Verslag

van 2002 11 05


Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 5 november 2002


Aanwezig:

Leden UR:

Becht, Beeker, Van Benthem (v.a. pt.5a), Berends, Brinkman, Bulter, Van Doorn, Hazebroek, Holkers, Houweling, Huisman, Hummel, Meijer, Van Rijn, Schrama (vz), Wallinga-de Jonge

College van Bestuur:

Te Beest (pt.5), De Jong, Van Vught

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)


Afwezig:

De Olde (z.k.), Wormeester (m.k.)




1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 13.35 uur de vergadering.

De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

Van Vught deelt mee:

Decaan-positie faculteit Gedragswetenschappen

Gesprekken met een (vrouwelijke) kandidaat voor de positie van interim-decaan zijn in een afrondende fase. De faculteitsraad zal op korte termijn gehoord worden. Hopelijk kan de nieuwe situatie al vóór 1 december a.s. ingaan.

Vastgoed

Er is een enveloppebrief d.d. 1.11.02 van het ministerie OC&W ontvangen over het extra uitgavenpatroon van het ministerie tot en met 2006. Er wordt o.a. melding gemaakt van de huisvestingsproblematiek van universiteiten, waarbij bedragen genoemd worden die hoop bieden op mogelijkheden tot bekostiging van de financiering van vastgoedinspanningen. Zodra er meer bekend is zal ook de UR nader geïnformeerd worden.

Ericsson

Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen te melden. Een aantal organisaties spant zich in om te proberen een stukje van de R&D-capaciteit in Enschede te behouden. Ook UT-functionarissen proberen via deelname aan gesprekken een bijdrage aan een oplossing te leveren; er is echter geen sprake structurele inzet van capaciteit.


3.Verslag van de overlegvergadering van 24 september 2002 (UR-02.370)

Het verslag wordt ongewijzigd vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 4 r.50: Van Vught meldt dat in het strategisch beraad met het UMT is afgesproken dat de Review niet zal leiden tot bijstelling van het Instellingsplan, maar dat het accent gelegd zal worden op de ontwikkeling van facultaire strategische plannen (gereed eind februari 2003); op basis daarvan zal gewerkt worden aan een nieuw Instellingsplan.


4.Nota Onderzoekbeleid (UR-02.368, UR-02.377)

Het college kan zich vinden in de overwegingen zoals genoemd in het concept-UR-besluit (UR-02.377).



Hazebroek meldt dat de in de nota aangebrachte wijzigingen in de commissie O&O besproken zijn.


Standpunten fracties:

KCU: De beleidsdoelen worden onderschreven. Maar doelen alleen zijn niet voldoende, er zijn ook instrumenten nodig om die doelen te bereiken. Wat dat betreft is de nota wat mager, ondanks het feit dat er vier jaar voorbereiding aan vooraf is gegaan. Er wordt bijvoorbeeld helemaal niet gesproken over de portfolioanalyse en de wijze van verdelen van de universitaire stimulerings­middelen.

DD: Er is een erg lang traject aan de totstandkoming van de nota voorafgegaan, waarin de UR veel te veel een bijsturende rol heeft moeten hebben. En nog is de uiteindelijke nota aan de magere kant.


Van Vught beaamt dat het traject lang is geweest en dat de nota vrij algemeen is en relatief weinig accent legt op instrumenten. Overigens wordt op pag. 19 wel enkele keren gedoeld op de portfolioanalyse (“objectiveerbare kwaliteitstoets …”). Wat de allocatie van stimuleringsmiddelen betreft is het voornemen om in het kalenderjaar 2003 de portfolioanalyse toe te passen en uit te voeren voor technische onderzoekprogramma’s, opdat per 1.1.2004 de verdeling plaats kan vinden. In de toekomst zal het hanteren van de portfolioanalyse ook in het afstemmingsoverleg tussen de drie TU’s betrokken worden. De procedure op zich zal overigens niet sterk wijzigen.


