Verslag

UNIVERSITEITSRAAD

griffie

BBgebouw – kamer 500



Uw kenmerk


Telefoon

053 - 489 2027

Ons kenmerk

UR 03 302

Fax


Datum

01 oktober 2003

e-mail

j.ribberink-vanmiddelkoop@bcvb.utwente.nl


Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 1 juli 2003


Aanwezig:

Leden UR:

Becht, Beeker, Van Benthem, Berends, Brinkman, Bulter, Van Doorn, Hazebroek, Holkers, Houweling, Huisman, Hummel, Schrama (vz), Wormeester

College van Bestuur:

Te Beest, De Jong, Van Vught

Raad van Toezicht (vanaf ag.pt. 9):

Van Amerongen, Sevenstern, Sistermans, Sorgdrager

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)


Afwezig:

Meijer (m.k.), Van Rijn (m.k.), De Olde (z.k.), Wallinga-de Jonge (m.k.)




1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent de vergadering om 15.40 uur. Hij meldt dat de volgende machtigingen zijn afgegeven om een stem uit te brengen:

Wormeester is gemachtigd door Meijer

Schrama is gemachtigd door Van Rijn

Van Benthem is gemachtigd door Wallinga-de Jonge.


Agenda:

Punt 5a wordt op verzoek van het CvB geschrapt, omdat de dienstraad van DUB nog niet heeft geadviseerd.


2.Mededelingen

Studenten Advies Commissie VSNU: zie UR 03-219 (mededeling van Berends).

Op een desbetreffende vraag van Berends antwoordt Van Vught dat het CvB positief staat tegenover het sluiten van een convenant in het kader van “studeren met een handicap”; van de VSNU is nog geen bericht ontvangen – zodra dat het geval is zal dat worden doorgeleid naar de studentenfractie.

Digitale Universiteit: zie UR 03-228.

Een schriftelijke reactie van het CvB wordt afgewacht.

Portfolioanalyse: zie UR 03-226.

De UR zal dit punt bij een volgende gelegenheid nader bespreken met het college.


Mededelingen CvB:

Geneeskunde: Het kabinet heeft een beslissing genomen over de numerus fixus. De bekostiging is geregeld.

Naar aanleiding van het informeel overleg van 25 juni jl.: Waarschijnlijk in september zal informeel overleg plaatsvinden tussen CvB en nieuwe UR.

Huisartsenpraktijk op de campus: zie ook UR 03-227.

De gesprekken met kandidaten om de praktijk over te nemen hebben tot niets geleid; ook de laatste kandidaat heeft zich teruggetrokken, met als argument dat de praktijk niet rendabel te maken is als particuliere praktijk, o.a. door de eenzijdigheid van het patiëntenbestand. Er is overleg gevoerd met zorgverzekeraar Amicon en met huisartsen in de omgeving. Resultaat daarvan is dat drie huisartsen in Enschede bereid zijn te praten over uitbreiding van de uren binnen hun eigen praktijk en overname van de zorg voor bepaalde patiënten (de “harde kern”); daarbij wordt ook gesproken over de mogelijkheid van het houden van een spreekuur op de campus. Verder is het zo dat de bedrijfsartsen ook beschikbaar zijn voor spoedeisende hulp. Ook wordt gekeken naar mogelijkheden om (net als ITC dat heeft) voor internationale studenten een specifieke voorziening in het leven te roepen door afspraken te maken met een huisarts in de buurt van de campus.

Het college blijft kijken naar mogelijkheden om een praktijk op de campus overeind te houden, maar de perspectieven worden steeds somberder.

Wormeester benadrukt dat het erg belangrijk is dat er speciale aandacht is voor de buitenlandse studenten en de cultuurverschillen die daar spelen; ook is het van belang dat men weet waar men terecht kan.


3.Verslag van de overlegvergadering van 20 mei 2003 (UR 03.217)

Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 2, pt. 5 – Twente Scholarship Program: Het gesprek over de afronding is gaande. Wellicht zal in de komende periode al wel enigszins worden geanticipeerd op de regeling voordat die in de medezeggenschap aan de orde kan komen. De voorzitter merkt op dat de UR de regeling op z’n minst graag toegestuurd krijgt.


