Intellectuele eigendomsrechten

Hoe om te gaan met intellectuele eigendomsrechten binnen de Universiteit Twente?

Intellectueel eigendom is de verzamelnaam voor rechten op intellectuele creaties, zoals teksten software en uitvindingen. Via wetten zoals de auteurswet en de octrooiwet wordt intellectueel eigendom beschermd.

Daar we binnen de UT met name te maken hebben met werken die zijn beschermd middels een auteursrecht en met uitvindingen die kunnen worden beschermd middels een octrooirecht richten we ons in dit stuk op ‘auteursrechten’ en ‘octrooirechten’.

Auteursrecht

In artikel 1 van de Auteurswet 1912 wordt het auteursrecht als volgt omschreven:

“Het auteursrecht is het uit­sluitend recht van de maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld.”

Denk hierbij bijvoorbeeld aan proefschriften, (grafische) ontwerpen, aardrijkskundige kaarten, apps en software.

Wel zijn er drie algemene voorwaarden waaraan het werk moet voldoen wil het auteursrechtelijk beschermd kunnen zijn: het moet een origineel (creatief) karakter hebben, het moet zintuiglijk waarneembaar zijn en het mag niet in belangrijke mate bepaald zijn door een te behalen technisch effect.

In eerste instantie komt het auteursrecht op een dergelijk werk toe aan de maker van het werk, en wel vanaf het moment dat hij of zij het werk gemaakt heeft.[1] Het auteursrecht hoeft niet altijd in handen van die maker te blijven. Het recht kan namelijk overgaan op iemand anders, bijvoorbeeld als de maker zijn of haar auteursrecht verkoopt.

Wie auteursrecht heeft op een werk beschikt over twee exclusieve rechten: het alleenrecht om het beschermde werk openbaar te maken en het alleenrecht om het te verveelvoudigen. Dat betekent dus dat ieder ander dan de auteursrechthebbende niet zomaar op eigen houtje het beschermde werk mag gaan openbaar maken en/of verveelvoudigen. Daarvoor is, in beginsel, de voorafgaande toestemming van de auteursrechthebbende nodig. Die heeft immers als enige de auteursrechtelijke zeggenschap over het werk.

Naast de hierboven genoemde exploitatierechten krijgt elke maker van een werk een paar persoonlijkheidsrechten. Die rechten, die ook wel ‘morele rechten’ worden genoemd, kunnen niet in handen van iemand anders komen en blijven dus bij de maker, ook als de maker zijn of haar auteursrecht (dus het openbaarmakings- en verveelvoudigingsrecht) aan een ander zou hebben verkocht.

 Het auteursrecht van een werk dat in dienstverband is gemaakt

Als een werk in dienstverband is gemaakt en de maker is aangesteld om bepaalde werken te maken of hij heeft hiervoor een opdracht gekregen, wordt de werkgever als de maker en dus de auteursrechthebbende van dat werk aangemerkt.[2]

Het auteursrecht van een academische/wetenschappelijke publicatie

Als het gaat om een academische publicatie die in dienstverband bij een universiteit is gemaakt, bijvoorbeeld een proefschrift of wetenschappelijk artikel, rust het auteursrecht weer bij de maker en niet bij de werkgever (de universiteit).

Het auteursrecht van werken gemaakt voor onderwijs

Als het gaat om onderwijsmateriaal dat in dienstverband bij een universiteit is gemaakt, rust het auteursrecht bij de werkgever (de universiteit).

Het auteursrecht van een werk dat onder leiding en toezicht van een ander is gemaakt?
Als het werk is gemaakt naar het ontwerp van een ander en onder diens leiding en toezicht, rust het auteursrecht bij die ander.[3]

Het auteursrecht van een afstudeerverslag of –scriptie

Het auteursrecht van een afstudeerverslag berust bij de student die afstudeert. Dus niet bij de instelling waar hij afstudeert of zijn begeleidende docent of, indien er niets geregeld of afgesproken is, het bedrijf waar hij zijn onderzoek heeft uitgevoerd. Bij verslagen die het resultaat zijn van een onderzoek uitgevoerd bij een bedrijf, is het belangrijk vooraf duidelijke afspraken te maken over bij wie het auteursrecht berust.

Het auteursrecht van een werk dat in teamverband is gemaakt?

Als er een duidelijke scheiding aan te brengen is tussen de afzonderlijke bijdragen, dan heeft iedere maker op zijn onderdeel zijn eigen auteursrecht. Is ieders aandeel niet duidelijk, dan krijgen de makers een gemeenschappelijk auteursrecht op het geheel.

