Verslag

van 2002 09 24

Verslag van de overlegvergadering van de


Aanwezig:

Leden UR:

Beeker, Van Benthem, Berends, Brinkman, Bulter, Van Doorn, Hazebroek, Holkers, Houweling, Huisman, Hummel, Meijer, De Olde, Van Rijn, Schrama (vz), Wallinga-de Jonge, Wormeester

College van Bestuur:

Te Beest, De Jong, Van Vught

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)


Afwezig:

Becht


1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 13.35 uur de vergadering.

Op verzoek van het CvB wordt besloten agendapunt 8 te behandelen na punt 3.


2.Mededelingen

a.Brief aan CvB over nota onderzoeksbeleid (UR-02.313)

Er zijn inmiddels nadere afspraken gemaakt.


b.Brief aan CvB over samenhang onderzoeks-, leerstoelen- en personeelsbeleid (UR-02.309)

Het CvB is inmiddels eveneens de mening toegedaan dat de Nota Leerstoelenbeleid een eigenstandige positie zou moeten hebben. En verder vindt ook het college dat de nota’s in goede samenhang moeten worden beschouwd –afspraken t.a.v. de verdere afhandeling zullen worden gemaakt.


c.Standpunt kabinet t.a.v. hoger en wetenschappelijk onderwijs

Van Vught: In de Miljoenennota is een aantal uitspraken gedaan over het hoger en wetenschappelijk onderwijs. Het zal moeilijk worden de komende jaren, en voor de UT is daardoor de situatie extra netelig. De VSNU heeft de voorzitter van de Tweede Kamer er schriftelijk uitdrukkelijk op gewezen dat dit soort bezuinigingen niet meer kan worden verdragen. Het overleg over de wijze waarop het kabinet wil omgaan met de vastgoedproblematiek is hervat; de indruk wordt gewekt dat men nadere afspraken wil maken, ondersteund door het ministerie van financiën.


3.Verslag van de overlegvergadering van 27 augustus 2002 (UR-02.310)

Pag. 2: 1e vier regels zijn dubbel en kunnen geschrapt worden. Onderaan de pagina is een stuk weggevallen – de ontbrekende tekst wordt ter vergadering uitgedeeld. “De Jong: Het loopbaancentrum functioneert nog wel, zij het dat er sprake is van veel vacatures. In het kader van de huidige reorganisatie wordt voor de begeleiding ondersteuning geboden door Randstad. Financiële informatie wordt niet meer gegeven door PA&O, maar door een onafhankelijk bureau. En verder wordt nog gewerkt aan de opbouw van voorzieningen die specifiek met de reorganisatie te maken hebben. Na instemming van de UR zal specifieker vastgesteld kunnen worden welke medewerkers getroffen worden en zullen mensen dus ook op meer individueel niveau geïnformeerd kunnen worden. De rechtsbescherming van medewerkers is niet in gevaar, maar als hun geen duidelijkheid kan worden gegeven over hun positie wordt rechtsbescherming hen ontnomen. Overigens zijn er naast de formele rechtsbescherming mogelijkheden geschapen om ook

buiten het reorganisatieproces om klachten bij een meldpunt neer te leggen; getracht wordt dat zeer zorgvuldig te laten verlopen.

Pag. 3, r.20: toevoeging van Wallinga-de Jonge “DD: In de verklaring van het CvB wordt gemeld dat er over de instituten reeds besloten is. Echter het samengaan van PIT, TIM en Drebbel is nog volop in discussie. Van Vught: dit heeft de aandacht van het CvB.”

Pag. 4, r.30: “Schrama merkt op dat de UR niet gehoord is over de benoeming van wetenschappelijk directeuren. Ook plaatst hij kanttekeningen bij de benoeming van De Jong …”.

Pag. 5, r.2: “bestreden wordt omdat De Jong immers formeel geen decaan is”.

Met inachtneming van deze aanpassingen wordt het verslag vastgesteld, onder het voorbehoud van goedkeuring door de UR-leden die niet in de nieuwe raad zijn teruggekeerd.