4.BBR (UR 03-195, UR 03-213)

Ter vergadering wordt zowel van de zijde van het CvB als van de fracties nader ingegaan op de commentaarpunten van de UR zoals verwoord in UR 03-213.

Art. 1, 4, 5, 6 en 10 (t.a.v. art. 11: zie hieronder): Hierover bestaat inhoudelijk geen verschil van mening tussen CvB en UR. Naar de redactie ervan zal in klein comité gekeken worden (bijeen te roepen door de UR); vanuit het CvB zal daarin De Jong zitting hebben.

Art. 11: Het CvB acht de toevoeging zoals genoemd bij pt. 1 overbodig. Bij pt. 2 gaat het om wettelijke bevoegdheden, die niet door de UT aangepast kunnen worden. Desondanks zal ook art. 11 in klein comité nog nader bekeken worden.

Art. 13: Akkoord.

Art. 16: Van Vught wijst erop dat de besluitvorming per definitie plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van het CvB, en dat het medezeggenschapsrecht van de UR dan ook niet in het geding is. Weliswaar ontstaan er wachttijden als gevolg van de gekozen procedure, maar die zijn moeilijk te vermijden. Het CvB stelt voor de alternatieve formulering van de UR over te nemen met uitzondering van het laatste deel van de zin. Dus: “Het college van bestuur bepaalt het strategisch beleid van de universiteit, in nauw overleg met het UMT.” De UR stemt daarmee in.

Art. 17: Geen verschil van mening over.

Art. 19: Akkoord.

Art. 20: Het UMT heeft besloten dat de facultaire organisatie in onderlinge afstemming door iedere decaan mag worden vormgegeven. Daarbij is door het CvB aangegeven dat naar zijn mening een studentvertegenwoordiging op zijn plaats zou zijn – verder dan dat kan het college niet gaan.

De CC-fractie stelt voor in het overleg van opleidingsdirecteuren een plek te geven aan een student. UReka vindt dat het CvB wel degelijk nadere afspraken met het UMT zou kunnen maken en daar in het BBR wat over zou kunnen opnemen in algemene termen. Van Vught merkt op dat er geen sprake is van een eenduidige structuur, zodat er geen algemene regel kan worden afgesproken m.b.t. de positie van de student. Hij herhaalt de opvatting van het college dat faculteiten van de mogelijkheid een student erbij te betrekken gebruik zouden moeten maken, maar meent dat dat niet in het BBR kan worden afgedwongen omdat decanen hun eigen wettelijke bevoegdheden hebben. Hij gaat niet in op het voorstel van de voorzitter om te trachten hier tripartite een oplossing voor te zoeken; wel is hij bereid nogmaals te proberen hierover in het UMT consensus te bereiken en naar aanleiding van de uitkomst daarvan vervolgens met een voorstel te komen. Wormeester geeft de hint mee dat het college uiteindelijk het faculteitsreglement moet vaststellen.

Art. 22: Het CvB kan zich wel vinden in de formulering van de UR (van tijd tot tijd een evaluatie dus), maar merkt daarbij op dat de flexibiliteit in het onderzoek is gelegd op programmaniveau en de instituten als het ware de organisatorische structuur bieden; de instituutsplannen staan los van de bekostiging van onderzoeksprogramma’s.-

Art. 23: Akkoord.

Toevoeging nieuw artikel: Daarvoor is naar de mening van het CvB geen plaats in het BBR, omdat de mandatering geschiedt naar het inzicht van de decaan. Een kopie van de brief van het UMT zal aan de UR toegezonden worden; het CvB neemt de verantwoordelijkheid voor het standpunt dat in die brief verwoord wordt, aldus Van Vught. Dat standpunt is richtinggevend voor de hele UT en zal niet in een afzonderlijk artikel vastgesteld worden.


Besloten wordt zo spoedig mogelijk in klein comité (de Jong + presidium UR) de resterende punten door te nemen en te trachten in de volgende cyclus de besluitvorming af te ronden.


