Opslag van gevaarlijke stoffen in laboratoria (GHS)

Verkorte versie van Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 15): UT voorschriften voor opslag en omgaan met gevaarlijke stoffen en gasflessen gebaseerd op de PGS 15

Deze versie gaat uit van de nieuwe etikettering volgens GHS, voor informatie over de oude en nieuwe regeling rond etikettering raadpleeg: Etikettering gevaarlijke stoffen (oud en nieuw)

De PGS 15 geeft, als opvolger van de CPR 15-1, richtlijnen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen op het gebied van brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid. De richtlijn wordt door de overheid gehanteerd bij het verlenen van de vergunning Wet milieubeheer.

Het PGS 15 gaat uit van de vervoerswetgeving, het ADR dat Europees is vastgesteld.

Het PGS 15 is met name opgesteld voor magazijnen en industriële opslagvoorzieningen. De verpakkingen die hier gebruikt worden zijn ook de verpakkingen (en etiketten) die bij het vervoer van gevaarlijke stoffen worden gebruikt.

De klassen waarop de PGS 15 van toepassing is zijn:

Klasse 2

spuitbussen en gasflessen

Klasse 3

Brandbare vloeistoffen

Klasse 4.1

Brandbare, zelfontledende vaste stoffen en ontplofbare vaste stoffen in niet explosieve toestand

Klasse 4.2

voor zelfontbranding vatbare stoffen

Klasse 4.3

stoffen die met water brandbare gassen ontwikkelen

Klasse 5.1

oxiderende stoffen

Klasse 5.2

organische peroxiden

Klasse 6.1

giftige stoffen

Klasse 6.2, cat. 13 en 14

ziekenhuisafval UN 3291 en diagnostische monsters UN 3373

Klasse 8

bijtende stoffen

Klasse 9

milieugevaarlijke stoffen (met uitzondering van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s)

CMR stoffen

Carcinogene, Mutagenen, Reprotoxische stoffen (categorie 1 en 2). De verdachte stoffen (categorie 3) zijn niet opgenomen

Gevaarlijke afvalstoffen

 

Laboratoria kenmerken zich door de aanwezigheid van veel diverse soorten stoffen, veelal in beperkte volumina. De verpakkingsgrootte is maximaal 2,5 liter voor vloeistoffen in flessen tot 20 liter in vaten. Bij gebruiksverpakkingen is alleen het gebruiksetiket volgens het GHS te zien. Veel flessen vormen ook de werkvoorraad van het laboratorium. Daarnaast zijn er vaten voor het vaste en vloeibare gevaarlijke afval.

Afhankelijk van de gevarenklasse moeten stoffen worden opgeslagen in een brandveiligheidskast, giftkast of zuur/base-kast. Algemene uitgangspunten voor de opslag van gevaarlijke stoffen zijn:

·

Giftige stoffen in een afsluitbare (chemicaliën)kast;

·

Zuren en basen - gescheiden - opgeslagen in lekbakken in geventileerde kasten;

·

Brandbare stoffen in geventileerde brandwerende kasten (die voldoen aan NEN –EN-14470-1: bij voorkeur 90 minuten brandwerend). Brandbare stoffen in de koelkast alleen als deze ‘explosieveilig' is uitgevoerd en het kleine hoeveelheden (< 100 ml) betreft die goed afgesloten zijn. Op de koelkast dient duidelijk te worden aangegeven of deze explosieveilig is uitgevoerd. Indien koelkast niet explosieveilig is uitgevoerd dient op de koelkast duidelijk te worden aangegeven dat de koelkast niet geschikt is voor het bewaren van brandbare stoffen. Zie voor nadere informatie: Opslag gevaarlijke stoffen in een koelkast of diepvries. Informatie over (geventileerde) brandwerende koelkasten is te verkrijgen bij de VGMc.

