art. 7.51 WHW), en adviesrecht op overige deelregelingen.

Standpunt CvB: Instemmingsrecht op de volledigheid van het statuut.

Volgens De Jong gaan de stukken waarin volgens de UR afspraken zijn vastgelegd, vooraf aan nadere besluitvorming over het reglement.

Hij is het ermee eens dat er adviesrecht geldt t.a.v. de voorliggende regeling. Daarbij gaat het nadrukkelijk niet om vaststelling van tarieven, maar primair om de procedure die wordt gehanteerd.

In reactie hierop stelt Meijer voor dan maar een geschil aan te gaan op grond van het niet gegeven recht om hierop advies uit te oefenen.

Wallinga-de Jonge is van mening dat de UR uitvoeriger geïnformeerd dient te worden over het gevoerde overleg over dit onderwerp tussen griffie en ondersteuning van het college. De voorzitter acht dat niet noodzakelijk; tijdens dat overleg zijn documenten getoond waarin duidelijk staat dat het college het convenant van destijds (t.a.v. adviesrecht voor de UR) erkent. En nu wil de UR van dat adviesrecht gebruik maken.

De Jong stelt vast dat er afspraken over instemmings- en adviesrecht zijn gemaakt en dat de UR nu een uitbreiding voorstelt richting de tarieven. Wat het college betreft is die uitbreiding niet aan de orde.

Meijer merkt op dat de UR hoe dan ook adviesrecht heeft, is het niet nu dan is het op het moment dat de collegegelden onderdeel uitmaken van de begroting.


Ten aanzien van het onderdeel B van UR 04-098 (adviesrecht in het kader van oprichting van / deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen) stelt De Jong dat de tekst zodanig ruimhartig is dat hij slaat op allerlei activiteiten die tot de bevoegdheid van het college behoren, hetgeen tot gevolg heeft dat het voor het college niet aanvaardbaar is een dergelijke formulering in het reglement op te nemen. Het CvB is wel gevoelig voor het argument om medezeggenschap op beleidsontwikkelingen mede mogelijk te maken voor wat eventueel in privaatrecht-vorm gegoten wordt, en stelt voor buiten de vergadering om nog eens exact vast te stellen waar het precies om gaat.


De volgende afspraken worden gemaakt:

De UR heeft adviesrecht ten aanzien van de inschrijvingsregeling.

Over de medezeggenschapsrechten ten aanzien van de collegegeldtarieven dient nader gesproken te worden, evenals over de medezeggenschapsrechten in het kader van oprichting van / deelneming in privaatrechtelijke rechtspersonen.


Wormeester vraagt zich af wat er gebeurt als er uiteindelijk toch een geschil zou worden aangegaan en de UR in het gelijk zou worden gesteld – is er dan op dat moment geen regeling en dus geen inschrijfgeld? De Jong stelt dat dan wordt teruggevallen op het wettelijk voorgeschreven inschrijfgeld. Wormeester meent dat dat niet geldt voor niet-EER studenten.


Vervolgens wordt ingegaan op UR 04- 095, waarin de UR enkele aandachtspunten noemt m.b.t. de collegegeldtarieven en de inschrijvingsregeling.

Collegegeldtarieven:

De Jong: In het algemeen wordt benadrukt dat er met het herziene besluit met name over de tarieven voor de niet-EER studenten ook ruimte is gecreëerd om binnen de instelling nader te overleggen over de tuition fee. Een CCO-werkgroep gaat zich buigen over de toekomst van de tuition fee. De daartoe te geven opdracht is vrij ruim, met dien verstande dat een tarief van € 8.100 uitgangspunt is. Uiteraard zal er aandacht moeten zijn voor het feit dat zo’n tarief voor bepaalde studenten problemen zal geven, dus moet ook nagedacht worden over een overgangsregeling. Aan de voor het komende jaar reeds ingeschreven studenten wordt de situatie bij de UT duidelijk toegelicht.