5.Wijzigingen implementatieplannen (UR 03-197, UR 03-221)

5a. Dienst Bureau Dienstverlening Universitair Bestuur

Er is nog geen advies van de dienstraad, zodat besloten wordt dit agendapunt te schrappen.


5b. Overige wijzigingen

De UR neemt de overige wijzigingen zoals genoemd in de aanbiedingsbrief voor kennisgeving aan. Over de voortgang van de herplaatsing zal de UR door het CvB schriftelijk geïnformeerd worden.


6.Samenwerkingsovereenkomsten partners Technische Geneeskunde (UR 03-196, UR 03-208)

In reactie op UR 03-208 antwoordt Van Vught:

Het CvB verwacht soortgelijke overeenkomsten als met het Radboud te zullen sluiten met Münster, het MST en misschien ook het Roessingh. De noodzakelijkheid daartoe is in verband met het eerste studiejaar nog niet direct aanwezig.

Met het Radboud zijn afspraken gemaakt over het gebruik van de zgn. blokboeken en de inbreng van die kant in het onderwijsprogramma. Meer dan de helft van de vakken zal door de UT worden gegeven. De rest komt van buiten, grotendeels van het Radboud.

Het feit dat de samenwerkingsovereenkomst is gesloten met het UMC en niet met de KUN heeft te maken met de bestuurlijke structuur.

Met de ”voorwaarden” waaronder het UMC bereid is de benodigde kennis en capaciteit te leveren wordt gedoeld op de vergoeding voor de geleverde diensten.

Op de vraag van Hazebroek of de toelevering van het onderwijs voor het komende jaar tijdig geregeld zal zijn antwoordt Van Vught dat bij medische opleidingen gewerkt wordt met trimesters. Het eerste trimester is helemaal geregeld, het tweede en derde trimester in grote lijnen (dit hangt ook samen met de blokboeken die voor de opleiding aangepast moeten worden).

Wormeester informeert of het niet merkwaardig is dat een hele belangrijke toeleverancier gaat adviseren op de inrichting van het curriculum. Van Vught antwoordt dat dat niet de intentie van de formulering is; bedoeld wordt dat het UMC graag haar expertise wil aanbieden.


Het CvB neemt het concept-advies zoals verwoord in UR 03-208 mee naar de besprekingen met het UMC en komt erop terug.


7.Slotregularisatie 2002 (UR 03-180, UR 03-224)

Te Beest zegt toe in de planning op te nemen dat de slotregularisatie in het vervolg eerder dan de jaarrekening aan de UR wordt toegezonden. Op het verzoek van de UR om inzicht in het structurele/incidentele gedeelte van het tekort over 2002 zal hij schriftelijk terugkomen.


De UR adviseert conform het concept-advies zoals geformuleerd in UR 03-224.


8.Concept-jaarverslag UT 2002 (UR 03-192, UR 03-222)

Het CvB verontschuldigt zich voor het feit dat in het jaarverslag weinig aandacht is geschonken aan de medezeggenschap en belooft beterschap voor de volgende keer (aanpassing nu is niet meer mogelijk, omdat de tekst per 1 juli bij de minister moest liggen).


Aan het punt internationalisering wordt volgens Van Vught weliswaar niet een apart hoofdstuk gewijd, maar het komt op vele plaatsen in het jaarverslag wel aan de orde.

Wat de genoemde aantallen studenten betreft: dat zijn de gegevens waar het systeem op dit moment mee komt.


De UR neemt de reactie van het college voor kennisgeving aan.



Vier leden van de Raad van Toezicht komen binnen.


9.Bespreking algemene gang van zaken

Voorliggende documentatie:

Verslag strategisch overleg UMT (UR 03-218)

Financieel jaarverslag (UR 03-199)


9a. Sectorplan Wetenschap en Technologie (UR 03-210)

Hazebroek, voorzitter UR-commissie O&O, geeft een kort overzicht van de gang van zaken tot nu toe.

