1998

98-06

WETENSCHAPSAGENDA 98/06 25-03-98

Agenda

Symposia/Congressen

Samenvattingen promoties

Stellingen

Persberichten

Archief wetenschapsagenda's

Deze wetenschapsagenda is een periodieke uitgave van de Universiteit Twente. Zij verschijnt 20 maal per jaar in een oplage van 500 stuks. Bel of mail ons voor nadere informatie of een gratis abonnement.

Dienst Voorlichting en Externe Betrekkingen, Postbus 217, 7500 AE Enschede, telefoon (053) 489 43 85, E-mail: a.m.dijkstra@veb.utwente.nl


Symposia/Congressen

6-8 April: Internationale Conferentie Werktuigbouwkunde

Plaatbewerking belangrijk voor auto’s

Van 6 - 8 April, aanvang 9.00 uur, vindt de zesde International Conference on Sheet Metal (SheMet’98) plaats. De vakgroep Productie- & Ontwerptechniek van de faculteit Werktuigbouwkunde treedt als gastheer op voor ruim honderd deelnemers uit binnen- en buitenland. 71 Papers over acht themagebieden worden gepresenteerd. Vooral voor de auto-industrie is plaatbewerking een sleuteltechnologie. De conferentie wordt mede georganiseerd door de universiteiten van Erlangen-Nuremberg, Ulster en Birmingham en vindt plaats in het Collegezalencomplex op de campus van de Universiteit Twente.

Technieken voor plaatbewerking kennen veel toepassingen. Goede kennis van lassen, snijden, buigen en oppervlaktebehandeling is onder meer belangrijk voor de vliegtuig- en auto-industrie. In deze driedaagse internationale conferentie worden acht thema’s belicht: snijden en verbinden, modelleren, oppervlaktekwaliteit, modellering van processen, proces-metingen, werkvoorbereiding, materiaalgedrag.

Veel onderzoek vindt plaats naar de mogelijkheden van lasersnijden en laserlassen. Miniatuur laserlassen en laserbuigen - waarbij opgewarmd plaatmateriaal na afkoeling vervormt - zijn speciale onderwerpen. Constructies en bewerkingen van dunne stalen, aluminium of hybride sandwich-materialen krijgen veel aandacht. Om op grote schaal toepasbaar te zijn moeten deze materialen gemakkelijk gesneden, gelast en omgevormd kunnen worden. Modelleringen met computers kunnen in veel gevallen dure praktijkproeven vervangen. Plaatmaterialen met verschillende diktes maken nieuwe soorten lichte constructies mogelijk; daar waar de constructie dikte vereist kan deze ook worden aangebracht.

Voor meer informatie: Faculteit Werktuigbouwkunde, ir. A.H. Streppel, telefoon (053) 489 25 78; World wide web: http://www.wb.utwente.nl/shemet98
Bureau Voorlichting & Externe Betrekkingen, Anne Dijkstra, telefoon (053) 489 43 85, email: a.m.dijkstra@veb.utwente.nl

 

 


Symposium 28 april, 20.00 uur

Sex in Twente

Op 28 april aanstaande organiseert HoBiHe (homo-bi-hetero), een werkgroep van de Studenten Raad Drienerlo (SRD) samen met het Studenten Pastoraat Enschede (SPE) vanaf 20.00 uur 's avonds een symposium met de titel 'Sex in Twente, voor iedereen, door iedereen?'. Dit symposium gaat over hoe open studenten in Enschede over liefde, relaties en seksualiteit praten.

Op het symposium zullen J. van Noo en A. Brink van de NVSH (Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming) meer vertellen over de doelstelling van de vereniging. Ook zal meer informatie worden verstrekt over verschillen in omgang met seksualiteit in het algemeen. Zo is in de Randstad een afwijkende seksuele voorkeur vaker geaccepteerd dan in het oosten van Nederland en denkt iedereen dat in de studentenwereld een grotere seksuele vrijheid heerst, maar is dat ook zo?

