MESA+ University of Twente
Website Dave H.A. Blank

Media

Interview Twentsche Courant Tubantia

Door Malou Willemars

Je mag hem best een workaholic noemen, alhoewel het een beladen term is.

Een workaholic wil hij zichzelf niet noemen, dat vindt hij een te beladen term. Maar Dave Blank leeft wel voor zijn werk. Dingen half doen, wil hij niet, dingen slecht doen al helemaal niet. Zijn nachten duren niet langer dan vijf uur, zijn werk gaat zeven dagen per week door. Maar toch is hij rust zelve. En de deur van zijn werkkamer staat uitnodigend open. Voor iedereen die hem nodig heeft.

Tijd heb je niet, die maak je

Noem hem geen professor Blank, want daar houdt hij helemaal niet van. Hij is gewoon Dave. Dezelfde Dave die in de eerste klas van de Mulo bleef zitten, omdat het hem allemaal maar weinig kon schelen. Dezelfde Dave die tijdens zijn studie liever actief was voor de volleybalvereniging dan dat hij achter de boeken zat, en die zijn studietijd 'over behoorlijk wat jaren heeft uitgesmeerd.'

Dat hij nu tot de wereldwijde top op zijn vakgebied behoort, is geen reden om dik te doen, vindt hij. De deur van zijn kamer in het gebouw Langezijds op de Campus, staat als het even kan open. Wie wat te vragen of bespreken heeft, is welkom. Als zijn telefoon rinkelt, neemt hij die op. De zestig mails die per dag bij hem binnenkomen, krijgen een antwoord, al kan dat soms wel even duren.

Het is soms lastig om het allemaal even snel en goed te doen, 'maar je kunt niet verslappen. Als je als hoogleraar niet benaderbaar bent voor de mensen die je nodig hebben, kun je er wel mee stoppen.'

Hij gelooft er niet in, dat beeld van 'de verstrooide professor', een oude man die zich in stoffige eenzaamheid opsluit met zijn boeken en proeven en daarbij door niemand gestoord wil worden. 'Zo werkt het niet, de wetenschap is geen vak voor egoïsten. Wie geen oog heeft voor de mensen waarmee hij werkt, haalt nooit de top. En als je die top haalt, kan je juist iets voor anderen betekenen.'

Met zijn nonchalant uit de broek bungelende overhemd, warrige haar en jeugdige blik voldoet hij in ieder geval niet aan het stereotype.

Misschien ligt het aan de weg die hij belopen heeft. Hij was niet het briljante kind dat alles op zijn sloffen haalde. Sterker nog: school interesseerde hem niet. Na een mislukt jaar op de mulo liet zijn vader, docent werktuigbouwkunde op de MTS, hem kennismaken met techniek. 'Dat was het. Wow! Dat dat mogelijk was. Totale fascinatie. En dat is altijd zo gebleven.'

Hij ging naar de LTS en daarna naar de MTS in Enschede. 'Daar merkte ik voor het eerst dat het me wel leuk leek om les te geven. Ik dacht over de kweekschool, maar het werd toch de HTS. Ik was nog lang niet uitgekeken op de technologie, er waren nog te veel mysteries die me fascineerde.'

Met zijn diploma op zak, besloot hij om terug te gaan naar Amsterdam, de stad waar hij geboren is en omgeving waar hij tot zijn dertiende woonde. 'Weg uit Twente, ik moest en zou weer naar het westen. Maar toen ik er eenmaal zat, bij Shell, beviel het minder dan ik gedacht had. Het werk was niet uitdagend genoeg, het wonen beviel me niet. Ik was blijkbaar toch teveel Tukker geworden.'

Hij kwam terug naar Twente, ging aan de universiteit studeren en deed vervangende dienstplicht als technicus bij de vakgroep Lage Temperaturen.

Toen kreeg hij de kans op te promoveren. 'Totaal onverwacht eigenlijk, ik was nog niet eens klaar met mijn studie. Maar ik heb die kans met beide handen aangegrepen en ontdekte hoe mooi de wetenschap kan zijn. Vanaf dat moment was er geen twijfel meer over mogelijk.'

