Zie HOME | Producten & diensten

Werkplek en binnenmilieu

De gemiddelde Nederlander brengt 80 tot 90% van zijn tijd binnen door: thuis, maar ook op kantoor. Het is dan ook van groot belang dat het binnenmilieu in onze gebouwen van een dusdanige kwaliteit is dat gebouwgebruikers zich gezond en comfortabel voelen.

Hier vind je meer informatie over het belang van een goed binnenmilieu op de werkplek. Daarnaast wordt ingegaan op de achtergrond van een aantal veel voorkomende klachten ten aanzien van temperatuur en vochtigheid en de mogelijkheden om daar wat aan te doen. Ook is informatie opgenomen over de oppervlakte van kantoorwerkplekken, de inrichting van (college)zalen en het gebruik en de plaats van printers ed. in relatie tot het binnenmilieu.

Temperatuur en vochtigheid

De vraag of mensen zich in een vertrek behaaglijk voelen of niet hangt, behalve van de persoon, van een groot aantal andere factoren af. De voornaamste factoren zijn:

A. PERSOONSGEBONDEN FACTOREN

  • de aard van de werkzaamheden;
  • de kleding;
  • algehele gezondheid;
  • mogelijkheid tot beïnvloeding.

B. OMGEVINGSFACTOREN

  • luchttemperatuur en luchtvochtigheid;
  • de eventuele luchtbeweging (tocht);
  • eventuele stralingswarmte van lampen en andere warmtebronnen;
  • luchtkwaliteit (toevoer verse lucht en aanwezigheid verontreinigingsbronnen in de ruimte).

Werknemers in een kantooromgeving klagen regelmatig over de luchtkwaliteit. Dit betreft o.a. klachten over bedompte lucht, muffe lucht of te droge lucht. Hieronder gaan we in op de achtergrond van een aantal veel voorkomende klachten en de mogelijkheden om daar wat aan te doen.

1. DROGE LUCHT (LUCHTVOCHTIGHEID)

Lucht bevat meer of minder vocht. De absolute hoeveelheid vocht die lucht kan bevatten is vooral afhankelijk van de temperatuur. Hoe hoger de temperatuur, hoe hoger de absolute hoeveelheid vocht die als waterdamp in de lucht aanwezig kan zijn.

Een lage luchtvochtigheid treedt eigenlijk alleen in de wintersituatie op. Die ontstaat omdat koude lucht van buiten aangevoerd en opgewarmd wordt. Koude lucht kan weinig vocht bevatten; de absolute hoeveelheid vocht in de lucht is dus laag. Bij het verwarmen van de lucht kan deze een grotere hoeveelheid vocht opnemen. Indien de absolute hoeveelheid vocht in de lucht gelijk blijft, zal de relatieve luchtvochtigheid zodoende dalen. De relatieve vochtigheid is immers de verhouding tussen de absolute hoeveelheid waterdamp in de lucht en de maximale hoeveelheid waterdamp die de lucht bij een gegeven temperatuur op dat moment kan bevatten.

Uit het Arboinformatieblad Binnenmilieu (SDU, 2013) blijkt dat er bij de gebruikelijke luchtvochtigheden in de winter geen relatie bestaat tussen 'droge lucht'-klachten en de relatieve luchtvochtigheid. Slechts bij extreem lage luchtvochtigheden, zoals die voorkomen in vliegtuigen, bestaat de mogelijkheid op luchtwegirritaties en gevoelens van 'droogte' als gevolg van een te lage luchtvochtigheid. Er is sprake van een extreem lage luchtvochtigheid als die lager is dan 15%. Dit komt in kantoren in Nederland zelden of nooit voor, onder andere omdat de winters niet zo koud zijn en de werknemers en de gebouwconstructie blijvend (veel) vocht afgeven.

