verslag

van 2004 08 31

Verslag overlegvergadering d.d. 31 augustus 2004


Aanwezig:

URaad: Becht, van Benthem, Brinkman, Meijer, Schrama (vz), Wallinga-de Jonge, Wormeester, Borggreve, Krol, Van Rijn, Vinke, Berends (later), Hartsuiker (later)

College: Van Vught, te Beest

Griffie: Ribberink, Peijster (verslag)


Nieuwe leden: Pol, Poorthuis, IJzermans, Bijleveld, Bosschaart, Bouwman, Brugge, van Doorn, Girisch, van der Mark, Zuurbier, Waals


Afwezig(m.k.): Houweling, Huisman, Wispels, De Jong

Afwezig (z.k.): Boersma, Bulter,



1. Opening 16.00 uur

De voorzitter geeft aan dat dit de laatste vergadering is van de oude Universiteitsraad. Hij merkt op dat de aanwezigheid van de oude leden daarom noodzakelijk is voor een quorum. Dit is nipt gehaald. Er is echter geen quorum voor het nemen van besluiten.

Van Vught merkt op dat inzake afhandeling van de kwestie Tuition Fee wel een standpunt van de raad gevraagd is. Schrama zegt toe dat afhandeling zo spoedig mogelijk plaats zal vinden.


Vaststelling agenda. Afgesproken wordt het punt Instellingsplan als laatste punt te bespreken.


2. Mededelingen

- Van Vught meldt dat hem door staatssecretaris Rutte is gemeld dat er een beslissing genomen is om éénmalig een extra budget van € 2.4 miljoen toe te kennen in het kader van Huisvesting.

- Tevens kan hij melden dat de staatssecretaris in het kader van bilaterale overleggen 20 september bij de UT op bezoek komt.

- Van Vught geeft aan dat de benoeming van een decaan voor BBT bijna rond is. Als interim zal voorlopig mw. van Vucht-Tijssen benoemd worden.

- Te Beest meldt dat, door het uitlekken van de begrotingsplannen, bekend is geworden dat deze niet gunstig uitwerken voor het Hoger Onderwijs. Het college blijft één en ander volgen.


3. Verslag overlegvergadering 29-06-2004 (UR 04-245)

Tekstueel.

pagina 2, regel 45. tussenvoegen tussen “middelen” en “wordt”: voor onderzoek.

, regel 49. ‘onderwijsbekostiging’ moet zijn ‘onderzoeksbekostiging’.

pagina 6, regel 42/43. ‘Nanotechnology, exploring the borders of modern society’ moet worden ‘Nanotechnology, exploring and sociology’

pagina 7, regel 27. tussenvoegen tussen “behoud van” en “een opleiding”: de kwaliteit van.


Met inachtneming van bovenstaande wijzigingen wordt het verslag vastgesteld.


Naar aanleiding van.

Wallinga-de Jonge vraagt of er in het kader van variaties in collegegelddifferentiatie voor collegejaar 2005-2006 nog pilots zijn aangemeld. Van Vught geeft aan hier niets van gehoord te hebben.


4. Vaststelling collegegeldtarieven UT 2005-2006 (UR 04-245)

De voorzitter geeft aan dat voorbereiding voor dit punt heeft plaatsgevonden middels een extra commissievergadering. Hieruit is voorliggend concept-advies voortgekomen. Hij vraagt Wormeester

om toelichting.

Wormeester merkt op dat de bespreking in de zojuist gehouden interne vergadering, nog enkele vragen heeft opgeleverd. Hij verzoekt het college deze, indien mogelijk, nader toe te lichten.

- Er wordt gesproken over marginale meerkosten voor studenten. Wat indien er weinig studenten instromen?

- Indien er meer studenten zijn, hoe liggen dan de verhoudingen inzake extra kosten, extra faciliteiten en overhead?

- Wat wordt bedoeld met onderwijs verdeelmodel?

Tevens zou de UR de volgende toezeggingen aan het college willen ‘ontlokken’.

* Indaling van de inkomsten uit Tuition fees in het verdeelmodel. (6e punt bij de overwegingen)

* Het tijdstip van vaststellen van de collegegeldtarieven nader vast te stellen

* Een berekening te laten plaatsvinden van de integrale en reële kosten als mogelijke grondslag voor toekomstige besluiten over de collegegeldtarieven voor niet-EER-studenten.

