Achtergrondinformatie ELO Advies

Verslag lunchbijeenkomst opleidingsdirecteuren



Onderwerp

Lunchbijeenkomst ELO Advies voor Opleidingsdirecteuren 11-10-2005



Verslag door

Stanley Portier / Wytze Koopal



Datum verslag

14 oktober 2005



Aanwezig

Jules Pieters (GW), Egbert Woudstra (GW), Herman Oosterwijk (BBT), Brigit Geveling (EWI), Petra Fisser (GW), Nico Groenendijk (BBT), Jeroen Verschuur (TNW), Olaf Fisscher (BBT)

Commissie ELO Advies: Marijk vd Wende, Martin de Nobel, Clemens Pouw, Jonathan Brugge

Vertegenwoordiging projectgroep vanuit ITBE: Jan van der Veen, Wytze Koopal, Stanley Portier

Afgemeld

Philip Breij (GW), Gerrit vd Hoeven (EWI)



1.OPENING EN INLEIDING

Marijk van der Wende opent als voorzitter van de commissie ELO Advies de bijeenkomst met een voorstelronde een geeft vervolgens in vogelvlucht weer waar de commissie op dit moment staat en wat er nog te doen is. Vervolgens worden de belangrijkste punten uit de 4 scenario’s van Rapport A kort doorgenomen als voorzet voor de discussie. De gebruikte powerpoint inleiding is opgenomen in de bijlage.


2. REACTIES

Scenario 4 (S4) lijkt in de nabije toekomst onhaalbaar, alhoewel hij wel achter de ontwikkeling naar S4 staat. Er wordt verder gewezen op een aantal nadelen van flexibilisering:

•Flexibiliseren neigt tot individualiseren

•Heeft een opleidingsdirecteur genoeg ‘power’ om dit allemaal in goede banen te leiden (concurrentie met onderzoek). Hij heeft daar twijfels over.

•Het kan leiden tot een accreditatieprobleem. Hoe bewaak je de samenhang van het (gekozen) curriculum, wat is het civiel effect?


Moet er wel een keuze gemaakt worden? De scenario’s lijken elkaar uit te sluiten, terwijl het veel meer een kwestie is dat je tijdens de opleiding door verschillende scenario’s heen gaat (bijv. in volgorde 1-3-2-4, afhankelijk van keuzes die je maakt). Vraaggestuurd leren in de masters is bv. veel sterker aan de orde dan in de bachelorsfase. De scenario’s lopen door elkaar heen afhankelijk van de fase in je studie; je gebruikt wat op enig moment nodig is. Studenten en docenten zijn flexibel genoeg om daarmee om te gaan. De vraag is veel meer wat er nodig is voor de opleiding ipv welk scenario moeten we kiezen.


Scenario’s zijn richtinggevend, maar wil je het qua ICT ook allemaal faciliteren? In beginsel zou je moeten bouwen op S4, wel huiverig om te implementeren. Het werken volgens een van de scenario’s zal in elk geval weer tot nieuwe inzichten leiden waarmee we verder kunnen bouwen.


Uit het bedrijfsleven komen op dit moment al vragen om slechts enkele vakken uit het curriculum te kunnen volgen (S4). De centrale vraag volgens haar is hoe je een student zo goed mogelijk vanaf 1e instroommoment tot aan het afstuderen kunt krijgen; hoe kun je de combinatie docent/student daarin zo optimaal mogelijk faciliteren? Hoe kunnen studenten en docenten het beste hun werk doen is de vraag en niet het druk maken om verschillende systemen.


Je kunt eraan denken om je opleidingen op te splitsen. Aan de ene kan het deel wat je uit eigen keuken kunt serveren, aan de andere kant vervul je misschien alleen een makelaarsfunctie. Je kunt nl. ook andere instellingen inschakelen om een deel te verzorgen. De twee prangende vragen die dat meebrengt is hoe je dat met ICT kunt faciliteren en hoe je de studiebegeleiding eromheen moet organiseren. De scenario’s houden daar geen rekening mee. Er wordt aangegeven dat het een volgende stap zou zijn als je besluit het op die manier te organiseren.


