Verslag

van 2002 12 10

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 10 december 2002


Aanwezig:

Leden UR:

Becht, Beeker, Berends, Brinkman, Van Doorn, Hazebroek, Holkers, Houweling, Huisman, Hummel, Meijer, De Olde, Van Rijn, Schrama (vz), Wallinga-de Jonge, Wormeester

College van Bestuur:

Te Beest, De Jong, Van Vught

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)


Afwezig m.k.:

Van Benthem, Bulter




1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 13.40 uur de vergadering.

De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


Meijer meldt dat Bulter hem gemachtigd heeft over het onderwerp Nota Leerstoelenbeleid namens hem een stem uit te brengen. De voorzitter stelt vast dat het hier een geldige machtiging betreft.


2.Mededelingen

Voorzitter:

De overlegvergadering op 14.1.2003 begint om 10.30 uur.


Meijer:

De UR en de gezamenlijke bonden in het OPUT hebben besloten tot het inrichten van een eigen meldpunt reorganisatie. Reden hiervoor is dat er behoefte is aan een beter inzicht in wat er allemaal speelt rond de reorganisatie en met name de uitvoering van de sociale aspecten daarvan. Het is de bedoeling op die manier wat meer informatie te verzamelen over waar de problemen liggen en hoe die eventueel structureel aangepakt kunnen worden. Het gaat dus niet om persoonlijke belangenbehartiging o.i.d.

De Jong reageert met de opmerking dat hij het fatsoenlijk zou hebben gevonden indien UR en OPUT eerst contact hadden gezocht met het CvB om hierover te spreken in plaats van het af te doen als een mededeling in deze vergadering.


Van Vught:

N.a.v. UR-02.418 inzake de gevolgen van de brand TW/RC meldt Van Vught dat op alle vlakken geprobeerd wordt de situatie zo goed mogelijk het hoofd te bieden. De inzet van velen daarin is zeer bewonderenswaardig; er wordt heel hard gewerkt. Naar verwachting zal vóór de kerst in de huisvestingsbehoefte van gedupeerden voorzien kunnen worden

Uiteraard zullen er effecten zijn op de ontwikkelingen rond het vastgoedplan. Geprobeerd zal worden dat in een aantal alternatieve scenario’s aan te geven. Wellicht zal er aanleiding zijn tot versnelling van activiteiten, maar dat hangt ook af van de financiële mogelijkheden.

Als de UR problemen (voor)ziet hoort het college dat graag.

Het crisisteam is formeel niet meer in functie.


Verwacht wordt dat aan het begin van het nieuwe jaar een evaluatie kan plaatsvinden, waarbij uiteraard ook gekeken zal worden naar de mogelijke oorzaken en de eventuele effecten door de gedeeltelijk uitgevoerde renovatie.

Desgevraagd meldt Van Vught nog dat vanaf het begin extra beveiligingsbeambten zijn aangetrokken en dat er een identificatieplicht is ingesteld. T.a.v. het gerucht dat er computers ontvreemd zouden zijn is hem niets bekend. Verder wordt verwacht dat extra onderwijsruimte niet buiten de universiteit zal hoeven te worden georganiseerd, omdat er op de campus tijdelijke huisvestingsmogelijkheden gevonden zijn. Waarschijnlijk zal omstreeks februari na de verbouwing van gebouw B betere ruimte geboden kunnen worden. Het liefst zou het college zo snel mogelijk het TW-gebouw renoveren, zodat het weer betrokken kan worden.


3.Verslag van de overlegvergadering van 5 november 2002 (UR-02.414, UR-02-415)

Besloten wordt de laatste (cursief gedrukte) alinea van punt 4 te vervangen door de tekst zoals geformuleerd in UR-02.415.

Met inachtneming hiervan wordt het verslag vastgesteld. Ten aanzien van de aandachtspunten in UR-02.415 zijn er geen opmerkingen.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 2 pt. 4 – Nota Onderzoeksbeleid: Van Vught stelt dat de nota zal worden gebruikt als kader voor meer specifiek beleid. In de komende periode zal ervoor gezorgd worden dat allerlei uitwerkingspunten in het beleid sporen met deze nota. Het college gaat ervan uit dat de UR heeft ingestemd met de nota met uitzondering van de genoemde punten, en gaat er ook zodanig mee om.