Te Beest antwoordt dat inzake kosten alleen gekeken is naar marginale verliezen. Dit betreft alleen het onderwijscompartiment en niet het onderzoekscompartiment. In 3TU verband zijn hierover afspraken gemaakt. De toekomstverwachting is dat de instroom van niet EER-studenten nog hoger zal worden. Te Beest geeft enige informatie over de opbouw van 1e geldstroom gelden en collegegelden. Tevens gaat hij kort in op de opmerking of er sprake is van kartelvorming door afspraken in 3TU verband. Van Vught merkt op dat onderwijs niet onder de GATT-onderhandelingsafspraken binnen de EU valt. Hij gaat uit van de redenering dat onderwijs onder overheidsdiensten valt waardoor van kartelvorming geen sprake kan zijn.

Te Beest merkt op een vast tijdstip voor het vaststellen van collegegeldtarieven een goed idee te vinden. Inzake de berekeningsgrondslag op basis van integrale kosten merkt Te Beest op dat uit onderzoek (door CHEPS) is gebleken dat dit niet is vast te stellen. Er is wel een berekening te maken van de uitgaven maar niet van de kosten. Van Vught geeft aan dat in Groot-Brittannië hierover een onderzoek heeft plaatsgevonden. Door middel van tijdschrijven (project heeft 4 à 5 jaar geduurd) is de prijs van onderwijs vastgesteld. De uitkomst was tevens dat onderwijs sterk onderbekostigd is.

Schrama vraagt of het college hierover toezeggingen kan doen.

Te Beest zegt toe het onderzoek van CHEPS aan de UR te geven. Hij maakt tevens de afspraak dat de heer Jongbloed in de volgende vergadering dit onderzoek nader zal toelichten.

Wormeester vraagt of het adviespunt: “het vaststellen van de collegegeldtarieven op te nemen in de jaarcirkel” een toezegging van het college kan worden.

Te Beest bevestigt dit. Tevens zegt hij toe dat de inkomsten uit Tuition Fee zullen indalen in het verdeelmodel.

Wormeester merkt vervolgens op dat de hier genomen besluiten en toezeggingen in 2e instantie door het college bevestigd dienen te worden middels een collegebesluit.

Schrama constateert dat geen besluitvorming kan plaatsvinden. Een gehouden meningspeiling geeft aan dat alle aanwezigen instemming geven aan het zojuist geformuleerde advies.


5. Regelingen financiële ondersteuning studenten (UR 02-247) (agendapunt 6.)

De voorzitter deelt mee dat over de regelingen nog enkele vragen gesteld zullen worden.

Wormeester vraagt inzake Garantiebeurzen waar de datum van 1 februari vandaan komt. Tevens vindt hij dat er onduidelijkheid kan ontstaan door een tweede datum te noemen (1 maart). Te Beest geeft aan dat 1 februari de studiefinanciëringsdatum is. Hij merkt op dat de regeling op dit punt aangepast gaat worden. De datum van “1 maart” wordt vervangen door de opmerking “binnen 4 weken”. Wallinga-de Jonge vraagt of deze 4 weken wezenlijk zijn. Te Beest geeft aan dat dit studenten moet stimuleren of zich af te melden. Alleen dan kunnen gelden terugbetaald worden.

Schrama vraagt of wijziging van de regeling voor 1 september nog mogelijk is. Te Beest antwoordt bevestigend.

Brugge merkt met betrekking tot de regeling PC-privé op dat de ‘Uitzondering’ vermeld op pagina 4 tegenstrijdig is met hetgeen in de vorige zin vermeld wordt. Pol geeft tevens aan dat in sommige gevallen de 60 ECTS ook problemen op kan leveren. Beiden geven voorbeelden.

Te Beest meldt dat het CvB deze regeling terugneemt. Eén en ander zal worden uitgezocht. Schrama geeft aan dat de UR leden altijd bereid zijn aanvullende informatie te leveren.

Meijer wil inzake de RAVIS regeling nog opmerken het een ‘dure regeling’ te vinden. De interne kosten voor faculteiten voor internationale studenten zijn al behoorlijk hoog.

Ook hier volgt een meningspeiling:

Regeling a: allen stemmen in

Regeling b: teruggetrokken. Nadere afstemming volgt.

Regeling c: Het besluit wordt gewijzigd. De overweging vervalt en de volgende toezegging wordt toegevoegd “Na de datum van 1 februari de studenten 4 weken de tijd te geven om de formulieren in te leveren bij CVA”. Allen stemmen hiermee in.


Het college geeft aan dat het officiële (gewijzigde) besluit binnenkort volgt.


