Werken met gevaarlijke stoffen (WMS)

Deze versie gaat uit van de oude etikettering volgens WMS, voor informatie over de oude en nieuwe regeling rond etikettering raadpleeg: Etikettering gevaarlijke stoffen (oud en nieuw)

Inleiding

Op basis van de Arbowet is een werkgever verplicht een beleid te voeren dat risico’s voor de veiligheid en gezondheid voor de medewerkers zoveel mogelijk uitsluit. Dit geldt ook voor situaties waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt.

Met gevaarlijke (of toxische) stoffen worden bedoeld:

·

Enkelvoudige chemische verbindingen en elementen (b.v. tolueen, lood, zoutzuur);

·

Mengsels van gevarieerde samenstelling (b.v. benzine, verven);

·

Als verontreiniging vrijkomend mengsel waarvan de samenstelling niet altijd bekend is (b.v. lasrook, reactiemengsels, uitlaatgassen).

Wetgeving

In het Arbobesluit zijn een aantal verplichtingen op het vlak van registratie, verpakking, aanduiding en verantwoorde opslag van gevaarlijke stoffen opgenomen. Ook andere wetgeving is hierbij van belang, zoals de Wet Milieubeheer (WM), de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (WVO), de Bestrijdingsmiddelenwet en de Wet Milieugevaarlijke stoffen (WMS).

De wetgeving met betrekking tot kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen wordt beschreven in de UT-richtlijn “werken met kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen”.

Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) met betrekking tot de blootstelling

Voor gevaarlijke stoffen op de werkplek zijn wettelijke bepalingen van kracht, die grotendeels zijn vastgelegd in hoofdstuk 4 van het Arbobesluit. Een belangrijk artikel is artikel 2 van dit hoofdstuk. Samengevat houdt dit artikel het volgende in:

1.

Indien medewerkers kans lopen op blootstelling aan stoffen die nadelig kunnen zijn voor de veiligheid en gezondheid, dan moet de werkgever een inventarisatie uitvoeren van de risico's waarbij rekening wordt gehouden met de aard, mate en duur van de blootstelling

2.

In deze inventarisatie moet in ieder geval worden beschreven om welke stoffen het gaat, in welke situaties blootstelling kan plaatsvinden en op welke wijze dit dan kan plaatsvinden.

3.

Daarnaast moet ook vastgesteld worden wat het blootstellingsniveau tijdens de werkzaamheden is.

Registratie

Om de aard van de blootstelling te kunnen beoordelen geldt voor de werkgever een verplichting om een register aan te leggen waarin de aanwezige gevaarlijke stoffen worden vermeld. Binnen de UT wordt hiervoor het GROS-systeem gebruikt. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval de stoffen die op grond van de WMS in een van de gevaarscategorieën van die wet moeten worden ingedeeld (zie voor de gevaarscategorieën: opslag van gevaarlijke stoffen in laboratoria). De verplichting geldt voor WMS-gevaarlijke stoffen ‘die met enige regelmaat’ en ‘uit aard van de bedrijvigheid’ in het bedrijf aanwezig zijn.

Implementatie op de UT

Op de UT zijn de gevaarlijke stoffen met name aanwezig in de gebouwen van de ‘technische’ faculteiten.

Uitvoeren RI&E

De inventarisatie moet volgens de wettelijke normen gericht zijn op de aard, de mate en de duur van de blootstelling van de medewerker(s) aan gevaarlijke stoffen. Dit betekent voor de UT dat het vooral van belang is om te inventariseren ‘hoe’ en ‘aan welke stof of stoffen’ een blootstelling kan plaatsvinden. Hierbij moet rekening worden gehouden met:

I Identiteit van de stof of het mengsel waarmee wordt gewerkt (in begin-, tussen- en eindfase)

·

Identiteit van de stof
Registreer de chemische naam en het CAS-nummer en eventuele grenswaarden van de stof (MAC). Indien van stoffen geen CAS-nummer bekend is (bijvoorbeeld nieuw gesynthetiseerde stoffen) kan volstaan worden met de chemische naam/structuurformule

·

Identiteit van het mengsel
Registreer per component het percentage en het CAS-nummer

II Gegevens over de risico’s van de stof of het mengsel. Informatiebronnen zijn:

·

GROS-systeem (Systeem op de UT voor registratie van gevaarlijke stoffen);

·

Veiligheidsinformatieblad van de leverancier. Een leverancier is verplicht om een veiligheidsinformatieblad te verstrekken. Dit veiligheidsinformatieblad dient op de werkplek aanwezig te zijn.