Van Vught stelt dat er nog geen onomkeerbare afspraken zijn gemaakt. Dat zal waarschijnlijk ook niet het geval zijn bij de tweede conceptversie per 1.10.03. Voor de medezeggenschap is er dus nog alle ruimte. Na de aanbieding van de eerste versie aan de staatssecretaris is een informele, positieve, reactie ontvangen waaruit blijkt dat men vindt dat de 3 TU’s met het sectorplan op de goede weg zitten.


Vervolgens wordt nader ingegaan op een aantal informatievragen en discussiepunten zoals verwoord in UR 03-210:


Context sectorplan

Van Vught: In het nieuwe regeerakkoord is er veel aandacht voor de kenniseconomie. Het sectorplan past in dat kader. Hij verwacht dat in de kabinetsvoorstellen maatregelen en prikkels zullen worden opgenomen om de belangstelling voor bèta-richtingen te laten toenemen. In het sectorplan gebeurt dat tot nu toe niet, omdat de opleidingen niet in staat zijn dat te doen – behalve het aanbod zo aantrekkelijk mogelijk maken. Misschien moet het zo worden dat degenen die een technische opleiding hebben gehad gaan laten zien wat dat hun gebracht heeft. Ook wordt gedacht over financiële incentives, aldus Van Amerongen, maar dan komt wellicht het gelijkheidsprincipe in het gedrang.


Afstemming onderwijs

Van Vught: De invoering van de BaMa-structuur loopt parallel, dus er zijn geen grote afstemmingsproblemen. Verder streeft elke universiteit na het Major-minorinstrument te hanteren. Ze zijn nu nog niet identiek voor de drie universiteiten, maar zouden dat wel moeten worden. Waarschijnlijk wordt het onderdeel van het sectorplan. De discussie spitst zich wat dit betreft toe op de brede bachelor. Een betere term daarvoor lijkt te zijn: flexibele bachelor. In de mate van flexibiliteit zullen er wat verschillen ontstaan tussen de universiteiten. De grote vraag is hoe die flexibiliteit te formuleren, zodanig dat van elkaars specifieke deskundigheden gebruik gemaakt kan worden – dat is een tamelijk gecompliceerd proces.

Als het kan wil de UT wel vasthouden aan het huidige Mm-concept. Wat niet wil zeggen dat een minor niet verschillende vormen kan aannemen, zo lang afstemming maar mogelijk is.

Schrama merkt op dat er in het curriculum maar ruimte is voor één minor, waarop De Jong antwoordt dat het erom gaat het curriculum zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor nieuwe groepen van studenten. Het gaat er dus om of de universiteit bereid is de aangeboden gerichte aanpak te verlaten en meer uit te gaan van de student en wat bij hem past zodat zijn keuzevrijheid wordt vergroot.

Volgens Van Vught zal de overstap van de student van de ene naar de andere universiteit waarschijnlijk liggen na de bachelor; van belang is dus welke bachelor toegang geeft tot masteropleidingen.

Wormeester stelt dat het leuk is over keuzevrijheid te praten, maar dat juist bij technische opleidingen de vakken heel sterk op elkaar voortbouwen. Naar zijn mening zijn dan ook “flexibele studiepaden” veel beter dan “diversiteit” en “keuzevrijheid”. De Jong is het met hem eens dat ervoor gezorgd moet worden dat de student uiteindelijk de juiste keuze kan maken.


Inzet UT invulling 3 TU Graduate School / Inzet UT bij gemeenschappelijke lerarenopleiding, ontwerpersopleiding en postinitiële opleidingen

Van Vught: De UT ziet het liefst een zware Graduate School, die echt iets voorstelt, waarbij de universiteiten een bestuurlijke verantwoordelijkheid nemen en bijvoorbeeld een wetenschappelijk directeur leveren. Ook zouden er masters in moeten zitten, een ontwerpersopleiding en postinitiële opleidingen. Een aantal dingen lijkt in ieder geval te lukken, zoals een lerarenopleiding bij de UT. De TUD heeft liever een heel lichte Graduate School. Ergens daar tussenin zal het eindresultaat wel liggen.