Octrooirecht

Een “octrooi” is een exclusief recht op een uitvinding waarmee je een ander kunt verbieden de uitvinding commercieel toe te passen in een bepaald rechtsgebied, gedurende een bepaalde periode. Een octrooi beschermt je uitvinding op een technisch product of proces. Wie een octrooi heeft, kan een ander verbieden die uitvinding na te maken, te verkopen of in te voeren. Zelfs wanneer die ander de uitvinding geheel onafhankelijk zelf ook heeft gedaan. Het octrooi geldt steeds voor één of meer landen en voor een beperkte tijdsduur. Na afloop van de octrooiduur is de techniek vrij te gebruiken door iedereen. Om voor octrooibescherming in aanmerking te komen, moet je een technische uitvinding hebben gedaan die voldoet aan drie materiële voorwaarden.

Onder technische uitvinding wordt verstaan een product of werkwijze op alle gebieden van de techniek. De materiële voorwaarden zijn:

  • “nieuwheid”, het product of proces mag vóór de datum van indiening van de octrooiaanvraag nergens ter wereld openbaar bekend zijn, ook niet door toedoen van de uitvinder zelf (bijvoorbeeld door een bedrijfsbrochure of door een presentatie op een beurs);
  • “inventiviteit”, de vinding mag voor de vakman niet voor de hand liggen; en
  • “industriële toepasbaarheid”, de uitvinding moet gaan over een technisch aantoonbaar functionerend product of productieproces.  In het algemeen is de persoon die een uitvinding doet, gerechtigd daar octrooi op aan te vragen (aangenomen dat de uitvinding zelf octrooieerbaar is). Er zijn echter diverse bijzondere omstandigheden. Zo is bijvoorbeeld soms het bedrijf waar deze persoon werkt, gerechtigd het octrooi aan te vragen of heeft de uitvinder misschien wel een contract getekend waarin hij of zij zijn of haar rechten afstaat aan iemand anders of een andere partij. Medewerkers Universiteit Twente Octrooirecht

In artikel 12 lid 3 van de Rijksoctrooiwet 1995 staat: “Indien de uitvinding is gedaan door iemand die in dienst van een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling onderzoek verricht, komt de aanspraak op octrooi toe aan de betrokken universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling.”

Daarnaast is op medewerkers van de Universiteit Twente de CAO Nederlandse Universiteiten (“CAO”) van toepassing.[4] In deze CAO staan enkele bepalingen betreffende octrooi- en auteursrechten opgenomen. In hoofdlijnen:

In artikel 1.21 lid 1 CAO staat: “De werknemer die tijdens of anderszins in samenhang met de uitoefening van zijn functie een mogelijk octrooieerbare uitvinding doet dan wel door kweekarbeid een ras wint, waarop mogelijk kwekersrecht kan worden verkregen, is verplicht daarvan schriftelijk mededeling te doen aan de werkgever onder overlegging van zodanige gegevens dat de werkgever zich een oordeel kan vormen over de aard van de uitvinding respectievelijk het ras.”

In artikel 1.22 lid 1 CAO staat: “Onverminderd het bepaalde in artikel 12 van de Rijksoctrooiwet, Stb. 1995, 51, artikel 31 van de Zaaizaad en Plantgoedwet, Stb. 1966, 455, en artikel 7 van de Auteurswet, Stb. 1912, 308, draagt de werknemer, indien en voorzover hem andere dan persoonlijkheidsrechten toekomen op de uitvinding, het ras of het werk, waarvoor de meldingsplicht in artikel 1.21 bestaat, deze rechten op een daartoe strekkend verzoek geheel of gedeeltelijk over aan de werkgever, teneinde deze in staat te stellen om daarvan binnen een nader te bepalen termijn in het kader van de vervulling van zijn wettelijke taken gebruik te maken.”

In artikel 1.23 lid 1 staat: “Ingeval de werkgever van de aan haar overgedragen rechten gebruik maakt, heeft de werknemer aanspraak op een billijke vergoeding.”

Dit betekent in beginsel dat wanneer er door een medewerker van de UT een uitvinding is gedaan, deze medewerker de UT daarover informeert en de rechten op deze uitvinding aan de UT toekomen.

Auteursrecht

Als een medewerker van de UT een auteursrechtelijk beschermd werk heeft gemaakt, zoals bijvoorbeeld ontwerpen, aardrijkskundige kaarten, apps en software en deze medewerker is aangesteld om dergelijke werken te maken of hij of zij heeft hiervoor een opdracht gekregen, wordt de UT als de maker en dus de auteursrechthebbende van dat werk aangemerkt.

Uitzonderingen op het hierboven genoemde zijn academische publicaties, bijvoorbeeld proefschriften of wetenschappelijke artikelen. Het auteursrecht op academische publicatie rust bij de medewerker.

Gaat het om onderwijsmateriaal dat in dienstverband bij de UT is gemaakt, rust het auteursrecht bij de UT.