6. Schriftelijke Rondvraagpunten (UR 04-261, 04-262)

De voorzitter geeft aan dat de vragen van de CC-fractie niet op UR-papier verzonden hadden moeten worden. Hij biedt zijn excuus hiervoor aan. Na intern beraad is duidelijk geworden dat vraag:

a: betreffende het aanvullen van de enquête met eenheidsspecifieke vragen ondersteund wordt door de DD-fractie.

b: betreffende de bevoegdheden alleen van de CC-fractie komt.

Schrama vraagt het college om reactie.

Te Beest geeft aan dat het college inderdaad verbaasd was over deze Rondvraagpunten op UR-papier. Hij meldt dat de eenheden niet in de gelegenheid zijn gesteld vragen aan te leveren en dat er geen aanvulling met eenheidsspecifieke vragen meer mogelijk is.

Inzake de bevoegdheden wordt door Te Beest aangegeven dat Arbo-beleid inderdaad de instemming van de UR vergt. Het uitvoeren en opstellen van deze enquête ziet het college echter als uitvoeringskwestie. De toekomstige uitkomsten van de enquête daarentegen en de eventuele vervolgstappen hierop vragen wel weer om instemming van de raad.

Meijer merkt op dat de risico-inventarisatie onderdeel is van het gehele proces. Er had hierover meer overleg moeten plaatsvinden. Hierdoor had overeenstemming bereikt kunnen worden over de inhoud van de enquête. Hij vraagt of de vragenlijst nu definitief vastgesteld is.

Te Beest geeft aan dat de risico-inventarisatie inderdaad formeel in de UR behandeld had moeten worden. Hij geeft aan dat de vragenlijst inderdaad definitief is. Door deze opzet vertoont de enquête overeenkomst met andere universiteiten. Hierdoor is vergelijk mogelijk.

Schrama sluit af en merkt op benieuwd te zijn naar de resultaten.


7. Concept Instellingsplan (UR 04-257) (agendapunt 5.)

Schrama geeft een korte inleiding en meldt, vanuit de bespreking in de interne vergadering, het volgende aan het college mee te willen geven.

- De raad vindt dat de teksten in het Instellingsplan een grote koerswijziging behelzen en geeft aan dat hiervoor wel draagvlak binnen de UT moet zijn. Denkt het college dat er draagvlak is bij medewerkers en studenten?

- De raad zou graag willen weten op welke wijze dit plan tot stand is gekomen? Wat is de rol van de faculteiten (en hun strategische plannen) hierbij?

- Inhoudelijk staan er diverse grote onderwerpen in waarover nog veel te bespreken valt. Onderwerpen als Bachelor- Master, brede bachelor, onderzoek, onderwijs. Veel hangt af van de samenwerkingsrelatie in 3TU verband. Hoe liggen de relaties? Er volgt een wijziging van 'Twee kernen universiteit' naar 'Technische Universiteit'. Wat gaat dit betekenen voor de UT? Kennisvalorisatie vraagt om actie binnen de private sector. Op welke wijze wordt dit uitgevoerd en wat betekent dit voor de UT?

- Tevens wil de raad graag een tijdpad zien. Wat kunnen we nog en hoe wordt de discussie hierover ingevuld?


17.15 uur. Berends en Hartsuiker komen binnen.


Van Vught.

Inzake het tijdpad en het proces merkt hij op dat draagvlak hiervoor binnen de UT in de komende periode gezocht moet worden. Het college wil dit samen met de medezeggenschap doen. De planning is dat vaststelling van het IP voor het eind van dit jaar afgerond wordt. Eén en ander moet nog nader uitgewerkt worden. In de planning staat dat het IP in november weer met het UMT wordt besproken. Het is inderdaad jammer dat nog niet alle teksten gereed zijn.

Inhoudelijk gezien vindt hij dat geen grote koerswijzigingen beschreven worden. Het is een aanscherping van de uitgestippelde koers van de afgelopen periode. Formeel is nadrukkelijk gekozen voor een 3TU samenwerking gericht op één kern (de technische).

Met betrekking tot onderwijs geeft hij aan dat de consequenties van de invoering Bachelor-Master en Major-Minor automatisch leidt tot verbreding van de bachelor en de eventueel hierbij komende financiële druk.

Met betrekking tot onderzoek moet duidelijk zijn dat de onderzoeksinstituten gelijkwaardige partners zijn van de faculteiten. Onderzoekprogramma's moeten nog verder geprofileerd worden. De UT wil een sterk onderzoeksgebied. Dit levert echter wel beperkingen op.

