Verslag

van 2002 08 27

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad


Aanwezig:

Leden UR:

Bloem, Van Doorn, Van der Heijden, Houweling, Hovenkamp, Jacobs, Kluitenberg, Kwast, Meijer (vzUR), Mulder, Schrama, Thomasson, Wallinga-de Jonge, Weber (vz), Weijnen, Wittkampf

College van Bestuur:

Apers, Te Beest, De Jong, Sistermans, Van Vught

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)


Afwezig:

Barsema, Berkers



1.Opening en vaststelling agenda

De voorzitter opent om 13.30 uur de vergadering en memoreert dat dit de laatste bijeenkomst is van de UR in de huidige samenstelling.

Besloten wordt de agenda als volgt te wijzigen:

Punt 6 (Gedragscode voertalen) wordt doorgeschoven naar de volgende vergadercyclus.

Punt 7a wordt op verzoek van de UR toegevoegd: Wijziging samenstelling CvB en UMT.


2.Mededelingen

--


3.Verslag van de overlegvergadering van 2 juli 2002 (UR-02.283)

Pag. 9 2e regel: “… vooral gekeken moet worden hoe een loopbaanpad is ingevuld en niet alleen naar leeftijd etc.”.

Met inachtneming van deze aanpassing wordt het verslag vastgesteld.


Naar aanleiding van het verslag:

Kwast merkt op dat de opmerking van DD op pag. 1onder punt 4, ook door UReka is gemaakt.


4.Herstructurering Dienstverlening (Reorganisatieplan) (UR-02.232, UR-02.277, UR-02.282)

Van Vught legt namens het college een verklaring af met betrekking tot de reorganisatie. De tekst van de verklaring wordt ter vergadering uitgedeeld.

In de verklaring gaat het college uitgebreid in op zijn aanpak en inzet tijdens het reorganisatieproces en geeft hij zijn visie op de verantwoordelijkheden van het CvB, het besluitvormingsproces en de borging van de implementatie, om te eindigen met een dringend verzoek aan de UR om in te stemmen met het voorliggende reorganisatieplan teneinde op korte termijn duidelijkheid te kunnen verschaffen aan de medewerkers en zo snel mogelijk de noodzakelijke maatregelen te kunnen treffen.


De verklaring roept veel reactie op bij de UR-fracties, met name bij de personeelsvertegenwoordigers daarin. De discussie die volgt wordt hieronder samengevat weergegeven:


KPS: Het college wil graag aan de minister kunnen melden dat “de UT zelf inmiddels eendrachtig de verantwoordelijkheid heeft genomen voor een zeer forse bezuiniging…”. Maar het zou nog mooier zijn als tegen de minister gezegd zou kunnen worden dat de medezeggenschap zo serieus genomen wordt dat het door haar voorgestelde proces wordt overgenomen en naar letter en geest zal worden uitgevoerd.

Wat zijn precies de bezwaren om de door de UR voorgestelde aanpak, die een breed draagvlak heeft binnen alle medezeggenschapsraden en in feite ook wordt onderschreven door de bonden, te volgen?

Te Beest: Uit de verklaring blijkt dat aan het voorstel van de UR in belangrijke mate wordt tegemoetgekomen, zij het in de eigen woorden van het CvB en in een door het CvB gekozen fasering. Het grote verschil is dat de UR vindt dat alvast een aantal stappen gezet moet worden, maar dat de instemmingsvraag pas later aan de orde moet komen. Het CvB meent echter dat het niet toelaatbaar is zonder instemming mensen te benoemen en vast te stellen wie boventallig is. Daarom dient de procedure gevolgd te worden zoals aangegeven, waarbij uiteraard de raad mee mag kijken of een en ander zorgvuldig gebeurt. Het punt waarop de echte reorganisatie moet beginnen is bereikt en daarbij is formele instemming van de UR nodig.

KPS vraagt hoe het kan dat een aantal medewerkers inmiddels al een brief heeft ontvangen, waarop uitgelegd wordt dat het hier “strategische” of “bijzondere” functies betreft waarin zo snel mogelijk medewerkers benoemd moeten worden; in die brief wordt de procedure uiteengezet en wordt tevens het voorbehoud van instemming door de UR gemaakt.