Nota Onderzoeksbeleid


De Universiteitsraad,


gezien:


de Nota uitgangspunten onderzoekbeleid 2002-2006 (versie 30-10-2002, UR 02 368)

de schriftelijke beantwoording van de vragen gesteld vanuit de commissie O&O, de UR toegekomen op 1 oktober 2002


gehoord:


de mondelinge toelichting van de betrokken beleidsmedewerker in de O&O vergadering van 10 september 2002

de mondelinge toelichting van de betrokken bestuurder in de O&O vergadering van 4 oktober 2002

de beraadslagingen in de vergadering van 5 november 2002


overwegend:

dat de uitwerking van de in de nota geschetste hoofdlijnen op het gebied van aio-, personeels- en leerstoelenbeleid zal worden afgestemd met de hoofdlijnen in de nog in voorbereiding zijnde nota’s Personeelsbeleid en Leerstoelenbeleid

dat de discussie over de nieuwe categorieën hoogleraren universiteitsleerstoel en teaching professor of University of Twente zal plaatsvinden bij bespreking van bovengenoemde Nota Leerstoelenbeleid


besluit in te stemmen met de Nota uitgangspunten onderzoekbeleid 2002-2006, met uitzondering van de in paragraaf 6.4 genoemde hoogleraarcategorieën universiteitsleerstoel en teaching professor of University of Twente


5.Nieuwe opleidingen

5a. Gezondheidswetenschappen (UR-02.338, UR-02.374, UR-02.376)

Het CvB heeft op 4 november een toelichtende brief aan de UR gezonden. Ter vergadering wijst De Jong erop dat het hier gaat om een van de opleidingen waarop de UT-strategie t.a.v. spreiding van opleidingen is gebaseerd en die beoogt te komen tot verbetering van de financiële positie van de universiteit als gevolg van een grotere studenteninstroom. Met name voor de faculteit BBT is de opleiding van existentiële waarde. Bij de vormgeving van de opleiding is nadrukkelijk geprobeerd aan te sluiten bij de wensen van de UR.

Al met het opzetten van de strategie en de meerjarenraming van de UT is de financiële fundering voor deze opleiding gelegd. Op dit moment is het college echter nog niet in staat de hele doorvertaling naar het nieuwe verdeelmodel precies aan te geven.


Fractiestandpunten:

UReka: Hoewel de instroomcijfers een onzeker punt vormen heeft de fractie er alle vertrouwen in dat het genoemde aantal van 70 à 100 studenten gehaald wordt, en is daarom bereid tot instemming.

DD neigt, gezien de tijd die gaat dringen, naar instemming, waarbij de hoop wordt uitgesproken dat de nu nog niet beschikbare financiële analyse de UR niet confronteert met een besluit dat hij eigenlijk niet had moeten nemen.

KCU wil de instemming vooralsnog wel laten afhangen van de financiële onderbouwing. Enkele opmerkingen:

-Er ligt nog geen actueel “businessplan” (eerder is afgesproken dat een dergelijk plan bij grote investeringen gemaakt zou worden).

-Heeft het UMT zich onomwonden uitgesproken vóór het doen van deze investering in de huidige financiële omstandigheden?

-De opleiding lijkt te worden neergezet los van andere, reeds bestaande opleidingen, terwijl juist nagestreefd zou moeten worden ook efficiencywinst te boeken in het aanbieden van onderwijs.

-De nieuwe opleiding zou kunnen leiden tot afnemende studentenaantallen bij aanpalende opleidingen – aangezien de financiering aldaar gewoon doorloopt zou daar gebruik van gemaakt kunnen worden.

-Er zouden ook mogelijkheden moeten zijn voor financiering uit centrale middelen


Namens het college wordt door De Jong en Te Beest als volgt geantwoord:

De strategie van de UT is ervoor te zorgen dat de inkomsten vergroot kunnen worden. Dat kan bijvoorbeeld door clustering van opleidingen. Het UMT ondersteunt deze strategie volledig.

Instroom: De belangstelling die nu al blijkt voor de nieuwe opleiding Gezondheidswetenschappen onderstreept het getal van 70 à 100 studenten dat in de ACO-aanvraag genoemd wordt. Ook voor de andere opleidingen van BBT is de belangstelling groot. Er lijkt dus geen sprake te zijn van een kannibalisatie-effect.