Uitvoeringsregeling octrooien Universiteit Twente

De medewerker van de UT, die vermoedt in het kader van eerste-, tweede- of derdegeldstroomonderzoek een uitvinding te hebben gedaan, waarbij de UT (mede) eigenaar is van de intellectuele eigendomsrechten op de resultaten, is verplicht zijn/haar uitvinding terstond te melden aan het Business Development Team van de UT en de zakelijk directeur van het onderzoeksinstituut waartoe de uitvinder behoort.

De inkomsten, die de UT dan wel Holding Technopolis Twente BV (de holding van de UT) ontvangt op basis van de commerciële exploitatie van een door een UT-medewerker gedane uitvinding worden als volgt verdeeld:

i.   de uit het Octrooifonds betaalde kosten en eventuele door de betrokken leerstoel betaalde kosten voor de aanvraag van de desbetreffende octrooirechten worden op de vergoeding in mindering gebracht. Deze bedragen komen ten goede aan het Octrooifonds en, indien van toepassing, aan de desbetreffende leerstoel;

ii.  het eventuele meerdere van de opbrengsten wordt verdeeld volgens de hieronder volgende uitgangspunten:

     .      33 ⅓ % voor de uitvinder(s) individueel of gezamenlijk en onderling in overleg te verdelen;

     .      33 ⅓ % voor de leerstoel waartoe de uitvinder(s) behoort/behoren voor de financiering van nieuwe onderzoeksactiviteiten;

     .      33 ⅓ % voor het Octrooifonds. 

Daarnaast wordt deze regeling (zoveel mogelijk) analoog van toepassing verklaard op de exploitatie van auteursrechtelijk beschermde werken en/of know-how.

Studenten Universiteit Twente

Voor studenten van de UT geldt de CAO niet en geldt in beginsel dat de rechten op uitvindingen en auteursrechtelijk beschermde werken toekomen aan de student die de uitvinding heeft gedaan respectievelijk het auteursrechtelijk beschermde werk heeft gemaakt.

Wel staat het één en ander betreffende octrooirechten in de Rijksoctrooiwet 1995 geregeld. In artikel 12 lid 2 Rijksoctrooiwet 1995 staat: “Indien de uitvinding, waarvoor octrooi wordt aangevraagd, is gedaan door iemand die in het kader van een opleiding bij een ander werkzaamheden verricht, komt de aanspraak op octrooi toe aan degene bij wie de werkzaamheden worden verricht, tenzij de uitvinding geen verband houdt met het onderwerp van de werkzaamheden.”

Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer een student stage loopt bij een bedrijf en de student een uitvinding doet dat verband houdt met het onderwerp van de werkzaamheden, dat de aanspraak op octrooi in beginsel toekomt aan het bedrijf waar de betreffende student stage loopt. Eén en ander hangt daarnaast af van hetgeen is afgesproken in de stageovereenkomst.

Deelname student aan onderzoek (mede) uitgevoerd door de Universiteit Twente

Het komt regelmatig voor dat studenten in het kader van een bachelor opdracht of een afstudeeropdracht deelnemen aan een onderzoek dat door medewerkers van de UT (deels) wordt uitgevoerd.

Voor dat onderzoek heeft de UT in vrijwel alle gevallen een onderzoeksovereenkomst gesloten met andere partijen die dat onderzoek (deels) financieren, zoals subsidiegevers, overheidsinstanties of bedrijven. In de onderzoeksovereenkomst worden normaliter afspraken gemaakt over intellectuele eigendomsrechten.

In de gevallen dat in de onderzoeksovereenkomst is opgenomen dat de UT haar intellectuele eigendomsrechten op de onderzoeksresultaten overdraagt, moet de UT natuurlijk wel in staat zijn om deze rechten over te dragen. Voor de rechten op de resultaten door medewerkers van de UT gegenereerd is dit geen probleem, echter voor de rechten op de resultaten door studenten (van de UT) gegenereerd is dit wel een probleem.

Derhalve is het raadzaam om voorafgaand aan de deelname van de student aan het onderzoek dat door de UT (deels) wordt uitgevoerd, contractueel met de student overeen te komen dat de student al zijn of haar rechten op de resultaten die in het kader van het onderzoek zijn gegeneerd, overdraagt aan de UT. De UT kan er voor kiezen om deze student voor wat betreft een eventuele vergoeding voor overdracht van de rechten op de resultaten, op dezelfde wijze te behandelen als ware deze student een medewerker van de UT zou zijn (zie octrooiregeling UT). De UT heeft hiervoor een model contract ontwikkeld.
[1] Artikel 4 Auteurswet. [2] Artikel 7 Auteurswet. [3] Artikel 6 Auteurswet. [4] http://www.vsnu.nl/cao-universiteiten.html