Nationale Wetenschapsagenda

Vragen over politiek en openbaar bestuur op de Nederlandse Wetenschapsagenda!

Hoewel Nederland in politieke tevredenheid en vertrouwen nog steeds behoort tot de hoogst scorende landen van Europa staat de kwaliteit van het openbaar bestuur continu ter discussie. Bovendien staat het openbaar bestuur voor grote maatschappelijke uitdagingen (Horizon 2020). Onderzoek dat bijdraagt aan inzicht in het functioneren van politiek en bestuur en dat de basis levert voor een efficiënter, effectiever en meer legitiem politiek-bestuurlijk stelsel verdient daarom een plaats op de Nederlandse Wetenschapsagenda.

Wetenschappelijke excellentie

De politicologie en de bestuurskunde worden gerekend tot de sociale wetenschappen. Veel onderzoek in het domein sociale wetenschappen behoort – blijkens het recent verschenen Sectorplan Sociale Wetenschappen 2014 – tot de internationale top. Op basis van diverse indicatoren – de scores van de door internationale peer-review commissies uitgevoerde landelijke vergelijkende onderzoekvisitaties; de toekenningen van beurzen van de European Research Council; en de impactwaarden van de verrichte publicaties – presteren de sociale wetenschappen beter dan de meeste disciplines in de technische, natuur- en levenswetenschappen. Binnen de sociale wetenschappen scoren de politieke en bestuurswetenschappen bovengemiddeld goed. Zo concludeert de KNAW (2013: 23/4) dat de bestuurskunde binnen de sociale wetenschappen een discipline is die ten opzichte van andere landen en in termen van de impactwaarde van publicaties kan gelden als een ‘grote speler’. Verder blijkt uit de Wetenschaps-, Technologie- en Innovatie-indicatoren 2014 (Ministerie OCW 2014: 43) dat de Nederlandse politieke wetenschappen, in termen van citatie-indexen, behoren tot de Nederlandse top-3 ; na de informatie- en communicatiewetenschappen en de fysica/materiaalkunde. De in 2014 gepubliceerde rapporten van de landelijk vergelijkende onderzoekvisitaties Public Administration en Political Science bevestigen de excellente kwaliteit van het Nederlandse onderzoek in deze disciplines.

Maatschappelijke impact

In deze recente onderzoekvisitaties wordt ook geconcludeerd dat de Nederlandse academische politicologen en bestuurskundigen over de gehele linie een belangrijke bijdrage leveren aan het publieke debat en via een keur aan valorisatie-activiteiten onderzoeksresultaten delen met de praktijk van het openbaar bestuur. De commissies beoordelen dit onderdeel van het functioneren van de Nederlandse politicologen en bestuurskundigen als “zeer goed” of “excellent”. Deze praktijkgerichtheid zal in de komende jaren van toenemend belang zijn. Het Nederlands openbaar bestuur staat voor grote uitdagingen. Nieuwe vraagstukken – als gevolg van demografische veranderingen, de financiële crisis en de duurzaamheids- en energieagenda – vragen de aandacht. Nieuwe oplossingsmogelijkheden – als resultaat van snelle technologische ontwikkelingen, op het terrein van ICT , robotica en domotica – bieden zich aan en vragen om nieuwe bestuursvormen en beleids- en verzorgingsarrangementen. Ondertussen is het Nederlands openbaar bestuur zelf onderhevig aan sterke veranderingen: toenemende versplintering van het partijenbestel, grotere mondigheid van burgers, decentralisaties en sterk veranderende mondiale verhoudingen. Gezien deze ontwikkelingen is goed politicologisch/bestuurskundig onderzoek, gericht op deze nieuwe uitdagingen, van groot maatschappelijk belang.

Economisch belang

Met het oog op een blijvend concurrerende kenniseconomie zijn nieuwe, slimme bestuursvormen van groot belang. Gangbare governance-modellen lijken niet toegesneden op de huidige structuur en uitdagingen van de Nederlandse economie. Zo vraagt de snelle technologische ontwikkelingen om vormen van beleidsontwikkeling en regulering die slagvaardigheid en daadkracht combineren met een zorgvuldige afweging van de maatschappelijke kansen en risico’s van technologische ontwikkelingen. Evenzo is met het oog op het behoud van de concurrentiekracht van de kleinschalige en polycentrische Nederlandse stedelijke regio’s van belang dat we inzicht krijgen in nieuwe slimme vormen van stedelijk en regionaal bestuur die ruimte bieden voor veerkracht (zelforganisatie en particulier initiatief) en robuuste, effectieve en democratisch gelegitimeerde regionale samenwerking en bestuurskracht.