Pag. 4 r.14/15: De conceptnota Efficiency in het Onderwijs is in bespreking in de CCO. Waarschijnlijk kan er begin volgend jaar verder over gesproken worden met de UR.


4.Algemene gang van zaken, strategiediscussie en korte presentatie van het CvB (UR-02.419, UR-02.425)

De stukken UR-02.419 en UR-02.425 hebben elkaar gekruist.


Strategisch profiel van de Universiteit Twente

Van Vught licht toe dat de gedachte van het college is dat in de komende jaren nog meer zal blijken dat de belangrijkste vraag waar de UT zich voor geplaatst ziet is of en in welke mate zij zichzelf zal willen kwalificeren als wereldspeler. Dat komt omdat zich internationaal in toenemende mate ook op het vlak van onderwijs verdere globalisering voordoet. Dat vraagt om nadere profilering. Het CvB heeft vooralsnog het standpunt dat de UT dat zal moeten willen en ook kan; maar ze kan het niet alleen. De missie van de UT zal in de toekomst ook vrij goed (of misschien met enige bijstelling) de lading kunnen dekken. In dat geheel zal efficiency heel hard nodig zijn, want het is duur om wereldspeler te kunnen zijn.


Fractiestandpunten:

UReka:

Onderwijs moet bij de UT altijd op de eerste plaats komen.

Heel belangrijk is academische vorming als fundament voor alle onderwijsactiviteiten. Wat verstaat het college onder academische vorming?

Alleen de focus op excellent onderwijs is wat beperkt. Nevenactiviteiten van studenten moeten zeker niet vergeten worden.

Belangrijk is uitdagend onderwijs. Daarin moet de UT zich onderscheiden. Ook kan ze zich onderscheiden in het bieden van keuzemogelijkheden in het onderwijs; dat leidt tot een aantrekkelijk onderwijsprofiel en kan helpen bij de werving van studenten.

KCU:

Er is nog geen antwoord van het CvB op de vraag die is gesteld in het UR-advies van 18.9.2002, namelijk om aan te geven welke ruimte er de komende vijf jaar is om dingen te doen. Dat antwoord is nodig om te kunnen komen tot een profiel.

Moet eerst afgewacht worden hoe de gesprekken tussen de drie TU’s verlopen of moeten de faculteiten eerst hun belangrijkste strategische punten aangeven?

DD:

Internationaal functioneren is erg belangrijk. In UR-02.425 ontbreekt een nadere uitwerking daarvan. Punt van zorg in het huidige functioneren van de UT is dat er te weinig aandacht en voortgang is op dat gebied.

De profilering in onderwijs is uitermate belangrijk voor het voortbestaan van de UT.

Netwerken zijn van groot belang. Wezenlijk is dat bij de keuze daarvan ook de faculteiten betrokken worden.

Gezamenlijk moet worden nagedacht over een hele korte, krachtige formulering van de missie, waarbij het aspect van ondernemende researchuniversiteit behouden blijft maar ook het onderwijs een belangrijk element is.


Uit de discussie die volgt wordt het volgende opgetekend:

Van Vught:

Een universiteit kan inderdaad niet zonder onderwijs. In de formulering “ondernemende researchuniversiteit” zit onderwijs in het woord “universiteit” verweven. Een researchuniversiteit is een universiteit die behalve een undergraduate fase ook een graduate fase heeft; er wordt niet alleen maar onderzoek gedaan. Ook het CvB vindt dat onderwijs cruciaal is voor een universiteit.

We hebben zoveel ruimte als we onszelf gunnen. Die ruimte kan worden vergroot door associates, meer inkomsten etc. Maar eerst moeten strategische doelen gesteld worden.

Het internationale netwerk past heel goed bij de missie. Er moeten niet zodanige keuzes gemaakt worden dan anderen uitgesloten worden. En uiteraard moet er een inhoudelijke invulling zijn met allerlei facultaire combinaties.

Alleen of samen met anderen: als eilandje zal de UT over 10 of 20 jaar minder kansen hebben dan als speler in één of meer grotere constellaties.

