Verslag

van 2002 06 11

Verslag van de overlegvergadering van de Universiteitsraad op dinsdag 11 juni 2002


Aanwezig:

Leden UR:

Barsema, Bloem, Van Doorn, Houweling, Hovenkamp, Jacobs, Kluitenberg, Kwast, Meijer (vzUR), Mulder, Schrama, Wallinga-de Jonge, Weijnen, Wittkampf

College van Bestuur:

Te Beest, De Jong, Sistermans, Van Vught

Griffie:

Ribberink, Klomp-Jongsma (Secretariaatsservice “PS” – verslag)


Afwezig:

Berkers, Van der Heijden, Thomasson, Weber



1.Opening en vaststelling agenda

vzUR opent om 13.40 uur de vergadering. De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld.


2.Mededelingen

Van Vught namens het CvB:

Decaanbenoemingen: De verwachting is dat per 1.7.2002 tot benoeming gekomen kan worden van decanen voor drie faculteiten-nieuwe stijl. Inmiddels zijn twee advertenties voor externe werving geplaatst, dus die benoemingen zullen iets langer op zich laten wachten. In een aantal gevallen wordt gewerkt aan interim-voorzieningen voor decanen waarvan de benoemingstermijn afloopt – ook dan zal de juiste procedure doorlopen worden en zullen de faculteitsraden gehoord worden.

Op een vraag van Schrama antwoordt Van Vught dat de fusie van betrokken faculteiten niet zal worden uitgesteld als er per 1 september nog geen nieuwe decaan gevonden is.



3a. Verslag van de overlegvergadering van 23 april 2002 (UR-02.188)

Pag. 4 r.36: “Als een leerstoel in de faculteit zit, valt het onderzoek van deze leerstoel onder de verantwoordelijkheid van de decaan.”

3b. Verslag van de overlegvergadering van 7 mei 2002 (UR-02.189)

De naam van Wallinga-de Jonge ontbreekt bij de aanwezigen.


Met inachtneming van de gemaakte opmerkingen worden de verslagen vastgesteld.


4.Vaststelling collegegeldtarieven en Inschrijvingsregeling UT 2002-2003 (UR-02.175, UR-02.192)

De UR stemt in met de voorgestelde wijziging van de Inschrijvingsregeling UT 2002-2003.


5.Nieuwe opleidingen, Masteraanbod (UR-02.193)

Nieuwe opleidingen

De voorzitter feliciteert namens de UR het college met de toestemming van de minister om t.z.t. van start te gaan met een opleiding Technische Geneeskunde. De Jong memoreert dat de rector magnificus er op een fantastische manier in is geslaagd deze mogelijkheid naar Enschede te halen.

Een procedurevoorstel inclusief tijdpad komt zo spoedig mogelijk naar de UR toe.



De Jong meldt dat naar twee licenties voor nieuwe opleidingen nog nader gekeken moet worden, nl. de brede technische bachelor en de opleiding gezondheidswetenschappen. Met de faculteiten is afgesproken dat zij – waarschijnlijk kort na de zomerperiode – een soort businessplan gereed zullen hebben, dat vervolgens in de UR besproken kan worden. Ten aanzien van het instemmingstraject zijn reeds afspraken gemaakt.


Van Vught vertelt dat het overleg tussen de drie TU’s met betrekking tot afstemming op het gebied van de technische opleidingen volop gaande is. Van de minister heeft hij begrepen dat dit de opstelling van het kabinet t.a.v. de vastgoedproblematiek van de drie TU’s ook ten goede zal komen.


In de komende weken zullen er binnen de UT discussiebijeenkomsten georganiseerd worden in het kader van de technische opleidingen. Een en ander hangt ook samen met de ontwikkelingen rond de brede bachelors.


Masteraanbod

Ter vergadering wordt een overzicht van het door het college vastgestelde bachelor- en masteraanbod uitgereikt.

Het college zal het initiatief nemen om te komen tot informeel overleg over de stand van zaken binnen de commissie O&O, met als doel zover te komen dat er op 2 juli a.s. een uitgewerkt besluit aan de UR kan worden voorgelegd. De aanvragen moet per 1 augustus ingediend zijn.