Kennisvalorisatie en de hierbij behorende 'private activiteiten' van de UT moeten opnieuw vormgegeven worden. Ook dit is geen koerswijziging maar een volgende stap in het lopende proces. Van Vught geeft aan dat het UMT er ook zo over denkt.

Met betrekking tot de discussie die over het IP gevoerd gaat worden is draagvlak inderdaad noodzakelijk. De strategische plannen van de faculteiten, instituten en diensten zijn hier niet bij betrokken geweest. Zoals bekend zijn sommige faculteiten nog sterk in ontwikkeling na de reorganisaties. Van Vught vindt dat het IP een optelsom van faculteiten en diensten moet worden. Het concept plan bevat keuzes en hierover moet nog gepraat worden. Hij geeft aan dat dit open discussies moeten worden en geen defensieve.

Schrama vraag aan de UR leden wie wil reageren.

Brinkman merkt op het college behoorlijk optimistisch te vinden. De invalshoek met betrekking tot de wijzigingen die in het plan verwoord worden en de uitwerkingen hiervoor op de werkvloer verschillen behoorlijk.

Wormeester merkt op het met Brinkman eens te zijn. Tevens zit er een 'knip tussen de bachelor en master fase'. Het plan voorziet in een reductie van het aantal vakken, terwijl verbreding van de opleidingen voorgestaan wordt. Hij vindt het behalen van 75% rendement behoorlijk ambitieus, en vraagt zich af hoe dit zich verhoudt met de voorgestelde reductie van de vakken en de brede bachelor. Tevens mist hij soms het eindniveau. Hij geeft enkele voorbeelden.

Hij vraagt hoe het college het invoertraject ziet. Op dit moment lijkt het of er elk jaar een nieuw programma gemaakt moet worden. Misschien is het beter de uitkomsten van de huidige projecten die lopen af te wachten. Met betrekking tot de aansluiting bachelor-master zou één en ander beter geformuleerd mogen worden. In het kader van 'Een leven lang leren' (TSM) merkt hij op dat management gestuurd onderwijs behoorlijk verschilt van gewoon onderwijs.

Tevens vindt hij het jammer dat de ondersteunende processen nog niet beschreven zijn in het IP. Veel werk van deze diensten hangt sterk samen met het onderwijs (bijv. bibliotheek).

Bijleveld heeft opmerkingen over het bindend studie advies; hij vindt dat eerst de studiebegeleiding goed geregeld moet zijn, daarna zouden pas veranderingen doorgevoerd moeten worden. Hij vraagt of aangegeven kan worden hoeveel bachelor opleidingen zullen ontstaan. Soms lijkt het of er slechts twee brede bachelors komen. Hij merkt op dat er veel geregeld wordt voor internationale studenten (buitenlandse studenten) maar dat de voorzieningen en regelingen voor studenten die naar het buitenland willen steeds verder afgebouwd worden. De UT heeft zich jarenlang geprofileerd als ICT universiteit. Hij vraagt zich af op welke wijze dit beleid vervolgd gaat worden. Hij vraagt wat er nog aan dit plan bijgedragen kan worden en geeft aan hieraan graag een bijdrage te willen leveren.

Wallinga-de Jonge wil graag de volgende punten beantwoord zien. Ze mist de positieve punten uit de huidige organisatie. Wordt hieraan voorbij gegaan of worden deze nog meegenomen in dit nieuwe plan. Een UT brede discussie over dit plan vindt zij noodzakelijk. Er is veel aan te merken op het bindend studie advies. Het punt Kwaliteitzorg onderwijs schept onduidelijkheid. Internationalisering wordt wel genoemd in het plan, maar er is geen apart hoofdstuk voor opgenomen. Ze vindt het jammer dat nog niet alles beschreven is.

Schrama wil hier aan toevoegen dat de link met het sectorplan in het IP niet gemaakt is. Het sectorplan is nog steeds niet definitief en moet, zoals aangegeven, nader uitgewerkt worden. Op pagina 28 staat dat de 3TU's per 2010 een federatie zullen vormen, wat de UT betreft zelfs een fusie. Kan het college aangeven op welke wijze dit uitgewerkt gaat worden.


Van Vught gaat in op de vragen en opmerkingen.