TU’s: Zij moeten eerst zelf hun strategische oriëntaties formuleren en zich in hun strategische keuzes niet laten beperken door afspraken die zij met anderen zouden moeten maken.

De Jong:

Ruimte heb je niet, die maak je. Dat is ook de kern van academische vorming: mensen vormen zichzelf in de context van de academie. Er zijn zowel formele als informele bronnen van kennis, die allemaal waarde hebben. Dus: academische vorming gekoppeld aan studentenactivisme – juist daardoor worden onderwijsprogramma’s uitdagend. Het vraagt het een en ander van opleidingen om ruimte te maken.

Bij de UR spelen de studenten een heel belangrijke rol. Bijvoorbeeld op het terrein van academische vorming gaat de Student Union onderzoek doen.

Internationaal: De operationele kant van het internationaliseringsbeleid is het grootste probleem. Het werven van internationale studenten is geen probleem, maar waar het om gaat is ze de goede faciliteiten te kunnen bieden. Wat de UT wil is de juiste infrastructuur maken en dan de internationale werving verder uitbouwen.


UR:

Brinkman vindt dat er erg veel voor het voetlicht komt. Er moet dan ook naar het juiste midden gezocht worden. Hoeveel energie gaat er zitten in internationalisering, wellicht ten koste van de core business (het onderwijs)? Hij vraagt daar aandacht voor en vindt dat de ruimtebeperking in de strategische afweging niet helemaal weggegooid moet worden.

Volgens Berends moet de UT ook binnen het onderwijs uitdagend worden en niet alleen daarbuiten.

Wormeester: De UT heeft een lange geschiedenis van convenanten met anderen. Dat kost veel inspanning, maar levert het ook genoeg op? En verder: wat hebben we aan ruimte en wat zouden we willen creëren?

Van Rijn: Wat verstaat het CvB onder flexibilisering in het kader van ruimte scheppen?

Van Doorn: Wat verstaat het CvB onder “kwaliteit van het onderwijs”?

Schrama: Worden fusies uitgesloten?

Van Vught en De Jong:

Als de WHO voortgaat met het verklaren dat met name hoger onderwijs een service is die op de markt verhandelbaar is en waartegen geen handelsbarrières zouden mogen worden opgeworpen, dan zal het aantal aanbieders van onderwijs aanzienlijk toenemen en zeker ook de competitie. Er zijn organisaties die over veel meer financiële armslag beschikken dan de UT. De kans dat de UT als solist op de wereldmarkt het wint van sommige anderen lijkt niet groot. Dus uit strategische overwegingen is het voor de UT aan te raden samenwerkingsverbanden te zoeken en daarmee de ruimte te vergroten. Dat dat in het verleden niets heeft opgeleverd is geen argument om het niet te doen. Gezocht moet worden naar de meerwaarde van samenwerkingen. Fuseren is een uitwerking; dat is voor het maken van een strategisch profiel niet van belang. Overigens denkt Van Vught dat een fusie niet zo maar zal plaatsvinden.

De kwaliteit van het onderwijs hangt mede samen met de kwaliteit van docenten. De UT scoort daarin heel hoog, maar natuurlijk kan het ook altijd nog beter. In het kader van het personeelsbeleid zal daar ook aandacht aan besteed moeten worden. Wat betreft kwaliteitsnormen zal gekeken moeten worden wat anderen eronder verstaan en van je verwachten op dat gebied. Ook de effectiviteit van het onderwijs is belangrijk. In de missie staat een hoge kwaliteit centraal. Er moet niet geprobeerd worden die hoge kwaliteit te definiëren. Wel moet je voortdurend kijken waar je staat, in de hoop dat je steeds beter en beter wordt. Kwaliteit moet ook gemeten worden in termen van flexibiliteit van het stelsel. Flexibiliteit is: keuzevrijheid voor studenten om – binnen kaders – hun eigen weg binnen programma’s te kiezen, en ook: aantrekkelijkheid van het onderwijsprogramma voor een diversiteit aan doelgroepen.


Volgens de voorzitter zijn de faculteiten aan de beurt om zich over hun eigen strategie te buigen, waarna die de aanzet moet vormen voor de strategie van de hele universiteit. Zodra zij met hun strategieplannen klaar zijn zou ook de UR erbij betrokken moeten worden alvorens ermee verder te gaan.

