Achtergrondinformatie ELO Advies

Verslag paneldiscussie 29 juni 2005





































Aanleiding

Onder andere met behulp van de resultaten van de webenquête heeft op 29 juni 2005 een paneldiscussie plaatsgevonden met in totaal 16 deelnemers (8 docenten en 8 studenten). De paneldiscussie werd ingeleid door Marijk van der Wende, Jan van der Veen en Wytze Koopal. Marijk vd Wende gaf een inleiding op een taxonomie over ict-ondersteund onderwijs (OECD, 2005), waarbij 5 gradaties van e-learning worden onderscheiden:

1.Geen of zeer beperkte online toepassing

2.Web-supplemented; cursusoverzicht, presentaties online, gebruik van e-mail

3.Web-dependent; sleutelelementen uit de cursus worden online aangeboden, zoals discussiefora, online groepswerk, assessments. Het aantal contacturen wordt nog niet verminderd.

4.Mixed modus; van studenten wordt verlangd dat zij daadwerkelijk participeren in online werkvormen, die als vervanging voor face-to-face onderdelen gelden. Aanwezigheid op de Campus blijft echter een wezenlijk bestanddeel in het onderwijs.

5.Volledig online.

Jan van der Veen zette de hoofdlijnen uit de notitie UT Campus Blend uiteen, met als belangrijkste boodschap dat dit het vertrekpunt is en de onderwijsvisie is die ook door de commissie ELO Advies wordt gehanteerd.

Wytze Koopal gaf een korte samenvatting van de voorlopige resultaten uit de webenquête, voornamelijk bedoeld om de onderwerpen die kennelijk het meest bij de respondenten leven onder de aandacht van de aanwezigen te brengen. Deze onderwerpen dienden ter inspiratie dan wel als startpunt voor de nog te voeren discussies.

Dit verslag zal mede als input worden gebruikt voor Rapport A dat ingaat op scenario’s voor het UT onderwijs van de toekomst.

Opzet

De opzet van de paneldiscussie was dat de studentengroep en de docentengroep in eerste instantie als aparte subgroepen aan de slag gingen met de opdracht hoe het onderwijs aan de UT er in de komende jaren uit zou gaan zien en welke ICT voorzieningen daarbij benodigd zouden zijn. Er is voor gekozen om met deze samenstelling van subgroepen te werken om de ideeën van zowel de studenten als de docenten zo helder mogelijk te krijgen. Hiermee werd tevens voorkomen dat reeds in de subgroepdiscussie compromissen zouden worden gesloten. De subgroepen hadden als opdracht een poster te ontwikkelen die ze vervolgens aan de andere groep dienden te presenteren. De poster werd in een plenaire discussie besproken. De discussies per subgroep werden genotuleerd. Hiermee kunnen we in dit verslag zowel de eindproducten per subgroep (“de poster”) als het proces ernaartoe beschrijven.

Resultaten

Docentengroep

De docentengroep was deels samengesteld uit UT medewerkers die niet strikt een functie als docent hadden, maar bijv. ook als opleidingscoördinator of als studieadviseur.

In de docentengroep ging de discussie in eerste instantie over de rol van ICT bij het verhogen van logistic flexibility versus pedagogic flexibility. Het eerste is wat je vaak ziet, bij het realiseren van onderwijskundige vernieuwing ontstaat vaak het probleem. Zoals in de webenquête naar voren komt: flexibiliteit is belangrijk, voor beide groepen. Met welk systeem je dat doet is van minder belang. Om flexibiliteit te faciliteren moet je goed kunnen zoeken, bijv. via VIST. Dit werkt echter niet goed (bleek ook uit de waardering voor VIST). Het afschaffen van de papieren studiegids heeft te snel plaatsgevonden. Het is teveel van bovenaf geforceerd terwijl de usability van de digitale vervanger nog te wensen overliet.