Benadering UT 20 als minimale eis voor een master

Voorlopig wordt met het getal van 20 als minimaal instroomaantal gerekend. Er wordt onderscheid gemaakt als het gaat om opleidingen waar dat aantal van 20 niet zo cruciaal is. Over bepaalde opleidingen zouden de drie TU’s landelijke afspraken willen maken.


Verdere discussie:

Loopt het voornemen van Eindhoven en Nijmegen om samen een technologieopleiding te beginnen niet dwars door deze plannen heen? Van Vught: Dat plan was bekend, maar de afspraak was het niet te verwezenlijken. Het zal echter steeds zo zijn dat er altijd mogelijkheden blijven voor andere afspraken met andere partners.

Wat is de rol van de Raden van Toezicht? Van Amerongen: Vooral op voorzittersniveau zijn er afspraken gemaakt. Zij vinden het samen met de minister en de staatssecretaris van groot maatschappelijk belang dat er voortgang wordt geboekt in het overleg 3TU. Dat kan mogelijk ook leiden tot het oplossen van de financiële problemen. De voorzitters hebben afgesproken hun CvB’s optimaal te stimuleren om voortgang te maken, en waar nodig signalen op te pikken als er actie ondernomen moet worden.

Overleg universiteitsraden: De voorzitter vertelt dat er een heel goed gesprek is geweest. De UR’en willen het proces een kans geven en staan er met een positieve grondhouding tegenover. Zij willen echter wel goed geïnformeerd blijven. Geprobeerd moet worden er gedrieën een win-/win-/win-situatie van te maken, waarbij ieder zich bewust moet blijven van de eigen verantwoordelijkheden. Volgens Sistermans zou er een win-/win-situatie moeten zijn in de zin van: enerzijds de maatschappij en anderzijds de 3 TU’s – en de eindsituatie moet beter zijn voor Nederland.

Flexibele studiepaden: De Jong vertelt dat bijvoorbeeld voor het plan TNW gekeken is of dat ook voor de beide andere universiteiten toepasbaar zou kunnen zijn, en of dat ook kan gelden binnen andere opleidingen bij de UT.

Wat moet volgens de RvT de positie van de student in het geheel zijn? Van Amerongen meent dat de RvT’en zich daar niet zo mee moeten bemoeien; zij kijken vooral naar het maatschappelijke probleem van de gebrekkige uitstroom van studenten en naar wat er gedaan kan worden met de beperkte middelen. Volgens Van Vught zijn er meerdere dimensies: de bestaande economische (bijvoorbeeld: wie gaat wat doen in termen van onderzoek), het onderwijs (meer studenten trachten te interesseren voor techniek) en de onderzoekskant. De Nederlandse opleidingen zijn goed; als er een goede afstemming plaatsvindt kunnen ze nog beter worden en dat zou een pré moeten zijn voor de studenten. Verder zou gedacht kunnen worden aan bijvoorbeeld een bepaalde vorm van tegemoetkoming in studiekosten (incentives).


9b. Financieel verdeelmodel en

9c. Ontwerp-nota Begrotingsrichtlijnen 2004

(UR 03-229 en 229 en 229a en b, UR 03-203))

Wormeester, voorzitter UR-commissie F&V, houdt een korte inleiding. Daarbij memoreert hij o.a. dat de meningen van UR en CvB verschillen waar het gaat om de decentrale effecten van het verdeelmodel. De UR is van mening dat goed gekeken moet worden of bijsturing nodig is, met name op het gebied van de small business units en het onderwijs. In dat kader heeft de raad gevraagd om reacties van de opleidingsdirecteuren. Deze reacties zijn bij de agendastukken gevoegd en de UR verzoekt het CvB deze goed te bestuderen.

Te Beest: Het CvB is van mening dat het te vroeg is om het verdeelmodel dit jaar al echt te veranderen. Men moet eerst de kans krijgen eraan te wennen. En ook is het de bedoeling eerst de meerjarenbegroting te maken, en vervolgens zorgvuldig te evalueren. Er is gekozen voor een overgangsperiode van drie jaar. De decanen en wetenschappelijk directeuren hebben de vrijheid te proberen problemen te voorkomen, overigens wel onder strikte condities.

