1997

97-18

WETENSCHAPSAGENDA 97/18 10-12-97

Agenda

Samenvattingen promoties

Stellingen

Persberichten

Deze wetenschapsagenda is een periodieke uitgave van de Universiteit Twente. Zij verschijnt 20 maal per jaar in een oplage van 500 stuks. Bel of mail ons voor nadere informatie of een gratis abonnement.

Dienst Voorlichting en Externe Betrekkingen, Postbus 217, 7500 AE Enschede, telefoon (053) 489 43 85, E-mail: a.m.dijkstra@veb.utwente.nl


Samenvattingen promoties

computer helpt bij ontwikkeling lesmateriaal

11 december 16.45 uur

promotie mw. drs. N.M. Nieveen: ‘Computer support for Curriculum Developers’
Ook in het onderwijs dringt het gebruik van informatie- en communicatietechnologie (ICT) steeds meer door, met tele-leren en andere nieuwe onderwijsvormen. Des te opmerkelijker is het dat de ontwikkelaars van lesmaterialen tot nu toe over weinig computer ‘tools’ beschikken die hun werk ondersteunen. De Universiteit Twente en het SLO (Instituut voor Leerplanontwikkeling) gaan dit hiaat opvullen met het CASCADE ondersteuningssysteem (Computer Assisted Curriculum Analysis, Design and Evaluation). mw. drs. N.M. Nieveen heeft in haar promotie-onderzoek een deel van dit systeem ontwikkeld, een computerprogramma dat ondersteuning biedt bij het uitvoeren van ‘formatieve evaluaties’ van lesmateriaal. Zit een curriculum goed in elkaar? Is het praktisch bruikbaar en effectief? Met electronische ‘job aids’ die informatie en adviezen geven, kan een maker van lesplannen deze evaluatie consistent plannen en uitvoeren. De kwaliteit wordt op een gestructureerde manier bewaakt, en tekortkomingen van het lesmateriaal komen eerder aan het licht. Uit praktijktests bij de SLO concludeert Nieveen dat het gebruik van het programma de ontwikkelaars motiveert om de evaluatie zelf uit te voeren. Ook levert het een aanzienlijke tijdsbesparing op. Behalve de SLO zijn ook andere bedrijven en instellingen al geďnteresseerd om CASCADE in te zetten.

promotoren prof.dr. Tj. Plomp en prof.dr. J.J.H. van den Akker
informatie: ir. W.R. van der Veen, tel. 053-489 4244
email: w.r.vanderveen@veb.utwente.nl

heldere laserbundel met hoog vermogen

11 december 13.00 uur

promotie ir. H.L. Offerhaus: ‘High-brightness, diode pumped, high power Nd:YAG laser system’
Lasers waarvan de golflengte en het vermogen continu zijn te variëren, zijn breed inzetbaar in bijvoorbeeld ‘micromachining’ en spectroscopisch onderzoek. Deze lasers moeten een bundel leveren van voldoende kwaliteit en tegelijk met voldoende hoog vermogen, om de praktische toepasbaarheid te garanderen. Naast een hoog piekvermogen -dus voor korte tijd- is ook een hoog gemiddeld vermogen van belang voor de verwerkingssnelheid. Maar bij een laser die voortdurend zwaar wordt belast, bestaat het gevaar dat de bundel 'lelijker' wordt doordat de laserkristallen vervormen. In dat geval kan de laser ook geen hoog piekvermogen meer aan. Offerhaus heeft een nieuwe laser ontwikkeld die dit probleem opvangt. Door 'diode-pompen' voert hij alleen die energie toe die nodig is voor de laser, zodat geen extra verhitting optreedt. Daarnaast laat hij de laser 'zigzaggen' tussen de zijden van het laserkristal waardoor verstoringen worden uitgemiddeld. Ook heeft Offerhaus een 'tijd-omkerende spiegel' toegepast die ongewenste warmte-effecten compenseert. Samen leveren de drie technieken een Nd:YAG laser op met een vijfmaal grotere helderheid dan bestaande hoogvermogen lasers. Voor de ontwikkeling van nieuwe lasers werkt de Universiteit Twente samen met Urenco Nederland, in het Nederlands Centrum voor Laser Research (NCLR).

promotor prof.dr. W.J. Witteman
ass.-promotor dr. H.P. Godfried
informatie: ir. W.R. van der Veen, tel. 053-489 4244
email: w.r.vanderveen@veb.utwente.nl

simuleren helpt vliegtuigen en auto's aan optimale vorm

* 18 december, 13.15 uur

promotie ir. B. Wasistho, Faculteit Toegepaste Wiskunde: ‘Ruimtelijke directe numerieke simulatie van samendrukbare grenslaag stroming'
Bij het ontwerpen van auto's, vliegtuigen en hoge gebouwen zijn testen die bijvoorbeeld de reactie op luchtstromingen in kaart brengen onontbeerlijk. Die testen vinden plaats in windtunnels. Helaas lopen daardoor de kosten hoog op. Ir. B. Wasistho heeft daarom als alternatief een simulatie ontworpen waardoor het aantal testen in de windtunnels kan verminderen. De methode kan belangrijke stromingsverschijnselen als loslating, schokken en turbulentie simuleren.