Een tweede item in de discussie ging over de waarneming dat de student van 2010 “anders” is dan die van 1998. Er is sprake van een meer gedifferentieerde instroom. Het ontwerp van TeleTOP stamt echter uit 1998. Hier wordt tegenin gebracht dat TeleTOP indertijd juist was opgezet om verschillende doelgroepen te kunnen bedienen, maar dat in de praktijk slechts 20% wordt benut, vooral die onderdelen die passen in een model waarin hoofdzakelijk campus onderwijs wordt gegeven. Het systeem moet echter flexibel genoeg zijn om verschillende didactische modellen te kunnen ondersteunen; een uniform didactisch model voor alle doelgroepen is namelijk onmogelijk.

Het grootste knelpunt / infoprobleem ziet men bij VIST. Het moet worden gekoppeld aan TeleTOP (of een andere ELO) en je moet veel beter kunnen zoeken dan nu het geval is. Het op orde brengen van de administratieve systemen ervaart men als meest urgent.

Het laatste punt in de discussie betrof het strategisch belang van echte didactische vernieuwing. Dit zou je bijv. kunnen bereiken door studenten meer in te zetten om dingen te doen, ervaring in te brengen en ze als “gebruiker” van het onderwijs meer te laten bepalen wat er gebeurt.


De discussie zoals hierboven samengevat heeft in de docentengroep tot de volgende conclusies/poster geleid:

Je kunt onderscheid maken tussen pedagogische en administratieve/logistieke vernieuwing, waarbij de laatstgenoemde prioriteit heeft. In ICT termen praat je dan meestal ook over gescheiden systemen. Studenten moeten op efficiënte wijze informatie kunnen vinden over wat en wanneer ze iets moeten doen. Als je als student een paar vakken wilt doen, hoe zoek je snel uit of dat ook mogelijk is (roosters)? VIST is geen waardige vervanger van de studiegids en de website van veel opleidingen wordt als chaos gezien. Bij pedagogische vernieuwing geldt dat de actieve bijdrage van de student aan het leerproces meer van belang wordt, maar ook traditionele modellen (bv. meester-gezel) moeten mogelijk blijven. In dit kader wordt met TeleTOP geen probleem gezien, er is wel meer informatie benodigd om studenten goed te faciliteren in de gewenste flexibiliteit. Bovendien wordt als probleem genoemd dat veel docenten te weinig van TeleTOP weten, daar zou ook iets aan moeten gebeuren om een grotere meerwaarde te kunnen realiseren.

Daarbij wordt tegelijkertijd twijfel geuit of een goede koppeling tussen ELO en de administratieve systemen überhaupt mogelijk is.


De plenaire discussie die volgt heeft onder andere betrekking op de vraag hoe ver je met deze koppelingen zou moeten gaan. Zo wordt een koppeling met het roostersysteem als cruciaal gezien. Te vaak gebeurt nog dat ruimtes in het TeleTOP rooster anders zijn dan wat in het systeem voor ruimteplanning is opgenomen, met als gevolg dat de organisatie van zo’n vak in het honderd loopt. Een goede koppeling met VIST wordt eveneens als belangrijk ervaren. Bij een koppeling met FASIT wordt de vraag gesteld of je dat zou moeten willen.

Een tweede punt in de plenaire discussie betrof het leren omgaan met resources op internet. In hoeverre zijn bronnen open of niet open, hoe ga je om met intellectueel eigendom, plagiaatdetectie. Is er ruimte voor een open source benadering wat betreft het delen van leermateriaal?

Een derde punt, dat door gebrek aan tijd niet verder werd uitgediept, betrof de suggestie dat je van een cursus verschillende versies zou kunnen hebben: een full version of een zogeheten doe-het-zelf versie, waarbij je als student alleen maar de hoofdzaken krijgt aangereikt via de ELO en voor de rest zelf aan de slag moet.