Het CvB is op de hoogte van wat er bij de OLD’s leeft. Het zou goed zijn na de zomervakantie eens bij elkaar te gaat zitten en de conclusies naast elkaar te leggen.

Het CvB wil graag de discussie over het verdeelmodel blijven voeren, maar dat kan alleen als het CvB de ruimte krijgt om bestuurlijk verstandig te werk te gaan.


Te Beest toont enkele overzichten m.b.t. de begrotingsrichtlijnen. Vervolgens vindt discussie plaats over de toezeggingen die verwoord staan aan het eind van het concept-UR-advies (UR 03-229). Deze zullen door Wormeester worden geherformuleerd op basis van de volgende ter vergadering getrokken conclusies:

Ziektevereveningsfonds: In de nota Personeelsbeleid zal aangegeven worden dat de ziekteverevening op adequate wijze wordt ingevuld.

De prioritaire projecten zullen ondergebracht worden binnen het kader van de centrale stimulering.

De UR vindt dat een beleidsreserve van M€ 1,- voldoende zou moeten zijn voor het oplossen van de pijnpunten die niet direct gerelateerd zijn aan het verdeelmodel. Het CvB wil de posten frictiekosten en beleidsreserve echter liever nog niet samenvoegen tot één beleidsreserve.

De UR stelt een aantal analyses voor (uitwerking verdeelmodel, kosten van bekostigde prestatie-eenheden, uitwerking van parameterschommelingen op leerstoelniveau), teneinde te voorkomen dat er ongewenste situaties ontstaan. Te Beest herhaalt zijn toezegging om na de vakantie een bijeenkomst te beleggen voor een inhoudelijke discussie tussen de commissie financieel verdeelmodel en een delegatie uit de U-Raad. De voorzitter stelt voor daarbij ook de OLD’s te betrekken die hebben gereageerd op het UR-verzoek om nadere informatie over het verdeelmodel. Te Beest kan dat niet toezeggen, omdat het CvB overlegt met het UMT en de OLD een adviserend orgaan van het UMT kan zijn; bovendien wil hij eerst met de UR spreken. Overigens staat het de UR natuurlijk vrij om te overleggen met de OLD’s, aldus Van Vught. Het CvB zal ervoor zorgen dat de OLD’s alle relevante informatie krijgen. Tevens kunnen zij het college via de CCO informeren.


Wormeester zal (de toezeggingen in) het UR-advies herformuleren en aan het college voorleggen, waarna het presidium het advies namens de UR kan vaststellen.


9d. Bestuurlijke processen (UR 03-225)

Van Vught stelt dat het college teleurgesteld was na het lezen van UR 03-225. Het CvB is van mening dat na een moeilijke en roerige periode het afgelopen jaar in wezen een relatief rustig, tevreden jaar is geweest. Het is niet gemakkelijk, maar er is toch een vrij grote mate van steun voor de ingeslagen weg. De UR-reactie kwam dan ook onverwacht. De gekozen besturingsaanpak functioneert – wellicht wat trager dan gewenst (de relatie CvB – UMT – UR neemt wat meer tijd), maar dat leidt ertoe dat de legitimiteit van de besluitvorming daarmee is gediend. De bevoegdheden van de medezeggenschap zijn naar het oordeel van het college onaangetast.

Het CvB weet precies hoe het in de eenheden staat met de bezuinigingen en met de stand van zaken inzake het vastgoed. De reorganisatie is moeilijk, maar gaat niet slecht. Wat er in gang is gezet is een prestatie van formaat.

De strategische plannen komen veel trager op gang dan destijds gedacht. De UR vindt dat zorgelijk, omdat hij dat koppelt aan de reorganisatie. Bij de eenheden is die koppeling echter losser geraakt, en daardoor duurt het wat langer. Maar dat is niet erg, want het Instellingsplan staat pas op de planning voor 2005.

