Werken met niet-ioniserende straling

Inleiding

Niet-ioniserende straling is een verzamelnaam voor een aantal soorten straling, die in lage doseringen en zonder langdurige blootstelling niet schadelijk zijn. Niet-ioniserende straling kan zelfs bij zeer hoge intensiteitniveaus geen ionisatie in biologische systemen (lichaamscellen) veroorzaken. Dit is het grote verschil met ioniserende straling. Effecten kunnen echter wel ontstaan: opwarming of het veroorzaken van elektrische stromen in weefsels en cellen.

Blootstelling aan hogere doseringen of concentraties kunnen dus wel gevaarlijk zijn voor de mens, zoals radiofrequente straling van seal-machines en zendapparatuur, infrarode straling van lasbogen, hete voorwerpen en lasers (bijvoorbeeld de laserpen!) en UV-straling van lasprocessen, en sterilisatielampen. Over effecten als vermoeidheid, slaperigheid en carcinogeniteit is nog veel minder bekend. Er is veel discussie op dit terrein gaande, bijvoorbeeld wanneer het gaat om de veiligheid van mobiele telefoons, GSM-zendmasten, radars en dergelijke.

Wetgeving

Er zijn in de arbowet en het arbobesluit geen wettelijke vastgelegde normen m.b.t. niet-ioniserende straling vastgelegd. Dat betekent niet dat alles op het gebied van de niet-ioniserende straling is toegestaan. De werkgever is verantwoordelijk voor een veilige en gezonde werkomgeving en zal schadelijke effecten van niet-ioniserende straling dus tegen moeten gaan. Apparaten en machines die niet-ioniserende straling uitzenden moeten deugdelijk geconstrueerd zijn.

Voor elke soort straling zijn gezondheidskundige limieten vastgesteld. Het opsporen en beoordelen van bronnen van niet-ioniserende straling hoort bij de wettelijk verplichte risico-inventarisatie die een organisatie moet uitvoeren. Werkgevers moeten maatregelen nemen om een overschrijding van de limieten te voorkomen.

Specifieke informatie

UV-straling (frequentie tussen 750x1012 en 3000x1012Hz):

De belangrijkste organen die door UV worden ‘aangedaan’ zijn de huid en de ogen. UV-A straling dringt het diepste door en is daarmee het gevaarlijkste. Acute effecten zijn verbranding van de huid (“zonnebrand”) en hoorn- en bindvliesonsteking (“lasogen”). Op de lange termijn kunnen huidkanker en staar (vertroebeling van de ooglens) het gevolg zijn.

UV-licht met een golflengte kleiner dan 240 nm kan zuurstof omzetten in ozon. Ozon is een zeer schadelijke stof (MAC-waarde is 0,06 ppm tgg 1 uur).

De Gezondheidsraad heeft een advies uitgebracht over de maximale blootstelling aan UV-straling (1993). Onbedoelde UV-straling dient zoveel mogelijk beperkt te worden.

Zichtbaar licht (frequentie tussen 385x1012 en 750x1012Hz) en Infrarood (frequentie tussen 3x1011 en 385x1012Hz)

De schade die in het zichtbare deel van het spectrum kan optreden is beperkt. Ogen hebben een eigen beschermingsmechanisme (“dichtknijpen van ogen”). Alleen bij een teveel aan zichtbaar licht kan schade aan de ogen ontstaan. De kans op schade aan het netvlies is het grootste bij een golflengte tussen de 400 en 500 nm (“blue light hazard”).

 

Infrarood wordt opgedeeld in drie frequentiegebieden: IR-A, IR-B en IR-C. Infraroodstraling met een kleine golflengte (IR-A) kan tot diep in de huid en de ogen doordringen en voor thermische (warmte) schade zorgen van de netvliezen. Bij chronische blootstelling van de ogen kan staar ontstaan. Golflengtes die horen bij IR-B en IR-C kunnen niet verder doordringen dan de hoornvliezen en veroorzaken minder schade. De huid kan door overmatige blootstelling aan infrarood verbranden.