·

Veiligheidsinformatie is ook te raadplegen via het programma Chemfix of via het chemiekaartenboek of andere chemische literatuur;

(Indien geen/ nauwelijks informatie over de stof aanwezig is, kan gekeken worden naar gelijksoortige stoffen waarvan wel gegevens bekend zijn) of kan de AMC geraadpleegd worden.

III De aard van de verrichte werkzaamheden. De volgende mogelijkheden kunnen van toepassing zijn:

1.

Het proces verloopt in een gesloten systeem: Onder normale omstandigheden zal blootstelling niet plaatsvinden. Uitzonderingen zijn calamiteiten, opbouw en afbraak en onderhoud van het systeem. De blootstellingskans is normaliter gering.

2.

Het proces verloopt via een half gesloten systeem (bijvoorbeeld bad met deksel, zuurkast) en er is sprake van stoffen die niet verdampen, die geen stof vormen of die niet door de intacte huid kunnen worden opgenomen: De blootstellingskans is gering.

3.

Het proces verloopt via een half gesloten systeem en er is sprake van stoffen die bij 20 °C verdampen, die stof vormen of die door de intacte huid kunnen worden opgenomen: De blootstellingskans is matig.

4.

Het proces verloopt via een open systeem en er is sprake van stoffen die niet verdampen, die geen stof vormen of die niet via de intacte huid kunnen worden opgenomen: De blootstellingskans is gering.

5.

Het proces verloopt via een open systeem en er is sprake van stoffen die bij 20 °C verdampen, die stof vormen of die door de intacte huid kunnen worden opgenomen: De blootstellingskans is groot.

IV De manier waarop blootstelling plaats kan vinden. Het gaat hierbij om blootstelling die plaats zou vinden wanneer geen beschermende maatregelen getroffen zouden worden (zogenaamde potentiële blootstelling).

·

beschrijven van de aard van de gebruikte stof(fen) en de daaraan gerelateerde gevaren in vaste, vloeibare of gasvormige toestand:

- m.b.t. vaste stoffen: makkelijke verspreiding mogelijk van poeders of kristallen;

- m.b.t. vloeistof: is er kans op spatten, wordt er snel een damp (aërosol) gevormd;

- m.b.t. gassen: zwaarte van het gas (in verhouding tot lucht), vorming nevels

·

nagaan of blootstelling plaats kan vinden door inademing van damp (aërosol) of nevel via de huid of via opname door de mond;

·

rekening houden met eventuele versterkende effecten die kunnen ontstaan bij blootstelling aan meerdere stoffen (bijvoorbeeld in combinatie met oplosmiddel, makkelijke opname via huid); rekening houden met eventuele gevaarlijke omgevingsfactoren bij het onderzoek (werken bij hoge of lage temperatuur, werken met hoge drukken en dergelijke).

·

geïnventariseerd moet worden bij welke stappen in het werkproces zich welke calamiteiten voor kunnen doen; rekening houdend met de eigen opstelling, eventuele opstellingen in hetzelfde compartiment en andere omgevingsfactoren.

V Informatie over gebruik van de stof of het mengsel (liters of microliters), de plaats van

opslag, de kennis van de medewerkers die er mee werken.

VI Aan de hand van de inventarisatie van het bovengenoemde punt, kunnen de (groepen) medewerkers aangeduid worden die risico lopen om blootgesteld te worden (te denken valt aan: wetenschappelijk onderzoekers, studenten en technici).
Indien de hoogte van de blootstelling niet goed is in te schatten, maar er wel kans is op schadelijke concentraties van een stof dan zou een omgevingsmeting noodzakelijk kunnen zijn. Neem hiervoor contact op met een deskundige van PA&O.

VII Plan van aanpak

Geef aan welke maatregelen genomen worden ter voorkoming van blootstelling.

-

Als bronbestrijding redelijkerwijs niet haalbaar is: ventilatie, scheiding van mens en bron of in het uiterste geval toepassing van persoonlijke beschermingsmiddelen voor het beschermen tegen restrisico's. Geef aan welke organisatorische of technische maatregelen genomen moeten worden.

-

Wat moet gedaan worden om calamiteiten (die in stap IV onderkend zijn) te voorkomen.

Technische en organisatorische maatregelen

Etikettering, opslag en afvoer

Emballage met gevaarlijke stoffen moet als zodanig herkenbaar zijn. Het etiket op de verpakking dient de volgende informatie te bevatten:

·

Chemische naam van de gevaarlijke stoffen;

·

Eventuele gevarensymbolen en –benamingen;

·

R- en S- zinnen.