De visie van het CvB over de uitwerkingen in het Instellingsplan en de interpretatie daarvan door de 'werkvloer' zullen inderdaad verschillen. Hiervoor zal draagvlak gecreëerd moeten worden. Indien het blijkt dat het draagvlak voor deze koers onvoldoende is, zal er een minder ambitieuze koers uitgestippeld moeten worden. Het zou jammer zijn voor de UT, maar Van Vught vindt dat de UT 'vooruitlopend' moet blijven. Indien dit niet gebeurt brengt het de bestaanszekerheid in gevaar. Het imago van de UT in Nederland is sterk en herkenbaar. Nieuwe activiteiten moeten doorgang vinden. Hij vraagt om een open discussie over het Instellingsplan op gang te brengen en te kunnen voeren.


Inzake het bindend studie advies merkt hij op dat bewust gekozen is voor deze tekst. Deze komt vanuit het UMT met de redenering erachter dat hierdoor de rendementen verhoogd kunnen worden. Er zit een grens aan de coaching van studenten. Indien studenten dit niveau niet aankunnen zullen er consequenties uit getrokken moeten worden. Het is zoeken naar een balans hiertussen. Hiermee wordt tevens een koppeling gemaakt met de kwaliteit van het onderwijs (selectie aan de poort).


Met betrekking tot de 'Knip tussen bachelor – master' merkt Van Vught op dat dit een misverstand is. Ook dat er uiteindelijk maar twee bachelor opleidingen overblijven is niet juist. Er zijn vijf faculteiten waardoor er minimaal 5 bachelor opleidingen zullen zijn. Tevens is er de brede bachelor Technology. Een pilot loopt hiervoor bij Informatica. Differentiatie in studiepaden voor studenten blijft mogelijk binnen het driejarig bachelor programma. Indien studenten instromen in de brede bachelor zijn daar verschillende mogelijkheden voor doorstroom mogelijk. De keuze is aan de student. Deze wijzigingen mogen echter nooit leiden tot een lager niveau van de bachelor.

Wormeester merkt op dat dit niet in het plan te lezen is. Hij zou meer concreetheid over het aantal bachelors willen hebben (waarschijnlijk 5!!!). Tevens merkt hij op dat dit in tegenstelling is met de reductie van het aantal vakken. Van Vught merkt op dit mee te zullen nemen. Hij geeft aan dat het straks niet meer gaat om specifieke vakken die behaald worden maar om bredere scholing. Er kan op deze manier ook een persoonlijk portfolio ontstaan. De student heeft meer inbreng (volgen extra vakken).


Inzake de spanning tussen instroom met maatschappij-profiel en het verhogen van het rendement naar 75% geeft Van Vught aan dat gebleken is dat er slechts een geringe belangstelling blijft bestaan voor bèta vakken en technische opleidingen. Het is de bedoeling mogelijkheden te creëren voor in- of doorstroming van deze niet technisch geschoolde studenten. Wormeester vraagt of we deze studenten wel binnen willen hebben indien er zoveel extra tijd besteed moet worden aan het behalen van het juiste niveau? Van Vught geeft aan dat door middel van het aanbieden van extra opleidingen de doorstroom verhoogd wordt. Wormeester merkt op dat dan indien het alsnog niet goed gaat de student altijd nog een bindend studieadvies kan krijgen. Te Beest merkt op dat die studenten in een latere fase meestal wel doorstromen.


Van Vught geeft aan de regionale instroom te willen verhogen. Hij merkt op dat er inderdaad grote belangstelling bestaat van Duitse studenten voor de opleiding Psychologie. De bachelors zullen echter in het Nederlands worden aangeboden. Hiervoor geldt ook dat het een invoertraject is in de periode tot 2010. De doelstellingen zullen dusdanig geformuleerd moeten worden dat ze haalbaar zijn.

Wormeester merkt op dat er nog experimenten lopen met betrekking tot de brede bachelor. Moeten niet eerst deze resultaten afgewacht worden? Zodat daarna een koers bepaald kan worden? Dan kan bekeken worden of dit is wat we willen. Hij vindt het belangrijk dat dit aangegeven wordt.

Van Vught geeft als voorbeeld aan dat EWI als variant een goede brede bachelor zou zijn. Hij vindt ook dat aangegeven moet worden 'wat we willen', maar de ambitie vergt hogere doelstellingen. Dit ondanks dat er geen resultaten uit de lopende 'experimenten' zijn. Hij vraagt: of wij als UT onze ambities en doelstellingen kunnen uitvoeren en waarmaken?


Van Vught geeft aan dat hij het post academisch onderwijs graag bij TSM wil neerleggen. Dit kan volgens hem goed.