De normering voor dit deel van het spectrum is zeer ingewikkeld omdat de gevoeligheid van het lichaam sterk afhankelijk is van de uitgezonden golflengte. Bovendien zijn de verschillende lichaamsdelen niet allemaal even gevoelig. Meer informatie hierover is te vinden in het advies van de Gezondheidsraad (1993).

Microgolven (frequentie tussen 3x108 en 3x1011Hz) en radiogolven (frequentie tussen 3x105 en 3x108 Hz)

Microgolven veroorzaken een stijging van de temperatuur van het blootgestelde weefsel. De meest gevoelige organen in deze zijn de ogen, de huid en de testikels. Duidelijke bewijzen voor bijkomende (subjectieve) klachten als hoofdpijn, geïrriteerdheid en slaperigheid zijn er niet, maar worden wel vaak genoemd in de literatuur.

De effecten van radiogolven zijn grotendeels te vergelijken met de effecten van microgolven. Het aanraken van een voorwerp dat zich bevindt in een gebied met sterke radiofrequente straling kan zelfs brandwonden veroorzaken. Aan radiogolven worden veel subjectieve klachten toegeschreven: hoofdpijn, slaapstoornissen, vermoeidheid, algemene zwakte e.d..

Bij het vaststellen van de limieten wordt gekeken naar de niveaus van stroomdichtheid (in mA/m2) en de opname capaciteit daarvan in het lichaam. Deze variabele wordt de Specific Absorption Rate genoemd (de “SAR”). Echter de SAR en de geïnduceerde stroom in de mens is niet meetbaar. Als blootstellingslimieten zijn daarom afgeleide grootheden vastgesteld die wel meetbaar zijn: de sterkte van het elektrische- en het magnetische veld.

In het advies van de Gezondheidsraad (1997) over micro- en radiogolven worden blootstellinglimieten gegeven voor radiofrequente- en microgolfstraling per frequentiegebied.

 

Statische elektrische en magnetische velden/ELF-velden (frequentie lager dan 3x105 Hz)

Elektromagnetische velden zijn onder te verdelen in statische en ELF-velden. Statische elektrische velden zijn vaak ‘natuurlijke’ velden zoals het aardmagnetisch veld en velden die tijdens omweer ontstaan terwijl de ‘technische’ velden (d.w.z. door menselijk handelen opgewekt) vooral wisselvelden zijn met een frequentie van 50 Hz. Deze velden worden veroorzaakt door hoogspanningsdraden en elektrische apparatuur.

Er is veel onduidelijkheid over de effecten die de elektromagnetische en magnetische velden teweegbrengen. Zeker is dat personen die gebruik maken van elektronische hulpmiddelen (pacemakers, gehoorapparaten) hinder of schade kunnen ondervinden van ELF-velden

In uitzonderlijke situaties – met zeer hoge veldsterktes – zouden acute gezondheidseffecten bij de mens kunnen ontstaan.

Volgens de Gezondheidsraad zijn, volgens de huidige inzichten, geen gezondheidsklachten te verwachten van ELF-velden onder normale omstandigheden. Adviezen over de maximale blootstelling zijn te vinden in verschillende adviezen van de Gezondheidsraad (zie literatuurlijst).

Voor personen met een pacemaker moet een limietwaarde worden aangehouden van 0,5 mT. Maatregelen tegen de gevaren van rondvliegend metaal moeten genoemd worden bij fluxdichtheden hoger dan 3 mT. Analoge horloges, credit cards, computer diskettes kunnen negatief worden beïnvloed bij blootstelling hoger dan 1 mT (dit levert vooral ongemak, maar geen veiligheidsrisico’s).

Implementatie op de UT

Er zijn vele bronnen voor niet-ioniserende straling binnen de UT. In de praktijk blijkt dat bijna iedereen blootgesteld wordt aan één of meerdere bronnen van niet-ioniserende straling. Het grootste deel daarvan is niet van belang wanneer gekeken wordt naar mogelijke schade voor de gezondheid. Echter, het is wel van belang dat er voldoende inzicht is in het al dan niet aanwezig zijn van bronnen die bedoeld of onbedoeld niet-ioniserende straling uitzenden.

