Mijn TOM

Dingen doen, daar
leer je meer van

Na een carrière in de bouw en automatisering begon Hans Tragter in 1986 als docent op de Universiteit Twente bij de opleiding Werktuigbouwkunde (WB). De eerste jaren was dat traditioneel onderwijs, maar toen WB overging naar projectonderwijs, werd Hans pas echt enthousiast. Hans heeft een duidelijke visie over onderwijs en wilde dit graag toepassen in IO-module 4 ‘Smart Products’ waar hij modulecoördinator van is. In deze module werken studenten in groepen van 4 aan een product met ‘intelligent gedrag’. Ieder jaar is er een andere opdracht en er is veel vrijheid in oplossingsrichtingen, afgelopen jaar hebben de studenten gewerkt aan ’moving light’.

Het hoeft niet een perfect product te zijn

Bij het ontwerp van deze module heeft Hans met zijn team alle vrijheid genomen die er vanuit TOM werd gegeven. De module is meer gefocust op het toepassen van kennis en het leerproces dan op het uiteindelijke product. ‘Ons doel is om te zorgen dat de studenten, door te oefenen in het project, meer kennis en inzichten opdoen en betere ontwerpers worden. Het hoeft geen perfect product te zijn, het gaat er om dat studenten ontwerpmogelijkheden verkennnen.’ Naast het opleiden van ontwerpers wilde Hans in deze module ook bijdragen aan de zelfstandigheid van studenten. ‘Ik houd er zelf helemaal niet van om gedwongen te worden om iets te doen.’ Hans vindt het belangrijk dat studenten zich bewust worden van hun competenties en nadenken over wat voor soort ontwerper zij willen worden en wat zij hiervoor nodig hebben. ‘Ze moeten iets willen en daardoor self propelling zijn.’

Het initiatief ligt bij de student

Studenten hebben in deze module geen aparte tutor die ze aan de hand meeneemt. ‘Van tevoren geven we duidelijk aan dat zelfstandigheid belangrijk is.’ Bij de uitvoering van de module blijkt het voor zowel studenten als docenten nog wel eens moeilijk om om te gaan met deze zelfstandigheid. ‘We proberen studenten echt de tools te geven die ze nodig hebben om het project te laten slagen.’ Studenten krijgen bijvoorbeeld informatie over de verschillende rollen die mensen aannemen in groepswerk. Ze doen eerst een testje zodat ze weten wat voor groepswerker ze zelf zijn en gaan dan de rollen verdelen. De docenten in module 4 fungeren als ‘vraagbaak’ over de stof en zorgen dat kennis wordt aangeboden. Uiteraard helpen ze waar problemen zijn, maar het initiatief ligt bij de studenten. ‘Wij geven dit aan het begin van de module ook expliciet bij de studenten aan, maar zij moeten het wel halverwege nog een keer horen om zich er echt bewust van te worden’ geeft Hans toe.

50/50

In de module worden in de ochtend colleges gegeven en werken de studenten in de middag aan het project waarbij docenten rondlopen om vragen aan te stellen. Daarnaast kunnen studenten discussiemomenten inplannen met een docent en schuift een docent aan bij een projectvergaderingen. ‘Tijd voor nieuwe kennis en voor het project is 50/50 verdeeld. ’s Ochtends leren ze iets nieuws en ‘s middags passen ze dit toe in het project. Dan zijn ook docenten aanwezig, maar alleen als specialist in hun eigen vakgebied om vragen aan te stellen. Wij kiezen in deze module echt voor een meester/gezel verhouding’ legt Hans uit. ‘Elke groep houdt een logboek bij en moet een wekelijkse projectvergadering hebben.’ De ontwerpdocenten gaan af en toe langs bij deze vergaderingen. In het logboek moeten studenten kunnen laten zien hoe ze de theorie in hun project hebben gebruikt. ‘Omdat er geen tutoren en geen tussentoetsen zijn is het wel belangrijk dat studenten gebruik maken van de discussiemomenten met de ‘specialisten’ om te weten of ze op de goede weg zijn’ legt Hans uit. Voor het intekenen voor bespreekmomenten met docenten hebben ze een website. ‘Dat werkt heel prettig, zo kun je ook goed rekening houden met de beschikbaarheid van elke docent.’