Hij geeft het toe, hij leeft voor zijn werk. Als hoogleraar anorganische materiaalkunde “een geweldig leuke enthousiaste groep”, werkt hij aan de ontwikkeling van nieuwe materialen voor de nanotechnologie. 'Lego in het klein' noemt hij het. Niet om zijn werk te bagatelliseren, maar omdat hij weet dat het anders de meeste mensen boven de pet gaat. 'Techniek schrikt af, zeker als je het hebt over onderzoek op nanoniveau. Mensen kunnen zich daar geen voorstelling van maken. Maar het is de kunst om de mensen toch te laten zien hoe mooi en nuttig het kan zijn. Als ik zeg dat wij legoën met moleculen wordt het al duidelijker. Van kleine brokjes maken wij iets nieuws, zoals een kind met lego doet. Dat kind begint in een bak te graaien en in het wilde weg te bouwen. Maar het kind ontwikkeld zich en op een gegeven moment is daar ineens een huis, iets waar je wat mee kunt. Dat doen wij ook. Maar dan wat ingewikkelder. En wij bouwen geen huizen, maar materialen met bijzondere, superieure eigenschappen. Met zijn vriend en collega Guus Rijnders werkt hij aan deze materialen met eigenschappen die je in de natuur niet tegenkomt. Bijvoorbeeld voor informatie opslag,.'

Zijn werk is baanbrekend, wereldwijd kennen vakbroeders zijn naam. Zijn agenda is overvol. Nu, aan het begin van het academisch jaar, is de hectiek het grootst. Hij begeleidt postdocs, promovendi en studenten bij hun onderzoek. Sinds vorig jaar is er een nieuwe studierichting “Advanced Technology” waar de student breed wordt opgeleid met mogelijkheden zich te specialiseren en om ondernemend te zijn. Hij is nauw betrokken bij deze opleiding en zichtbaar verheugd dat de studie zo goed aanslaat bij de WO leerlingen.

Houdt stafvergaderingen, schrijft nota's met meerjarenplannen voor nano-onderzoek voor de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en voor Europese onderzoeksinstituten. Hij heeft in een week tijd twee congressen, waar hij lezingen houdt en contact heeft met vakgenoten.

Schrijft wetenschappelijke artikelen, geeft feedback aan collega's die een artikel willen publiceren.

En dan is hij daarnaast nog actief in allerlei andere organisaties. Hij is voorzitter van het bestuur van Kunst in het Volkspark, zit in de raad van advies van het ROC van Twente, is dit jaar voorzitter van de Rotary Enschede-Hengelo Dubbelstad, hoofdredacteur van Natuurkunde.nl, mede organisator van Qua Art Qua Science, een initiatief om kunst en wetenschap met elkaar in contact te brengen door gezamenlijke tentoonstellingen.

'Het is veel, ik vraag me ook wel eens af hoe ik het moet doen. Meer dan vijf uur slaap heb ik niet nodig, dus…. En dan nog verschuift een deel van het werk door naar het weekend. Het kan niet anders. Maar het is ook geen probleem; een gezinsleven heb ik niet. Misschien dat het anders ligt als je kleine kinderen hebt die thuis op je wachten. Maar bij mij is dat er nooit van gekomen.' Hij haalt zijn schouders op. 'Dat is geen drama, maar een keuze.

Ik was druk, veel op reis, had genoeg aan mijn werk, voelde de behoefte niet om me op zo'n manier te settelen. En ik mis het niet. Ik heb een aantal goede vrienden, op wie ik kan terugvallen. Mensen met wie het contact zo goed is dat je de draad telkens zonder moeite weer oppakt. Als je ze ziet is het goed. Die vrienden heb ik, verspreid over de hele wereld. Maar hier in de regio ook, een vaste vriendengroep. Mensen die ik al ken zolang ik me kan heugen. Ze zijn bijna familie van me, hun kinderen zijn als het ware mijn kinderen. Elk jaar gaan we met elkaar een week op wintersport, vaste prik.

Die week is heilig. Je verzet nog eerder je afspraken, dan dat je die week aan je neus voorbij laat gaan. Daar maak je maar tijd voor.' Alhoewel, 4 jaar geleden moest hij toch de vakantie onderbreken omdat de groep een prachtige doorbraak had bewerkstelligd, daar moest zelfs deze week voor wijken en de lange latten werd ingeruild voor een vliegtuigstoel naar Seatle waar de resultaten gepresenteerd werden.