Efficiency: De faculteit BBT heeft als eerste concreet consequenties getrokken uit de facultaire herindeling, door heel nadrukkelijk te werken met samenhang tussen de verschillende opleidingen.

Als de opleiding Gezondheidswetenschappen niet gestart zou worden, lijkt het dat er geld vrijvalt doordat er geen ontwikkel- en aanloopkosten zijn. Maar dat klopt niet. En het op de bank zetten van dat geld levert minder rendement op dan de nieuwe opleiding.

Het is niet bekend wat onderwijs kost. Daarom moet worden uitgegaan van vooronderstellingen.

Er is ruimte voor de investering, want die is opgenomen in de meerjarenbegroting; tot en met 2011 zijn de kosten meegenomen.

Het Bachelor-Master effect is niet doorgerekend, maar dat kan ook niet omdat de UT afhankelijk is van de invoering van de BaMa-structuur. Wel is bekend dat de geraamde M€ 4,- ontwikkel- en aanloopkosten daardoor lager zullen uitpakken.


Over de efficiencykosten wordt nog wat langer doorgepraat. Meijer vindt dat onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen ontwikkelkosten en aanloop- ofwel uitvoeringskosten. Met name bij de uitvoering zou meer efficiencywinst behaald kunnen worden, waarbij hij er in dit kader op wijst dat bij BBT sommige opleidingen naast elkaar gegeven worden hetgeen niet altijd efficiënt is. Beter zou het zijn dezelfde vakken voor meerdere opleidingen op hetzelfde moment te geven. Aanloopkosten zouden naar zijn mening betaald moeten worden uit het meerdere aantal studenten dat per faculteit getrokken wordt ten opzichte van de oude opleiding. Wallinga-de Jonge stelt dat de ontwikkel- en aanloopkosten meer naar beneden gebracht kunnen worden naarmate de efficiency toeneemt, en meent dan ook dat het verstandig is toch te kijken hoe de gelden in totaliteit voor nieuwe opleidingen nog beter benut zouden kunnen worden. Volgens UReka zijn de kosten al hoog ingeschat en zal de efficiencyslag wel gemaakt kunnen worden.

Te Beest bevestigt dat er steeds de mogelijkheid is om in het kader van de meerjarenbegroting vast te stellen dat bedragen anders worden aangewend. Het geven van korting bij minder studenten om dat geld te gebruiken om groei elders te bevorderen, zoals Meijer suggereerde, past naar zijn mening niet in het nieuwe financiële verdeelmodel – want dat model compenseert immers direct.

De Jong merkt n.a.v. de desbetreffende opmerking van Meijer op dat het zeker de bedoeling is om overeenkomstige colleges van meerdere opleidingen op hetzelfde moment te geven.


Op een vraag van Meijer wat er gebeurt als zich een situatie voordoet die leidt tot een negatieve afwijking van hetgeen in de meerjarenbegroting staat opgenomen, antwoordt Te Beest dat dan onderzocht moet worden wat gedaan kan worden aan het vermijden van een dergelijk tekort – stoppen is in zo’n geval geen optie.


UReka merkt op dat er weliswaar nog veel onzekerheden op financieel gebied zijn, maar dat het verlies waarschijnlijk groter zal zijn als de UR de besluitvorming wederom voor zich uitschuift. De fractie roept de overige fracties dan ook op in dezen vertrouwen te hebben in het CvB. Het gaat immers om één gemeenschappelijk universiteitsbelang.


Te Beest schat in dat het college medio december 2002 een overzicht zal kunnen geven van de te verwachten kostenontwikkeling in de komende jaren


Na een korte schorsing voor intern beraad in de KCU-fractie deelt KCU mee te kunnen instemmen als het college de volgende toezeggingen doet:

Actualisering van de aanloopkosten voor deze en alle andere nieuwe opleidingen, zodat het totaalbudget voor de komende jaren, dat nodig is om de opleidingen te starten, helder is.

Het maken van strategische keuzes is uitermate belangrijk – de omvang van de investeringsbudgetten in relatie tot de reguliere activiteiten moet ter discussie komen in het kader van de strategische keuzes van de universiteit.