Uitgangspunt voor de hoogte van de tuition fee zijn de kosten die gemaakt worden voor niet-EER studenten. In de komende tijd zal bekeken moeten worden welke speelruimte er is en wat de UT precies wil. De huidige trend impliceert dat ook het maken van winst (extra inkomsten t.b.v. het onderwijs op basis van collegegelddifferentiatie) wellicht tot de mogelijkheden behoort. Dat kan dus eventueel ook leiden tot een gedifferentieerd tarief voor verschillende opleidingen. Daarmee zou eens geëxperimenteerd kunnen gaan worden. Den Haag is daarin zeer geïnteresseerd.

Wat de ontwikkelingen rond vergoedingen voor niet-EER studenten betreft: ook het college heeft zich verzet tegen het achterwege blijven van bekostiging. Definitieve besluiten zijn er nog niet – wellicht komt er nog wat beweging van de kant van het departement.


Inschrijvingsregeling:

Het college is zich in brede zin aan het beraden op een kwaliteitsborgingssysteem waarin ook dit thema een rol zou moeten spelen.

Wallinga-de Jonge merkt op dat de behandeling van het HOOP 2004 nog behoorlijk wat impact kan hebben op de discussie die binnen de universiteit loopt. Kan dat ook nog leiden tot een gewijzigde opdracht aan de commissie? Er zal wel een besluit genomen moeten worden, omdat eventuele overgangsmaatregelen inhoudelijk goed beschreven moeten worden, opdat er helderheid is voor de studenten waarop zij hun besluit om hier te komen studeren kunnen baseren. Is al meer bekend over mogelijke resultaten van het Innovatieplatform?

Van Vught vertelt dat het Innovatieplatform zich niet rechtstreeks bezig houdt met reductie van collegegeldtarieven. Waarschijnlijk vindt het platform de differentiatie wel een goed idee, maar daar zal ze het bij laten. De uitwerking is in eerste instantie aan de instellingen zelf. Hij zou zich kunnen voorstellen dat in het kader van het 3 TU-overleg iets dergelijks wordt voorgesteld.

De Jong: Een van de dingen die niet goed zijn gegaan is de timing van de discussie over de tuition fee. Er wordt nu van uitgegaan dat vóór de zomervakantie concrete uitspraken gedaan kunnen worden. In de eerstkomende CCO-vergadering zal met de opleidingsdirecteuren gesproken worden over het type experimenten dat uitgevoerd zou kunnen gaan worden.


De CC-fractie zou graag meer informatie willen hebben over hoe een tarief tot stand komt. Persoonlijk is Van Rijn van mening dat opgepast moet worden dat het winstgevend maken van onderwijs middels het collegegeld niet leidt tot “rijke” en “arme” universiteiten.

De Jong: De opzet is om d.m.v. de experimenten meer gevoel te krijgen voor de effecten van de prijsstelling op het onderwijs. Wat de toegankelijkheid van het onderwijs betreft: Ook het CvB vindt dat de prijzen ervoor moeten zorgen dat het bacheloronderwijs zo toegankelijk mogelijk is. M.b.t. het masteronderwijs moet wel heel goed bekeken worden hoe dat in de komende periode in de markt wordt gezet. Het is een gegeven waar het hoger onderwijs nu eenmaal mee te maken krijgt.

Van Vught: De concurrentie in Europa zal toenemen op het gebied van academisch onderwijs, en dan vooral op het terrein van masteronderwijs. De internationale ervaring leert dat het koppelen van een hogere tuition fee aan een goed toegankelijk beurzenstelsel een opdrijvende werking heeft op het prestige van een opleiding. Het gaat niet zozeer om het maken van winst, maar er moet ook geen verlies op geleden worden. De experimenten dienen om de grens te kunnen vaststellen.