Door een veel simpele geometrie, dus veel lagere kosten, kan de methode ook complexe fysische verschijnselen die voorkomen in de stromingen rond vliegtuigen of auto's simuleren. De gebruikte methode is een numerieke methode. Hierbij zijn de stromingsvergelijkingen gediscretiseerd op een directe wijze zonder vereenvoudigingen. Het fysische model behoudt hierdoor zijn meest algemene vorm. Wasistho heeft ook een oplossing gevonden voor een ander probleem dat bij vliegtuigen optreedt, namelijk loslating. Een vliegtuig heeft een grotere draagkracht bij zoveel mogelijk uitstel of totale vermijding van loslating. Het voorkomen daarvan is moeilijk te realiseren en vindt vaak plaats door de stroming turbulent te maken voor het loslaatpunt en hiermee de loslating tegen te houden. De turbulente stroming veroorzaakt een grotere weerstand en dus een hoger brandstofverbruik of een korter afstandbereik. Wasistho heeft ontdekt dat loslating van de stroming om een vliegtuigvleugel is te beperken tot een minimum door de stroming vlak voor het loslaatpunt een klein beetje te verstoren. Dit levert een kleinere weerstand op, bovendien voorkomt het ongelukken die door 'stall' worden veroorzaakt. De studie heeft verder laten zien dat in de voortstuwingmotoren voor vliegtuigen schokgolven kunnen ontstaan. Dit verschijnsel vermindert de rendement van de motoren omdat daar een groot verlies van momentum ontstaat.

promotor prof. dr. ir. P.J. Zandbergen
co-promotor dr. J.G.M. Kuerten
informatie: drs. A.M. Dijkstra, telefoon (053) 489 43 85
email: a.m.dijkstra@veb.utwente.nl

hoger-onderwijsstudies

* 19 december, 13.30 uur

promotie mw. drs. C.G.M. Jenniskens, CSHOB, Bestuurskunde: ‘Overheidssturing en curriculuminnovaties. Een vergelijkend onderzoek naar het verband tussen overheidssturingsinstrumenten en innovatie in hoger-onderwijscurricula'
Voor de overheid is het van belang te weten of en hoe zij invloed kan uitoefenen op vernieuwingen in studieprogramma's die in het hoger onderwijs worden aangeboden. Nieuwe wetenschappelijke inzichten of veranderde voorkeuren van studenten kunnen redenen zijn om studieprogramma's of delen ervan te innoveren. Interessant in dit verband is de vraag welke invloed de overheid met haar sturing kan uitoefenen op dergelijk innovatief gedrag van hoger-onderwijsinstellingen.

Jenniskens heeft in haar onderzoek gekeken naar verschillende vormen van overheidssturing, te weten geen sturing, beperkende sturing en verruimende sturing. Bij beperkende sturing ligt de nadruk op regelgeving en vereiste toestemming door de overheid, terwijl bij verruimende sturing de overheid juist de keuzemogelijkheden en de middelen voor de betrokken organisaties vergroot. Jenniskens heeft het verband tussen overheidssturing en curriculuminnovatie onderzocht voor twee perioden, eind jaren zeventig en eind jaren tachtig, in vier hoger-onderwijssystemen, te weten Nederland, Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten (de staat Pennsylvania). Tegen haar verwachting in vond Jenniskens geen negatief verband tussen beperkende sturing en innovatief gedrag. Frankrijk en Nederland, waar sprake was van veel beperkende sturing, bleken juist het meest innovatief te zijn. Omgekeerd bleek verruiming van de besluitvormingsmogelijkheden van hoger-onderijsinstellingen niet in alle cases te leiden tot meer curriculuminnovaties. In Pennsylvania, waar de overheid zich bijna niet bemoeit met hoger-onderwijscurricula, was de vernieuwing het laagst. Een mogelijke verklaring is dat geen sturing leidt tot een sterkere marktoriëntatie en daardoor een conservatieve opstelling: geen risico’s nemen want dat kan studenten kosten, dus niet teveel vernieuwen. En wellicht bevorderen gestroomlijnde procedures en geformaliseerde regelgeving juist een soepele invoering van onderwijsvernieuwingen. De voorlopige conclusie die Jenniskens daaruit trekt is dat deregulering en terugtreden van de overheid niet hoeft te leiden tot meer innovatie. Als de overheid juist actief betrokken is bij het hoger onderwijs fungeert zij als een buffer tussen instellingen en de markt, waardoor er meer ruimte is voor instellingen om te vernieuwen.