In de tariefstelling moet een incentive komen voor het efficiënt aanbieden van onderwijs. Immers, het moet aantrekkelijk zijn voor een faculteit om ervoor te zorgen dat een opleiding efficiënt aangeboden kan worden. (Dit moet ook gelden binnen een faculteit).

Het college kan zich in deze punten vinden, met dien verstande dat het college het laatste punt wil formuleren in de zin van “er wordt gestreefd naar verhoging van de efficiency van het onderwijs, waarbij zal worden nagegaan of en welke incentives daarbij gebruikt kunnen worden” – KCU gaat daarmee akkoord.


Vervolgens verzoeken DD en KCU het college ervoor te zorgen dat de UR de beschikking krijgt over de notitie waar momenteel door de werkgroep efficiency aan gewerkt wordt.


De UR stemt in met de instelling van de opleiding Gezondheidswetenschappen, met dien verstande dat het presidium zal zorgen voor de exacte formulering van het instemmingsbesluit en dat ter goedkeuring zal voorleggen aan het CvB.


5b. Technische Geneeskunde (UR-02.347)

Van Vught vertelt dat de ACO n.a.v. het opleidingsvoorstel een groot aantal vragen had (die zijn ook aan de UR toegezonden) en dat daarop uitgebreid geantwoord is. Van het ACO-secretariaat is bericht gekomen dat niet veel later dan medio november een advies geformuleerd zal kunnen worden.

Daarnaast loopt de door de minister van VWS ingestelde expert-groep m.b.t. de herziening van de Wet BIG. Die groep denkt vóór 1 december advies te kunnen uitbrengen. En verder zal een commissie van de Raad voor de Gezondheidszorg adviseren omtrent de algemene herziening van de Wet BIG.

Verder vertelt Van Vught dat er op 8 november a.s. een symposium wordt gehouden over de nieuwe discipline technische geneeskunde. In de tweede tranche BaMa-middelen is een bedrag geoormerkt van M€ 3,- als ontwikkelkosten voor deze opleiding. Er is een commissie in het leven geroepen om de minister daarover te adviseren. Half november zal er een advies komen t.a.v. de besteding van de middelen.

In de eerder in deze vergadering genoemde enveloppebrief van het ministerie staat dat het mogelijk is dat de UT “per september 2003 een aandeel zal leveren via de beoogde opleiding technische geneeskunde” – het college ziet dit als een hoopvol gebaar van de zijde van de minister.

De staatssecretaris denkt dat er rond de jaarwisseling een beslissing zal kunnen worden genomen. Dat betekent dat in 2003 inderdaad gestart kan worden met de opleiding, uiteraard nadat de UR zich daarover heeft uitgesproken.


Van Doorn vindt het opmerkelijk dat gesproken wordt over technische geneeskunde in de zin van voorziening in het artsentekort, terwijl steeds gezegd is dat het niet om artsen gaat. Van Vught stelt dat de opleiding niet opleidt tot basisarts maar wel tot geneeskundige, een specialistisch opgeleide arts dus.


Wallinga-de Jonge merkt op dat de bijlagen 1 en 5 bij het opleidingsvoorstel ontbreken. Deze omissie zal hersteld worden.


5c. Brede Technische Bachelor (UR-02.372)

Het college zegt toe de UR nader te informeren over de opzet van de gemeenschappelijke propedeuse brede bachelor-CT-TN, zodra die informatie beschikbaar is.

De Jong legt uit dat de inzet steeds geweest is dat tegelijkertijd gekeken wordt naar de brede instroom t.b.v. technische opleidingen en naar vernieuwing van het curriculum. Hopelijk kan een en ander binnen enkele weken afgerond worden. Er wordt weliswaar gestart met een brede gemeenschappelijke basis, maar geprobeerd wordt ervoor te zorgen dat er in de loop van de brede bachelor een bepaalde specificatie plaatsvindt. De opleiding volstaat dus niet met uitsluitend een gemeenschappelijke propedeuse.


6.Voortgangsrapportage Reorganisatieproces (UR-02.360, UR-02.365, UR-02.380)

Een schriftelijk antwoord op de gestelde vragen komt zo spoedig mogelijk. Ter vergadering gaat het college nader in op de punten zoals genoemd op de beide eerste pagina’s van UR-02.380:


Vr. 1: Er wordt nog steeds binnen de geplande termijnen gewerkt. De verwachting is dat in december het besluitvormingstraject helemaal voorbereid kan zijn.