Mensen kunnen moeilijk de relatieve luchtvochtigheid schatten. De klachten die worden aangegeven bij lage(re) luchtvochtigheden zijn veelal niet direct het gevolg van een lage luchtvochtigheid, maar meer het gevolg van irriterende bestanddelen in de lucht, zoals stof en verontreinigingen (bijvoorbeeld afkomstig van apparatuur en printers). Vooral in combinatie met een te hoge temperatuur en te weinig verse luchttoevoer kunnen er klachten en slijmvliesirritaties optreden.

Bij hogere temperatuur komt aanwezige stof (in de bekleding van stoelen, van bureaus en kasten enz.) makkelijk vrij en gaat zweven in de lucht, wat vervolgens irritatie oplevert van ogen en keel.

2. BEDOMPTE LUCHT

Uit een onderzoek van Fang en Fanger uit 1997 blijkt dat lucht met een hoge temperatuur en luchtvochtigheid een hoge energie-inhoud heeft en daardoor als veel muffer en bedompter wordt ervaren dan lucht met een lage temperatuur en vochtigheid.

Een voorbeeld: Indien schone buitenlucht met een temperatuur van 18 °C en een relatieve vochtigheid van 30% verwarmd wordt tot 28 °C, en bevochtigd tot 70%, dan zal het percentage mensen dat ontevreden is over de kwaliteit van deze lucht stijgen van 8% tot 60%, terwijl er niets veranderd is aan de samenstelling van de lucht!

Daarnaast neemt bij een hoge temperatuur en luchtvochtigheid de emissie uit inrichtingsmaterialen toe. Dit kan weer oorzaak zijn van slijmvliesirritaties.

3. WAT TE DOEN BIJ KLACHTEN OVER DROGE LUCHT

Uit bovenstaande blijkt dat luchtbevochtiging in het Nederlandse klimaat in de meeste gevallen niet nodig is. Bij klachten over te droge lucht dient de oplossing daarom niet bij voorbaat gezocht te worden in het bevochtigen van de lucht aangezien het merendeel van de klachten veelal veroorzaakt wordt door onvoldoende luchtkwaliteit, nog afgezien van het feit dat bevochtigen ook klachten kan veroorzaken. Als bevochtigingssystemen niet goed worden onderhouden kan er microbiologische groei in het water ontstaan, wat tot diverse gezondheidsproblemen kan leiden. Bij stoombevochtiging is het ontstaan van microbiële verontreiniging het kleinst.

Alleen bij bijzondere werkzaamheden (bijvoorbeeld in laboratoria en in huisdrukkerijen) is bevochtiging om procesmatige redenen soms wel nodig.

“Droge lucht”-klachten zijn te voorkomen door voor voldoende verse luchttoevoer te zorgen, stofvorming zoveel mogelijk te beperken en de temperatuur relatief laag te houden (< 21 ºC).

AANPAK VOOR REGULIERE SITUATIES:

Maatregelen die kunnen helpen om “droge lucht”-klachten te voorkomen, zijn:

  • Ventilatie
    • De installatie moet goed werken zodat voldoende verse lucht in de ruimte komt. Als hierover twijfels zijn, meldt dit dan bij de servicedesk van het gebouw.
    • Ventileer, indien mogelijk en toegestaan, zo veel mogelijk middels te openen ramen. Om eventuele tochtklachten te voorkomen kun je met name pauzes hiervoor gebruiken.
    • Stofvorming voorkomen of verminderen:
    • Verontreinigingsbronnen als kopieerapparaten en printers buiten de werkruimten plaatsen.
    • Zorg ervoor dat vloeren, bureaus vensterbanken en andere horizontale vlakken goed bereikbaar zijn voor schoonmaak. Dat betekent:
      • een clean desk – policy hanteren.
      • kabels opbinden en computerkasten onder het bureau plaatsen.
      • boeken, mappen en ordners in dichte kasten plaatsen.
      • niets op de kasten plaatsen.
      • geen dozen op de vloer plaatsen.
    • Planten regelmatig stofvrij maken en verdorde planten/bloemen weggooien.
  • Temperatuur:
    • Verlaag de ruimtetemperatuur naar 20 - 21 graden.
  • Overig:
    • Plaats geen waterbakje aan verwarmingselementen. De hoeveelheid water die verdampt, is erg gering. Daarnaast zijn deze bakjes bronnen van schimmels en bacteriën, die de klachten juist verergeren.