·

Oxiderende stoffen alleen in kleine hoeveelheden bij andere stoffen (bijv. geconcentreerde zuren) en anders in aparte kasten;

Explosieve stoffen vallen niet onder de CPR 15-1. Bekijk per stof wat de veiligste opslag is.

Met elkaar reagerende stoffen waarbij gevaarlijke gassen of dampen kunnen vrijkomen of gevaarlijke situaties zoals explosies of warmteontwikkeling kunnen ontstaan, moeten gecompartimenteerd worden opgeslagen. Raadpleeg het chemiekaartenboek of het veiligheidsinformatieblad van elke stof ten aanzien van mogelijke gevaarlijke combinaties van chemicaliën. Het is bijvoorbeeld verboden om (hypo-) chlorietoplossingen op te slaan bij zuren. Salpeterzuur mag niet opgeslagen worden bij mierezuur, azijnzuur, zoutzuur en formaldehyde-oplossingen. Een overzicht van gevaarlijke reacties bij combinaties van verschillende stoffen is opgenomen in bijlage 2 van de regeling afvoer bedrijfsafval en gevaarlijk afval UT.

Op een afdeling moet de werkvoorraad zo klein mogelijk zijn maar mag deze bij voorkeur ten hoogste 1 kg of liter per m2 zijn of gelijk aan de voorraad die nodig is voor het verbruik van één dag of één batch”. De berekening van 1 kg of liter per m2 sluit aan bij de veiligheidsnormering bij brandgevaar. De werkvoorraad in een laboratorium is de hoeveelheid aan gevaarlijke stoffen die voor de uitvoering van de analyses en experimenten strikt noodzakelijk is, zoals de reagentia in de analysers en de reagensflessen voor bepalingen. Ook vanuit de arbowetgeving moet de hoeveelheid zo laag mogelijk gehouden worden en moeten maatregelen getroffen worden om blootstelling bij ongewenste gebeurtenissen te voorkomen. Plaats daarom ook de werkvoorraad van (brandbare) vloeistoffen op de laboratoriumtafel zo veel mogelijk in een lekbak. Berg de vaten en flessen aan het eind van de dag weer op in de daarvoor geschikte kast. Afvalvaatjes die in gebruik zijn voor het verzamelen van gevaarlijk afval vallen niet onder een werkvoorraad: het zijn voornamelijk waterige oplossingen. Volle afvalvaten dienen zo snel mogelijk worden afgevoerd, wanneer dit niet mogelijk is vindt opslag plaats in een veiligheidskast

Bij het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen in de gebruikersverpakking wordt de opslag in (veiligheids)kasten op laboratoriumschaal bepaald door de GHS indeling, en niet volgens ADR.

In de tabel op de volgende bladzijden is op basis van het gevaarssymbool van een stof en de H-zin(nen) de wijze van opslag binnen een laboratorium weergegeven.

De eisen voor de opslagvoorzieningen (specificatie kast, brandwerendheid, aantal per verdieping enz.) zijn weergegeven in Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) 15, UT voorschriften voor opslag en omgaan met gevaarlijke stoffen en gasflessen gebaseerd op de PGS 15 (augustus 2006).

Gevarenklassen

Gevaarssymbool

H-zin(nen)

Opslag

Fysische gevaren

 

- Ontplofbare stoffen

- Zelfontledende stoffen en mengsels

- Organische peroxiden

200

201

202

203

240

241

I.o.m. AMC

Ontplofbare stoffen (subklasse 1.4)

204

I.o.m. AMC

Ontvlambare gassen, aërosolen, vloeistoffen en vaste stoffen

220

222

224

225

228

Brandveiligheidskast

Ontvlambare aërosolen en vloeistoffen

223

226

Brandveiligheidskast

- Pyrofore vaste en vloeistoffen.