KPS: Het college sluit niet uit (verklaring pt. j) dat er veranderingen komen binnen bepaalde eenheden – dat baart de UR zorgen. De Jong antwoordt dat het onmogelijk is de UT voor langere tijd stil te leggen en vervolgens een ontwerp te maken van de organisatie waarbij tot in lengte van jaren vaststaat dat er geen reorganisatie meer zal plaatsvinden. Hoewel natuurlijk niet alles kan worden voorzien meent het college met het UT-brede reorganisatieplan duidelijke keuzes te kunnen maken en in redelijkheid te kunnen verwachten dat daaruit in de komende jaren geen nadere reorganisaties zullen volgen. Bovendien is een procedure aangegeven waarin de UR vroegtijdig bij de zaken zal worden betrokken.

KPS vraagt of de begroting 2003 kan worden gezien als een “lakmoesproef” voor alle processen die in gang zijn gezet inclusief de financiële gezondmaking van de UT, waarop Te Beest ontkennend antwoordt. De begroting 2003 is een lakmoesproef voor veel zaken van operationele aard, maar niet een lakmoesproef voor de komende jaren, omdat hij immers is gebaseerd op een rijksbijdrage die we kènnen.

DD: Het CvB vraagt instemming van de UR met een plan waarin een goede samenhang van faculteiten en diensten nog ontbreekt, waardoor het nog maar de vraag is of hetgeen nu voorligt het best haalbare is. Waarom wordt er niet voor gekozen om alle door de kwartiermakers inmiddels verkregen informatie te benutten voor een reorganisatieplan dat voor het hele verdere proces gebruikt kan worden, en dan daarop instemming van de UR te vragen en vervolgens verder te gaan?

De Jong: De medewerkers willen zo snel mogelijk zekerheid hebben; daarom wil het college alvast een stap zetten voor wat betreft de structurering van de verhouding tussen de dienstverlening en de primaire processen in de faculteiten. T.a.v. de vormgeving van de faculteiten moet de leidinggevende de mogelijkheid geboden worden binnen een bepaald kader zelf vorm te geven aan de functies. Overigens zullen er in het hele proces steeds weer keuzemomenten zijn, waarbij de UR invloed zal kunnen uitoefenen op de verdere uitwerking. Pas na instemming zal uitwerking op implementatieniveau plaats kunnen vinden. DD wijst erop dat UR en college dan op heel veel detailpunten weer met elkaar in discussie zullen moeten gaan en dat het de vraag is of dat voor de medezeggenschap altijd even aantrekkelijk is.

KPS: Als het gaat om natuurlijk verloop, moet niet gekeken worden naar een periode van 20 maanden maar naar een periode van meerdere jaren. De Jong: Er wordt uitgegaan van (de bezuinigingsperiode van) zes jaar.

KPS: Wat zijn de rechten van medewerkers als ze bezwaar willen maken tegen de procedure die geleid heeft tot het uiteindelijke bericht dat ze bedreigd worden met ontslag?

KPS: De vacature-site wordt niet meer bijgehouden. Het klachtencentrum reageert niet op klachten. Het loopbaancentrum is al ontmanteld. Op vragen over vertrekregelingen wordt niet geantwoord – men wordt doorverwezen naar het ABP. Is dat wel een correcte gang van zaken?

De Jong: Het loopbaancentrum functioneert nog wel, zij het dat er sprake is van veel vacatures. In het kader van de huidige reorganisatie wordt voor de begeleiding ondersteuning geboden door Randstad. Financiële informatie wordt niet meer gegeven door PA&O, maar door een onafhankelijk bureau. En verder wordt nog gewerkt aan de opbouw van voorzieningen die specifiek met de reorganisatie te maken hebben. Na instemming van de UR zal specifieker vastgesteld kunnen worden welke medewerkers getroffen worden en zullen mensen dus ook op meer individueel niveau geïnformeerd kunnen worden. De rechtsbescherming van medewerkers is niet in gevaar, maar als hun geen duidelijkheid kan worden gegeven over hun positie wordt rechtsbescherming hen ontnomen. Overigens zijn er naast de formele rechtsbescherming mogelijkheden geschapen om ook buiten het reorganisatieproces om klachten bij een meldpunt neer te leggen; getracht wordt dat zeer zorgvuldig te laten verlopen.