AANPAK VOOR EXTREME SITUATIES (WINTER):

Bij lage buitentemperaturen (langdurige vorstperiode met overdag temperaturen onder het vriespunt) kan de luchtvochtigheid in de gebouwen extreem lage waarden (< 15%) bereiken. Dit komt bijna nooit voor, maar als het zich voordoet kan de lage luchtvochtigheid een rol spelen bij de ervaring van ‘droge lucht klachten’. Vooral lensdragers ervaren dit als hinderlijk. Ook mensen met astma of andere luchtweg- of huidklachten kunnen hier extra gevoelig voor zijn. Naast bovenstaande maatregelen kunnen op advies van de bedrijfsarts nadere aanvullende maatregelen worden genomen. Op advies van de bedrijfsarts kan bijvoorbeeld door het Facilitair Bedrijf tijdelijk een mobiele luchtbevochtiger worden ingezet.

Bronnen:

  • AI-24 Binnenmilieu, richtlijn voor gezonde en comfortabele gebouwen. 3e editie, 2013.
  • Fang, L., Wyon, D.P., Fanger P.O. (2003) Sick building syndrome symptoms caused by low humidity. In: Proceedings of Healthy Buildings 2003, Vol. 3, pp. 1-6.
Printers en kopieerapparaten

Toner wordt vooral gebruikt in (laser)printers, kopieerapparaten en faxen. Een aantal van de stoffen die bij gebruik vrijkomen kan hinder veroorzaken, en bij extreme vrijstelling zelfs schade aan de gezondheid. Onderzoek wijst echter uit dat bij lage concentraties stof geen gezondheidsrisico te verwachten is.

Tonerstof is een zeer fijnkorrelig mengsel van verschillende stoffen:

  • harspartikels om de toner op het papier te smelten en te fixeren;
  • carbon black (koolzwart);
  • kleurpigmenten;
  • magnetiseerbare metaaloxiden om elektrostatische lading te kunnen opwekken.

Voor schadelijke stoffen gelden zogenaamde grenswaarden (MAC-waarde), die de maximale concentratie van een stof in de lucht aangeven. Normen als de MAC-waarden mogen niet overschreden worden. De MAC- waarde voor deze stoffen kan mogelijk worden overschreden door intensief gebruik van slecht onderhouden apparaten en bij gebruik van apparatuur in een te kleine, slecht geventileerde ruimte. Onderhoud en vervanging van onderdelen zoals interne filters beperken de emissies en moeten daarom regelmatig volgens voorschrift plaatsvinden.

Schadelijke stoffen kunnen zijn::

  • stikstofdioxide (NO2);
  • tonerpoeder (fijn stof, carbon black), dat soms deeltjes zware metalen kan bevatten (kwik, kobalt, nikkel);
  • gechloreerde koolstofverbindingen;
  • papierstof;
  • vluchtige organische stoffen, zoals benzeen, styreen en tolueen;
  • ozon (O3): vooral oudere apparatuur, moderne apparatuur veel minder.

ADVIES VOOR HET PLAATSEN VAN LASERPRINTERS EN KOPIEERAPPARATEN

Kopieerapparaten, faxen en laserprinters leiden op de kantoorwerkplek eerder tot klachten als meer apparaten bij elkaar geplaatst zijn of als het een midden- of hoogvolume-apparaat betreft.