- Zelfontledende stoffen en mengsels

- Voor zelfontbranding vatbare stoffen en mengsels

- Stoffen en mengsels die in contact met water ontvlambare gassen ontwikkelen

- Organische peroxiden

250

260

261

241

242

251

252

Brandveiligheidskast

- Oxiderende gassen, vloeistoffen en vaste stoffen

270

271

272

Brandveiligheidskast

Gassen onder druk

280

281

Gasflessenkast

Bijtend voor metalen

290

Zuur/base-kast

Gezondheidsgevaren

 

Acute toxiciteit

300

310

330

301

311

331

Brandveiligheidskast

Giftkast

- Mutageen in geslachtscellen

- Kankerverwekkend

- Giftig voor de voortplanting

STOT (éénmalige en herhaalde blootstelling)

- Sensibilisatie van de luchtwegen

- Aspiratiegevaar

340

350

360

370

372

334

304

Brandveiligheidskast

Giftkast

- Mutageen in geslachtscellen

- Kankerverwekkend

- Giftig voor de voortplanting

- STOT (éénmalige en herhaalde blootstelling)

- Sensibilisatie van de luchtwegen

341

351

361

371

373

Brandveiligheidskast

Giftkast

Acute toxiciteit

302

312

332

Brandveiligheidskast

Giftkast

- Huidcorrosie

- Ernstig oogletsel

314

318

Zuur/base-kast

- Huidirritatie

- Oogirritatie

- Huidsensibilisatie

- STOT (éénmalige blootstelling)

315

317

319

335

336

Brandveiligheidskast

Milieugevaren

 

Gevaar voor het aquatisch milieu

400

410

411

Afhankelijk van evt. ander gevaarssymbool doch altijd in lekbak.

Naast de brandgevaarlijke stoffen mogen onder bepaalde voorwaarden ook andere gevaarlijke stoffen in een brandveiligheidskast worden opgeslagen. De stoffen die niet samen opgeslagen mogen worden moeten in aparte lekbakken van elkaar gescheiden worden.

Onderstaande tabel geeft aan welke klassen gezamenlijk of gescheiden moeten worden opgeslagen. Van de tabel kan gemotiveerd worden afgeweken op basis van b.v. veiligheidsinformatiebladen of indien stoffen wel kunnen reageren maar in zulke beperkte concentratie aanwezig zijn dat geen reacties hoeven te worden verwacht met bijzondere gevaren.

Gevaar conform de klasse zonder

bijkomend gevaar

Klasse

3

Klasse

5.1

Klasse

6.1

+ CMR

Klasse

8

Klasse

9

Klasse 3 (brandbare vloeistoffen)

-

V

B* of V

B

B

Klasse 5.1 (oxiderende stoffen)

V

-

B*

B

B

Klasse 6.1 (giftige stoffen)

CMR-stoffen

B* of V

B*

-

B*

B*

Klasse 8 (bijtende stoffen)

B

B

B*

B

B

Klasse 9 (alleen de milieugevaarlijke

stoffen)

B

B

B*

B

-

Toelichting:

V: Opslag van te scheiden stoffen in aparte vakken. Indien geen aparte vakken kunnen worden gerealiseerd, moet opslag in een apart brandcompartiment plaatsvinden, m.a.w. een aparte opslagvoorziening.

B: Gescheiden opslag tenzij is beoordeeld dat de stoffen niet met elkaar reageren of dat beide

stoffen als vaste stof zijn ingedeeld. Voor de beoordeling (B) wordt in principe uitgegaan van

de informatie zoals die in de Veiligheidsinformatiebladen (VIB, SDS of MSDS) wordt vermeld;

voor generieke producten kan ook gebruik worden gemaakt van informatie zoals vermeld in

het Chemiekaartenboek.

-: Gescheiden opslag niet noodzakelijk.

*: Stoffen met acute toxiciteit of CMR-stoffen moeten in een apart brandcompartiment, of het vak waar deze stoffen zijn opgeslagen zodanig kenmerken dat de medewerkers zich extra bewust

zijn van de gevaren.

Voor de overige giftige stoffen is het gewenst om, waar mogelijk, vakscheiding aan te houden

met stoffen van klasse 3.