Naar aanleiding van het verslag:

Pag. 2, r.13: Wallinga-de Jonge informeert naar de stand van zaken. De Jong vertelt dat er waar nodig nadere gesprekken zijn gevoerd met de betreffende medewerkers en hun leidinggevende, en dat daar geen verdere problemen uit zijn voortgevloeid.


8. Reorganisatie, stand van zaken

VzUR merkt op dat de UR op 26 september a.s. tot definitieve besluitvorming zal komen.

De Jong spreekt zijn waardering uit voor de grote openheid waarin de informele gesprekken tussen UR-voorzitter Schrama en hem hebben plaatsgevonden. T.a.v. het document met als datum 20 september 2002 merkt hij op dat het bij Fase I, 1e aandachtstreepje, gaat om algemene cijfers (streefcijfers); er is nog discussie gaande over de positie van de ICT-medewerkers binnen de universiteit (het gaat nu nog om 5 fte). Verder stelt hij m.b.t. het 3e aandachtstreepje bij fase I dat de gemaakte afspraken over de positie van een student in het faculteitsbestuur blijven bestaan en besproken zijn met de kwartiermakers. Ten slotte vertelt hij dat het komende weekend gewijd wordt aan een strategische discussie tussen college en UMT.

Van Vught voegt hier nog aan toe dat vandaag door het college uitdrukkelijk de instemmingsvraag aan de orde wordt gesteld; natuurlijk is het aan de raad te beslissen wanneer hij daarover een definitief standpunt inneemt. De RvT belegt op 26 september a.s. een extra vergadering om een standpunt in te nemen over de reorganisatie.


KPS/Cabaal/UTemp (KCU):

Het KCU-standpunt staat op schrift en wordt uitgereikt. Daarin staat onder meer dat het reorganisatieplan d.d. 24.6.02 bij het UR-besluit in fase I gezien moet worden als een kader; er zullen nog wijzigingen en aanvullingen volgen t.a.v. de bezuinigingstaakstellingen, fusie Dinkel/CIV, ICT-ondersteuning en financiële functie en technische ondersteuning. Knelpunt is de plaatsing van personeelsleden.

DD:

Het reorganisatieplan 24.6.02 moet inderdaad gezien worden als een concept. Arbo en milieu krijgen nog lang niet overal aandacht. Er zijn nog niet overal disciplineraden. De organisatiestructuur bij veel diensten is nog erg vaag; met name als het gaat om ICT en technische ondersteuning. Er moet wat meer uniformiteit komen in de aanduiding van de relatie tussen portefeuillehouders en diensten.

UReka: Het voorliggende stuk is een goede basis om de instemmingsvraag te beantwoorden. Belangrijk is afstemming tussen facultaire dienstverlening en primair proces, d.w.z. studentgericht­heid van de facultaire dienstverlening. Een degelijke financiële analyse moet ook in de toekomst basis voor verdere besluitvorming blijven.


Het college:

De status van het reorganisatieplan moet inderdaad gezien worden als “ondubbelzinnig kader dat nog moet worden aangevuld”. Maar dat wil niet zeggen dat het een concept-plan is. Want het voorgenomen besluit tot reorganisatie is immers genomen op basis van een conceptplan, en daarmee is die fase voorbij.

Na aanvulling zal het totaal opnieuw ter instemming worden voorgelegd.

In formele zin is er bij het college sprake van een collegiaal bestuur, dus álle diensten hebben te maken met álle leden van het CvB gezamenlijk; alleen zijn de werkzaamheden op een bepaalde manier verdeeld.

Positie van de disciplineraden: Binnen de verschillende faculteiten wordt inderdaad op verschillende manieren met het karakter van de discipline omgegaan, omdat ze immers van aard verschillen. Het college wil vasthouden aan het uitgangspunt dat in eerste instantie de keus gemaakt moet worden binnen de faculteit en dat pas daarna het CvB een uitspraak doet.

Inrichting van de faculteiten: Arbo en milieu moeten over het geheel van de UT geregeld zijn. Dat staat aangegeven in het reorganisatieplan, in relatie met het rapport herstructurering dienst­verlening waarin er uitgebreider op wordt ingegaan.

Structuur van de faculteiten/mogelijkheden tot efficiencyverbetering: Tijdens de strategische bijeenkomst zal nader gekeken worden naar de afstemming tussen de verschillende faculteiten. Waarschijnlijk zal er wel een zekere uniformering komen.