In dit kader stelt Wallinga-de Jonge voor om de weergave van de in deze vergadering gevoerde discussie samen met de notities van UR en CvB over strategie ter beschikking te stellen van de faculteiten, zodat zij dat alles bij hun eigen discussie kunnen betrekken.

Brinkman merkt op dat steeds weer wordt aangehaald dat de UT een kleine universiteit is en dus partners moet zoeken. Echter, als je een muis bent moet je uitkijken wanneer je met een olifant gaan spelen. Eigenlijk moet je dan wel een supermuis zijn. In dat kader is het van groot belang dat (kwalitatief goed) onderwijs de core business blijft.

Van Vught: Je moet zelf je inhoud kiezen en vervolgens proberen die zo goed mogelijk af te stemmen op degenen die die inhoud willen hanteren. Dat is iets wat de UT al jarenlang doet. Een muis en een olifant kunnen allebei in verschillende omstandigheden leven. Maar als ze niets te eten hebben, gaan ze dood. De UT wil geen olifant worden, maar een muis blijven die zich redelijk wel voelt. Er moet echter wel iets gebeuren om de muis te blijven die de UT nu is.


Afgesproken wordt de suggestie van Wallinga-de Jonge te volgen m.b.t. het beschikbaar stellen van stukken ten behoeve van de discussies in de faculteiten.


Onderwijs: instroom, betaalbaarheid, efficiency en kwaliteit

Van Vught merkt op dat het in tegenstelling tot wat de UR kennelijk meent, juist goed gaat met de instroom. Voor een groot deel heeft dat te maken met de nieuwe opleidingen; verder is het een feit dat de markten voor de oude opleidingen krimpen.


UReka: De rendementscijfers zijn zeer eenzijdig gedefinieerd: alleen de ontwikkeling in het onderwijsprogramma wordt gemeten. UReka pleit voor een bredere definitie door te proberen de totaalontwikkeling te meten, bijvoorbeeld inclusief academisch vormende nevenactiviteiten.

DD: Binnen de UT is er onduidelijkheid over de mate waarin getracht wordt de instroom van oude opleidingen op niveau te houden. Bij te weinig instroom zullen bepaalde researchlaboratoria hun activiteiten gaan verplaatsen naar het buitenland, hetgeen ongewenst is.

KCU: Het aantal studenten per opleiding neemt gemiddeld genomen wel af. Dat geldt met name voor de technische opleidingen. Het betekent dat de kosten per student in principe toenemen, zeker als het niet lukt het onderwijs op efficiënte wijze aan te bieden. Het is noodzakelijk om de kosten van het onderwijs in beeld te brengen en te analyseren; ook moet er in het verdeelmodel een duidelijke incentive komen voor het efficiënt aanbieden en afnemen van onderwijs.


De Jong: De kosten van onderwijs hangen samen met wat je beeld is van goed onderwijs. Het in kaart brengen van de kosten is tot op zekere hoogte wel mogelijk, maar laat vooral zien dat wat beschikbaar is aan middelen er ook aan opgaat. Bij het opnieuw definiëren van bachelors en masters kan daar een poging toe gedaan worden, en dan kan ook bezien worden of het mogelijk is de basisdiscipline die in veel opleidingen tegelijkertijd wordt aangeboden in één vorm te gaan aanbieden aan een aantal opleidingen, hoe de doorstroom van studenten adequater georganiseerd kan worden, of alleen docenten of ook student-assistenten in het onderwijs moeten worden ingezet enz. Over dit soort zaken wordt momenteel gesproken in de CCO.

Rendementen zijn heel belangrijk, zowel financieel alsook omdat ze het beeld van de universiteit bepalen.

Volgens Van Vught wordt er al heel efficiënt gewerkt in het onderwijs. Eigenlijk zou het relatief gemakkelijk moeten kunnen zijn om het aantal bachelors te beperken resp. het aantal vakken per opleiding terug te brengen door ze te delen. Dat zou een strategische keuze kunnen zijn.