Organisatie van het veld

Het domein van de politicologie en de bestuurskunde is goed georganiseerd. Er is samenwerking in het kader van het door de KNAW erkende Netherlands Institute of Government (NIG); de Vlaams-Nederlands onderzoeksschool voor de politicologie en de bestuurskunde. Daarin werken negen Nederlandse en twee Vlaamse universiteiten samen. Verder wordt er door zes Nederlandse bestuurskundeopleidingen samengewerkt in een gezamenlijke research master. De twee recente onderzoekvisitaties op het terrein van de politicologie en de bestuurskunde onderstrepen het belang en de kwaliteit van deze – vanuit internationaal perspectief unieke - gemeenschappelijke infrastructurele voorzieningen (NIG en gemeenschappelijke research master). Uit de meest recente onderwijsvisitaties blijkt dat ook de bachelor en masteropleidingen op deze twee vakgebieden over de hele linie van hoge kwaliteit zijn.

Welke grote vragen verdienen een plaats op de nationale Wetenschapsagenda?

In het onderzoeksprogramma 2012-2017 van het NIG zijn vier themavelden geïdentificeerd waarop Nederlandse politicologen en bestuurskundigen internationaal vooraanstaand zijn en waar in de komende jaren nieuwe accenten gelegd zullen worden. Deze terreinen zijn: 1) Multi-actor governance in complexity 2) Public Management 3) Political institutions and democracy 4) Multi-level governance and Europe.

In de afgelopen jaren zijn in het kader van de KNAW Wetenschapsagenda 2011, de NWO Sociale Infrastructuur Agenda (en het SIA-programma Slimme Sturing), en ter voorbereiding op het Sectorplan Sociale Wetenschappen, kennislacunes en uitdagingen geïdentificeerd. Die sluiten nauw aan bij de vier zwaartepunten in het NIG onderzoeksprogramma. Hieronder presenteren we voor elk zwaartepunt een centrale kennisvraag voor de Nationale Wetenschapsagenda. Een vijfde vraag betreft de met het oog op het behoud en waar mogelijk versterking van onze prominente internationale positie, noodzakelijke methodologische innovaties.

De vragen:

Multi-actor governance in complexity

1. Wat zijn de condities waaronder duurzame en effectieve samenwerking van individuen en organisaties bij de behartiging van collectieve belangen in het publieke domein mogelijk is en hoe kan de democratische en rechtstatelijke kwaliteit van dergelijke vormen van samenwerking worden geborgd?

Voor een vitale samenleving en een innovatieve kenniseconomie is duurzame samenwerking van individuen en organisaties (in het publieke en het private domein) essentieel. Dat geldt bij het vormgeven van de transitie van de verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving, waarin meer wordt vertrouwd op het maatschappelijk initiatief van individuele burgers bij de behartiging van collectieve belangen. Dat geldt evenzeer bij de introductie van technologische innovaties in “smart cities” en het vormgeven van samenwerking van publieke en private organisaties gericht op de versterking van de concurrentiekracht (aantrekkelijkheid, duurzaamheid en bereikbaarheid) van stedelijke regio’s en het in regionaal verband omgaan met nieuwe uitdagingen inzake demografische transities (vergrijzing en krimp) en de decentralisaties in het sociale domein. De beantwoording van deze actuele vraagstukken vereist inzicht in meer fundamentele vragen: Wat is de onderliggende logica van het functioneren van de relevante actornetwerken? Hoe kunnen samenwerkingsproblemen via strategieën van netwerkstructurering en netwerkmanagement worden ondervangen? Hoe kunnen deze vormen van samenwerkend bestuur democratisch en rechtstatelijk worden verankerd?

Public management

2. Welke vormen van publiek management en professioneel handelen dragen bij aan het effectief, efficiënt en legitiem functioneren van publieke sectororganisaties in een openbaar bestuur waarin een toenemend beroep wordt gedaan op burgerinitiatieven en coproducties en in een samenleving die snel en ingrijpend verandert als gevolg van sociale en technologische innovaties?

De context waarin managers en professionals in het publieke domein werken zal in de komende jaren sterk veranderen. Individualisering en de transformatie naar een participatiesamenleving vragen om andere vormen van publieke dienstverlening, managementinstrumenten en andere professionele rolopvattingen en competenties. Daarin moeten professionals meer ruimte krijgen om maatwerk te leveren en in te spelen op wensen van burgers en bedrijven. Tegelijkertijd wordt van de overheid verwacht dat zij zuinig omgaat met publiek geld, dat besluiten controleerbaar zijn en dat burgers in gelijke omstandigheden gelijk worden behandeld. De vraag is hoe publieke organisaties moeten worden ingericht om adequaat in te kunnen springen op dergelijke tegengestelde eisen.

Publieke organisaties opereren bovendien in een context die sterk verandert door sociale en technologische innovaties. Die innovaties (denk bijvoorbeeld aan de invloed van nieuwe sociale media over de contacten met burgers of de implicaties van de big data revolutie) bieden allerlei nieuwe mogelijkheden om het functioneren van de overheid te verbeteren en vragen evenzeer om aanpassingen in de structuren en het functioneren van organisaties in de publieke sector.

Political institutions and democracy

3. Op welke manier krijgt de moderne democratie gestalte in perioden tussen verkiezingen en welke effecten hebben diverse nieuwe kanalen voor participatie en publieke verantwoording op de democratische legitimatie vormen van het openbaar bestuur?