De implementatieplannen hebben een grote mate van volledigheid; ook OPUT is over de volledigheid zeer tevreden, hetgeen betekent dat het aanvullende reorganisatieplan geschreven zal kunnen worden.

Vr. 2: Het eindvoorstel wordt uiteraard ter beschikking gesteld. Op basis daarvan zullen gesprekken plaatsvinden. Op dit moment wordt gewerkt aan een doorvertaling naar andere, ermee gekoppelde, implementatieplannen. De betrokken medezeggenschapsorganen kunnen meekijken. De verwachting is dan ook dat de medezeggenschap tijdig zal kunnen reageren.

Vr. 3: Een commissie is bezig met de facultaire technische dienstverlening en zal uiterlijk over twee weken een plan klaar hebben.

Vr. 4a: Het zijn inderdaad niet allemaal echte bezuinigingen.

Vr. 4b: Er zijn duidelijke afspraken gemaakt met de Digitale Universiteit over een gratis lidmaatschap voor het lopende jaar. De kosten voor het volgende jaar zitten wel in de begroting, met daaraan gekoppeld een aantal voorwaarden, namelijk dat de UT als instelling een groter bedrag uit de DU terughaalt dan geïnvesteerd is.

Vr. 4c: Alle genoemde bezuinigingen zijn daadwerkelijk zonder personele gevolgen.

Vr. 5: Met de bonden is afgesproken dat advisering plaatsvindt buiten de universiteit, onafhankelijk.

Aan de hier bedoelde dienstverlening door de Rabobank zijn voor de UT geen kosten verbonden. Het is bekend dat er binnen de organisatie soms vraagtekens worden gezet, en op basis daarvan is dan ook met de bank gesproken over aanpassing van haar dienstverlening.

Het is inderdaad mogelijk dat de bank zichzelf profileert.

Overigens is het niet zo dat advisering vanuit de universiteit zelf is uitgesloten; indien daar behoefte aan is, zijn er mogelijkheden. Er is geen sprake van “wegbezuinigen”, de functie blijft bestaan bij de UT.


Meijer is in het kader van de reorganisatie woordvoerder van de UR. Hij doet de suggestie aan de medewerkers een keus te laten. Want bijvoorbeeld ook de vakbond FNV kan gratis en onafhankelijk advies bieden.

De twijfel blijft of de volledige plannen tijdig aan de decentrale raden zullen kunnen worden aangeboden. Wellicht moet worden overwogen om datgene wat al wel kan worden afgerond, ook daadwerkelijk af te ronden en vervolgens een tijdpad op te maken voor de rest van het proces.

Overigens zullen ook afspraken gemaakt moeten worden over wat wordt verstaan onder “volledige” plannen.


De Jong vindt dat niet nu al een noodscenario moet worden gemaakt m.b.t. het tijdpad. Zelf is hij ook kwartiermaker en hij denkt dat alles nog volgens plan verloopt. Alleen m.b.t. FEZ is van het begin af aan al vastgesteld dat het tijdpad voor implementatie daar wat anders ligt, omdat aan een aantal voorwaarden (bijv. het ICT-gebeuren) moet worden voldaan voordat bezuinigingen kunnen worden gerealiseerd; daarvoor worden afspraken in het implementatieplan opgenomen.

Voor de technische functies zal er een zorgvuldige besluitvorming plaatsvinden. Het plan dat eraan zit te komen is al in brede zin met het personeel besproken.

Wat betreft Rabobank en Randstad: Het is niet zo dat het personeel alleen dààrvan gebruik mag maken; men mag ook kiezen voor de faciliteiten van bonden of anderszins.


Vervolgens wordt ingegaan op wat moet worden verstaan onder “volledige plannen”. De UR vindt dat in de implementatieplannen duidelijk moet zijn voor elk personeelslid wat zijn of haar “lot” is. Dat is noodzakelijk voor de synchronisatiefase die moet plaatsvinden.

