Aanvullende informatie

Instructieproefles

In deze instructie wordt uiteengezet waarop u moet letten bij het voorbereiden en uitvoeren van de praktijkles, die in het kader van het assessment wordt gegeven.

1. Inleiding

De Stichting Beroepskwaliteit Leraren heeft een lijst met startcompetenties gepubliceerd waarover een leraar in het Voortgezet Onderwijs (VO) zou moeten beschikken. Deze lijst is door verschillende beroepsorganisaties van docenten en het ministerie van OC&W beoordeeld en geaccepteerd.

Er zijn zeven algemene competenties geformuleerd, en verder ongeveer zestig deelcom­petenties, die ook wel indicatoren worden genoemd. Bij uw assessment spelen deze startcom­petenties een sturende rol. In de bijlagen bij deze instructie is een lijst met deze startcom­petenties zijn opgenomen. De verschillende kolommen hebben betrekking op onderdelen van het assessment, te weten:

  • portfolio
  • proefles/praktijkles
  • simulatie
  • reflectiegesprek

Het assessment zo ingericht, dat de belangrijkste indicatoren voor de assessoren waar­neembaar worden. (Een aantal indicatoren wordt getoond in het portfolio. Veel indicatoren hebben betrekking op het didactisch handelen en dienen daarom zichtbaar te worden in relatie tot de praktijkles**).

Deze handleiding geeft een aantal voorwaarden voor de praktijkles zodat er zoveel mogelijk indicatoren waarneembaar worden. Indien de assessoren na het bijwonen van de praktijkles concluderen dat er toch te weinig competenties konden worden gescoord, dan kunnen zij verlangen dat er een tweede praktijkles wordt georganiseerd. Ontbrekende competenties kunnen na de praktijkles ook nog worden getoond in (aanvullingen op) het portfolio en het reflectiegesprek.

* In sommige documenten wordt hiervoor het woord proefles gebruikt. Wij duiden het echter aan met de term praktijkles. Er is niet bedoeld dat deze les noodzakelijk het karakter van een practicum o.i.d. zou moeten hebben, met het woord praktijk is bedoeld schoolpraktijk.

** Dit is wettelijk voorgeschreven. De assessoren dienen hun oordeel te geven (mede) op grond van hun waarneming in een authentieke situatie.

2. Gang van zaken bij de praktijkles

De praktijkles wordt bijgewoond door de beide assessoren. Indien een assessor verhinderd is, kan de docent-begeleider zijn plaats innemen. De beide waarnemers scoren op een standaardformulier welke competenties de docent tijdens de praktijkles laat zien. Direct na de les voeren de waarnemers een gesprek, waarbij zij tot overeenstemming dienen te komen over de score op de indicatoren. Van de les wordt door de kandidaat een voorbereiding gemaakt, aan de hand waarvan ook enkele indicatoren worden gescoord. Verder dient de kandidaat een reflectie te maken over de gegeven praktijkles, die in het portfolio wordt opgenomen; ook deze reflectie geeft aanleiding tot het scoren van enkele indicatoren (zie de lijst in de bijlage). Bij het voorberei­den van de praktijkles en bij het schrijven van de reflectie is de docent-begeleider de kandidaat behulpzaam.

3. Voorwaarden aan de praktijkles

De les dient zodanig te zijn ingericht, dat zoveel mogelijk indicatoren uit de lijst, in de kolom 'uitvoering proefles', aan de orde kunnen komen. Er gelden de volgende voorwaarden:

1.De les dient een nieuw leerelement te bevatten. Dat kan een nieuw begrip, een nieuwe regel of wetmatigheid, of een nieuwe werkwijze zijn. De les mag dus niet alleen maar bestaan uit oefenen e.d. met leerelementen die in het verleden zijn geïntroduceerd.

2.In de les dient een instructiefase voor te komen waarin de docent iets aan een groep uitlegt, bij voorkeur met gebruik van media. Indien het in de betreffende klas ongebrui­kelijk is dat plenair uitleg aan de gehele klas wordt gegeven, kan de uitleg in een kleinere groep (b.v. vier leerlingen) plaatsvinden. Om de gedachten te bepalen: er dient een instructiefase voor te komen van minimaal 5 minuten (en maximaal, afhankelijk van het niveau van de klas, 10 tot 20 minuten).

3.De les mag niet bestaan uit een monoloog van de docent, er dient op elk moment (ook in de instructiefase) interactie met de leerlingen aanwezig te zijn, of nagestreefd te worden.

4.De les dient schriftelijk voorbereid te zijn (zie volgende paragraaf). Deze voorbereiding wordt voor de les aan de waarnemers overhandigd.