Uitvoeren Risico-inventarisatie en -evaluatie

De inventarisatie moet gericht zijn op het in kaart brengen van schadelijke bronnen van niet-ioniserende straling en de situaties waarin blootstelling aan deze bronnen plaats kan vinden. De grens tussen wel en niet schadelijk is niet makkelijk aan te geven, maar bij twijfel zal een nadere inventarisatie noodzakelijk zijn.

Bedacht dient te worden dat blootstelling vaak het gevolg is van een niet bedoeld vrijkomen (zoals UV-straling bij laswerk). Een inventarisatie is in ieder geval noodzakelijk indien:

-

ultraviolette straling vrijkomt of wordt gebruikt: bij lasers (zie ook ‘Richtlijnen en Voorschriften bij gebruik van lasers’), bij lassen en bij desinfectie d.m.v. UV-licht;

-

infrarode straling vrijkomt: lassen, lasers;

-

wordt gewerkt met radiofrequente bronnen zoals (radio)zenders, industriële magnetrons, plastic sealers;

-

medewerkers werken met: grote statische elektromagnetische velden (NMR), elektrolyse apparatuur, hoogspanningskabels.

I Gegevens over de bronnen:

· Wat is de niet-ioniserende bron :
Geef aan om welke bron het gaat (UV, IR etc.);

· Gegevens over de grootte van de bron
Wat zijn de relevante frequenties van de straling en wat is de bijbehorende golflengte. De gegevens kunnen bekend zijn (fabrikant, leverancier). Mogelijk moeten metingen plaatsvinden. Deskundigheid op het gebied van het uitvoeren van dergelijke metingen is noodzakelijk; neem hierover contact op met een arbeidshygiënist of veiligheidskundige van de Arbo- en Milieudienst;

· Effecten die kunnen optreden
De mogelijke schadelijke effecten die kunnen optreden door contact met de niet-ioniserende straling (risico's voor met name huid en oog of het vrijkomen van andere gassen zoals ozon). Hierbij moet gebruik worden gemaakt van de meest recente informatie die bekend is uit publicaties van de Gezondheidsraad (zie literatuurlijst en www.gr.nl).

II Gegevens over werkzaamheden

Bij welke werkzaamheden kan niet-ioniserende straling vrijkomen. Is dit:

·

Bedoelde straling (zender, UV-desinfectie);

·

Onbedoelde straling (vrijkomend bij b.v. lassen of wanneer er gebruik wordt gemaakt van lasers (continue, periodiek).

III Blootgestelde groep(en)

·

Welke (groepen van) medewerkers, studenten of andere aanwezigen kunnen in aanraking komen met de bron;

·

Zijn er eventuele risicogroepen die risico lopen bij blootstelling (denk bijvoorbeeld aan personen met pacemakers).

IV Plan van Aanpak

·

Geef aan welke maatregelen genomen worden ter voorkoming van het optreden van schadelijke effecten. Denk hierbij aan de volgende zaken:

Optische straling/IR-straling/UV-straling:

-

Omhul de bron. Bijna elk materiaal is hiervoor bruikbaar: glas, perspex, gordijnen;

-

Bewaar afstand tot de bron (straling neemt af met kwadraat van de afstand);

-

Houd de tijd waarmee met de bron gewerkt wordt, beperkt;

-

Bescherm oog en huid (d.m.v. persoonlijke bescherming). Denk eraan dat de gebruikte bril beschermt tegen de juiste golflengte;

-

Als nevenproduct kunnen – als gevolg van verhitting - ozon of andere schadelijke gassen vrij komen. Gebruik dan goede afzuiging.

Radiofrequent/microgolfstraling

-

Tref voorzorgsmaatregelen aan apparatuur waardoor het maximale stralingsniveau nooit hoger kan worden dan strikt noodzakelijk is voor het goed functioneren;

-

Voorzie de bron van een metalen omhulsel (kooi van Faraday, goed geaard);

-

Schakel apparatuur uit als het niet wordt gebruikt;

-

Breng een zonering aan in de ruimte zodat personen niet ongemerkt in een hoog stralingsveld terecht komen;

-

Bewaar afstand tot de bron (straling neemt af met kwadraat van de afstand);

-

Er zijn weinig mogelijkheden qua persoonlijke beschermingsmiddelen.