Ook hij vindt het jammer dat nog niet alle hoofdstukken van het IP gevuld zijn. Er wordt echter al wel aan gewerkt. Te Beest vult aan dat het college eerst het primaire proces beschreven wil hebben daarna kunnen de ondersteunende processen vormgegeven worden.


Bijleveld stelt dat in de teksten vooral de nadruk gelegd wordt op het halen van studenten naar de UT. Hij mist de uitwisseling tussen de UT en de andere Universiteiten (specifiek de Technische). Is dit wel de bedoeling?

Van Vught merkt op dat de kwaliteitzorg onderwijs inderdaad beter moet. Het leidt echter niet tot koerswijzigingen. Onderwijskwaliteit blijft prioriteit. Dit geldt niet voor onderzoekskwaliteit. Het eventueel niet meer vergelijkbaar zijn van onderzoekinstituten is niet goed.


Van Vught meldt dat internationalisering juist niet meer als apart hoofdstuk opgenomen wordt. Het moet verweven zitten in de diverse onderdelen zodat het er deel van uitmaakt.


Als laatste wil Van Vught de ontwikkelingen in 3TU verband bespreken. Hij merkt op dat het vooral een tactisch proces is. De UT is hier niet bang voor! Er zullen ook geen vijandige overnames plaatsvinden. Het Sectorplan geeft de ambities van de UT weer. Groeien naar één technische universiteit in Nederland. Toch hangt veel van de uitvoering samen met het overheidsbeleid.

Verdere intensivering volgt. Er valt nog veel te bespreken terwijl er geen uitvoering is. Het loopt technisch wat moeilijker dan gedacht. Voor de Graduate School komt er 6 miljoen, dus verdere ontwikkelingen volgen. Ontwikkelingen met betrekking tot onderwijs gaan langzaam. Met betrekking tot onderzoek komt een en ander op gang.


Schrama merkt op dat er gehoopt was op nadere afspraken die in het IP verwoord zouden zijn. Van Vught geeft aan dat de UT wel verder wil maar dat veel afhangt van de ontwikkelingen bij Delft en Eindhoven.


De Voorzitter sluit de bespreking af. Hij geeft aan dat de Universiteitsraad, als onderdeel van de medezeggenschap, graag wil bijdragen aan het leveren van verdere discussie over het Instellingsplan. Zijn vraag is: hoe het proces nu verder loopt en wat er verwacht kan worden?

Van Vught geeft aan dat naar aanleiding van input uit de discussie telkens nieuwere versies ontstaan. Het voorliggende plan vraagt om verder ontwikkeling en om grote inzet van allen in de komende periode.


De voorzitter geeft aan dat door binnenkomst van Berends en Hartsuiker het quorum voor besluitvorming nu aanwezig is. Hij wil tot besluitvorming komen met betrekking tot beide (reeds besproken) conceptbesluiten.


Collegegeldtarieven.

De voorzitter vraagt of stemming over dit besluit noodzakelijk is. Dit is niet nodig, allen gaan akkoord.

Het conceptbesluit wordt op de afgesproken wijze aangepast (toezeggingen) en wordt vastgesteld.


Financiële Regelingen studenten.

Punt b. PC-prive is teruggetrokken.

Punt a. Regeling afstudeersteun internationale studenten (RAVIS). Het concept-besluit wordt ongewijzigd vastgesteld.

Punt c. Garantiebeurzen eerstejaars. Het concept-besluit wordt op de aangegeven wijze aangepast (wijzigen datum van '1 maart' in 'binnen vier weken') en wordt vastgesteld.


8. Rondvraag

Meijer vraagt het college (naar aanleiding van publicatie hierover in het UT-Nieuws) naar de overeenkomst tussen de Gemeente Enschede, de Provincie en de UT. Lag dit niet binnen de bevoegdheden van de UR of komt dit nog?

Te Beest geeft aan dat dit een convenant is. Het gaat om afspraken met betrekking tot het realiseren van een Kennispark. Het zal de UR worden toegezonden.


9. Sluiting

De voorzitter geeft aan dat dit voor sommigen de laatste vergadering is geweest. Hij bedankt allen voor hun inbreng en toewijding en noemt de namen van de scheidende leden.

Hij geeft aan dat aansluitend in de Faculty Club, op uitnodiging van het college, een diner zal plaatsvinden. Hier zal verder aandacht geschonken worden aan het vertrek van de leden.

De voorzitter sluit de vergadering om 18.15 uur.