Meijer voegt daaraan toe enigszins teleurgesteld te zijn dat het college aan de decanen heeft gevraagd de meerjarenraming en het strategieplan pas later vast te stellen. Hij vindt dat geprobeerd zou moeten worden al in het kader van het reorganisatieplan een uitspraak te doen over de eventuele gevolgen van het geheel.

De Jong benadrukt dat het erom gaat zo spoedig mogelijk duidelijkheid te bieden aan alle betrokkenen. Het is onmogelijk alles tegelijkertijd te doen, daarom is een stappenplan gecreëerd.

Wat de implementatieplannen betreft: In het reorganisatieplan staat al aangegeven dat een implementatieplan uit verschillende aspecten bestaat; alle plannen gezamenlijk geven een totaalbeeld voor het personeel. De Jong is van mening dat de plannen wel volledig zijn.


Berends informeert naar de reactie van het CvB op het advies van de studentgeleding van de UR d.d. 26 september 2002. Het college zal daar nog op terugkomen.


Afgesproken wordt de detailvragen die nog bij de UR leven binnen de commissie F&V met de portefeuillehouder of zijn vertegenwoordiger te bespreken.


7.Verslag strategisch beraad UMT (UR-02.305, UR-02.350, UR-02.369)

Van Vught vertelt dat 2x per jaar strategisch overleg gevoerd wordt met het UMT. Dat overleg zou een goede basis kunnen zijn voor een soortgelijk overleg tussen UR en CvB over strategische onderwerpen (de eerste keer in de decembervergadering).

In het onlangs gehouden strategisch beraad UMT zijn niet alle UR-vragen in detail doorgenomen, maar wel in hun algemeenheid ter sprake geweest. Van Vught stelt voor de vragen in de respectievelijke commissies van de UR nog eens na te lopen, en in de decembervergadering de strategische discussie in samenhang te hebben. Na enige bedenkingen van de zijde van Meijer stemt de UR hiermee in. In het presidium zal nader besproken worden hoe die discussie vorm zal krijgen (gedacht wordt aan bijvoorbeeld een korte presentatie door het college van strategische issues). Tevens wordt afgesproken dat het college vóór het presidiumberaad aan de UR zal laten weten wat de belangrijkste strategische onderwerpen zijn die hij aan de orde wil stellen.


8.Intentieverklaring drie TU’s (UR-02.343, UR-02.344, UR-02.371)

Naar aanleiding van de opmerkingen en vragen in UR-02.371 antwoordt Van Vught:

Ook het college vindt kwaliteit van het onderwijs uiterst belangrijk.

Samenwerking UT-Saxion: Het college is het ermee eens dat de profilerende verschillen tussen HBO en WO in het oog gehouden moeten worden.

Samenwerking drie TU’s: Dit is inderdaad een onderwerp van strategisch belang, zij het dat op dit moment – gezien de stand van zaken – er nog niet erg diepgaand en inhoudelijk over gesproken kan worden.

De tweede tranche middelen Bachelor-Master bedraagt M€ 22,-.

Binnen de UT is het CvB verantwoordelijk voor het verloop van de procedures.

Het Forum voor Techniek en Wetenschap is een platform, een gesprekskader, met daarin mensen uit de industrie, departementen en universiteiten en mensen uit de sfeer van techniek/technologie. Het Forum heeft geen formele positie, maar wel een adviesrol en een vrij ver reikende invloed. Eens per jaar is er een wetenschappelijk overleg met de rectoren van de drie technische universiteiten.

De beoogde M€ 1,- (voor elk van de drie TU’s) zal door de UT waarschijnlijk gebruikt worden in het kader van facilitering van de procesgang. Er zal nog een soort van begroting gemaakt worden.

UT-Saxion: De looptijd van de twee voorbeeldprojecten is ongeveer gelijk aan de convenantperiode; enkele weken geleden is het convenant daadwerkelijk effectief geworden.

Er zijn meer samenwerkingsprojecten tussen UT en Saxion. De beide voorbeeldprojecten zijn profilerende projecten, die gebruikt zouden kunnen worden als best practice om te laten zien hoe de samenwerking daadwerkelijk vorm zou kunnen krijgen.