KPS: Na verschijning van het reorganisatieplan (ca. 2 maanden geleden) zijn er van vele kanten vele opmerkingen gemaakt. Vervolgens is er veel gepraat, veel uitgelegd. Maar op welke punten heeft het college nu wezenlijk iets veranderd aan het concept-reorganisatieplan? Enkele van de aangedragen punten zijn:

oHet lijkt niet aannemelijk dat er niet meer gegevens bekend zijn t.a.v. de financiële onderbouwing.

oIn het kader van meer duidelijkheid voor de medewerkers had aan de kwartiermakers gezegd kunnen worden dat de effecten van de meerjarenraming nu al moesten worden meegenomen in de plannen.

oDe rol van de decentrale medezeggenschap is door de UR voortdurend onderstreept. In het CvB-besluit van 28.5.02 is o.a. opgenomen dat de decentrale raden instemmingsrecht zouden hebben t.a.v. de decentrale plannen. De decentrale raden hebben echter tot 1 september geen formele positie gekregen. Er werd geen melding van gemaakt in de opdracht aan de kwartiermakers, zodat de UR hun daar tijdens de zomervakantie zelf nog op heeft gewezen.

De Jong: De vele vragen van de UR t.a.v. het reorganisatieplan zijn – soms wat laat – zo goed mogelijk beantwoord. Ook is binnen de universiteit heel intensief gecommuniceerd. Tijdens de zomerperiode was het moeilijk met de medezeggenschap te communiceren, maar dat kan nu weer opgepakt worden; de implementatie op decentraal niveau zal in goed overleg met de decentrale medezeggenschap gebeuren. T.a.v. de meerjarenbegroting stelt Te Beest dat die systematiek de afgelopen jaren op eenheidsniveau niet bestond; overigens acht hij de thans voorliggende meerjarenbegroting betrouwbaar, zodat op basis daarvan besluiten genomen kunnen worden. Naar verwachting zullen de meerjarenbegrotingen op eenheidsniveau er aan het eind van het jaar liggen; ze zullen worden ondergebracht in de normale planning & control cyclus.


Van Vught meent dat er wel alsmaar verder gepraat kan worden, maar dat naar de overtuiging van het college het voorliggende reorganisatieplan het best mogelijke is. Aan de onzekerheid moet nu een einde gemaakt worden. Er moet vooruit gekeken worden, niet achteruit. De organisatie moet het implementatietraject afleggen, waarbij zo maximaal mogelijk van de medezeggenschap gebruik zal worden gemaakt.


De UR zal zich aansluitend aan de overlegvergadering intern beraden over zijn standpunt.


5.Ontwerp-begrotingsrichtlijnen 2003 + nieuw verdeelmodel UT (UR-02.259, UR-02.287)

Te Beest gaat nader in op de punten die door de UR worden aangedragen in UR-02.287:

1.De verhouding 1:2 voor de bekostiging van onderwijs en onderzoek.

De parameter is variabel. De verhouding geldt voor het komende jaar en is gebaseerd op de verhouding van de rijksbijdrage van dit moment. Variabel wil zeggen: als de onderwijsprestaties toenemen t.o.v. de onderzoeksprestaties zal de verhouding wijzigen ten gunste van het onderwijs.

2.De standaard SSP-prijs.

Er zal gehoor worden gegeven aan de wens van de raad, d.w.z. er komt ruimte voor de opleidingsdirecteuren om te differentiëren. Er zal een aantal gedifferentieerde prijzen worden ontwikkeld die universiteitsbreed worden vastgesteld en waarbij het aan de opleidingsdirecteuren is om hun opleidingsaanbod en de verdeling zodanig vorm te geven dat het kan worden uitgevoerd.

3.Het OO-compartiment.

Het komt er uiteindelijk op neer dat van de totale hoeveelheid geld 50% wordt verdeeld op basis van onderwijsprestaties en 50% op basis van onderzoeksprestaties.

4.De infrastructurele component.

De opslag dient om aan te geven dat er verschil is in de kosten van infrastructuur bij de verschillende opleidingen.

5.Hoog-laag indeling.

Ook de UT hanteert twee prijzen, maar er wordt verder doorgedifferentieerd dan het ministerie doet omdat er verschillen zijn in opleidingsduur (5-jarig danwel 4-jarig) en in infrastructuur.

6.Vergelijking van de nieuwe en oude modeluitkomsten.

Er is een vergelijking gemaakt, die aan de UR zal worden verstrekt. De algemene conclusie luidt dat er in het nieuwe model meer geld is voor onderwijs dan in het oude model, op een paar uitzonderingen na.