En hoewel het hem vaak lukt om de tijd naar zijn hand te zetten, wordt hij af en toe keihard met de neus op de feiten gedrukt. Begin dit jaar werd zijn broer ziek. Kanker, tumoren in zijn hoofd. 'De artsen gaven hem nog twee maanden. Onwerkelijk is dat. Het ene moment speelt tijd nog helemaal geen rol, leef je zonder er al te veel over na te denken. Het volgende moment is het ineens de allesbepalende factor. Een klok die onverbiddelijk tikt, zonder dat je er iets tegen in kunt brengen. Twee maanden, zo weinig... Het leven op zijn kop. Na een maand kon hij niet meer thuis verzorgd worden. Hij ging naar een hospice in Hengelo. Geweldig, dat dat mogelijk is. Mensen, vreemden toch eigenlijk, die je alle zorg geven die je nodig hebt. Niet alleen medische zorg, bedoel ik, ze doen veel meer. Mijn andere broer regelde alles zo'n beetje, ik ging als het even kon naar Hengelo, maar hij heeft er vele nachten doorgebracht.

We hebben veel gepraat, zolang dat ging. Niet over zijn ziekte, de dood, of wat hij allemaal zou missen, maar over de plannen die we allebei nog hadden.

Hij had nog zoveel te doen, zat nog vol ideeën. Dingen waarvan hij vond dat ze moesten veranderen. En wat hij daaraan zouden doen.

Maar voor de momenten dat praten niet ging, had ik mijn laptop bij me. Mails beantwoorden in de tussentijd, dat kon daar prima. Ik besef wel dat dat voor sommige mensen onvoorstelbaar klinkt, hoe kun je aan werk denken als je broer op sterven ligt. Maar bij mij werkt dat nu eenmaal zo, ik was aan het werk waar anderen misschien een boek zouden meenemen. Ik heb trouwens nooit gemerkt dat hij er problemen mee had, daar kende hij me te goed voor. Na anderhalve maand in de hospice is hij overleden, voor mij ging het leven door. Het heeft me nog meer doen beseffen dat je nooit moet aarzelen. Doe alles wat je wilt. Neem nooit gas terug, je leeft maar een keer.'

En dat doet hij, met volle teugen.

Voor zijn werk reist hij de hele wereld af, maar zijn thuis ligt toch in Twente. Hij kan zich niet voorstellen dat hij er ooit vertrekt, al zijn er dingen in Nederland waar hij maar moeilijk aan kan wennen.

De negen tot vijf mentaliteit en de calvinistische scheiding tussen werken en genieten, is hem een doorn in het oog. 'Je hebt hier die prachtige campus, die biedt zoveel meer mogelijkheden dan werken alleen. Zie die omgeving, zie die prachtige architectuur. Maar er wordt veel te weinig gebruik van gemaakt. Het is zo Nederlands. Alsof werken eigenlijk een beetje vervelend moet zijn. Bijvoorbeeld, gasten vanuit het buitenland, je kan je geen boterham als lunch voorzetten, dat kan veel beter. Dus maakte hij samen met een aantal collega’s plannen voor de oprichting van een moderne, informele ontmoetingsplek, waarvoor hij zich niet hoefde te schamen. Die is er inmiddels, in de vorm van de Faculty Club, een omgebouwde oude boerderij met een mooi terras met keurige bediening, een goede menukaart en waar iedereen, ook buiten de universiteit terecht kan. Blank is voorzitter van de stichting die de Club beheert. 'Wetenschap bedrijven is niet alleen maar achter de computer zitten en in gewijde 'hier wordt gewerkt'-stilte blokken op een probleem. Het is ook overleggen, ideeën delen, elkaar op de hoogte houden van je bezigheden. Mensen onderschatten dat sociale.'<QA0> Voor hem zijn beide niet te scheiden. Gasten uit het buitenland logeren bij hem thuis. Studenten en collega's mogen langskomen. Liefst voor een gezamenlijke maaltijd. 'Lekker samen in de keuken staan, flesje wijn erbij, praten, in de weer zijn met eten. Lang tafelen. Twee jaar terug heb ik een enorme professionele keuken in laten bouwen in mijn huis. Alles wat je in een restaurant vind, vind je bij mij ook.' Een zespits gasstel, grill, Japanse kookplaat. 'Misschien een beetje veel van het goede, maar ik vind het heerlijk.'