Wormeester vindt experimenten gevaarlijk, omdat er op dit moment sprake is van enorme fluctuaties in de inschrijvingen – verificatie zal dan ook erg lastig zijn. Naar zijn mening moet het instellen van een beurzenstelsel minimaal gelijktijdig met het opschroeven van het collegegeld gebeuren, en misschien nog wel eerder. De Jong stelt dat het de bedoeling is met de experimenten – door bepaalde bewegingen te maken – het gevoel te krijgen wat de effecten zijn voor de instroom en wat het betekent voor de statuur van de opleiding. Dat hangt ook samen met de vraag van de prijsstelling in relatie met de mogelijkheden voor studenten om op een of andere manier hun studie bekostigd te krijgen. Ook moet duidelijk worden of het bedrijfsleden bereid is te gaan investeren in hoger onderwijs en onderzoek (er zijn wat dat betreft wel wat stemmingsveranderingen gaande).


Berends merkt op dat studenten die vóór 1.9.2004 ingeschreven staan en de mensen die een verkort bachelorprogramma volgen hierdoor niet geraakt mogen worden, waardoor zij hun master niet meer kunnen afronden die zij gepland hebben aansluitend aan hun bachelor. Hij vraagt daar aandacht voor. Veel hangt af van de manier waarop het nieuwe studiefinancieringsstelsel vorm wordt gegeven. Dat is nog erg ongewis; het ziet er niet naar uit dat daar meer geld voor beschikbaar komt. In dat kader is het Twente Scholarship Program heel belangrijk. Er dient dan ook maximale aandacht te gaan naar het verwerven van dat soort middelen.


Wallinga-de Jonge is blij dat het erop lijkt dat bedrijven bereid zullen zijn gelden bij te dragen. Anderzijds meent zij dat het zich ook aftekent dat bedrijven op zich niet zoveel geld beschikbaar hebben voor het ondersteunen van onderzoek en onderwijs; men zal dus keuzes moeten maken. Wordt alles goed gecoördineerd? Het zou immers heel zuur zijn als de onderwijsgelden die worden binnengehaald negatief bijdragen aan de gelden die binnenkomen voor het onderzoek. De Jong antwoordt dat dit in het oog gehouden moet worden, maar dat er voor de UT geen gevaar van tegenwerking is. Het Scholarship Program krijgt segmenten waar verantwoordelijkheden liggen bij de opleidingen die er gebruik van willen maken. Maar ook centraal moet het goed kunnen.


De voorzitter merkt op dat uiteraard gewerkt moet blijven worden aan kwaliteitsbeleid, maar wil graag de toezegging dat ook Nederlandstalige studenten die geen VWO-diploma hebben aan een toets worden onderwerpen (om schadelijke effecten voor het niveau van de opleiding te voorkomen). De Jong antwoordt dat dat voor het komende jaar nog niet de bedoeling is, vanuit de vooronderstelling dat de studenten die binnenkomen op een adequaat niveau de taal beheersen. Wat wel aan de orde is, is dat zal worden nagedacht over de vraag hoe de totale inschrijvingsprocedure voor zowel bachelor als master georganiseerd gaat worden. Op dat punt komt er binnenkort een advies vanuit een CCO-werkgroep; hij stelt voor dat af te wachten alvorens stappen te zetten zoals door de UR in UR 04-095 genoemd. UReka kan zich daarin vinden – later kunnen nadere eisen gesteld worden. De voorzitter merkt op dat de consequentie is dat de UT met ingang van het komende studiejaar wel de Engelse taalvaardigheid van masterstudenten wil gaan toetsen, maar niet die van Nederlandstalige studenten – hij ziet daarin een element van ongelijkheid. Houdt de college wel de mogelijkheid open in de toekomst iedereen aan zo’n toets te onderwerpen? De Jong acht het vanzelfsprekend dat die ingevoerd gaat worden. Er is nu een transitie naar het bama-stelsel gaande. Het college wil eerst het totaal van het systeem van kwaliteitsborging goed organiseren. Overigens wordt in de verstrekte informatie wel aangegeven dat van alle instromers wordt verwacht dat zij Engels op VWO-niveau beheersen om de opleiding met succes te kunnen afronden.