Vanuit de UR wordt nogmaals benadrukt dat er voor de medezeggenschapsraden voldoende informatie, maar ook tijd en gelegenheid moet zijn om tot een verantwoord oordeel te kunnen komen. Van Vught merkt op dat een zekere flexibiliteit van de raad t.a.v. termijnen op prijs wordt gesteld, omdat zelfs het college niet altijd invloed heeft op allerlei externe factoren die een rol kunnen spelen.


Ter vergadering wordt een brief van de ministers Hermans en Borst d.d. 27.5.2002 uitgedeeld, waarin toestemming wordt gegeven voor de opleiding technische geneeskunde, alsmede de reactie daarop door de UT. Van Vught geeft nog een korte toelichting:

De Wet BIG zal moeten worden aangepast voor de nieuwe beroepsgroep van technische artsen. Voor studenten die de opleiding willen gaan volgen zal dus niet helemaal duidelijk zijn wat hun beroepsprofiel zal zijn. De opdracht tot aanpassing is al wel door de huidige (demissionaire) minister gegeven. Het zal gaan om een opleiding tot geneeskundige met een technisch profiel (dus geen ingenieursopleiding).

De duur van de opleiding is 6 jaar.

Faculteit: Van Vught denkt zelf aan onderbrenging bij Technische Natuurwetenschappen.

Het college gaat ervan uit dat er op korte termijn bericht van het rijk komt t.a.v. voorfinanciering en een startsubsidie voor de ontwikkeling van de opleiding en dat er een structurele bekostiging komt middels het hoog/hoog-tarief. Op dat moment zal de instemmingsvraag aan de UR worden voorgelegd.

Volgens een analyse van de commissie Linschoten zal er grote belangstelling zijn voor de opleiding.

Schrama merkt op dat de opleiding zal moeten gaan concurreren met bestaande medische opleidingen. Hij vreest dat het diploma van de UT door potentiële studenten minder waardevol gevonden zal worden dan een algemeen artsendiploma, omdat er wellicht minder toegangs­mogelijkheden tot specialisaties zullen zijn. Het zal dus een extra aantrekkelijke opleiding moeten worden, hetgeen bijvoorbeeld bereikt zou kunnen worden door er een 5-jarige opleiding van te maken. Volgens Van Vught is er geen enkele reden om te veronderstellen dat deze opleiding van minder niveau of minder aantrekkelijk zou zijn dan bestaande opleidingen. De tot nu toe gehoorde reacties geven juist de indruk dat de opleiding zeer interessant gevonden wordt. En het zal zeker niet zo zijn dat de abituriënten geen aansluiting hebben op alle bestaande medische specialisaties. Verder vindt hij dat de duur 6 jaar zal moeten zijn, net als van andere geneeskunde-opleidingen.


Van Vught meldt nog dat de ministers een soort noodprocedure zullen ontwikkelen opdat ook de opleiding technische geneeskunde als master wordt geregistreerd.


6.Vastgoed (UR-02.177/1+2, UR-02.191)

Van Vught merkt op dat van de zijde van het college al was geconstateerd dat er te weinig informatie ligt voor besluitvorming, vooral m.b.t. het financiële aspect. Ten aanzien van het overleg binnen het UMT onderschrijft het college dat het belangrijk is dat ook het UMT een duidelijk advies geeft over dit soort verstrekkende plannen, zodat de besluitvorming in het college mede daarop gebaseerd kan worden.


M.b.t. punt 1 van UR-02.191 (fasering voorbereidingsproject) zegt Te Beest dat het college zich welwillend zal opstellen t.a.v. het onderzoeken van mogelijkheden om tot gefaseerde uitvoering te komen.

Wat punt 2 betreft (betrokkenheid belanghebbenden bij de bouwplannen) ziet het college een nader voorstel van de UR om de betrokkenheid van faculteiten te vergroten graag tegemoet.


Op een vraag van Schrama over de vacature van manager vastgoed wordt nadere informatie toegezegd.


7.Herstructurering Dienstverlening (UR-02.190)

Namens het CvB wordt gemeld dat tijdens de vergadering gewerkt wordt aan het op het net zetten van het reorganisatieplan. Vervolgens zullen er op 12 juni a.s. drie sessies worden georganiseerd teneinde de medewerkers nader te informeren.