Strategische inzet bij overleg tussen de drie TU’s

Van Vught: Het nieuwe kabinet zal ongetwijfeld een punt maken van de nieuwe economische groei die nodig zal zijn. In het voorjaar komt er een innovativiteitsnota en daarin zal het nodige worden gezegd over de noodzakelijke investeringen. In dat verband spelen de universiteiten een belangrijke rol. Waarschijnlijk zal blijken dat van universiteiten, en zeker van technische universiteiten, verwacht wordt dat hun relatie met de economische ontwikkeling versterkt wordt door meer kwaliteit en economisch relevante uitkomsten te produceren. Daarbij zal waarschijnlijk ook gezegd worden dat de drie TU’s hun samenwerking moeten intensiveren – de druk zal toenemen. In die context moet het huidige overleg geplaatst worden.

De drie TU’s zijn al enige maanden in gesprek. Het is niet zo dat TUD en TUE daarin verder zijn dan de UT; wel heeft TUD een inhaaloperatie gedaan (bijv. door het kiezen van speerpunten). TUD en TUE hebben jaren geleden al geprobeerd afspraken te maken, zoals over bouwfysica en automotive. Maar dat zijn marginale aspecten. Er zullen nu bilaterale gesprekken gaan plaatsvinden t.a.v. onderzoek-zwaartepuntvorming en masterspecialisatie. T.a.v. de bachelors vinden de drie TU’s dat elke universiteit maximaal regionaal instroompunt moet zijn.

De in de notitie genoemde gebieden zijn gekozen omdat daarover het meest eenvoudig afspraken lijken te kunnen worden gemaakt. Er zal zeker geprobeerd worden zoveel mogelijk binnen de UT te handhaven, en de UR zal er zoveel mogelijk bij betrokken worden middels voortgangsrapportages.


De UR constateert dat dit onderwerp zeker een vervolgdiscussie vraagt. Gelet op het stappenplan zal dat waarschijnlijk in maart 2003 gebeuren.

De UR had graag nog wat meer strategische onderwerpen willen bespreken met het college (onderzoek, besluitvorming op centraal niveau, inrichting nieuwe faculteiten, werkdruk), maar de tijd laat dat nu niet toe.


5.Begrotingsbod 2003 (UR-02.351, UR-02.420)

Te Beest geeft een korte presentatie aan de hand van een aantal overheadsheets. Hij stelt dat het met de bezuinigingen voor de hele universiteit in 2003 mee blijkt te vallen en dat door een andere manier van alloceren meer geld is terecht gekomen bij onderwijs en onderzoek.

In antwoord op een vraag vanuit de UR zegt hij dat faculteitsdecanen zelf de mogelijkheid hebben het geld te verdelen binnen de faculteit middels toevoeging of onttrekking aan de reserves.

Beeker merkt op dat het bij studierendement gaat om geld dat binnenkomt als iemand is afgestudeerd. Zijn vraag is dan hoeveel mensen hun studie afmaken. Verder wil hij graag weten of er ook een promotierendement gedefinieerd is, en hoeveel mensen hun AIO-/OIO-schap afmaken. Te Beest antwoordt dat het er bij studierendement inderdaad om gaat hoeveel studenten hun diploma halen. Dat blijkt steeds langer te duren en dat heeft financieel gezien dus wel effect. Voor promoties zijn er geen rendementseisen geformuleerd. Dat is ook niet nodig, omdat bij de OIO’s het rendement 96% is (bij de AIO’s is dat echter minder, aldus Wormeester, namelijk ca. 75%). Wallinga-de Jonge wijst er in dit kader op dat de curve voor de instroom sneller stijgt dan de curve van de werkelijk uitgereikte diploma’s.


Vervolgens gaat Te Beest in op UR-02.420:

1.In het bedrag aan inzetbare middelen is de compensatie voor loonstijging opgenomen. Als de CO’s en TCO’s eraf worden getrokken moeten ze afzonderlijk van loonstijging worden voorzien. Dus wordt er niemand benadeeld.

2.De voorfinancieringskosten zijn onderdeel van strategische reserveringen van een deel van de contingency. De ontwikkelkosten zijn bekend. De aanloopkosten moeten herberekend worden en zullen worden toegezonden zodra ze er zijn. Het financieren van bachelordiploma’s zal ook leiden tot verlaging van aanloopkosten, maar het is nog niet precies bekend hoe dat zal gaan verlopen.