Laserprinters en kopieerapparaten worden ingedeeld in de volgende volume-klasses:

  • laag volume: minder dan 5.000 kopieën per maand;
    • omogen op de werkkamer staan, maar bij voorkeur zover mogelijk van de werkplek geplaatst.
  • midden volume: meer dan 5.000, maar minder dan 50.000 kopieën per maand;
    • oplaatsing in een aparte ruimte of op een goed geventileerde gang noodzakelijk
  • hoog volume: meer dan 50.000 kopieën per maand.
    • oplaatsing in een ‘reproruimte’ en bronafzuiging nodig
  • Een optie kan ook zijn om in plaats van een laserprinter een inktjet printer te gebruiken.

ADVIES VOOR HET VERVANGEN VAN TONER

De huidige toners van printers zijn vrijwel gesloten systemen (cassettes) en er is bij verwisseling weinig kans op blootstelling aan tonerstof. Dit geldt niet voor bepaalde tonerbussen bij o.a. kopieerapparaten.

Voor het wisselen van deze toner worden de volgende tips gegeven:

  • verwissel nooit de toner met je blote handen. Draag wegwerphandschoenen en bij voorkeur een wegwerp stofmasker;
  • verpak de toner goed in een plastic zak en voer hem af als gevaarlijk afval.
Afmeting werkplek

De minimaal benodigde ruimte voor een kantoorwerkplek wordt bepaald door het voor de functie benodigde meubilair, de bedieningsruimte en de verkeersruimte op de werkplek. Veel bedrijven hebben een eigen normering voor de oppervlaktes van kantoorvertrekken ontwikkeld, gerelateerd aan het aantal medewerkers en het aanwezige meubilair. Op basis van deze normen is de NEN 1824 ontwikkeld. Dit is een Nederlandse norm voor het vaststellen van het minimale vloeroppervlak voor kantoorwerkplekken. De wettelijke basis voor deze norm is art. 3.19 van het arbobesluit, dat luidt: ‘De afmetingen en het luchtvolume van de arbeidsplaats zijn zodanig, dat de medewerker zonder gevaar voor de veiligheid, de gezondheid of het welzijn zijn arbeid kan verrichten.’

Naast het bepalen van het aantal vierkante meters op basis van NEN 1824, is het ook belangrijk te kijken naar zaken als invallend licht, tocht e.d. Het kan noodzakelijk zijn om in verband hiermee het aantal vierkante meters aan te passen.

BASISWERKPLEK

Uitgangspunt is een basiswerkplek per persoon. Een basiswerkplek bestaat uit: kantoorstoel, werktafel, beeldschermopstelling, lees/schrijfvlak, circulatie- en bewegingsruimte. De toegang tot een kantoorvertrek is onderdeel van de circulatieruimte. Het gebruik van de toegang (inclusief eventuele deur) mag geen hinder opleveren in de bewegingsruimte. De afmeting van een basiswerkplek per persoon zijn:

  • minimaal 6 m2 voor een werkplek met een plat beeldscherm (LCD/TFT) of laptop;
  • minimaal 7 m2 voor een werkplek met een klassiek beeldscherm (CRT).

Afhankelijk van de werkzaamheden kan de minimaal benodigde oppervlakte worden aangevuld. De aanpassing van de minimum oppervlakte voor de basiswerkplek is als volgt:

  • voor een vlak voor uitleg van tekeningen: + 2 m2
  • voor een vrijstaande kast: + 1 m2
  • voor een (verrijdbaar) ladeblok: + 0,5 m2
  • voor een overlegmogelijkheid: + 1,5 m2 per persoon
  • voor het overige meubilair en apparatuur (printer e.d., archiefkasten ): + eigen oppervlakte + gebruiksoppervlakte

VOORBEELD

Voor een ruimte bedoeld voor drie personen die werken met een plat beeldscherm, inclusief 3 staande kasten en een printer is de totaal benodigde oppervlakte:

3 maal basiswerkplek

6 m2

18 m2

3 staande kasten

1 m2

3 m2

1 printer

1 m2

1 m2

Totaal

22 m2

De norm voor de basiswerkplek geldt alleen voor administratieve werkplekken die grote delen van de dag in gebruik zijn. Werkplekken die slechts één of twee uur per dag of slechts één dag per week in gebruik zijn, hoeven niet aan de normen te voldoen.