H. Vlas van Bureau Emancipatie van de UT gaat dieper in op de communicatie tussen mannen en tussen vrouwen en de situatie op de UT. Daarbij probeert ze het publiek actief te betrekken. Hélène van den Bemt, studentenpastor van het SPE Studentenplein, zal meer vertellen over de invloed van de kerk op de openheid van relaties, liefde en seksualiteit door de jaren heen. M. Meerman van SUM (een studentenblad) presenteert resultaten van een landelijke enquete over relationeel en seksueel gedrag van studenten. Bijzonder daarbij is dat niemand uit Twente heeft gereageerd. Tenslotte belicht R. Brinkman, psycholoog/seksuoloog van het RIAGG uit Enschede, de invloed van tv-programma's over seks op de beeldvorming van seksualiteit.

Tonny Buitink, organisator van diverse evenementen op de UT, heeft een aantal studenten en onderzoekers over de sfeer op de UT geinterviewed. Na de pauze zal er onder leiding van Tonny Buitink door het panel worden gereageerd op vragen uit het publiek en worden de meningen over de al dan niet gewenste openheid gepeild.

Kaarten zijn vanaf april te verkrijgen en telefonisch te bestellen bij de SRD, telefoon (053) 489 52 36.

Voor meer informatie: Mail HoBiHe, e-mail hobihe@hobihe.srd.utwente.nl, of bel de SRD, telefoon (053) 489 52 36. Homepage: http://hobihe.srd.utwente.nl/

plaats Audiozaal in de Vrijhof op de campus van de UT
aanvang
20.00 uur
toegang
5 gulden of 3 gulden (studentenkorting)



Samenvattingen promoties

buitenstaanders kunnen bijdragen aan radicale technische verandering
*donderdag 2 april, 15.00 uur

promotie ir. I.R. (Ibo) van de Poel, faculteit Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen: 'Changing technologies. A comparative study of eight processes of transformation'

Techniek lijkt op het eerste gezicht aan voortdurende verandering onderhevig. Toch wordt in de praktijk de ontwikkeling van veel technieken gekenmerkt door stabiele patronen, zogenaamde technologische regimes. Deze zijn vaak moeilijk te veranderen. In zijn proefschrift beschrijft Van de Poel voor acht technieken hoe het bestaande regime transformeerde onder invloed van acties van buitenstaanders: huishoudkoelkasten, verf, legbatterijen, installaties voor rioolwaterzuivering, zee-keringen, oevers, vliegtuigmotoren en kernreactoren. Daarbij onderzocht hij steeds hoe het innovatiepatroon van het bestaande regime de transformaties mogelijk maakte of belemmerde. Hij onderscheidt daarbij vier innovatiepatronen: toeleverancierafhankelijk, gebruikersgedreven, missie-geörienteerd en R&D-afhankelijk. Bij elk innovatiepatroon selecteerde hij twee cases.

Zo karakteriseert Van de Poel het innovatiepatroon bij koelkasten en verf als 'toeleverancierafhankelijk'. In beide gevallen bestudeerde hij hoe 'duurzaamheid' een belangrijk ontwerpcriterium aan het worden is. Deze transformatie wordt in gang gezet door milieugroepen en kritische wetenschappers. Hoewel zij relatieve buitenstaanders zijn, slagen ze er wel in om negatieve milieu-effecten manifest te maken. Hierdoor ondernemen overheden en gebruikers - die meer invloed kunnen uitoefenen - pogingen om het bestaande regime te veranderen. De toeleveranciers spelen hierbij zowel een pro-actieve als een belemmerende rol. Omdat ze technische alternatieven ontwikkelen, creëren zij nieuwe handelingsopties. Anderzijds krijgen alternatieven die niet passen binnen het R&D-budget, of bij andere belangen van de toeleveranciers, weinig kans. Anders verlopen de transformaties bij vliegtuigmotoren en kernreactoren. Deze technologische regimes kennen een 'R&D-afhankelijk innovatiepatroon' waar technische veranderingen elkaar in hoog tempo opvolgen. Stille motoren en inherente veiligheid zorgen hier voor nieuwe ontwerpaanpakken. Ook hier zetten buitenstaanders de transformaties in gang. In beide gevallen is wel sprake van een 'technological fix' voor problemen die gedeeltelijk maatschappelijk van aard zijn.

In het algemeen concludeert Van de Poel dat verschillende innovatiepatronen verschillende transformaties mogelijk maken. Drie activiteiten zijn cruciaal voor een succesvolle transformatie van technologische regimes: het manifest worden van terugkoppelingen vanuit de omgeving; technische agendabouw (herdefiniëring van de centrale regels van een regime); en tenslotte het ontwikkelen van technische alternatieven.