De kandidaat dient, in overleg met de docent-begeleider, een les uit te zoeken die aan deze criteria kan voldoen. Uiteraard wordt de les ook zo gepland, dat de assessoren aanwezig kunnen zijn.

4. Het lesprogramma en de lesvoorbereiding

In de (schriftelijke!) voorbereiding komt het programma van de les tot uitdrukking.

Er is feitelijk sprake van twee programma's: een inhoudelijk programma (leerstof, lesinhoud) en een programma van uitvoering (lesfasen, werkvormen, organisatorische aspecten).

Het inhoudelijk programma wordt vaak mede bepaald door het gebruikte leerboek of de gebruikte leermethode. In de lesvoorbereiding dient tot uitdrukking te komen, dat de kandidaat (a) daarin een eigen structurering heeft aangebracht en (b) er eigen dingen (voorbeelden e.d.) aan heeft toegevoegd. Daarmee kunnen de pedagogische en didactische competen­ties getoond worden.

Voor de wijze waarop de voorbereiding wordt opgeschreven geven wij geen bindende aanwijzingen. De praktijk leert dat docenten daarin al snel een eigen stijl ontwikkelen en het lijkt niet verstandig hier voorschriften te geven, die wellicht tegen die stijl in gaan. Wel wordt ervoor gewaarschuwd dat beginnende docenten zich vaak in hun voorbereiding te veel richten op de inhoud en de organisatorische inrichting van de les onderbelicht laten. Daarmee wordt aan de activiteiten van leerlingen te weinig aandacht besteed ( een voorbeeld-format is in de Teletopsite “assessment” opgenomen).

5. De uitvoering van de les

Over de uitvoering van de les zijn in het voorgaande al enkele opmerkingen gemaakt. Essentiële zaken, die de kandidaat moet laten zien, zijn een zinvolle interactie met de leerlingen, een gestructureerde aanbieding van de leerstof en een duidelijke organisatie van het geheel. Wij verwijzen naar de bijlage voor de van belang zijnde competenties. Met name de indicatoren die in de kolom 'proefles, uitvoering' een plusje hebben gekregen, zijn van belang. De aanwezigheid van de beide waarnemers kan nooit geheel worden weggecijferd, maar hun invloed dient zeker tot een minimum beperkt te worden. De leerlingen kunnen beter niet expliciet op de waarnemers opmerkzaam worden gemaakt en het is al helemaal ongewenst om uit te leggen wat zij komen doen. Verstandiger lijkt het in een voorgaande les alvast mee te delen dat er in deze les mensen komen kijken. Er kan dan op de leerlingen een beroep gedaan worden zich niets van hun aanwezigheid aan te trekken en zich zo normaal mogelijk te gedragen.

6. Het maken van een reflectie op de les

De kandidaat reflecteert zijn/ haar eigen praktijkles en stuurt een verslag van deze reflectie op aan de assessoren. Deze reflectie bevat in ieder geval:

  • zijn/haar eigen visie op het verloop van de praktijkles
  • de sterke en zwakke punten in de les
  • vanuit de de zwakke punten beredeneerd: welke competenties hij/zij nog zal moeten verwerven om de zwakke punten te verbeteren;
  • vanuit de sterke punten kan worden beredeneerd: welke competenties de kandidaat al bezit en/of verder wil uitbouwen

Het is van belang dat de kandidaat direct na afloop van de praktijkles aantekeningen maakt over het verloop van de les en zijn/haar eigen gevoel daarover. Een nabespreking met de leerlingen kan daarbij nuttig zijn (zie ook indicatoren van de pedagogische competentie).

Bij het opstellen van de lesreflectie mag de docent-begeleider de kandidaat behulpzaam zijn. Een eerste stap is meestal een nabespreking, kort na de praktijkles. Tijdens de nabespreking met de begeleider kunnen de aantekeningen worden aangevuld. Die aanteke­ningen vormen het materiaal waarmee de schriftelijke reflectie tot stand komt. Het is verstandig tijdens de nabespreking de indicatoren na te lopen, die in de kolom 'proefles, reflectie' met een plusje zijn aangeduid. Indien kandidaat en begeleider samen geen goede aanzet weten te geven tot de lesreflectie, dan kan een assessor worden gevraagd hierbij behulpzaam te zijn.

Het reflectieverslag wordt toegevoegd aan het portfolio. Ook is het mogelijk om het reflectie­verslag te integreren in het portfolio, zodat er als het ware een geheel ontstaat.

In het reflectiegesprek, aan het eind van het assessment, kunnen zaken uit het reflectie­verslag mondeling worden toegelicht, al of niet op verzoek van de assessoren.