Dit betekent dat ook flesjes, erlenmeyers en dergelijke voorzien moeten worden van een dergelijk etiket indien de inhoud na aanmaak of overgieten wordt bewaard (langer dan één dag). Voor werkoplossingen van één dag kan volstaan worden met de chemische naam van de gevaarlijke bestanddelen.

De opslag van deze stoffen moet zodanig zijn dat deze overeenkomt met de milieuvergunning van de UT (conform PGS 15). Zie hiervoor de regeling opslag van gevaarlijke stoffen in laboratoria.

Gemorste (afval) stoffen moeten direct opgeruimd worden. Gemorste resten van zowel organische oplosmiddelen, zuren en basen kunnen geabsorbeerd worden met een universeel absorptiemiddel (b.v. Chemizorb). Op alle laboratoria dient absorptiemiddel aanwezig te zijn.

Binnen de UT bestaan uitgebreide regels met betrekking tot afvalverzameling en afvoer van gevaarlijke stoffen. Zie hiervoor de regeling afvoer bedrijfsafval en gevaarlijk afval UT. Naleving van deze regels is verplicht.

Bedrijfshulpverlening

In overleg met de bedrijfshulpverleningsorganisatie van het gebouw moet worden nagegaan of er een speciale calamiteitenprocedure opgezet moet worden. Indien dit het geval is moet dit meegenomen worden in de voorlichting naar betrokken medewerkers en bedrijfshulpverleners. In een aantal laboratoria wordt gewerkt met stoffen die, bij onbedoelde blootstelling of onbedoelde reacties, kunnen leiden tot acute vergiftigingsverschijnselen. Deze vergiftigingsverschijnselen kunnen mogelijk, indien niet adequaat en snel gehandeld wordt, de dood tot gevolg hebben. Voorbeeld van deze stoffen zijn o.a. cyanide-verbindingen en waterstoffluoride. Voor dergelijke stoffen is binnen de UT een EHBO-protocol opgesteld.

Medisch onderzoek

Het nut van een medisch onderzoek gevaarlijke stoffen bij medewerkers in een laboratorium is omstreden. Indien blootstelling aan gevaarlijke stoffen mogelijk is en dit ook tot waarneembare gezondheidsrisico’s kan leiden, is het verplicht om de betreffende medewerker een arbeidsgezondheidskundig onderzoek (AGO) te laten ondergaan. Hoe het onderzoek moet plaatsvinden is geheel afhankelijk van de stof of stoffen waarmee gewerkt wordt. Overleg dient hierover plaats te hebben met de arbodienst (hier moet het onderzoek ook uitgevoerd worden). In de praktijk blijkt dat voor werknemers die werkzaam zijn in een laboratorium, het vaak lastig is om een gerichte AGO uit te voeren omdat medewerkers aan verschillende stoffen bloot staan. Bovendien zijn er niet veel stoffen waarvoor gevalideerde onderzoeksmethoden bestaan.

Indien onderzoek zinvol is, kan gedacht worden aan het meten van de stof in bloed, urine of uitademingslucht. Aandachtspunten voor de uitvoering van een AGO zijn:

·

De arbodienst moet op de hoogte zijn van de voorwaarden en omstandigheden van de blootstelling;

·

Er moet een medisch dossier opgesteld worden waarin ook het beroepsverleden van betrokken medewerker is vastgelegd;

·

De arbodienst moet een persoonlijk gesprek met de medewerker kunnen voeren.

Voorlichting

Medewerkers, studenten en derden moeten op de hoogte gesteld worden van risico's die zij lopen door het werken met bepaalde stoffen. Hierbij moet betrokkene gewezen worden op:

·

De mogelijke gevaren voor de gezondheid als gevolg van blootstelling aan de stoffen en dampen waarmee gewerkt wordt;

·

De veiligheids- en preventieve maatregelen die genomen zijn en de redenen waarom deze maatregelen genomen zijn;

·

De ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen en de wijze waarop men de beschermingsmiddelen moet gebruiken en onderhouden;

·

Indien van toepassing: de bestaande regels, de inhoud en de betekenis van een periodiek te herhalen medisch (gezondheidskundig) onderzoek.

Persoonlijke Beschermingsmiddelen

Bij het werken met gevaarlijke stoffen is het dragen van een veiligheidsbril en een labjas verplicht. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden (zie onder Uitvoeren RI&E) dienen daarnaast andere persoonlijke beschermingsmiddelen te worden gedragen. Zie hiervoor ook de richtlijn werken met persoonlijke beschermingsmiddelen.

Literatuur/verder lezen

1.

Arbo-informatieblad nummer 18: Laboratoria (uitgever SDU)

2.

Arbobesluit, Hoofdstuk 4

3.

Milieuvergunning Universiteit Twente