Stellingen bij het proefschrift:

Buitenstaanders spelen een belangrijke rol in techniekontwikkeling omdat zij radikale technologische veranderingen, die breken met bestaande technologische regimes, in gang kunnen zetten.

Als pluimveehouders geen gebruik maken van diervriendelijker systemen voor het houden van legkippen moet dat niet geweten worden aan een eventuele conservatieve houding, maar begrepen worden als een reactie op de situatie waarin deze boeren moeten handelen (hoofdstuk 5).

Universiteiten hebben een taal in het opleiden van 'reflexieve ingenieurs', ingenieurs die zich bewust zijn van hun feitelijke rol in techniekontwikkeling en in staat zijn te reflecteren over wenselijke vormen van techniekontwikkeling en hun rol daarin (hoofdstuk 9).

promotor prof. dr. Arie Rip
informatie mw.drs.H.A. Bakker, telefoon (053) 489 43 63
e-mail h.a. bakker@veb.utwente.nl

Simulatie van onderwijseffecten
*vrijdag 3 april, 15.00 uur

promotie H. (Henny) de Vos, Faculteit Toegepaste Onderwijskunde: ‘Educational Effects: A simulation-based analysis.'

Met simulaties is het mogelijk om onderwijseffecten te bestuderen. In het model heeft De Vos alle leerlingen in het begin van het schooljaar in klassen geplaatst en toegewezen aan een leerkracht. Vervolgens werden de klaskenmerken en die van de leerkracht bepaald. De leerlingen leerden, waarbij de invloed van de leerkracht werd gebaseerd op theorie en/of empirische resultaten. Aan het eind van het jaar werd een overgangsbeslissing genomen: overgaan, blijven zitten of instromen in een andere opleiding.

Om te bepalen in welke mate dit simulatiemodel een adequate beschrijving geeft van het Nederlandse onderwijs, werd een aantal experimenten met het model uitgevoerd. De simulatieresultaten zijn vergeleken met doorstroomgegevens van het CBS en met leerprestaties uit een cohort onderzoek.

Een groot voordeel van simulatie bleek dat effecten van veranderingen eenvoudig waren te schatten. Het simulatiemodel is daarom gebruikt om de effecten van een drietal beleidsscenario’s te bepalen. De doorgevoerde verhoging van standaarden in LBO en MAVO bleek het meeste effect te sorteren. Bij nadere bestudering bleek echter dat vooral leerlingen uit hogere milieus positief reageerden waardoor de ongelijkheid in onderwijskansen van leerlingen uit achterstandsituaties vergrootte. In een ander scenario kregen de leerlingen met leerachterstand tweemaal zoveel hulp als andere leerlingen. Hier verminderde de ongelijkheid van onderwijskansen maar was het effect geringer.

promotor prof. dr. ir. J. Scheerens
co-promotor
prof. dr. W.J. van der Linden
informatie mw.drs. A.M. Dijkstra, telefoon (053) 489 43 85
e-mail a.m.dijkstra@veb.utwente.nl

wei-eiwitten
* 27 maart 1998, 13.15 uur

promotie ir. M. (Marleen) Verheul, faculteit Technische Natuurkunde: 'Aggregatie en gelering van wei-eiwitten'

Wei is het 'afvalproduct' van de kaasmakerij. Het is de vloeistof, die uit de kaaswrongel druipt. Deze wei werd tot 10 à 15 jaar geleden voornamelijk als veevoer gebruikt. Er blijven echter melk-eiwitten over in de wei en dit zijn ook voor de mens belangrijke voedingsstoffen. Daarom is de levensmiddelenindustrie geïnteresseerd in deze wei-eiwitten; bijvoorbeeld om ze te gebruiken voor het verdikken van sauzen. Om de wei-eiwitten te kunnen gebruiken in levensmiddelen, was meer kennis gewenst. Ir. Verheul heeft hiernaar onderzoek verricht.

Een belangrijke processtap bij het gebruik in levensmiddelen is het verhitten door steriliseren of pasteuriseren. Verheul heeft met name gekeken naar het hitte-gedrag van wei-eiwitten: "Want tijdens de verhitting verandert er van alles. De wei-eiwitten gaan aggregeren of samenklonteren en dat proces kan uiteindelijk leiden tot één gel."