Te Beest merkt op dat het college akkoord gaat met het procedurevoorstel zoals verwoord in UR-02.190 en het eens is met de daarin genoemde mogelijke knelpunten. De tijd van onzekerheid voor de medewerkers moet zo kort mogelijk gehouden worden. Het CvB denkt op 13 juni a.s. met een tijdpad te kunnen komen. Er wordt in ieder geval naar gestreefd een en ander op 2 juli a.s. in de overlegvergadering bespreekbaar te hebben.

Sistermans meldt dat als volgt is besloten: Het college wil, na bespreking in het UMT, het reorganisatieplan diepgaand met de UR bespreken. Het stuk zoals dat nu op het net wordt gepubliceerd moet niet worden gezien als een voorstel ter instemming door de raad. Een desbetreffend voorgenomen besluit komt op een later tijdstip – overigens met dezelfde inhoud, maar op sommige punten wat minder gedetailleerd en met op bepaalde punten meer antwoorden. Over het exacte besluitvormingsproces daarna moet nog nader gesproken worden. Met andere woorden: het college neemt het stuk dat door de commissie herstructurering dienstverlening is aangeboden over en komt terug met een plan op een hoger aggregatieniveau.

De voorzitter benadrukt nog eens dat tijdige informatie van groot belang is, teneinde de faculteitsraden gelegenheid tot bespreking te geven en vervolgens op 2 juli tot besluitvorming in de UR te kunnen komen.


Bloem merkt op dat sommige dienstdirecteuren hun medewerkers al hebben geïnformeerd; hij vraagt zich af of zij niet beter hadden kunnen wachten tot na de publicatie van het reorganisatieplan. Volgens Sistermans is dat gebeurd in het kader van een zo groot mogelijke openheid; overigens beschikten de dienstdirecteuren toen nog niet over het plan.

Houweling meent dat een uitnodiging voor de sessies op 12 juni ook wel eerder had kunnen plaatsvinden. Sistermans stelt dat er voldoende andere mogelijkheden zijn om vragen te stellen en beantwoord te krijgen.



8.Slotregularisatie (UR-02.170, UR-02.194)

Te Beest merkt op dat het niet mogelijk zou zijn geweest de “resterende” middelen op te nemen als voorziening. Dat betekent dat de posten waarover het gaat in de exploitatierekening – in het resultaat 2001 – terecht gekomen zijn. Dat heeft het wel mogelijk gemaakt iets anders te doen: de UT was gekort door het ministerie voor een bepaald bedrag; de komende jaren komt dat in kleine partjes terug. In de begroting was dat opgenomen als schuld aan het ministerie. Nu kan het in de jaarrekening ineens ten laste van de exploitatie gebracht worden, zodat het in de komende jaren mogelijk is een deel van de reorganisatiekosten te dekken. Overigens is daarvoor het bedrag van 8,6 miljoen gulden niet voldoende.


Te Beest merkt verder op dat hij de kritiek van de UR m.b.t. de bestuurlijke kosten niet deelt. In de begroting 2001 kón geen rekening worden gehouden met het feit dat het CvB uitgebreid zou worden. Er is ook geen rekening mee gehouden dat de kosten van de secretaris van het college zouden worden overgeboekt naar de kosteneenheid CvB. Ook kon niet voorzien worden dat er in 2001 advieskosten zouden worden gemaakt. Een en ander is reden waarom in werkelijkheid de kosten hoger zijn dan de begroting aangeeft.

Volgens de UR gaat het niet alleen om de kosten van het CvB, maar om die van het hele bestuursapparaat, haar ondersteuning en externe advisering.


De UR adviseert positief, de uiteindelijke tekst van het advies zal nog nader worden vastgesteld.


9.Interne begroting 2002, Toelichting lastenstijging CBE en Reactie CvB op negatief UR-advies inzake ontwerpbegroting 2002 (UR-02.140, FEZ/342.177/Cv, UR-02.198)

Te Beest vertelt dat op 2 juli a.s. in de overlegvergadering de nota “Analyse financiële situatie” zal voorliggen, met het meerjarenperspectief van de UT, zoals toegezegd. Aan het supplement bij de begroting 2002 wordt de laatste hand gelegd en het zal zeer binnenkort toegezonden worden.

De kwartaalrapportage waarover de UR spreekt in UR-02.198 betreft een rapportage over de periode januari t/m april; deze zal rond 14 juni a.s. beschikbaar zijn. Er is geen aanleiding voor herziening van de begroting.

Verder merkt Te Beest nog op dat de budgetrapportage die enkele malen per jaar verschijnt uiteraard ook aan de UR zal worden toegezonden.