Relatie tussen reorganisatie en bezuinigingen: In de tekst wordt onder punt 4 aangegeven dat er sprake van evenwicht moet zijn.

ICT-ondersteuning in relatie tot Dinkel/CIV: Dit moet worden doorgesproken in de faculteitsraden. Er moet niet te veel de nadruk gelegd worden op de positie van de faculteiten – het gaat over een integrale reorganisatie.

(Controversiële) Plaatsing van medewerkers: Daar wordt in de stukken over gesproken.

Financiële functie: Het implementatieplan daarvoor is klaar en afgestemd met alle andere kwartiermakers; er is dus overeenstemming over de invulling van de financiële functie op alle locaties.

Verkiezingen raden: Een fasering kan nu nog niet gegeven worden. Er wordt naar gestreefd zo spoedig mogelijk over te kunnen gaan tot vaststelling van de personele invulling van de verschillende eenheden, zodat de medezeggenschap zo snel mogelijk kan worden geregeld.

Reactie op het advies van de UR: Het college zal hier nog in formele zin op reageren.


VzUR gaat op enkele punten nog wat nader in:

Voor de voortgang van het reorganisatieproces is het niet noodzakelijk is dat door de UR deze week al verder wordt ingegaan op de inrichting van de eenheden; bovendien is de decentrale medezeggenschap op dat punt nog niet voldoende geconsulteerd. Het CvB kan zich erin vinden dat over de inrichting van de eenheden op een later tijdstip verder wordt gesproken.

Plaatsing van personeel: De formatie blijft vooralsnog bij de “oude” eenheid – is een dergelijke formulering duidelijk genoeg? Het CvB kan zich daarin vinden als het gaat om de controversiële gevallen, die dan nader aangeduid moeten worden. Ook de raad stemt daarmee in; wel moet geprobeerd worden zo spoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen.

Alle aanwezigen stemmen ermee in dat het stuk “globale planning” onderdeel is van het document van 20 september.


Vervolgens worden op dringend verzoek van het college nog tijdens de vergadering amendementen op de tekst van het document van 20 september geformuleerd. Alle aanwezigen kunnen zich in principe in de aanpassingen vinden, met andere woorden: er is – behoudens klaarblijkelijke onbillijkheden – overeenstemming bereikt. Er zal na de vergadering een concept-instemmingsbesluit geformuleerd worden, dat door zowel CvB als UR nader besproken zal worden. Bekrachtiging zal kunnen plaatsvinden in een extra interne UR-vergadering op 26 september a.s.


4.HBO-doorstroombeurzen (UR-02.292, UR-02.311)

De UR stemt in met het CvB-besluit inzake de continuering van de Regeling Aanvullende Studiefinanciering Overstappers (RASO).


5.Gedragscode voertalen (UR-02.265, UR-02.278, UR-02.301, UR-02.314)

Ter vergadering wordt een tekstvoorstel van de KCU-fractie uitgedeeld ter vervanging van bijlage 1 bij UR-02.314.

Het college kan zich vinden in het tekstvoorstel. Desgevraagd merkt De Jong op dat de stelling steeds is geweest dat masters in het Engels worden aangeboden, maar in de uitvoering moet het ook mogelijk zijn pragmatisch te werk te gaan (bijvoorbeeld als zowel studenten als docent Nederlanders zijn); daarnaast is er het principiële punt dat in incidentele gevallen kan blijken dat een student in onevenredige moeilijkheden komt als gevolg van de regel, en ook dan moet daar iets aan gedaan kunnen worden. Uitgangspunt blijft echter: masters in het Engels. De UR kan zich in dit standpunt vinden.

Op de vraag wat er gebeurt met docenten die niet slagen voor de toets antwoordt De Jong dat naast het uitgangspunt dat een master in het Engels wordt aangeboden, ook het uitgangspunt geldt van kwalitatief hoogwaardig onderwijs. Dus is het ondenkbaar dat het onderwijs wordt gegeven door een docent zonder adequate taalbeheersing. En dat is dan weer een punt dat in de Nota Personeelsbeleid aan de orde zal moeten komen.