De promovendus heeft het proces van aggregeren bestudeerd: hoe snel gaat het, welke condities zijn er belangrijk, hoe groot zijn de aggregaten, wat is de samenstelling van de aggregaten? Ze is daarbij gekomen tot een model voor de aggregatie en tot een kwantitatieve beschrijving van de structuur van gelen.

Het onderzoek, dat mede was gefinancierd door het Ministerie van Economische Zaken, Coberco Research en Friesland Dairy Foods, was tamelijk fundamenteel van aard. "Het is een startpunt van waaruit men verder kan kijken," aldus Verheul. Het onderzoek heeft geleid tot een verbetering van het inzicht omtrent de vorming en structuur van wei-eiwitgelen. Ook geeft ze zinvolle informatie over de toe te passen procescondities. Deze bepalen namelijk in belangrijke mate de kwaliteit van het eindproduct.

promotor prof. dr. J. Mellema
co-promotor dr. ir. S.P.F.M. Roefs
informatie mw.drs. A.M. Dijkstra, telefoon (053) 489 43 85
e-mail a.m.dijkstra@veb.utwente.nl

mantelzorg bij reumapatiënten
*27 maart 1998, 15.00 uur

promotie drs. R.P. Riemsma, faculteit Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen: 'Challenging Arthritis. The role of self-management, formal and informal care'

Mensen met reumatoïde artritis (RA) die hulp nodig hebben bij de dagelijkse verzorging en in het huishouden, krijgen die vooral van familie en vrienden, ofwel via mantelzorg. Drs. Riemsma stelt dit vast in zijn proefschrift, dat is gefinancierd door het Nationaal Reumafonds. De promovendus deed onderzoek naar mantelzorg bij RA-patiënten en naar voorlichting aan deze patiënten.

Mantelzorgers besteden gemiddeld 33 uur per week aan taken als boodschappen doen, het huis schoonmaken en hulp bij lichamelijke verzorging en aan- en uitkleden. Toch ervaren de mantelzorgers dit meestal niet als een grote belasting. Van de hulp thuis bij RA-patienten wordt 80% door mantelzorgers gedaan, slechts 10% door professionele hulpverlening (zoals thuiszorg en gezinshulp) en 10% door particuliere hulpverleners (zoals hulp in de huishouding en pedicure). Al die onbetaalde hulp bespaart de samenleving veel geld. Riemsma concludeerde dat, hoe vaardiger de patiënten zijn in het vragen om steun, hoe meer steun ze daadwerkelijk ontvangen.

Opmerkelijk is, dat vooral mannen veel tijd besteden aan mantelzorg. "Dat komt omdat het merendeel van de mannen alle huishoudelijke taken als mantelzorg beschouwen, terwijl die voor veel vrouwen al tot de normale bezigheden behoorden voordat de partner hulp nodig had," aldus Riemsma. Hij concludeert dat mantelzorg toch voornamelijk vrouwenwerk is. Op mannelijke partners na zijn verzorgers merendeels vrouwen. Is de partner niet beschikbaar, dan schiet meestal een dochter te hulp, vervolgens een schoondochter en pas als derde iemand uit de buurt.

Uit Riemsma's onderzoek naar individuele voorlichting aan RA-patiënten blijkt, dat het geven van folders of video's alléén geen zin heeft. Ook extra voorlichting, gegeven door huisarts, fysiotherapeut, reumatoloog en verpleegkundige, had maar gering effect: "Individuele voorlichting is een goed middel om kennis te vergroten, maar voor gedragsveranderingen is groepsvoorlichting een beter instrument."

promotor prof. dr. J.J. Rasker
co-promotor dr. E. Taal
informatie Nationaal Reumafonds, Angela Rijnen, telefoon (070) 350 32 31 of mw.drs. H.A. Bakker, telefoon (053) 489 43 63
e-mail h.a. bakker@veb.utwente.nl

interferometrie bij sensoren
*12 maart

promotie ir. T.J. (Ton) Ikkink, faculteit Elektrotechniek : 'Interferometric Interrogation Concepts for Integrated Electro-Optical Sensor Systems'

Ir. Ikkink heeft systeemarchitecturen ontwikkeld voor uitlezing van optische sensoren. Deze architecturen maken gebruik van interferentie van geleide optische golven en zijn toepasbaar in miniatuur sensorsystemen. Interferentie is een verschijnsel dat zich bijvoorbeeld voordoet als twee stenen in het water worden gegooid. Als de daardoor opgewekte golven bij elkaar komen, ontstaan interferentiepatronen.