Als UT moet je te allen tijde verantwoordelijkheid houden voor het curriculum. Het houvast om vakken die extern worden aangeboden goed te kunnen beoordelen ontbreekt (kwaliteit x geld). Teveel keuzemogelijkheden is ook niet goed hanteerbaar.

S4 is wel het meest uitdagend om te realiseren.


Vanuit de commissie wordt geaccentueerd dat flexibiliteit voor studenten in feite om twee kwesties gaat: wat doe ik waar (elders vakken volgen) en wanneer kan ik onderdeel x doen (tijddimensie)?


Men vraagt zich af of we dan nog wel de UT zijn die we willen zijn. Het lijkt allemaal zo maakbaar, terwijl we de ‘dwang’ van het onderzoek zeker niet moeten onderschatten.


Ga van S4 uit op ICT gebied, dan kun je de andere scenario’s ook faciliteren. Wat belangrijk is, is dat je geen dingen dwingend gaat opleggen, bijv. vanaf nu alleen nog maar vraaggestuurd onderwijs.


Het zou mogelijk goed zijn om nog een vervolggesprek met een aantal studiebegeleiders te organiseren.


3. SNEAK PREVIEW

Naar aanleiding van de conceptversie van rapport D wordt door de projectgroep een sneak preview gegeven op een mogelijke oplossing voor de architectuur problematiek (zie bijlage) waar de UT mee te maken heeft. Functionaliteit en data zitten nog teveel (en soms dubbel) in verschillende systemen, die ook nog een keer slecht met elkaar communiceren. De e-learning framework gedachte lijkt hier een oplossing voor te kunnen bieden. In de visie van de projectgroep (mede ingegeven door externe ontwikkelingen) is de keuze niet zozeer of een bestaande off-the-shelf ELO moet worden vervangen door een andere off-the-shelf ELO (bijv. TeleTOP wordt WebCT/Blackboard, Natschool of zelfs Moodle), maar meer de fundamentele keuze of je als UT de volgende stap wilt zetten richting e-Learning frameworks zoals SAKAI. Dit zou een veel grotere meerwaarde kunnen bieden en biedt tevens een wetenschappelijke uitdaging. 3TU ontwikkelingen kunnen hierin als katalysator werken.


4. SAMENVATTING / CONCLUSIES

1.De trends op de twee assen worden goed herkend. Het gaat echter niet om een keuze tussen de scenario's, maar om een proces dat zich zowel binnen de ontwikkeling van een individuele student door het curriculum heen aftekent (eerste jaren meer voorgeprogrammeerd daarna steeds meer individuele keuzes), als ook meer algemeen gezien kan worden als een richting waarin de instelling / de opleiding over een steeds groter scala van mogelijkheden beschikt om flexibiliteit te realiseren. Dit kan echter niet los van de realiteit van mensen (hebben niet de hele dag tijd voor onderwijs), middelen (kosten van individualisering), missie (je wilt een academic community vormen) en kwaliteitseisen (samenhang in het curriculum, verantwoordelijkheid voor goed leertraject, accreditatie) worden gezien. 

 

2.Qua ICT voorzieningen op scenario 4 gaan zitten.

 

3.Er moet meer worden nagedacht over de consequentie van de grotere keuzemogelijkheden die studenten geboden worden. Dit trekt een behoorlijke wissel op de studiebegeleiding, oftewel de "makelaarsfunctie". Meer aandacht voor wat de interactie tussen student en begeleider vereist op de ICT kant. Hierover kan nader worden gesproken met studiebegeleiders en is ook een DU project in ontwikkeling (weten Jan & Jonathan meer van).



Bijlage – gebruikte presentatie