De UR adviseert positief ten aanzien van de aanpassing van de Inschrijvingsregeling UT.


7.Sectorplan Wetenschap en Technologie (UR 04-071, UR 04-104)

Ter vergadering wordt uitgedeeld de formele adviesaanvraag aan de Universiteitsraden van de drie technische universiteiten d.d. 31 maart 2004.

Op de vragen gesteld in UR 04-104 antwoordt Van Vught als volgt:

De 3 TU committeren zich aan wat in inhoudelijke zin in het Sectorplan is opgeschreven. Dat betekent dat het beeld van een federatie van de 3 TU het richtinggevende perspectief op dit moment is. Er wordt van buiten de UT ook wel aangegeven dat een extra stap nog mogelijk is, maar dat neemt niet weg dat er op dit moment geen andere afspraken zijn gemaakt dan de afspraak te streven naar een federatie. Dat sluit overigens niet uit dat er t.z.t. een verdergaande bestuursvorm zou kunnen gaan ontstaan.

Wat de afstemming op eindtermen betreft zullen de 3 TU zich houden aan de wettelijke kaders. Meer kan daar nu niet over gezegd worden. In het kader van de implementatieplannen zullen dergelijke onderwerpen aan de orde komen.

Het is nog relatief vroeg om de implicaties te kunnen aangeven van de afstemming, focussing en (her)prioritering van het onderzoek. In de komende jaren zal er langzaam maar zeker meer duidelijkheid ontstaan. Het getal van 1440 fte is niets anders dan een statistisch beredeneerd getal op basis waarvan naar de staatssecretaris toe de financiële claim is geformuleerd. In die 1440 fte zitten drie categorieën fte’s: mensen die wegens de afstemming een andere functie bij een andere universiteit zouden kunnen aanvaarden, mensen die vanwege de afstemming een andere onderzoeksoriëntatie moeten gaan doen en mensen die eventueel zouden vertrekken/verhuizen. Veel meer kan daar op het moment niet over gezegd worden.


Wormeester: Heel positief vindt hij de afstemming bachelor/master. De nadere specificatie van de “doorzettingsmacht” in de adviesaanvraag van 31.3.04 (voorgenomen besluiten) is helder. Tegelijkertijd kan men zich afvragen wat het betekent als er verschillende resultaten komen uit een voorgenomen besluit; het zou immers kunnen zijn dat een lokale RvT niet wil meewerken. Het woord “federatie” heeft bepaalde implicaties; het feit dat er nog geen vaste overtuiging is dat het die kant op moet kan op termijn grote wrijvingen gaan geven, ook in het geval van voorgenomen besluiten. Daar moet dan ook zo snel mogelijk helderheid over komen. Een soort super-CvB lijkt hem geen goede zaak toe. Het is immers essentieel dat een CvB ook een directe relatie heeft met de werkvloer – bij een fusie zou dat heel moeilijk worden. Verder is Wormeester van mening dat er snel duidelijkheid moet komen t.a.v. de afstemming, focussing en (her)prioritering van het onderzoek en het getal van 1440 fte. Waar hebben we het precies over? Waar willen we eigenlijk heen met de UT? Hoe kunnen de speerpuntinstituten onderdeel zijn van een reshufflingsoperatie?