Vooral de Japanse keuken heeft zijn interesse. 'Vroeger was het altijd Indisch. Lekker, leuk om te doen, al die verschillende smaken en gerechten en vaak zoet.

Maar dat kan ik niet meer hebben.' Een jaar of zes geleden, hij was net terug van een jaar in het buitenland, werd hij telkens midden in de nacht wakker. 'Ontzettende dorst, niet tegenaan te drinken. Nacht na nacht. Het bleek suikerziekte. De dokter die je dan vertelt dat je toch wat regelmatiger moet gaan leven en op vaste tijden moet eten. Mijn leven omgooien voor zoiets onbenulligs, ik zag het niet gebeuren. Gelukkig is het onder controle met medicijnen. Maar het zoete moest ik maar vergeten.'

Behalve aan het keukenblok leeft hij zich uit met de kwast. 'Ik vind mezelf geen kunstenaar hoor. Ik doe dit om me uit te leven. Eens in de zoveel tijd pak ik mijn schilderspullen en dan is het van klodder-klodder, een doek vol.'

In zijn werkkamer hangt iets van zijn hand. Fel gekleurd, abstract, grillig.

'Ik vind het mooi, dus het kan aan mijn eigen muur. Maar er zit niets diepers achter. Je moet het maar vergelijken met de tekeningen van kinderen. Die weten ook niet wat ze doen', zegt hij met een grijns. Schilderen is voor hem gewoon bezig zijn. Even helemaal los zijn van de dagelijkse dingen.

'Iemand vroeg pas aan me: waarom doe je dit eigenlijk allemaal. Ik stond even met mijn mond vol tanden. Echt, ik wist het niet zo snel te vertellen. Het zou flauw zijn om te zeggen dat ik er allemaal in ben gerold. Maar zo is het wel een beetje gegaan. Ik ben nog net zo gefascineerd door het vak dan jaren geleden. Elke stap in het onderzoek boeit, elke keer weer. Maar weet je, als op een dag blijkt dat we minder snel zijn dan een onderzoeksgroep in Japan, dan is mijn leven niet kapot. Dan pak je jezelf bij elkaar, zoekt een nieuwe uitdaging en gaat door. Je mikt wel ergens op, maar de weg ernaar toe is minstens zo mooi. Bovendien weet je dat je op dit vakgebied nooit klaar bent. Je ontdekt vanalles, maar na jou gaat het door. Als je dat weet, weet je dat je je kennis en ervaring moet delen met de mensen die het na jou moeten doen. Doorgeven wat je doorgeven kunt, mensen zo goed mogelijk stimuleren om op de toppen van hun kunnen te presteren.'

Alle dingen die ik naast mijn werk doe, hebben daarmee te maken. Mensen gebruik laten maken van mijn kennis, ervaring. Maar nu klinkt het net alsof ik het allemaal doe voor een betere wereld. Puntje bij paaltje vind ik alles wat ik doe gewoon te leuk om het te laten.'

Hij heeft nog dertien jaar voor zijn pensioen. Dat lijkt lang, maar het is zo voorbij. Op zijn bureau ligt, in een klein doosje, net het zilveren speldje liggen ter ere van zijn vijfentwintigjarig jubileum bij de universiteit. Hij vindt het maar niks, die 'mijlpaal'. Het vooruitzicht op zijn eigen afscheidsrede staat hem nog veel minder aan. 'Het liefst zou ik doorwerken tot ik niet meer anders kan. Een goede vriend van me, een hoogleraar op Stanford is nu 83. Hij komt nog elke dag naar het lab om zijn werk te doen. Hij kan vertellen over ontdekkingen die wij niet bewust hebben meegemaakt. De komst van vloeibaar helium in het lab. Voor mij al onvoorstelbaar, laat staan voor de jonge garde. Die man blijft zijn bijdrage leveren en wordt daar zeer om gewaardeerd. En hij is nog lang niet op. Als ik bij hem ben, gaan we 's morgens zwemmen in zijn zwembad en 's middags schrijven we aan een artikel. Heerlijk. Ik blijf naar hem toegaan zolang het kan. En hopelijk zijn er later mensen die dat net zo doen bij mij.'