3.Het cijfermateriaal ligt ter inzage bij FEZ. Het is door de accountant goedgekeurd. Overigens gaat het niet om een bekostigingsmodel, maar om een verdeelmodel.

4.Niet in alle situaties is geregeld hoe de infrastructurele kosten betaald worden. Het jaar 2003 zal nog worden gebruikt om een beetje te helpen bij de berekening. Het betreft hier de zaalhuur.

5.De UR kan er inderdaad op vertrouwen dat de gemaakte afspraken worden nagekomen.

6.Hetgeen nu voorligt is het bod op basis waarvan de begroting en de meerjarenbegroting gemaakt worden. Het model wordt dan gelegd tegen de criteria die door de kantelingscommissie bedacht zijn. Vervolgens wordt de raad van advies van de universiteit gevraagd daarop te reflecteren (maart), en op grond van dat alles wordt overgegaan op een nieuw model dat de basis gaat vormen van bestuurlijke besluitvorming.

Op de vraag hoe de bilaterale overleggen zijn verlopen antwoordt Te Beest dat de planning in de begroting is gehandhaafd en achterstanden worden weggewerkt. De faculteiten en diensten hebben claims ingediend ter hoogte van in totaal M€ 12; daarvan komt M€ 7 voor rekening van universitaire stimulering. Het totale tekort wordt geschat op M€ 2,5. Met het UMT is afgesproken dat een aantal beslislijnen zal worden gehanteerd op dat op te lossen.


Op 18 december a.s. zal de begroting gepresenteerd worden in het UMT. Met de UR zullen nadere afspraken gemaakt worden over de bespreking ervan.


6.Tussentijdse financiële rapportage ultimo augustus 2002 (UR-02.388)

Te Beest houdt aan de hand van sheets een korte presentatie, waaruit blijkt dat het lukt binnen de begroting te blijven en de keuzes te maken die gemaakt moeten worden.

Op de vraag van Wormeester of het bij BSK en TO sprake is van een structureel probleem m.b.t. de derdegeldstroom antwoordt Te Beest ontkennend – dat blijkt ook niet uit de begroting voor het komend jaar.


7.Nota Leerstoelenbeleid (UR-02.400, UR-02.422, UR-02.423)

Van Vught meldt dat het UMT van mening is dat de categorie universitaire leerstoelen erg belangrijk is en dat de categorie lectores academiae een goede invulling zou kunnen zijn van hetgeen wordt nagestreefd.


Het gaat de UR erom dat de universitaire leerstoelen worden ondergebracht bij de vrije leerstoelen zodat ze zo spoedig mogelijk kunnen worden ingebed in de leerstoelenplannen van de faculteiten, en dat de bekostiging ervan onderdeel zal zijn van de centrale en de decentrale stimulering.


Van Vught merkt verder op dat de categorie universitaire leerstoelen in principe betrekking heeft op leerstoelen van binnen en misschien bij hoge uitzondering op een leerstoel van buiten. Voor universitaire leerstoelen is een klein budget beschikbaar; uitgangspunt is dat een bestaande leerstoelhouder universitair leerstoelhouder kan worden en dan daaruit wat extra geld krijgt voor die leerstoel. Om daarvoor in aanmerking te komen kunnen directeuren en decanen een voostel doen. Als er iemand van buiten als universitair hoogleraar zou worden aangetrokken is daarvoor niet alleen geld beschikbaar uit dat kleine budget, maar moet speciaal daarvoor vanuit het model ook een ander bekostigingsregime gemaakt worden; aangezien daar niet vaak ruimte voor is, zal dat ook niet vaak gebeuren, en zal de betrokkene zo spoedig mogelijk moeten ingroeien. Overigens geldt ook hier de gebruikelijke maximale leerstoelentermijn van vijf jaar.

Afgesproken wordt dat de tekst in de nota op dit punt wat helderder geformuleerd zal worden.


Er blijkt verschil van inzicht te zijn tussen CvB en UR of het bij dit agendapunt gaat om een instemmings- of een advieskwestie. De UR heeft bij het instemmingsbesluit t.a.v. de Nota uitgangspunten onderzoeksbeleid 2002-2006 de hoogleraarcategorieën universiteitsleerstoel en teaching professor uitgezonderd van instemming, en meent daarom dat het ook nu gaat om een instemmingsbesluit. Het college daarentegen zegt om een advies te hebben gevraagd.