Inrichting PC zalen

Binnen de UT beschikken we over computerzalen waar studenten werkzaamheden verrichten. Ook voor studenten geldt de arbo-wet. Zij dienen hun werkzaamheden veilig en gezond uit te kunnen voeren. Voor de oppervlakte van werkplekken in computerzalen bestaat geen standaard norm. In overleg met de Arbeidsinspectie is gekomen tot de volgende afspraak over de oppervlakte van een werkplek: een bureau van 1,20 bij 1.0 meter, met daarvoor 1 meter ruimte voor de stoel en 0,5 meter voor een loop/vluchtruimte tussen 2 rijen door (dus 0,25 meter per rij). Totaal betekent dit minimaal 2,7 m2 per werkplek per persoon.

Naast de benodigde ruimte voor de computerwerkplekken dient men ook rekening te houden met overige noodzakelijke werkplekken, apparatuur en hulpmiddelen in de betreffende ruimte. Voor de benodigde oppervlakte van apparatuur en hulpmiddelen geldt de oppervlakte van het betreffende hulpmiddel + de noodzakelijke gebruikersruimte.

Uiteraard moet bij inrichting van de werkplekken ook rekening te worden gehouden met eisen ten aanzien van het binnenmilieu en de klimaatbeleving (o.a. toevoer verse lucht per persoon en de warmte-afgifte van de apparatuur). Daarnaast is het belangrijk te kijken naar zaken als invallend licht, tocht e.d. Het kan noodzakelijk zijn om in verband hiermee het aantal vierkante meters aan te passen.

Inrichting (college)zalen

Bij opstellingen van meerdere rijen werkplekken achter elkaar speelt het Bouwbesluit een belangrijke rol bij het bepalen van de noodzakelijke oppervlakte en aantal en grootte van de vluchtwegen. Hieronder is de relevante informatie uit het bouwbesluit weergegeven: artikel 7.13 ten aanzien van opstellingsplannen en artikel 7.14 ten aanzien van gangpaden.

ARTIKEL 7.13 OPSTELLING ZITPLAATSEN EN VERDERE INRICHTING

  1. De inrichting van een ruimte is zodanig dat:
    1. voor elke persoon zonder zitplaats ten minste 0,25 m² vloeroppervlakte beschikbaar is;
    2. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,3 m² vloeroppervlakte beschikbaar is, indien geen inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang;
    3. voor elke persoon met zitplaats ten minste 0,5 m² vloeroppervlakte beschikbaar is, indien inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang.

      Bij de berekening van de per persoon beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris.
  2. In een ruimte met meer dan 100 zitplaatsen zijn de zitplaatsen gekoppeld of aan de vloer bevestigd, zodanig dat deze niet kunnen verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang, voor zover die zitplaatsen in meer dan 4 rijen van meer dan 4 stoelen zijn opgesteld.
  3. Bij in rijen opgestelde zitplaatsen is tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig met een breedte van ten minste 0,4 m, gemeten tussen de loodlijnen op de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen.
  4. Indien in een rij als bedoeld in het derde lid tussen de zitplaatsen een tafel is geplaatst, bevindt deze zich niet in de vrije ruimte, bedoeld in dat lid.
  5. Een rij zitplaatsen die slechts aan een einde op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft niet meer dan acht zitplaatsen.
  6. Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:
    1. 16 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, niet groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;
    2. 32 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 0,6 m is;
    3. 50 zitplaatsen indien de vrije ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang ten minste 1,1 m is.