Van Vught: In de komende periode zal moeten worden nagedacht over de verdere vormgeving van de besluitvormingstrajecten, en over arbitragemogelijkheden, het formuleren van spelregels (bijvoorbeeld de rol van de RvT) etc. Wat een fusie / federatie betreft: in Engeland is men al verder; daar zijn enkele fusies gerealiseerd, en ook zijn er een paar niet gelukt. Bij een federatie zou gedacht kunnen worden aan het Amerikaanse statensysteem: drie locaties met drie locatiebesturen en iets van een coördinerend stelselbestuur (een overkoepelend bestuurlijk gremium). Er zijn allerlei varianten denkbaar. Er is nu geen afspraak dat er een fusie zal komen. De UT zou best zo ver willen gaan, maar de beide andere universiteiten niet. Over de doelstelling van een federatie is men het wel eens.

Te Beest. Wat die 1440 fte betreft: dit betreft alle personeelscategorieën. Hij stelt dat er uiteraard natuurlijk verloop is, en dat daarnaast Eindhoven en Twente al een grote herstructurering van het dienstverleningsproces achter de rug hebben, hetgeen gunstig is. Het is een statistisch getal (uitgaande van herprioritering in de periode 2002-2010 van 12 tot 15% van de eerstegeldstroom), niet gealloceerd naar locaties en soort personeel.

Van Vught merkt verder op dat de concentratiebewegingen in Twente het verst zijn gevorderd; de UT is het langst bezig met het speerpuntenbeleid en met het tegengaan van versnippering in het onderzoek. Als dat zou worden opgegeven zou er sprake zijn van afbraak van ingezet beleid, en dat wordt niet nagestreefd. Maar er zou wel nagedacht kunnen worden of de aard van het onderzoek in de speerpuntgebieden op eenzelfde onderzoeksveld bij de drie universiteiten verschillend kan worden ingezet. Van Vught denkt dat op dat soort afspraak afgekoerst wordt. De UT weet heel goed waar haar krachten zitten en welke gebieden wat meer aan de randen zitten van het speerpuntenonderzoek en welke heroriëntatie zou kunnen worden gedaan binnen het speerpuntenbeleid.


Van Benthem vindt dat alles wat emotieloos verloopt. UT-ers zijn er trots op om hier te werken en ergens voor te knokken. Maar in het proces wordt heel koel gepraat over het eigenlijk opheffen van de identiteit. Een fusie kan hij zich voorstellen, maar niet een federatie. Van Vught merkt op dat het niet zo emotieloos en koel is. Bij een samengaan van meer kwaliteit kan men zich voorstellen dat de nieuwe organisatie een hele belangrijke speler kan worden in Europa, en dat men daar heel trots op kan zijn.

Wallinga-de Jonge zou zich kunnen voorstellen dat het CvB aan de UR specifieke en voor de UT belangrijke aandachtspunten kan meegeven ten behoeve van het uit te brengen advies. Volgens Van Vught zijn er nog niet veel punten waar echt zorg over bestaat. Bovendien moet voorkomen worden dat de langzaam gegroeide gemeenschapszin wordt aangetast. Op dit moment is de gemeenschappelijkheid heel belangrijk.

De Jong merkt op dat de discussie over de 3 TU in belangrijke mate een debat van technische aard is. Het zijn organisaties die gaan samenwerken. Maar er moet ook geaccentueerd worden vanuit welke motieven dat gebeurt: Nederland als open samenleving, waaraan de UT een belangrijke bijdrage moet leveren. Die bijdrage moet ook internationaal waargemaakt worden.


De voorzitter informeert of er is afgesproken dat alle drie de universiteiten in dezelfde mate veranderen t.o.v. 2002 en of er afspraken zijn over een tussentijdse evaluatie. Van Vught: De UT had in 2002 al speerpuntinstituten. Als in 2010 blijkt dat ook bij de UT 12 tot 15% is omgebogen, dan kan dat nog steeds met vier speerpuntinstituten. Maar er waren ook in 2002 onderzoeksactiviteiten die niet in de speerpuntinstituten waren ondergebracht en waarvan wellicht in 2011 geconstateerd kan worden dat de UT daar minder van heeft. Er zal inderdaad op zeker moment worden afgerekend. Of dat voor elk van de drie universiteiten in gelijke mate zal zijn: daar zijn geen afspraken over gemaakt, maar het is wel impliciet. Van Vught gaat ervan uit dat die 12 tot 15% gelden voor alle drie over de periode 2002-2010, en dat de UT daarvan dus al een deel heeft gerealiseerd.