ELF-straling

-

Probeer de afstand stralingsbron – medewerker zo groot mogelijk te houden;

-

Schakel apparatuur uit als het niet wordt gebruikt;

-

Pas maximale afschermingen toe door middel van opsluiting van stralingsbundels, afscherming van reflecties en omkasten van spanningvoerende delen;

-

Markeer gebieden die potentieel gevaarlijk zijn voor personen met pacemakers.

-

Markeer gebieden die gevaarlijk zijn in verband met het aantrekken van metaal en pasjes e.d. die kunnen worden ontregeld;

-

Er zijn weinig mogelijkheden qua persoonlijke beschermingsmiddelen.

Literatuur/verder lezen

1.

Gezondheidsraad, Optische straling, gezondheidskundige adviezen voor blootstelling aan elektromagnetische straling met golflengten tussen 100 nm en 1 mm, Publicatie 93/09.

2.

Gezondheidsraad UV-straling, Blootstelling van de mens aan UV-straling, Publicatie 86/09.

3.

Gezondheidsraad, Blootstelling aan elektromagnetische velden (0 Hz - 10 MHz), Publicatie 00/06.

4.

Gezondheidsraad, Gevaren van microgolfstraling en de daaruit afgeleide aanvaardbare stralingsniveaus, Publicatie 75/21.

5.

Gezondheidsraad Radiofrequente elektromagnetische velden, Publicatie 97/01.

6.

Elektromagnetische straling in arbeidssituaties, Ministerie van SZW, 1995.

7.

www.gr.nl (website gezondheidsraad).

8.

Brochure van ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: “Veilig werken met niet-ioniserende straling en velden” (zie www.minszw.nl).

Bijlage 1: Informatie over niet-ioniserende straling

Straling wordt gekenmerkt door de frequentie van de straling (in Hertz) en de golflengte van de straling (in meter). Niet-ioniserende straling heeft een frequentie lager dan 3x1015 Hertz (Hz) wat overeenkomt met een golflengte groter dan 100 nm.

Naamgeving

De naamgeving rondom niet-ioniserende straling is vaak erg verwarrend. Voor verschillende straling worden verschillende termen gebruikt (zichtbaar licht wordt uitgedrukt in een golflengte en microgolven met de frequentie). In het frequentiegebied waarin sprake is van zeer grote golflengten wordt niet over 'elektromagnetische straling' gesproken, maar over 'elektrische- en magnetische velden'. Als vuistregel kan aangehouden worden dat wanneer de afstand bron – blootgestelde korter is dan één golflengte dan wordt gesproken over ‘velden’; is deze afstand langer dan een golflengte dan wordt gesproken over ‘straling’. De grens ligt ongeveer bij golven met een frequentie van 100 MHz.

In onderstaande tabel zijn de verschillende soorten straling ingedeeld naar golflengte en frequentie. Daarnaast is de meest gebruikte aanduiding aangegeven.

Soort straling

Golflengte

Frequentie

Meest gebruikte aanduiding

ELF-velden

> 3000 m

< 0,3 MHz(1)

Elektromagnetische veld (V/m) en magnetische fluxdichtheid (T)

Radiogolven

1 – 3000 m

0,3 - 300 Mhz

Elektromagnetisch veld (V/m)

Microgolven

1 – 1000 mm

0,3 - 300 GHz

Frequentie (Hz)

Infraroodstraling

0,78 – 1000 µm

0,3 - 385 THz

Golflengte (m):

IR-A: 780 – 1400 nm

IR-B: 1400 – 3000 nm

IR-C: 3000 - 106 nm

Zichtbaar licht

400 – 780 nm

385 - 750 THz

Golflengte (m)

UV straling

100 – 400 nm

750 - 3000 THz

Golflengte (m):

UV-A: 315 – 400 nm

UV-B: 280 – 315 nm

UV-C: 100 – 280 nm

(1): M (mega) = 106

G (giga) = 109

T (tera) = 1012