Vastgesteld wordt dat de aanwezigen zich kunnen vinden in het wijzigingsvoorstel t.a.v. de aandachtspunten, met dien verstande dat aangegeven zal worden dat het om een inbreng van de KCU-fractie gaat.

Verder wordt besloten dat in het concept-instemmingsbesluit een kleine wijziging wordt aangebracht: bij de eerste overweging wordt “nooit” vervangen door “niet eerder”.


De UR stemt in met de aanpassing van de gedragscode voertalen.


6.Nieuwe opleidingen, stand van zaken

De verwachting van het college is dat in november een collegebesluit aan de UR kan worden voorgelegd m.b.t. de brede technische bachelor en de opleiding Gezondheidswetenschappen.

Wat de opleiding Technische Geneeskunde betreft: de aanvraag zal per 1.10.02 bij de ACO worden neergelegd. De ACO heeft zich verplicht per 1 november 2002 een besluit te nemen. De vorige minister heeft besloten dat er een expertgroep moet komen die bij voorkeur vóór eind november een uitspraak moet doen over herziening van de Wet BIG, maar die expertgroep lijkt nog niet te zijn samengesteld zodat er wellicht nog geen definitieve uitspraken gedaan zullen kunnen worden over het beroepsprofiel van de opleiding. Daar komt bij dat het college de bekostiging van de opleiding extern geregeld wil zien te krijgen; het ziet er wel naar uit dat dat gaat gebeuren, maar de minister heeft nog geen definitief besluit genomen. De universiteit zal in de voorlichting waarschijnlijk al wel – zij het in terughoudende zin – melding gaan maken van de opleiding.

VzUR constateert dat de ACO-aanvraag, ondanks aandringen van de zijde van de raad, niet aan de UR wordt voorgelegd. Van Vught antwoordt dat de raad de aanvraag uiteraard krijgt, maar dat het hier gaat om een aanvulling op een stuk dat al eerder in de UR aan de orde is geweest.


Van Vught licht desgevraagd nog toe dat door de minister van onderwijs een bedrag van M€ 3,- is toegezegd voor het ontwikkelen van het curriculum-plan voor Technische Geneeskunde. Het heeft dus niets met de reguliere bekostiging te maken.

Het college denkt nog steeds dat een start van de opleiding in 2003 mogelijk is; de beide vorige ministers hebben gezegd zich tot het uiterste in te spannen om dat mogelijk te maken, en het CvB gaat ervan uit dat ook het huidige kabinet dat nastreeft.


7.Review Instellingsplan (UR-02.315, UR-02.312)

Het college zal de overwegingen en vragen van de UR zoals die geformuleerd staan in UR-02.312 meenemen bij het komen tot het uiteindelijke Review Instellingsplan, dat aan de raad zal worden voorgelegd.


9.Rondvraag

a.Benoeming waarnemend wetenschappelijk directeur PiT (DIC-kenmerk 343.640)

Ter vergadering wordt een motie van de KCU-fractie uitgedeeld. En verder informeert Meijer of het bericht op het intranet inzake een fusie tussen PiT en TIM klopt. Op het laatste antwoordt Van Vught ontkennend; een formele beslissing is nog niet genomen. Wallinga-de Jonge adviseert ook Drebbel bij de eventuele fusie te betrekken.

Wat de inhoud van de motie betreft beaamt het college dat er een procedurele fout is gemaakt en dat de benoeming van een waarnemend directeur volgens afspraak ter instemming aan de UR had moeten worden voorgelegd – het college biedt hiervoor verontschuldigingen aan.


Op de vraag van de voorzitter of KCU de motie wil handhaven antwoordt Meijer bevestigend. “Al was het alleen maar als stok achter de deur”, zo stelt hij – het is niet de opzet mensen te beschadigen, maar als zich zoiets nogmaals voordoet, zou dat wel kunnen gebeuren.

DD kan zich in de motie vinden, UReka zou er nog nader naar willen kijken.