promotor prof.dr. F.A. van Vught
assistent-promotor dr. D.F. Westerheijden
informatie mw.drs. H.A. Bakker, telefoon (053) 489 43 63
e-mail: h.a.bakker@veb.utwente.nl

technologie & organisatie

* 19 december, 15.30 uur

promotie ir. R.W. Schuring, Technologie & Management: ‘Procesmodellering van dynamiek in organisaties'
Organisaties zijn continu in verandering. Steeds verrichten mensen werkzaamheden en slijten machines. Er zijn reorganisaties, er vormen zich coalities, die ook weer verdwijnen, concurrenten komen en gaan. Kleine voorvallen worden, na vaak verteld te zijn, grote legendes. Anderzijds blijken organisatie juist niet te veranderen. Bepaalde processen blijken jarenlang op dezelfde manier te verlopen, spanningen tussen afdelingen blijven bestaan. Verandering in organisataies, maar ook gebrek daaraan stelt ons regelmatig voor problemen. Soms willen we verandering, maar lukt het niet die te bereiken of pakt de verandering anders uit dan verwacht. Soms willen we geen verandering, maar blijkt dit toch te ontstaan. De maatschappelijke gevolgen van ons onbegrip van dynamiek in organisaties is groot. Iedereen is betrokken bij organisaties. Mensen raken gefrusteerd door hun mislukte veranderingsinspanning en voelen zich machteloos in een proces van ongewilde verandering.

Het inzicht in de dynamiek van organisaties is nog verre van volledig. Schuring probeert met zijn proefschrift bij te dragen aan vergroting van dat inzicht. Daarbij kiest hij consequent voor een procesgerichte benadering; zijn aandacht gaat uit processen in organisaties en niet zozeer naar structuren in organisaties. Schuring onderscheidt vier vormen van dynamiek: 1) quasi-stationariteit: processen in organisaties verlopen volgens constante kenmerken; 2) operationele besturing: mensen grijpen rechtstreeks in een proces in; 3) autonome dynamiek: processen zelf hebben invloed op de kenmerken volgens welke ze verlopen, waardoor met name een bepaalde cultuur en sociale structuur in organisaties kunnen ontstaan; en 4) actief veranderen: bewust ingrijpen op de kenmerken volgens welke processen verlopen. Deze vier vormen gebruikt Schuring voor het maken van een model van de dynamiek in organisaties. Met een dergelijke modellering valt de dynamiek in een organisatie beter te begrijpen. Zo kan bijvoorbeeld een manager zich afvragen of hij in een productieproces op de werkvloer moet ingrijpen (operationele besturing) of dat zijn werknemers zichzelf uitstekend kunnen redden in de gegroeide werkroutine (quasi-stationariteit). Ook kan hij begrijpen dat verandering moeilijk te bewerkstelligen zijn in een situatie waar vele kenmerken bijdragen aan quasi-stationariteit.

promotoren prof.dr.ir. J.J. Krabbendam, prof.dr. P.T. Bolwijn
assistent-promotor dr.ir. H. Boer
informatie mw.drs. H.A. Bakker, telefoon (053) 489 43 63
e-mail: h.a.bakker@veb.utwente.nl

Stellingen


Jan de Leede, faculteit Technologie & Management, Universiteit Twente:

De vermenging van wetenschap en advieswerk leidt vaker tot adviserende wetenschappers dan tot wetenschappelijke adviezen.

I. Leene, faculteit Bestuurskunde, Universiteit Twente:

Ten einde de kloof tussen wetenschap en parktijk te verkleinen dient wetenschappelijk onderzoek naar maatschappelijke ontwikkelingen in het 'vaderland' bij voorkeur in de 'moedertaal' te worden geschreven.

Sjoerd Auke de Vries, faculteit Toegepaste Onderwijskunde, Universiteit Twente:

Het huidig kabinet heeft in haar beleid het economisch belang tot norm verheven; gezien de negatieve invloed hiervan op de toegankelijkheid van onderwijs en gezondheidszorg is dit een goed voorbeeld van de veelbesproken normvervaging in onze samenleving.

Een samenleving krijgt via haar consumptie het milieu dat ze verdient.

mw. G.G.M. Jenniskens, faculteit Bestuurskunde, Universiteit Twente:
Wanneer een stelling onbegrijpelijk is, wil dat nog niet zeggen dat zij ook onverdedigbaar is.