Wormeester constateert dat hij met de uitleg van het college veel beter uit de voeten kan dan met hetgeen is opgeschreven – dat laatste is namelijk volgens hem onmogelijk. Hij kan zich wel iets voorstellen bij de opmerking dat de aard van het onderzoek binnen speerpunten verschillend kan worden ingezet. Wat hem echter verontrust is: gaan we het elkaar daarin niet te moeilijk maken? Verder zal het regelen van de bestuursstructuur een cruciaal punt zijn.

De voorzitter stelt dat het nu zaak is dat er voldoende draagvlak binnen de instelling komt. We moeten blijven benadrukken dat we een hele goede universiteit zijn. De boodschap om het Sectorplan te laten slagen moet zijn: we gaan ervoor! Hij vraagt namens de raad aan het college die boodschap zo duidelijk mogelijk uit te dragen. Het kan alleen een succes worden als we het met z’n allen doen. We zijn goed genoeg om dit te realiseren met de mensen die we in huis hebben.

Wat de vertrouwelijkheid van de financiële claim betreft: Er is voldoende informatie om het debat te kunnen voeren, en er kan gebruik gemaakt worden van de informatie in de pers. Overigens vraagt hij zich wel af waarom vertrouwelijkheid nog nodig is en waarom niet kan worden getoond dat er niets te verbergen is.

Van Vught wil de vertrouwelijkheid van het betreffende onderdeel handhaven omdat dat tussen de 3 TU zo is afgesproken. Bovendien is er destijds de inhoudelijke motivatie aan gegeven dat het lastig is voor de politieke besluitvorming. En wat de rest betreft: uiteraard doen we het met z’n allen en gaan we ervoor. We horen bij de besten en zullen nog beter worden als we gezamenlijk dit proces weten voort te zetten. Overigens is dat geen garantieverklaring dat er nooit personele consequenties ontstaan. Maar als het enigszins kan wordt dat wel nagestreefd.


8.Internationaal Onderwijs (UR 04-086, UR 04-099, UR 04-105)

De Jong in reactie op UR 01-105:

Voor het internationaliseringsbeleid is het noodzakelijk een aantal randvoorwaarden te vervullen. Er is een commissie in het leven geroepen waarin zowel de opleidingen als de diensten vertegenwoordigd zijn. Maar ook hier geldt dat het primaire proces leidend is voor wat betreft de dienstverlening.

De organisatie van “internationalisering” was helder voor het doel dat voor ogen stond. Nu is er een andere fase. Met de CCO is afgesproken dat er een aparte stuurgroep in het leven geroepen wordt. Daarbij zijn ook de studentenverenigingen van groot belang, zoals SMIT. Wat het CvB betreft is het wezenlijk dat internationalisering thuis begint. Er moet gezorgd worden voor een multiculturele setting waarbij ook internationale uitwisseling van studenten een wezenlijk onderdeel vormt.

Het pilotproject binnen BBT heeft tot onlangs erg stroef gelopen, maar is de afgelopen weken echt op gang gekomen. Waarschijnlijk zijn kort na de zomervakantie de uitkomsten van het project bekend. Overigens wijst De Jong erop dat er een tweede project is, namelijk binnen de faculteit GW. Dat wordt ook meegenomen.

Op korte termijn komt er een aantal notities in vervolg op de Nota Internationalisering, waarin bepaalde punten nader worden uitgewerkt. Heel belangrijk punt is de vraag van prioritaire relaties in het buitenland en hoe daar vorm aan te geven. Ook de discussie over de tuition fee behoort tot de opdracht.