De voorzitter constateert dat de meerderheid van de UR de motie onderschrijft, maar dat een beslissing i.v.m. de opmerking van UReka wordt aangehouden tot nader intern overleg aansluitend aan de vergadering.


b.Bestuurlijke verdeling en rapportagelijnen (DIC-kenmerk 345.969)

Van Vught merkt op dat bij de toegezonden brief nog een uitgebreid schema hoort; dit zal alsnog aan de UR-leden gemaild worden.


c.Overige punten

Meijer: Wat doet het CvB met het UR-advies m.b.t. de UT-strategiediscussie? Van Vught antwoordt dat het een aansporing voor het college is om in het UMT over bepaalde zaken te spreken. Daarnaast zou het goed zijn ook met de UR een strategische bespreking te hebben, hetgeen kan gebeuren als het Review Instellingsplan aan de orde is omdat dat immers het strategische plan van de universiteit is.


Van Doorn verwijst naar eerdere inbraken op de campus en steekpartijen die zich in de omgeving van de UT hebben voorgedaan, en vraagt hoe het staat met de beveiliging. Van Vught antwoordt dat n.a.v. deze gebeurtenissen opnieuw naar de beveiliging gekeken is, en dat dat een blijvend punt van aandacht is. Hij stelt dat de campus veilig is.


Wallinga-de Jonge: Een van de twee vertrouwenspersonen die de UT kent is tevens UR-lid, en zij meent dat daarbij wel enige kanttekeningen gezet zouden kunnen worden. Bovendien vindt zij het aantal van twee wat mager, en zou zij graag zien dat er ook een vertrouwenspersoon van het vrouwelijk geslacht komt. Van Vught meent dat hiermee een goed punt wordt aangesneden. Hij vertelt dat rond de reorganisatie gewerkt wordt aan het zoeken van een vertrouwenspersoon. Wormeester merkt op dat hij degene is die zowel vertrouwenspersoon als (sinds kort) UR-lid is, en dat hij zelf al tot de conclusie is gekomen dat het beter is als de functie van vertrouwenspersoon naar een ander gaat; het is echter niet zo gemakkelijk een opvolger te vinden.


B E S L O T E N G E D E E L T E


De Jong verlaat de vergadering.


10.Decanaat faculteit Gedragswetenschappen (DIC-kenmerk 345.737, UR-02.304– vertrouwelijk)


11.Sluiting

De voorzitter sluit om 16.55 uur de vergadering.

B E S L O T E N G E D E E L T E


De Jong verlaat de vergadering.


11.Decanaat faculteit Gedragswetenschappen (DIC-kenmerk 345.737, UR-02.304– vertrouwelijk)

Meijer merkt op dat er in het CvB-besluit toch echt de woorden “interim decaan” staan, waarop Van Vught erop wijst dat de gebruikte formulering luidt: “in de functie van interim decaan”.


Van Vught bevestigt dat volgens de wet een combinatie van de functie van CvB-lid en decaan niet is toegestaan, maar stelt dat de wet ook aangeeft dat het CvB eindverantwoordelijk is voor de instelling. Omdat het onmogelijk bleek op korte termijn een decaan te benoemen, is het tweede punt gaan prevaleren. Het college ervaart het ook zelf als plicht om de periode van benoeming zo kort mogelijk te laten zijn, maar kan helaas niet de toekomst voorspellen; wel wordt geprobeerd tot een andere interim-voorziening te komen, maar intern kan daarvoor geen oplossing gevonden worden.

VzUR stelt dat de UR erg hecht aan een periode van maximaal 3 maanden. Aansluitend aan de vergadering zal besloten worden of het voorgenomen UR-besluit definitief wordt; als dat het geval is, betekent dat openbaarmaking. Van Vught dringt erop aan daarvan af te zien, omdat immers zowel UR als college hetzelfde nastreven.


Van Vught moet de vergadering i.v.m. afspraken elders verlaten; Te Beest neemt het van hem over en herhaalt dat het college er alles aan gelegen is om zo spoedig mogelijk tot een andere oplossing te komen.


Wormeester doet een procedurevoorstel: aanhouden van het UR-besluit tot de overlegvergadering van 5 november. Als er dan nog geen oplossing is en het college de situatie ook na 1.12.02 wil voortzetten, kan de UR alsnog beslissen om het voorgenomen besluit definitief en openbaar te maken. Aldus wordt besloten.


Bulter merkt nog op dat de faculteit Gedragswetenschappen heel blij is met De Jong als persoon.