Van Doorn informeert in hoeverre rekening wordt gehouden met eventuele huisvestingsproblemen die zouden kunnen ontstaan in het geval dat bepaalde masters heel populair zijn en veel studenten trekken dan wel “wegzuigen” naar een andere universiteit. Van Vught antwoordt dat er in de lopende gesprekken ook voor dat aspect aandacht is.


9.RSI-beleidsplan (UR-02.268/1 en 2, UR-02.373)

Het college zegt toe dat het RSI-beleidsplan in de volgende cyclus alsnog ter instemming aan de UR zal worden voorgelegd.

In reactie op UR-02.373 antwoordt De Jong:

Positie studenten: Uitgangspunt van het beleidsplan is het benaderen van de universiteit als totale gemeenschap. Dus alle maatregelen zijn van toepassing voor zowel medewerkers als studenten. Voor studenten, en ten dele ook voor personeelsleden, is er wel een specifiek probleem als het gaat om de controle op het gebruikmaken van de voorzieningen – beeldschermwerk bijvoorbeeld gebeurt immers niet alleen op de UT maar ook thuis. In de komende periode zal door een speciale commissie nog intensiever gecommuniceerd worden welke faciliteiten ter beschikking worden gesteld en hoe belangrijk het is dat men zich aan de adviezen houdt.

Centraal beleid: Daaraan is geen gebrek. Wel is gekozen voor een bepaalde strategie, die gericht is op het voeren van effectief beleid waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten op de werk- en leefwereld van de mensen – decentralisatie dus. Belangrijk in het geheel is wel dat gezorgd wordt voor adequate terugkoppeling van de informatie vanuit de verschillende eenheden.

Huisman merkt op dat er grote verschillen zijn in de wijze waarop arbo- en milieucoördinatoren te werk gaan. De Jong beaamt dat met decentralisatie automatisch diversiteit wordt ingebouwd. Maar natuurlijk is het wel van groot belang dat op decentraal niveau op een adequate manier en toegespitst op de situatie van de instrumenten gebruik wordt gemaakt. Het is in belangrijke mate een organisatievraag, en daar wordt momenteel hard aan gewerkt.


Van Doorn informeert naar de zichtbaarheid van de centrale punten waar extra informatie kan worden verkregen. Het antwoord luidt dat de informatie breed binnen de universiteit is verspreid, maar gebleken is dat die niet altijd is overgekomen. Aan verbetering wordt gewerkt.

Wallinga-de Jonge vraagt of er ook een studentlid in de commissie zitting heeft. De Jong heeft daarop zo geen antwoord, maar zal zorgen dat – mocht er nog geen student zitting hebben – dat alsnog geregeld wordt.


10.Motie i.v.m. manifestatie op 12 november 2002 (UR.02.375)

Het college steunt de motie van harte. In het rectorencollege van de Nederlandse universiteiten is een gezamenlijk standpunt van steun geformuleerd. Het college zal de docenten vragen de studenten zo veel mogelijk in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan de manifestatie en leidinggevenden vragen medewerkers erop te wijzen dat zij, als het enigszins kan, vrij kunnen krijgen voor deelname. Op de UT-website zal nadere informatie geplaatst worden en iedereen zal via een mail daarnaar verwezen worden. Tevens biedt het CvB aan de kosten van eventueel te gebruiken bussen voor vervoer naar Den Haag voor zijn rekening te nemen.

Namens de UR zegt Van Doorn heel blij te zijn met deze reactie. De UR heeft een commissie ingesteld om alles te regelen; met het college zal nadere afstemming plaatsvinden.


11.Rondvraagpunten (UR-02.381)

11a. Beperking aan Keuzemodel arbeidsvoorwaarden

De Jong: Voor zover nu te overzien zijn de kosten voor de UT op dit moment k€ 100,-. In het UMT is afgesproken dat aan het eind gezamenlijk de balans wordt opgemaakt en bekeken wordt hoe de betreffende regeling vanuit de verschillende eenheden benaderd kan worden. Er zal dus een zekere mate van afstemming zijn tussen de verantwoordelijke beheerseenheden.