De klassieke partijendemocratie, met periodieke algemene verkiezingen als het belangrijkste politieke invloedkanaal voor burgers, staat meer en meer ter discussie. Daarom wordt er al jarenlang op diverse bestuursniveaus (lokaal, regionaal, nationaal en EU) geëxperimenteerd met nieuwe kanalen van burgerparticipatie naast de geijkte electorale en partijpolitieke paden. Denk aan interactieve beleidsvorming, C1000’s, burgerjury’s en het gebruik van (nieuwe) media. De kennis over deze nieuwe vormen van burgerparticipatie (ook wel aangeduid als “in between election democracy”) en met name de effecten van deze vormen van participatie is echter nog beperkt. Onze democratie heeft steeds meer een hybride karakter gekregen, waarin de klassieke op verkiezingen en representatie gebaseerde democratie wordt aangevuld door participatieve, deliberatieve en associatieve vormen van democratie. Wetenschappelijk heeft het zwaartepunt in het onderzoek tot voor kort vooral gelegen op de electorale democratie en politieke representatie. De recente ontwikkelingen vragen om gedegen empirisch onderzoek waarin electorale democratie en “between-election” democratie systematisch worden vergeleken op uitgangspunten, werking, verenigbaarheid en effecten, met uitdrukkelijke aandacht voor de rol van (nieuwe) media hierbij.

Multi-level governance and Europe.

4. In hoeverre is in de EU – als gevolg van Europeanisering en decentralisaties – daadwerkelijk sprake van een uitholling van de nationale staat en wat voor gevolgen heeft een eventuele verschuiving van het zwaartepunt in de interbestuurlijke verhoudingen voor het verloop van politieke besluitvormingsprocessen en de efficiëntie, de effectiviteit en legitimiteit van deze processen.

De interbestuurlijke verhoudingen zijn sinds de dagen van Thorbecke sterk veranderd. Dat leidt tot nieuwe invloedverhoudingen in een steeds sterker vervlochten bestuur. Het verloop van politieke en bestuurlijke besluitvormingsprocessen verandert. Het traditionele primaat van de nationale staat voor de sturing van grote maatschappelijke vraagstukken en de democratische legitimatie van deze sturing staat onder druk. Inzicht in de dynamiek van deze processen is enerzijds wezenlijk met het oog op de vergroting van het probleemoplossend vermogen en politieke sturing van economische en maatschappelijke transities die nodig zijn in het licht van de “grand societal challenges” van de EU. Het inzicht in deze dynamiek kan ook bij dragen aan een grotere transparantie van deze interbestuurlijke processen. Dit inzicht kan vervolgens de empirische basis zijn voor een debat over de mogelijke hervormingen die kunnen bijdragen op een versterking van de democratische legitimering van deze processen.

Methodologische innovatie

5. Op welke manier kunnen politicologen en bestuurskundigen, met in achtneming van eisen van zorgvuldig datamanagement en overwegingen van privacy, de veelheid aan nieuwe technieken (web-based interviewing) en nieuwe typen data (bijvoorbeeld uit sociale media en allerlei meet- en regelsystemen) benutten voor het beantwoorden van bovenstaande vragen?

Meer aandacht is nodig voor de ontsluiting, de opslag en de analyse van dergelijke nieuwe gegevens. Dit stelt nieuwe eisen aan de onderzoeksinfrastructuur. Een centrale vraag daarbij is hoe bijvoorbeeld de stortvloed aan gegevens uit sociale media en gegevens over mobiliteit afkomstig uit smart phones kunnen worden ondergebracht in een infrastructuur die zo goed mogelijk aansluit bij andere data-infrastructuren. Vervolgens is uiteraard ook de vraag hoe deze nieuwe gegevens effectief kunnen benutten bij het vergroten van ons inzicht in politieke en bestuurlijke processen en hun maatschappelijke effecten.

Samenvattend

De Nederlandse politicologie en bestuurskunde zijn internationale maatstaven toonaangevend. In het kader van het NIG en andere verbanden wordt nauw samengewerkt aan vragen die zowel maatschappelijk als economisch van groot belang zijn. In het licht van

Het onderzoek heeft uitdagende vragen, met een enorme maatschappelijke impact en, vanuit economisch oogpunt, een grote sense of urgency. In onze geavanceerde kennissamenleving is het maximaal benutten van individuele talenten en het verminderen van risico's op cognitieve uitval urgenter dan ooit tevoren in de geschiedenis van de mensheid. Hersen- en cognitiewetenschappen zijn bij uitstek het veld dat zich daarop richt. Door de goede organisatiegraad kan dit veld snel reageren op nieuwe ontwikkelingen en grensverleggend onderzoek bevorderen, nu en in de toekomst. Om al deze redenen is een prominente positie van dit onderwerp op de Nationale Wetenschapsagenda 2015 gerechtvaardigd en belangrijk.