De Jong is het met de UR eens dat er een overzicht moet komen van de ontwikkelingen in het Engelstalig onderwijs, bijv. hoe het met de studenten gaat, hoeveel van hen de taal niet machtig zijn etc. Bij ITBE draait een project dat moet zorgen dat die informatie beschikbaar komt.

Vinke informeert of de contacten met buitenlandse universiteiten ook dienen om te bewerkstelligen dat Nederlandse studenten daarnaartoe kunnen gaan. De Jong antwoordt dat het inderdaad de bedoeling is dat het beide kanten op kan werken. Dit wordt nog nader uitgewerkt. Ook wordt gekeken naar het beurzensysteem, in het kader waarvan de uitwisseling mogelijk is (eveneens naar beide kanten); en tevens wordt bezien hoe gezorgd kan worden dat er kwalitatief goede contacten worden gelegd en geëxploiteerd.


9.ICT voor onderwijs en studentenactivisme aan de UT (UR 04-043, UR 04-081, UR 04-097)

Te Beest merkt op dat het formele standpunt is dat de eenheden zelf verantwoordelijk zijn voor contentbeheer. Dat laat onverlet dat wel toezicht gehouden moet worden op de wijze waarop zij met die verantwoordelijkheid omgaan. Daar wordt aan gewerkt in een ITBE-project. Via enquêtes onder studenten zal bekeken worden welke knelpunten er zijn. En vanzelfsprekend komen er projectplannen met budgetten e.d., die voorgelegd kunnen worden.

Wat betreft de functie van informatiemanager: in het kader van de herstructurering is er bewust voor gekozen zo’n functie niet in te stellen. De eindverantwoordelijkheid en de sturende verantwoordelijkheid liggen bij het college.

Berends zegt blij te zijn dat het college zijn verantwoordelijkheid serieus neemt. Maar het feit blijft dat het contentbeheer nog te versnipperd is. Wanneer zijn de resultaten van het ITBE-project bekend? Te Beest: Kort na de zomer.


Afgesproken wordt dat na de zomer verdere bespreking in de UR plaatsvindt, als follow-up van deze notitie.


10.Notitie persoonsgebonden leerstoelen (UR 04-085, UR 04-100, UR 04-106)

De Jong in antwoord op UR 04-106:

De functiecriteria wat betreft het hoogleraarschap veranderen niet. Voor de persoonsgebonden leerstoel is heel nadrukkelijk gekozen voor een type leerstoel dat past in het loopbaanbeleid, gegeven het feit dat men voldoet aan de kwaliteitseisen die voor het hoogleraarschap gelden.

Er zijn twee verschillende scenario’s:

Mensen die al voor onbepaalde tijd aan de UT verbonden zijn gaan gedurende vijf jaar als hoogleraar functioneren. Als daarna blijkt dat ze niet voldoen aan de eisen, vervalt het hoogleraarschap. Ze blijven wel in dienst van de UT.

Als iemand wordt aangetrokken voor een hoogleraarschap is dat in principe een tijdelijke aanstelling. Met het wegvallen van het hoogleraarschap komt er een einde aan de dienstbetrekking, tenzij er nieuwe afspraken worden gemaakt.

De termijn van aanstelling kan ook samenhangen met bijvoorbeeld een programmaperiode. Voor de samenstelling van de leerstoelgroepen of het leerstoelenplan van een bepaalde eenheid betekent dat dat er een grote mate van flexibiliteit mogelijk is.

Meijer denkt dat veel faculteiten niet onder ogen zien dat verlenging van een leerstoel na vijf jaar wordt omgezet in een functionele leerstoel. De Jong antwoordt dat de leden van het UMT daar volstrekte duidelijkheid over hebben.