Vak loslaten

Volgens Hans is het van belang om binnen het moduleteam met docenten goed af te spreken wat de hoeveelheid tijd is voor een bepaald onderdeel en om je daar samen ook aan te houden. ‘Projectonderwijs kost veel tijd’, geeft Hans toe, ‘je hebt dus minder tijd voor de traditionele ‘vakken’. Je moet dan als docent je vak kunnen loslaten. De studenten moeten gestimuleerd worden om zelf in te zien dat ze de kennis nodig hebben.’ Zo’n aanpak heeft volgens Hans echt pluspunten. ‘Toepassen is echt beter. Als je alleen maar dingen hoort onthoud je vijf keer minder dan wanneer je dingen doet. Toch vindt men het moeilijk de colleges los te laten’ Wat Hans als een groot voordeel ziet van deze opzet is dat toegenomen betrokkenheid van docenten in de toepassing van de lesstof. ‘Ze zien hoe hun kennis bij studenten is ingedaald en ze worden zich meer bewust van hun rol in de kenniscreatie van studenten,’ legt Hans uit.

Geen deeltoetsen

In module 4 is goed nagedacht over de toetsopzet. Er is bewust gekozen voor weinig toetsen tussendoor: ‘Inzicht moet groeien, en dat is een proces waar je de tijd voor moet geven. Studenten kunnen zo eerst leren en hebben de vrijheid om fouten te maken en feedback te krijgen.’ Studenten leveren een verslag in en proefmodellen (zoals stukjes software, stukjes elektronica). Om een klein beetje het gevoel te geven of ze goed op weg zijn, wordt alleen een voldoende of onvoldoende aangegeven (geen cijfer). ‘Het telt niet mee, het is echt diagnostisch. Aan het eind van de module wordt er pas beoordeeld met cijfers.’ In de laatste week, na het verslag, is er een week met kennistoetsen. Het cijfer is opgebouwd uit 80% individuele kennis en de rest project. ‘In deze module wil ik echt kijken naar wat ze individueel hebben geleerd, in andere modules wordt weer meer op groepswerk beoordeeld.’ Hans vindt het spijtig om te zien dat wanneer toetsresultaten achterblijven men er voor kiest om studenten toch meer verplicht om dingen te doen en ze achterna zit met toetsen. ‘Ik geloof erg in de visie van Erik Mazur die tijdens de inspiratieweek heeft verteld over zijn ervaringen. Studenten werken in ons onderwijs van toets naar toets. Zonde ook van de docenttijd’ vindt Hans. ‘Feedback tijdens activiteit en discussie is veel belangrijker.’

De volgende slag

De ervaringen van dit jaar geven weer ideeën voor de uitvoering van volgend jaar. ‘In deze module komen veel onderwerpen aan bod die studenten moeten integreren in één projectopdracht. Die integratie en de vrijheid van handelen als ontwerpteam, daar zijn studenten niet helemaal aan gewend. De hoeveelheid aan onderwerpen vinden studenten ook lastig, de werkdruk die ze daardoor ervaren is hoog omdat ze niet precies weten wat ze wanneer moeten doen. Dit is voor ons een punt om beter te communiceren. Wat we nog meer zouden willen doen is inzetten op de bewustwording van de studenten van hun eigen competenties en de ontwikkeling daarvan. Het zou mooi zijn wanneer ze zelf hun kennis kunnen meten en hun progressie  bijhouden.’ Hans is blij met de grote belangstelling voor TOM onder de UT-collega’s en de ervaring die docenten op de UT op doen. Tegelijk is ook dat een leerproces. Daarna komt  de volgende verbeterslag in ons onderwijs.’