Studentengroep

In de studentengroep ging de discussie in eerste instantie over het “shoppen” naar vakken (vergelijk met een minor). Sommige keuzevakken zijn niet of nauwelijks keuzes (“volg 2 van de 4 vakken”). Hoeveel tijd heb je voor keuzevakken als een master 1 jaar duurt? Het komt erop neer dat men meer keuzemogelijkheden wil. Keuzes ten aanzien van locatie, tijd, moment van toetsing, synchroon/asynchroon werken, op welke momenten er (online) groepswerk is.

Hieraan gerelateerd wordt het punt naar voren gebracht dat de kwaliteit/capaciteit van docenten een belangrijk uitgangspunt moet zijn. Kunnen docenten deze nieuwe vormen van onderwijs aan? De nieuwe generatie zou je als de zap-generatie kunnen aanduiden (Veen, 2001), maar bij het aanboren van nieuwe, diverse doelgroepen heb je ook met andere typen studenten te maken. Bovendien blijven bepaalde contactactiviteiten (zoals practica) altijd nodig.

Er is ook een verschil tussen onderwijs “volgen” en het vak halen. Soms kun je een vak halen zonder dat er onderwijs gegeven wordt. De stelling bij deze studentengroep is dat een vak in principe altijd gevolgd moet kunnen worden, het hele jaar door. Er zullen nog wel beperkingen zijn qua toetsmomenten (i.v.m. docenttijd, het maken van tentamens). Onder keuzemogelijkheden ziet men ook het volgen van vakken bij andere opleidingen.

Idealiter zou alle benodigde informatie op één plek toegankelijk moeten zijn. Men wil het in TeleTOP, maar is dat de meest logische plek. Kan ook een ander systeem zijn (portal?). Wat heb je nodig in een ELO? Met name noemt men een werkplaats die beter geschikt is voor groepswerk/discussies. MSN leidt teveel af.


In de samenvattende posterpresentatie staat de term flexibiliteit centraal. Dit geldt ten aanzien van tijd, plaats en tentamenmoment, maar volgens de uitgangspunten van de Campus Blend. De UT moet zien te bewerkstelligen dat ze dit voor haar “klanten” realiseert.

Op de e-learning taxonomie zit men tussen 3 en 4. De ELO vervult dus een cruciale rol en vervangt bepaalde onderdelen, dus met:

•Administratie/communicatie

•Toetsmogelijkheden

•(A)synchrone communicatie (studenten)

•Vakken doorlopend toegankelijk

•Rooster/planning flexibel

Een en ander dient wel aan de voorwaarde te voldoen dat rekening wordt gehouden met vastgestelde eindtermen, zodanig dat deze duidelijk zijn.


In de plenaire discussie die volgt komt een aantal motieven van de studenten naar voren. Het volgen van een vak is nu soms te inflexibel (knip Bachelor/Master). Door nevenactiviteiten (o.a. werk, bestuursfuncties) zijn andere momenten gewenst. Tegelijkertijd moet je zo snel mogelijk door de studie heen van Rutte. Op momenten dat je relatief meer tijd hebt wordt het vak dan net niet gegeven, waardoor je inefficiënt met je tijd omgaat.

Vanuit Industrieel Ontwerpen wordt aangegeven dat men het curriculum juist meer wil dicht timmeren vanwege het groepsonderwijs. Bovendien gelden bepaalde voorkenniseisen. Het moet zeker zijn dat bepaalde vakken zijn gevolgd om te waarborgen dat men verder kan. Te veel individuele belangen qua flexibiliteit of het nog moeten bijspijkeren van ontbrekende voorkennis kunnen verstorend werken in het groepsproces. Hierbij wordt overigens opgemerkt dat een visie waarbij ingangsniveau uitsluitend wordt gemeten op basis van gevolgde vakken te beperkt is. Men zou ook meer aandacht voor eerder verworven competenties moeten hebben, los van het denken in vakken. Groepswerk waarin men elkaar feedback geeft, kan hierin ook een belangrijke rol vervullen.