De UR zal dit nader uitzoeken. De voorzitter constateert overigens dat aan de wettelijke eis van overleg is voldaan en dat inhoudelijk overeenstemming is bereikt; hij stelt voor dat het UR-presidium in overleg met het CvB zorgdraagt voor de formele afhandeling.




8.RSI-Beleidsplan (UR-02.392, UR-02.426)

Over het moment en de wijze van rapporteren door de RSI-stuurgroep zullen nadere afspraken worden gemaakt.

Op een vraag van Huisman ten aanzien van de kosten van te gebruiken laptops antwoordt De Jong dat het plan naar verwachting in de eerste helft van 2003 klaar zal zijn en dat er dan ook een financiële onderbouwing komt.


Met inachtneming van het bovenstaande stemt de UR in met het RSI-beleidsplan.


9.Voortgangsrapportage reorganisatieproces (UR-02.396/1-2)

Op 12 december a.s. is er een informeel gesprek van de voorzitter met De Jong, waarbij ook de presidiumleden die zich met de reorganisatie bezig houden aanwezig zullen zijn.

De Jong vertelt dat het UMT zich unaniem achter het plan heeft gesteld zoals dat er nu ligt (en ook aan de UR is toegezonden ter bespreking op 14.1.03). Ook op decentraal niveau heeft intensief overleg plaatsgevonden. Het college heeft het commitment op zich genomen te trachten de zeer ingrijpende reorganisatie uit te voeren zonder dat het tot gedwongen ontslagen komt. De huidige stand van zaken is dat ten aanzien van ruim 20 fte’s nog niet met zekerheid gesteld kan worden of gedwongen ontslag vermeden kan worden. Het CvB zal er alles aan doen om te proberen dat getal tot nul terug te brengen.

Het college kan zich vinden in het idee van de UR om samen met het OPUT een meldpunt in te stellen. Op het moment dat er sprake is van klachten of van besluiten waarover discussie kan plaatsvinden, zullen al die gevallen in eerste instantie ook samen met de voorzitter van het OPUT worden besproken en pas daarna zal het CvB een besluit nemen.

Over een week zal formeel worden overgegaan tot melding van de reorganisatie, en vanaf dat moment zal de termijn gaan lopen. In januari wordt het definitieve besluit genomen, nadat in de overlegvergadering op 14.1.03 ingevolge het stappenplan overeenstemming is bereikt over het te nemen besluit.


Vragen/opmerkingen en antwoorden:

Meijer: Volgens de faculteitsraad EWI zijn de stukken decentraal en centraal niet helemaal gelijk.

De Jong: De getallen in de plannen kunnen inderdaad enigszins afwijken. Dat wordt ook uitgelegd.

Meijer: Kan er wel melding bij het OPUT plaatsvinden zondar dat daar bespreking met de UR aan vooraf is gegaan?

De Jong: Er zijn afspraken gemaakt dat het CvB eerst overleg heeft met het OPUT.

Meijer: Gelukkig wordt het aantal met ontslag bedreigden steeds lager. Men zou zich zelfs kunnen afvragen of het aantal inmiddels niet zo klein is dat de onheilstijding geheel achterwege kan blijven, gezien ook de functies die in de komende tijd vrijkomen door natuurlijk verloop.

De Jong: Met ontslag bedreigden vormen een juridische categorie, en daar moet op een juridisch juiste manier mee omgegaan worden door hun rechtspositie duidelijk aan te geven. Bovendien kan hun ook niet meer beloofd worden dan nu kan worden overzien. Men wordt zo goed mogelijk over de feitelijke situatie geïnformeerd, zonder verwachtingen te wekken die wellicht niet kunnen worden waargemaakt.

Van Rijn: Klopt het dat de faculteitsraad BBT een negatief advies heeft gegeven omdat er een tekort aan financiële informatie was? Wat heeft dat voor gevolgen?

De Jong: Het negatieve advies heeft geen betrekking op het implementatieplan – daar is men het mee eens. Men wil echter meer duidelijkheid t.a.v. de financiële consequenties. De betreffende brief is bij de stukken gevoegd.