Van Amerongen: De UT heeft in een crisis verkeerd. De UR heeft tegenover de RvT duidelijk gemaakt dat dat veel te maken had met communicatie en vertrouwen e.d. De RvT heeft heel nadrukkelijk geluisterd naar de signalen uit de UT-gemeenschap en vervolgens het college met heel veel druk op pad gestuurd om inhoud te geven aan het UMT en te zorgen voor een breder draagvlak op bestuurlijk niveau. Hij acht het signaal dat de UR in dat kader afgeeft dan ook geheel verkeerd. De formele kant ervan begrijpt hij wel, maar enige nuancering – met name in de pers – was wel op z’n plaats geweest.

De voorzitter merkt op dat het vooral als signaal, als hartekreet van de UR moet worden opgevat, in reactie op wat er het afgelopen jaar gebeurd is. En wat het afronden van de reorganisatie betreft: de UR vindt dat er een sluitstuk moet zijn, niet alleen naar de medezeggenschap en de decanen etc., maar naar de hele UT-gemeenschap. Daar mag dan wel iets over opgenomen zijn in de begrotingsrichtlijnen, maar dat is niet voldoende.

Overigens waren de strategieplannen van de eenheden wel degelijk onderdeel van de reorganisatie, aldus de voorzitter. Daarom is het belangrijk te laten zien dat in de eigen faculteit overeenstemming is bereikt, door een strategieplan klaar te hebben.


Ten slotte merkt Van Amerongen op dat het signaal wel overkomt bij de RvT en dat er ook wel over gesproken zal worden met het CvB. Verder stelt hij dat er, kijkend naar de kwaliteit en vooral de inzichtelijkheid van de financiële rapportage, een wereld van verschil is met vier jaar geleden. Daarvoor verdient Te Beest een compliment.


10.Schriftelijke rondvraagpunten (UR 03-212)

10.1. Toegankelijkheid medezeggenschap voor buitenlandse studenten

Het CvB zal schriftelijk reageren.


10.2. De Vrijhof als onderwijsgebouw

Waarschijnlijk is er sprake van een misverstand, aldus Van Vught. Het is de bedoeling dat vanaf september 2003 overdag een aantal vergaderzalen wordt ingeroosterd voor onderwijs. Het betreft hier niet de grote zalen, en dit kan gebeuren zonder hinder voor de verenigingen te meer daar er in de Bastille vergaderzalen voor de verenigingen bij zijn gekomen. Mocht het ooit aan de orde zijn dat de grote zalen gebruikt worden, dan zullen de gebruikers erbij betrokken worden; het CvB vindt dat in dat geval de verenigingen op z’n minst zalen van gelijkwaardig niveau tot hun beschikking moeten hebben. Een projectgroep kijkt naar de uiteindelijke bestemming voor de Vrijhof – ook Apollo maakt deel uit van die projectgroep. Volgens Van Vught is er vooralsnog geen reden tot zorg.


11.Rondvraag

Berends: Er is onduidelijkheid over de samenstelling van benoemingsadviescommissies voor hoogleraren. Bestaan daarvoor UT-brede richtlijnen? Van Vught: Er zijn algemene richtlijnen t.a.v. de functie van voorzitter, het aantal leden e.d. – die liggen vast in een UT-breed reglement. Hoe het zit met de betrokkenheid van studenten weet Van Vught zo niet. Het reglement zal aan de UR toegezonden worden.


Sistermans zegt de zomer in te zullen gaan met een trots gevoel. Hij constateert dat de UR nu eindelijk naar buiten kan kijken en adviseert de raad ook trots te zijn op wat hij heeft bereikt.


Van Vught dankt de raadsleden die in de nieuwe samenstelling niet terug zullen keren hartelijk voor hun grote inzet. Ook hij voelt trots om wat er is bereikt – zonder de inbreng van velen aan de UR-tafel zou dat niet zo goed gelukt zijn.


12.Sluiting

De voorzitter sluit om 19.05 uur de laatste overlegvergadering van het academisch jaar.


*****