Ioniserende straling

Ioniserende straling is straling die voldoende energetisch is om een elektron uit de buitenste schil van een atoom weg te slaan. Hierdoor krijgt het atoom in totaal een positieve lading in plaats van een neutrale lading, het atoom wordt geïoniseerd, wordt een ion. Deze straling kan men niet zien, horen, proeven ruiken of voelen.

Ionisatie kan op twee manieren gebeuren: direct of indirect. De directe wijze kan alleen plaatsvinden door geladen deeltjes zoals alfadeeltjes of bètadeeltjes. De indirecte wijze gebeurt in stappen. Een ongeladen deeltje of een foton (elektromagnetische straling) gaat een reactie aan met een atoom of een atoomkern. Hierbij ontstaan geladen deeltjes die op hun beurt andere atomen ioniseren.

De energie die een foton nodig heeft om een atoom te ioniseren hangt af van het soort atoom. Zo is er bijvoorbeeld voor waterstof een foton met een energie van 13,6 eV (één elektronvolt = 1,602 10-19 joule) nodig om het te ioniseren, dus straling van een frequentie van ongeveer 3,28 1015Hz, wat overeenkomt met de frequentie van ultraviolet licht. Voor andere atomen gelden dan andere waarden.

Ioniserende straling bestaat in verschillende vormen, namelijk:
1. deeltjesstraling
2. elektromagnetische straling

Voorbeelden van deeltjesstraling zijn: alfastraling, bètastraling (van β− elektronen en β+ positronen), neutronen, protonen. Elektromagnetische straling bestaat uit fotonen, afhankelijk van de frequentie spreekt men van röntgenstraling en gammastraling.