ARTIKEL 7.14 GANGPADEN

  1. Gangpaden tussen stands, kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen in een voor publiek toegankelijke ruimte zijn ten minste 1,1 m breed.
  2. Voor een uitgang in een ruimte als bedoeld in het eerste lid is een vrije vloeroppervlakte met een lengte en een breedte van ten minste de breedte van deze uitgang.
Algemene adviezen zomerwarmte

Er moet rekening gehouden worden met het feit, dat warmte door iedereen anders beleefd en ervaren wordt. Het opstellen van ‘regels’ op dit gebied is dan ook moeilijk.

In het algemeen worden echter de volgende praktische vuistregels gehanteerd om de werkzaamheden bij verschillende omgevingstemperatuur te nuanceren om passende maatregelen te treffen:

 

risicoklasse

omgevings

temperatuur

duur uur/jaar

nuancering maximale temperatuur per werkactiviteit

aard van de maatregelen

3

25-35 oC

< 180

30oC

zittend kantoorwerk

tijdelijk

28oC

licht ander werk

26oC

intensief werk[1], mits er in de ruimte een voelbare luchtstroom is

2

25-35 oC

>180

25oC

zeer intensief werk, met een voelbare luchtstroom

structureel

23oC

idem, zonder luchtstroom

1

> 35 oC[2]

 

Bij de maximale temperatuur, b.v. 30 oC zittend kantoorwerk, wordt bedoeld dat meer dan 2 uur de binnentemperatuur hoger is dan 30 oC. In feite is aan dit maximum geen risico verbonden voor gezonde werknemers, de productiviteit bij een dergelijke temperatuur loopt echter wel aanzienlijk terug. Daar deze temperaturen duidelijk zeer oncomfortabel zijn, is aandacht hiervoor verstandig.

Tijdelijke maatregelen:

1. bron aanpak:

  • warmte producerende apparaten zoveel mogelijk uitzetten;
  • uitschakelen of verminderen van de verlichting in de werkruimte;
  • afzuigen van warmte;
  • consequent en juist toepassen van zonwering, buiten zonwering is effectiever dan binnen zonwering;
  • verhogen van ventilatie (alleen als het binnen warmer is dan buiten);
  • plaatsen van extra ventilatie en/of ventilatoren. Wees terughoudend met het plaatsen van mobiele airconditioners. Deze veroorzaken vaak tocht, maken lawaai, kunnen microbiologische verontreinigd raken en gebruiken erg veel energie;
  • platte daken natmaken ter koeling, plaatsing van wit zeil als zonnescherm.

2. organisatorische maatregelen

  • korter werken, zo kort mogelijk aaneengesloten werken;
  • vaker pauzeren, zo mogelijk in koele ruimtes;
  • toepassen van tropenrooster. Veel werknemers op de UT kunnen gebruik maken van variabele begin- en eindtijden. 's Ochtends is het koeler dan 's middags, wie eerder begint, kan ook eerder naar huis. 

3. aan de mens

  • aangepaste kleding;
  • veel drinken, denk ook aan zouten en mineralen;
  • géén alcohol;
  • buiten: hoofd bedekken en gebruik zonnecrème;
  • bij medische problemen: advies bedrijfsarts vragen (zie ook onder 4), telefoon arbodienst  088-2726312. 

4. overig

  • flexibel omgaan met klachten en wensen van medewerkers en studenten. Extra alertheid wordt gevraagd bij personen, die:
    • een ziekte hebben, bijvoorbeeld suikerziekte, een hart- of longaandoening;
    • na ziekte, nog niet helemaal ‘de oude’ zijn;
    • last hebben van een hoge bloeddruk;
    • zwanger zijn;
    • problemen hebben met overgewicht;
    • een gevoelige huid hebben;
    • medicijnen gebruiken;
    • algemeen: een niet optimale conditie hebben. 

[1] werkzaamheden in een werkplaats en expeditie, tillen en dragen, onder extreme omstandigheden.

[2] bij gemiddelde luchtvochtigheid

Contact
HR - Veiligheid & Gezondheid
Human Resources
053 489 6426 / 053 489 3824
 health-safety@utwente.nl
utwente.nl/nl/hr/vgGebouw: Spiegel