M.b.t. punt 1 merkt Meijer op dat hij van een aantal faculteiten informatie heeft ontvangen uit eigen onderzoek, en dat bijvoorbeeld blijkt dat er bij TW, TBK en TN sprake is van gemiddeld 20% onderbekostiging. Vanuit de UR worden nog enkele aanvullende voorbeelden genoemd. Als hier sprake is van juiste berekeningen, zal de keuze van het college leiden tot kwaliteitsverlies in het onderwijs.

Te Beest stelt dat het gekozen model is vastgesteld in het UMT, waarbij afgesproken is dat het geleidelijk zal worden ingevoerd op een bestuurlijk verstandige wijze. Indien dat nodig mocht blijken, kunnen er aanpassingen plaatsvinden. Het nieuwe model kent veel meer geld toe voor onderwijs dan het oude model. De vraag moet niet zijn “Wat kost onderwijs?”, maar “Wat mag onderwijs kosten?”. Onderwijs kost, wat je erin stop, aldus Te Beest.

De UR zou graag zien dat het college nadere analyses laat maken door de opleidingsdirecteuren en dat daarop vervolgens door de CCO advies wordt uitgebracht. De Jong wijst erop dat er in het najaar vanuit de CCO een advies komt n.a.v. onderzoek naar de effectiviteit van het onderwijs. Vervolgens zou bespreking in de commissie O&O van de UR plaats kunnen vinden.


De UR zal zich aansluitend aan de overlegvergadering intern beraden over zijn standpunt.


7.Gedragscode voertalen (UR-02.265, UR-02.278)

Agendapunt wordt doorgeschoven naar volgende vergadercyclus.


8.Vastgoed (UR-02.177/1+2, UR-02.224, UR-02.288)

Van Vught geeft aan dat de deelprojecten 3 en 4 in resp. december 2002 en april 2003 van start moeten gaan. Maar omdat er ook voorbereidingstijd nodig is, moet een beslissing nu snel genomen worden.

De UR benadrukt het belang van een financieel meerjarenkader en is bereid instemming te geven onder de volgende voorwaarden: het CvB toont in de begroting 2003 de haalbaarheid van het meerjarenkader aan; indien de haalbaarheid niet blijkt, zal het bouwproces heroverwogen moeten worden; dit zal jaarlijks worden bezien en besproken met de UR. Van Vught stemt hiermee in, daarbij opmerkend dat een dergelijke afspraak eerder al is gemaakt.


De UR stemt, met inachtneming van bovengenoemde overwegingen, in met de deelprojecten 3 en 4, genoemd in bovenstaande brief (UR-02.177/1+2)


7a. Wijziging samenstelling CvB en UMT

Schrama merkt op dat de UR niet volledig geïnformeerd is m.b.t. de benoeming van De Jong tot decaan van de nieuwe faculteit Gedragswetenschappen. Van Vught antwoordt dat inmiddels is afgesproken dat er instituutsraden worden ingesteld, zodat het college zich niet meer gebonden voelde aan de eerdere afspraak om deze benoeming in de UR te bespreken. Het college heeft geconstateerd dat er een groot draagvlak is voor de genomen beslissing.

Meijer stelt dat een instituutsraad een commissie van de UR is, en dat de UR aan zet is zolang die commissie niet is bemenst. Hij betreurt het dat ook hier weer een eenzijdige beslissing is genomen. Volgens Van Vught was de bedoelde afspraak gemaakt in de eerste kantelingsronde; in de tweede ronde is er niet meer over gesproken.


Desgevraagd bevestigt Van Vught dat het bij de wetenschappelijk directeuren gaat om doorlopende benoemingen; alleen bij de nieuwe instituten ligt het anders.


Voor de faculteit Gedragswetenschappen is het nog niet gelukt een decaan te vinden. Toch moest er per 1 september 2002 wel een voorziening getroffen worden, zodat het CvB op basis van de WHW zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en De Jong tot kwartiermaker heeft benoemd. Voor de portefeuilles binnen het CvB heeft dat een herverdeling tot gevolg.

Schrama zou graag de beschikking krijgen over de letterlijke tekst van het CvB-besluit inzake de benoeming van De Jong, waarop Van Vught antwoordt dat het besluit in overleg met de RvT tot stand is gekomen en dat het ongetwijfeld in de notulen zal zijn geformuleerd. Overigens wijst hij erop dat in de desbetreffende mail aan de UR ten onrechte wordt gesproken over een benoeming “als interim-decaan” – er had moeten staan “in de functie van interim-decaan”. Hij wordt thans betiteld als “kwartiermaker”.