10.Rondvraagpunten (UR-02.195, UR-02.196)

10.1Vergoeding declaraties adviesbureau

Het gaat hier om een bedrag van maximaal kƒ 50. Het bureau zal na mei 2002 geen diensten meer voor de UT verrichten. T.a.v. de vraag waarom een extern bureau is ingehuurd wordt geantwoord dat ditzelfde bureau ook voor de UT gelobbyd heeft in het kader van de opleiding geneeskunde.

De kosten zullen straks zichtbaar zijn bij de post aanloopkosten geneeskunde.


10.2Advertentie inzake JSF

Van Vught vertelt dat de UT is uitgenodigd tot deelname door het Nederlands Centrum voor Laser Research. Met het onderzoek dat eventueel gerelateerd is aan de beslissing om tot aanschaf van een vliegtuig over te gaan is een groot belang gemoeid. De UT heeft daarover geen politieke opvattingen; de beslissing om al of niet tot aanschaf van een vliegtuig over te gaan was al genomen door de overheid. Na de keuze voor de JSF zou voor het NCLR een belangrijke rol weggelegd zijn op het gebied van de ontwikkeling van laser research.

De RvT van de UT is van een en ander op de hoogte.

Volgens Schrama was het voor iedereen duidelijk dat het om een omstreden politiek onderwerp ging, en de KPS-fractie is van mening dat de UT zich daarin niet had moeten mengen.


10.3 Verdeling aandachtsgebieden CvB-leden

De relatie VWO-WO is geen apart aandachtspunt geworden in de portefeuilleverdeling van het CvB, omdat dat onderwerp ressorteert onder de onderwijsportefeuille.

T.a.v. het personeelsbeleid merkt Van Vught op dat er uiteraard sprake moet zijn van een integraal personeelsbeleid; maar dat neemt niet weg dat er vanuit de invalshoek wetenschap soms specifieke overwegingen zijn – reden om het wetenschappelijk personeelsbeleid apart te markeren. Wallinga-de Jonge vindt dat het totale personeelsbeleid in ieder geval in één en dezelfde portefeuille behoort te worden onderbracht, en niet bij verschillende personen. Naar dit laatste zal Van Vught nog eens nader kijken.


10.4 Garantstelling t.b.v. TSM

Het Innofonds heeft een uitstaande lening aan TSM Business School ingetrokken, aldus Van Vught, en dat brengt TSM in de problemen. Het tekort moet omlaag gebracht worden en om dat te bereiken moet een aantal tijdelijke contracten in de personele sfeer met TSM stopgezet worden. De verwachting is dat het liquiditeitsprobleem bij TSM in de loop van het jaar wordt ingelopen. Ter overbrugging heeft het college besloten tot een garantstelling.


10.5 Samenwerking Osnabrück – UT

In Osnabrück vindt volgens Van Vught geen universiteitsbrede discussie plaats. Wel zijn er twee senaatsbijeenkomsten geweest; bij één daarvan is ook hij aanwezig geweest. Binnen de faculteiten van Osnabrück wordt wel gesproken over een eventuele haalbaarheidsstudie.

Bij de UT is anders gehandeld: de vraag naar de mening over een haalbaarheidsstudie is in de UR en het UMT aan de orde gesteld. Daaruit is gebleken dat er bereidheid is over te gaan tot zo’n studie. Als de bereidheid in Duitsland ook voldoende groot is, moet er een besluit genomen worden. Daarop zal bij de UR nog teruggekomen worden.


10.6 Huisartsenpraktijk medisch centrum UT

De Jong zal ervoor zorgen dat de UR schriftelijk nader geïnformeerd wordt over de stand van zaken. Ook de onderzoeksrapporten zullen worden toegezonden.


11.Rondvraag

Van Doorn heeft een vraag over een subsidieaanvraag van USE. Afgesproken wordt dat hij deze vraag meer gedetailleerd zal voorleggen en een antwoord tegemoet kan zien.

Wallinga-de Jonge informeert naar de stand van zaken rond het sociaal plan dat in het kader van het reorganisatieproces in de maak is. Van Vught antwoordt dat hij hoopt dat er nog vandaag overeenstemming bereikt wordt met de vakbonden.


12.Sluiting

De voorzitter sluit om 15.35 uur de vergadering.