11b. Verplichting tot tijdregistratie

De Jong: Op basis van wat er in Eindhoven is gebeurd zijn er binnen de VSNU afspraken gemaakt tussen de verschillende universiteiten. Er zal met het departement over worden gesproken; de uitkomsten daarvan zullen worden afgewacht alvorens zelf interne stappen te zetten. Als de letter van de wet onverkort zou worden toegepast, is er een zeer wezenlijk probleem, aldus De Jong.


11c. Veiligheid op de campus

Van Vught: De UT heeft een eigen veiligheidsdienst, die 24 uur per dag op de campus aanwezig is en zich met het hele campusterrein bezighoudt. Op werkdagen zijn er ’s avonds 2 surveillanten, gedurende de overige uren is er 1. De surveillanten zijn zeer sterk gemotiveerd om de veiligheid maximaal te bewaken. Daarnaast is er de portiersloge voor alarmmeldingen. Verder is er vanuit de regiopolitie een campusagent die hier kantoor houdt. Elke dinsdag heeft hij spreekuur. Hij heeft een aantal formele bevoegdheden die de eigen veiligheidsdienst niet heeft.

Wat de verkeersveiligheid betreft: op dat gebied heeft de veiligheidsdienst alleen een signalerende functie. Wel mag zij zelf actie ondernemen bij bijv. een gat in de weg, groenonderhoud (er is een eigen groenvoorzieningendienst), straatverlichting (elke maand (’s zomers elke twee maanden) wordt geïnspecteerd of reparaties nodig zijn). Het Facilitair Bedrijf heeft eens per zes weken een gesprek met À Casa.


Van Vught merkt op dat we ons moeten realiseren dat het steekincident buiten het campusterrein heeft plaatsgevonden. Niettemin lijkt het gevoel van onveiligheid toe te nemen. Het college neemt het UR-voorstel om een speciale werkgroep in het leven te roepen graag over en nodigt de UR uit om namen van deelnemers aan te dragen. Het college zal ook naar belangstelling bij de Student Union en een vertegenwoordiging van bewoners informeren. Melief is gevraagd de werkgroep te leiden.


Op de vraag van Van Doorn wat de reactie is geweest naar aanleiding van de steekpartijen antwoordt Van Vught dat de intensiteit van de surveillering is toegenomen en dat er sprake is van permanente waakzaamheid van de politie.


Ten slotte zegt Van Vught nog dat het gat in de Witbreuksweg niet gevonden is.


11d. Naamgeving gebouwen

Het college neemt de suggestie van de UR over. Van Vught zal graag zitting nemen in een groepje van mensen dat mee wil denken.


12.Rondvraag

Meijer herinnert eraan dat de door de portefeuillehouder toegezegde financiële rapportage t/m augustus/september nog niet is ontvangen.


Meijer: Er zou een notitie komen over het profiel van de nieuwe faculteit EWI, maar die is nog niet beschikbaar. De Jong wijst erop dat het aan de faculteit is zo’n notitie te maken. Bij zijn weten zijn aan de UR stukken ter beschikking gesteld die niet alleen op EWI maar op alle faculteiten betrekking hebben; hij zal dit laten nagaan.


Meijer vraagt of het college het aanvaardbaar vindt dat eventueel een jonge medewerker wordt ontslagen terwijl in principe een oudere collega met een vergelijkbare functie van de pre-FPU gebruik wil maken of een andere collega van de vertrekregeling gebruik wil maken. De Jong wil in een publieke vergadering niet op dit soort vragen ingaan. Meijer vindt het echter een essentiële vraag en wil het antwoord toetsen aan het reorganisatieplan.


Wallinga-de Jonge zegt met enige zorg kennis te hebben genomen van het concept-vergaderrooster 2003, omdat er vrij veel ruimte zit tussen de verschillende vergaderingen. Immers, als in bepaalde gevallen punten zouden moeten worden doorgeschoven, zou dat erg veel tijd gaan kosten. Zij heeft een voorkeur voor een vrij grote dichtheid in de planning, waaruit later zo nodig vergaderingen kunnen vervallen. De voorzitter antwoordt dat hierover al overleg plaatsvindt met het college.


13.Sluiting

De voorzitter sluit om 17.15 uur de vergadering.