Op de vraag of er ondanks die formulering geen belangenconflicten zullen gaan optreden antwoordt Van Vught dat er heel goed is nagedacht over de consequenties van deze tijdelijke voorziening. Daarom zijn er ook wijzigingen in de portefeuilleverdeling voorgesteld. Mochten er zich onverhoopt toch problemen voordoen, dan zullen er indien nodig maatregelen genomen worden.

Houweling meent dat De Jong geen overleg zal kunnen voeren met de faculteitsraad, hetgeen door Van Vught bestreden wordt omdat De Jong immers geen decaan is.


De voorzitter besluit dit agendapunt met de constatering dat de UR het CvB-besluit uiterst discutabel vindt.


9.Rondvraag

Sistermans: Per 1 september a.s. zal hij geen lid van CvB meer zijn. Hij heeft die tijdelijke functie met plezier vervuld. Hij heeft waardering voor de UR-leden, die een moeilijke en verantwoordelijke taak hebben. Er zijn wel eens problemen, maar iedereen vindt toch steeds dat er een oplossing moet komen. Voor een ieder geldt dat er op het moment van het nemen van verantwoordelijkheid sprake kan zijn van vluchtgedrag. Bijvoorbeeld door te zeggen dat er nog meer informatie moet komen. Laat elkeen voor zichzelf nagaan in hoeverre dat verstandig is. Men kan altijd weer nadere studie willen, maar er is een moment dat men voor zichzelf moet oordelen en zijn verantwoordelijkheid moet nemen om tot een besluit te komen.


Weijnen: Voor hem en voor veel andere UR-leden is dit de laatste vergadering van deze zittingsperiode. Een mens is leergierig en wil veel informatie verzamelen. Hijzelf heeft in de UR veel geleerd maar gaat nu verder. Hij wenst allen veel wijsheid toe en roept ertoe op om de eigen verantwoordelijkheid te nemen en daar vervolgens voor te staan. Het is tijd voor het nemen van een besluit. Hij wenst de nieuwe raad veel succes toe en dankt voor ieders bijdrage aan zijn leerproces.


Meijer meent dat er wellicht in het kader van de benoeming van De Jong tot interim-decaan (agendapunt 7a) nog een andere oplossing mogelijk is, namelijk door de hoogleraarkamers te verleiden een soort commissie te vormen die middels collegiaal bestuur tijdens de interim-periode leiding geeft aan het facultaire proces.


Van der Heijden dankt de aanwezigen hartelijk voor de samenwerking in de afgelopen UR-periode. Zij meent te mogen vaststellen dat de openheid is toegenomen en roept allen op veel met elkaar te blijven praten.


Weber memoreert dat hij de afgelopen tijd als technisch voorzitter heeft gefungeerd. Hij weet niet of dat fenomeen een vervolg zal krijgen, maar zijn eigen ervaring is dat het niet goed mogelijk is om tegelijkertijd technisch voorzitter èn raadslid te zijn. Hij bedankt speciaal de studentleden van Cabaal en UReka. UReka heeft nogal wat teweeg gebracht binnen de raad. De fractieleden hebben praktijkervaring kunnen opdoen met het conflictmodel en hij hoopt dat ze er veel van geleerd hebben. Ze hebben veel tijd in het UR-werk gestoken en hij dankt mede namens de personeelsgeleding voor hun grote bijdrage in de raad. Vervolgens richt hij nog enige persoonlijke woorden tot de personeelsvertegenwoordigers in de UR.


Meijer dankt Weber hartelijk voor zijn werk als technisch voorzitter. Hij meent overigens dat de conflictsituatie binnen de UR zijn functioneren wel bemoeilijkt heeft. Het vindt het jammer dat er een gebrek aan respect en waardering voor elkaars inbreng binnen de UR heeft geheerst en hoopt dat de nieuwe raad erin zal slagen daaraan een betere invulling te geven zodat er meer een gevoel van verbondenheid komt.


Ten slotte dankt de voorzitter Sistermans namens de gehele raad voor zijn geweldige inzet.


10.Sluiting

De voorzitter sluit om 17.15 uur de vergadering.