De voorzitter vraagt zich af of het niet in de rede ligt om op het moment van het instellen van een leerstoel al vooruit te kijken naar het moment dat duidelijk is dat het een functionele leerstoel wordt. Volgens De Jong zijn er verschillende scenario’s denkbaar. Door de verschillende typen leerstoelen die zijn gedefinieerd is er een grote mate van flexibiliteit en zijn er mogelijkheden om aan loopbaanbeleid van de wetenschappelijke staf te doen. Uiteraard wordt nagedacht over de langetermijnontwikkeling van een bepaalde eenheid. Het kan zijn dat men na verloop van tijd doorschuift naar een leerstoel die vrijkomt, dan wel dat een extra leerstoel wordt ingesteld.


11.Rondvraag

Huisman: Veel studenten lopen aan tegen problemen in het kader van bachelor-master, zoals onduidelijkheid over het rooster of over vakken. Om studeerbaarheidsklachten te voorkomen stelt UReka voor een centraal bama-meldpunt in te stellen, waar men met dit soort vragen terecht kan als men er op een andere manier niet uitkomt. UReka wil daar graag bij helpen.

De Jong beaamt dat dat probleem aanwezig is, en hij wil er dan ook graag over doorpraten. Binnen de faculteiten en bij de studieadviseurs heeft het aandacht. Hij zal er ook met de opleidingsdirecteuren over praten.


Berends: In Friesland wordt nu geëxperimenteerd met HBO-doorstroomtrajecten. Wellicht is het goed daar later nog eens over door te praten. Wat is de laatste stand van zaken?

De Jong merkt op dat UT-Nieuws wel heel snel was met berichtgeving. Overigens is die wel correct. Er ligt op dit moment een concepttekst voor bij de CvB’s over een aanpak; formele besluiten zijn er nog niet genomen. Er staat al wel een lijn voor ogen, maar het formele traject volgt na besluitvorming.


Wallinga-de Jonge: De UR staat weer voor verkiezingen. Op de websites, zowel centraal als bij de faculteiten, springt de medezeggenschap nu niet direct in het oog. Kan het CvB bezien hoe een eenduidige plek gecreëerd kan worden waar informatie over medezeggenschap gevonden kan worden?

Van Vught zegt toe ernaar te zullen kijken.


Voorzitter: In de vorige cyclus is gesproken over de reorganisatie van de CCO, waarbij de UR erop heeft gewezen dat de voorgenomen wijzigingen toch ook het BBR raken en dat daarin de UR een positie heeft. Naar aanleiding daarvan heeft de raad contact gezocht met de CCO vanuit het uitgangspunt dat er niet een situatie moet ontstaan waarin de UR wederom formeel op haar strepen moet gaan staan terwijl anderen al lang overeenstemming hebben bereikt. Wat blijkt nu: de CCO gaat deze week volgens de nieuwe structuur werken en het is de bedoeling dat het aantal studentleden van 2 naar 1 wordt teruggebracht. Echter, het aantal studenten is bij BBR geregeld en de UR heeft dan ook laten weten dat hij hecht aan 2 studentleden in de CCO. Ook over andere wijzigingen wil de UR graag van gedachten wisselen. Zo is de UR benieuwd naar het aantal leden van de CCO, en naar wie de voorzitter is, en of het wel zo verstandig is die functie te combineren met het lidmaatschap van het college.

De Jong: Eenmaal bevochten posities van studentleden worden gehonoreerd. Zoals de vorige keer al aangegeven zal worden vastgehouden aan hetgeen is toegezegd. Toen is ook enige ruimte gevraagd om met de opleidingsdirecteuren te kunnen kijken naar de rol van de UR in het besluitvormingsproces. Hij zal in de CCO het UR-standpunt bespreken. Er zal gekeken worden naar de juiste structuur en over enkele maanden zal hij terugkomen met een voorstel. In eerste instantie echter wil hij ruimte laten voor het voorstel dat vanuit de CCO is gekomen.


12.Sluiting

De voorzitter sluit om 16.45 uur de vergadering.




*****