Flexibiliteit moet ook niet worden geïnterpreteerd als iets doen wanneer je er een keer zin in hebt, maar meer hoe je je programma zo goed en efficiënt mogelijk kunt samenstellen in relatie met de beschikbare tijd die iemand heeft. De student moet zelf kunnen samenstellen, gegeven zijn planning.

Hoe weinig begeleiding is nog genoeg? Men moet kunnen kiezen tussen een “traditioneel” gegeven vak en een vak met minder begeleiding (de doe het zelf variant). Een docent is dan meer coach dan instructeur. De student weegt af wat hij wil.

Conclusies

Als we de discussies in beide subgroep vergelijken dan gingen ze beide over flexibiliteit, maar wel vanuit een hele andere insteek. Studenten willen graag zo efficiënt mogelijk met hun tijd omgaan en hun studie/werk/vrije tijd optimaal kunnen organiseren. Extreem geformuleerd zien ze het liefst dat dat ze aan de UT op elk moment met een vak moeten kunnen starten en een toets afleggen.

De docenten relateren flexibiliteit vooral aan een verbetering van de administratieve systemen. Goede koppelingen met roostersystemen en vakinformatiesystemen worden als cruciaal beschouwd om het organisatorisch allemaal in goede banen te leiden. Opvallend is dat het realiseren van administratieve/logistieke vernieuwing door de docenten als belangrijker wordt ervaren dan de didactische vernieuwing. Studenten geven daarentegen juist aan dat een goed gevulde en gebruikte ELO veel rijker kan zijn dan traditioneel face-to-face onderwijs met een boek.


Hiermee kunnen we constateren dat een belangrijk punt dat uit de webenquête naar voren kwam, namelijk meer mogelijkheden om een persoonlijk studieprogramma samen te stellen, tijdens de paneldiscussie prominent aan de orde is gekomen. De sterke roep om integratie van systemen wordt op een aantal punten onderschreven (met name roosterinformatie en VIST), maar er worden ook kanttekeningen geplaatst dat je mogelijk een technisch monster creëert. Integratie dus met name ten dienste van de wens om een flexibele studieplanning te faciliteren. De paneldiscussie is vooral gevoerd vanuit een kijk op onderwijs, vanuit een visie wat de gebruiker graag zou willen. Van daaruit is geredeneerd in hoeverre deze visie in (bestaande) ICT systemen van de UT geïmplementeerd kan worden. Uit de gevoerde discussies ontstaat de indruk dat dit met de huidige systemen zou moeten kunnen, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan:

•Een aantal cruciale koppelingen met roosterinformatie, vakinformatie dient zo snel mogelijk te worden gemaakt.

•Er is een digitale studieplanner nodig waarmee studenten snel inzicht verkrijgen of ze een vak kunnen inpassen in de aan hen beschikbare tijd.

•Er wordt nog veel functionaliteit onbenut gelaten. Docenten dienen beter ondersteund te worden bij het benutten van ELO functionaliteit, waardoor didactische vernieuwing ook dichterbij komt.


Ofschoon de eerste discussies in subgroepen werden gevoerd heeft dit slechts ten dele tot grote tegengestelde belangen gevoerd. Niet alle opleidingen staan even open voor het vergroten van flexibiliteit zoals studenten dat het liefst zien. Wel wordt ingezien dat de UT beter kan faciliteren om de gewenste flexibiliteit waar mogelijk te ondersteunen. In zoverre is er sprake van het belichten van verschillende kanten van dezelfde medaille


De discussie ging niet over 3TU-achtige concepten, terwijl in de webenquête zowel docenten als studenten hebben aangegeven dat het in de toekomst beter mogelijk moet worden om vakken (of grotere delen van de opleiding) bij een andere instelling te volgen. Wat dit precies betekent voor de ICT voorziening, wordt momenteel uitgezocht in de projectgroep ICT aansluiting en infrastructuur.

Bronnen

OECD (2005). E-learning in Tertiary Education: Where do we stand? OECD/CERI. ISBN 92-64-00920-5.