De optische golfgeleiders in de bestudeerde sensoren zijn gemaakt op een substraat. Op dit substraat zijn verder één of meerdere elektronische chips gemonteerd: "Je codeert de meetgrootheid, bijvoorbeeld de luchtvochtigheid, in de eigenschappen van één van beide optische golven. Die meetgrootheid zorgt zo voor een verandering in het resulterende interferentiepatroon. Om nauwkeuriger te kunnen meten, ga je daarnaast gecontroleerde veranderingen in het interferentiepatroon bewerkstelligen. De elektronica op de chips zorgt voor dat moduleren en voor het bemeten van het interferentiepatroon."

Ikkink heeft allerlei aspecten van de sensor bestudeerd, waaronder de elektronica en modulatietechnieken. Hij heeft de voor- en nadelen en de grenzen van verschillende concepten onderzocht en doet daar kwalitatieve uitspraken over. Het heeft geleid tot een aantal technieken en systeemconcepten, waarvan een deel nog niet eerder in de literatuur was verschenen. Deze concepten zijn veelal gebaseerd op vergelijkbare ontwerpen, die voor glasvezel-sensoren zijn gemaakt.

Nieuw is vooral de kennis om de potentie van interferometrische sensoren op basis van geïntegreerde optica beter dan tot nu toe mogelijk was, te benutten. Ikkink heeft met zijn onderzoek de basis gelegd voor een vervolgonderzoek, waarin de sensoren kunnen worden ontwikkeld en gerealiseerd.

promotor prof. dr. H. Wallinga
co-promotor dr. P.V. Lambeck
informatie mw.drs. A.M. Dijkstra, telefoon (053) 489 43 85
e-mail a.m.dijkstra@veb.utwente.nl


Stellingen

Ibo R. van de Poel, faculteit Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, Universiteit Twente:
Studies die zich concentreren op de ontwerpfase van techniek dienen ontwerpen niet alleen op te vatten als een lokale activiteit, maar ook als een activiteit die ingebed is in (bestaande) technologische regimes.

In plaats van te debatteren over de vraag of wetenschap een (sociale) constructie is of een realistische afspiegeling van de werkelijkheid, zouden wetenschapsonderzoekers en wetenschapsfilosofen zich beter kunnen bezig houden met de vraag wanneer sprake is van (sociale) constructie en wanneer goede redenen bestaan te geloven dat een dieperliggende werkelijkheid wordt blootgelegd.

De stelling van Brecht dat de toneelspeler niet in de huid van zijn of haar personage moet kruipen maar het gedrag van het personage neer moet zetten als een mogelijke reactie op de specifieke omstandigheden waarin dat personage handelt vormt een zinvolle methodologische leidraad voor sociaal-wetenschappelijke onderzoekers. Zij dienen het gedrag van de actoren die ze bestuderen begrijpelijk maar niet vanzelfsprekend te maken: het had ook anders gekund.

Menno de Jong, faculteit Wijsbegeerte en Maatschappijwetenschappen, Universiteit Twente:
Een probleemloze brochure bestaat niet.

Communicatiedeskundigen zijn niet in staat om op een betrouwbare manier de ernst en aannemelijkheid van lezersproblemen in teksten te beoordelen.

De humor in diverse voorlichtingscampagnes lijkt gebaseerd op het belachelijk maken van de doelgroep. Dat is op zijn minst een verrassende strategie.

Bij cursussen en congressen wordt vaak al gesproken van een succes als de deelnemers één goed idee mee naar huis kunnen nemen. Het zou enorm tijdbesparend zijn als dat goede idee al meteen bij binnenkomst werd verstrekt.

Kwalitatief onderzoek is iets anders dan kwantitatief onderzoek met weinig proefpersonen.

Henny de Vos, faculteit Toegepaste Onderwijskunde, Universiteit Twente:
Het gebruik van simulatie binnen de sociale wetenschappen zal toenemen als meer beta-wetenschappers zich gaan toeleggen op de sociale wetenschappen of meer sociale wetenschappers hun veronderstellingen gaan kwantificeren.

Het is verstandig om bij meerkeuze vragen het langste alternatief te kiezen: het levert minstens even goede resultaten als gokken.