Berends: Er is nog geen reactie ontvangen op het advies van de studentengeleding.

De Jong zal dit nagaan.

Wormeester: De faculteitsraden CTW en TNW hebben een deeladvies uitgebracht i.v.m. het ontbreken van een stuk informatie. Wat gebeurt er nu?

De Jong zal contact opnemen met de beheerders.


10.Technische Geneeskundige (UR.02.347, UR-02.417)

Van Vught wijst erop dat met de decaan van faculteit TNW is afgesproken dat het mogelijk is tijdig advies te krijgen van de faculteitsraad.

T.a.v. de gewenste informatie stelt hij dat het Europese profiel zoals door VWS wordt geformuleerd en het ACO-advies beschikbaar komen op het moment dat de staatssecretaris een beslissing neemt. Die beslissing is al vaker aangekondigd, en wordt nu snel verwacht. Dan kan ook de formele instemmingsvraag aan de orde gesteld worden. Naar verwachting zal dat in januari het geval kunnen zijn. Mocht dat onverhoopt niet lukken, dan is het volgens het CvB niet onmogelijk om per 1 september 2003 te starten omdat hij hoopt dan na januari alsnog de instemming van de UR te kunnen verkrijgen.

Een exact tijdpad kan gezien het bovenstaande niet gegeven worden.


11.Brede Technische Bachelor

Op 8 januari a.s. vindt overleg plaats binnen de faculteit TNW over een plan van de beide opleidingsdirecteuren t.a.v. de brede bachelor. Daarna kan ook de UR nader geïnformeerd worden.


12.Rondvraagpunten (UR-02.421)

12a. Beleid t.a.v. ondersteuning van studenten

De verwachting is dat binnenkort de onderzoeksresultaten van het ministerie t.a.v. de HBO-fraude en eventuele fraude in de universitaire wereld bekend worden gemaakt. Uit de criteria op basis waarvan het onderzoek heeft plaatsgevonden zou kunnen worden afgeleid van welke regels het ministerie is uitgegaan. Afgesproken is om daar waar twijfel bestaat geen stappen te zetten. Na bericht van het ministerie (zeer binnenkort te verwachten) kunnen nadere afspraken gemaakt worden.


12b. Sandwichconstructies bij AIO’s

De UT handelt in overeenstemming met datgene wat rechtspositioneel mogelijk is.


12c. Evaluatie DU

De evaluatie door het ministerie loopt nog. Zodra er meer bekend is zal de UR worden geïnformeerd. Het standpunt van de UT is: dit jaar wordt geen contributie betaald. Als duidelijk is dat het komende jaar meer inkomsten gegenereerd worden dan wordt uitgegeven aan de DU zal er weer contributie betaald gaan worden, zo is afgesproken.

Wat interne evaluatie betreft: die komt er niet wat betreft het gebruik maken van de faciliteiten van de DU, aldus De Jong, omdat zichtbaar is welke projecten zijn ingebracht in de afgelopen periode. T.a.v. het functioneren van de DU is in alle gremia duidelijk gemaakt dat de UT zeer ontevreden is. Er is nu een nieuwe directie en dat geeft meer vertrouwen. Binnen de UT wordt bezien hoe concreet vorm gegeven kan worden aan de afstemming van de aanvragen binnen de DU, zodat een en ander spoort met het beleid dat de UT op dit terrein in de komende jaren wil voeren.

Volgens Meijer is het zo dat de deelname aan de DU (na de eerste drie jaar) per jaar heroverwogen kan worden, met een opzeggingstermijn van een jaar. Dat houdt in dat vóór 1.1.2003 daarover een besluit moet worden genomen. Volgens Te Beest is de UT tot en met 2005 contractueel gebonden aan de DU.


13.Rondvraag

De KCU heeft een vraag over de noordwesttangent in Enschede, en zal die schriftelijk aan het college voorleggen.


Beeker informeert of er al een opvolger is voor de interim-decaan TNW die naar verluidt per 1.1.03 vertrekt. Van Vught antwoordt dat met hem gesproken wordt over de mogelijkheid van verlenging van zijn decanaat.


14.Sluiting

De voorzitter sluit om 17.40 uur de vergadering.