Werken met kankerverwekkende en reprotoxische stoffen (WMS)

Deze versie gaat uit van de oude etikettering volgens WMS, voor informatie over de oude en nieuwe regeling rond etikettering raadpleeg: Etikettering gevaarlijke stoffen (oud en nieuw)

1. Inleiding

Zeer vergiftigStoffen die in staat zijn kanker bij de mens te veroorzaken of te bevorderen worden beschouwd als carcinogeen (kankerverwekkend). Dit kan gebeuren door een blootstelling aan een enkelvoudige (kankerverwekkende) stof of een (kankerverwekkend) mengsel. Kankerverwekkende stoffen zijn naast het gevaarssymbool te herkennen door de R-zin (risico-aanduiding):

R45: Kan kanker veroorzaken of

R49: Kan kanker veroorzaken bij inademing

IrriterendDaarnaast zijn er stoffen waarvan het niet bewezen is dat ze kankerverwekkend zijn maar deze stoffen zijn wel verdacht. Deze stoffen zijn te herkennen aan het gevaarssymbool schadelijk en de R-zin:

R68: Onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten.

R68 is de vervanging van de oude R-zin 40 (Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten).

Mutagene stoffen kunnen het erfelijk materiaal van een cel veranderen (muteren). Deze stoffen zijn te herkennen aan R-zin 46. Kan erfelijke genetische schade veroorzaken.

Voor een overzicht van kankerverwekkende en mutagene stoffen zie: SZW lijst van kankerverwekkende, mutagene en voor de voortplanting giftige stoffen, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Bepaalde stoffen bedreigen niet de gezondheid van de medewerkers zelf, maar wel de mogelijkheid tot het verwekken tot nageslacht of de gezondheid van dat nageslacht. Deze stoffen worden reprotoxisch genoemd. Deze stoffen worden vaak als volgt ingedeeld:

·

Effecten op de voortplantingsorganen (bijvoorbeeld aantasting hormoonhuishouding);

·

Effecten op voortplantingscellen (sperma- en/of eicellen) door mutaties in het DNA of aantasting van de chromosomen;

·

Effecten op het ongeboren kind in de baarmoeder. Deze stoffen worden ook wel teratogeen genoemd;

·

Effecten die via de moedermelk op het kind inwerken.

Dergelijke stoffen zijn te herkennen aan de volgende R-zinnen:

R60 Kan de vruchtbaarheid schaden;
R61 Kan het ongeboren kind schaden;
R62 Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid;
R63 Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind;
R64 Kan schadelijk zijn via de borstvoeding.

Voor een overzicht van voor de voortplanting giftige stoffen zie: Lijst van kankerverwekkende, mutagene, en voor de voortplanting giftige stoffen | Externe bronnen | Arboportaal(vanaf blz. 9).

Indien het zeker is óf indien het waarschijnlijk is dat een medewerker werkzaamheden gaat uitvoeren waarbij kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen betrokken zijn, moeten de richtlijnen – zoals beschreven in dit document - gevolgd worden. Voordat er sprake is van zwangerschap is de invloed van belastende factoren uit het werk op de vruchtbaarheid en het erfelijk materiaal van mannen en vrouwen van belang. De regeling ten aanzien van reprotoxische stoffen geldt dus niet alleen tijdens de zwangerschap of het geven van borstvoeding maar juist ook in de periode hieraan voorafgaand voor personen (man/vrouw) met een kinderwens.

2. Wetgeving

Werkzaamheden met kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen mogen alleen onder randvoorwaarden uitgevoerd worden. Deze voorwaarden zijn zowel verwoord in de milieu- als ook in de arbeidsomstandighedenwetgeving.

In het Arbobesluit, artikelen 4.2 en 4.13, wordt gesteld dat in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie op elke arbeidsplaats de mogelijke blootstelling aan kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen beoordeelt en, indien nodig, gemeten dient te worden om te bepalen waar en in welke mate medewerkers aan gevaarlijke stoffen kunnen worden blootgesteld.

Naast de algemene registratieverplichting voor gevaarlijke stoffen (zie richtlijn werken met gevaarlijke stoffen) geldt voor kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen een aanvullende registratieplicht (zie onder uitvoeren RI&E).

In een grote organisatie met veel vrouwen zijn altijd wel zwangere werkneemsters en werkneemsters in de periode van borstvoeding aanwezig. Werkgevers moeten beleid voeren ten aanzien van zwangerschap. Een werkgever moet het werk van een zwangere medewerkster en een medewerkster tijdens de borstvoeding van het kind zodanig organiseren dat dit geen gevaren met zich mee kan brengen voor haar eigen veiligheid en gezondheid en die van haar (ongeboren) kind. Zie hiervoor de UT-regeling werken tijdens Zwangerschap en Borstvoeding.

3. Implementatie op de UT

Op de UT zijn de meeste kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen aanwezig bij technische faculteiten. De verantwoordelijkheid om op een juiste manier met deze stoffen (de regels en voorschriften hierin) om te gaan ligt bij de leidinggevende en de gebruikers van deze stoffen.

Uitvoeren Risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E)

De inventarisatie moet gericht zijn op de aard, de mate en de duur van de blootstelling van de medewerker(s) aan (verdachte) kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen. Hierbij moet rekening worden gehouden met:

I Identiteit van de stof of het mengsel

·

Kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stof
registreer de chemische naam en Einecs-nummer (evt. CAS-nummer) en eventuele (wettelijke) grenswaarden van de stof en informatie over het al dan niet bestaan van een 'veilige waarde' .

·

Kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische mengsel of preparaat
registreren van handelsnaam/namen, de chemische naam van deze kankerverwekkende component(en) en de gewichtpercentages van deze kankerverwerkende component(en).

II De aard en gevaren van de stof(fen)

de gebruikte stoffen zijn in vaste, vloeibare of gasvormige toestand

- m.b.t. vaste stoffen: makkelijke verspreiding mogelijk van poeders of kristallen;

- m.b.t. vloeistof: is er kans op spatten, wordt er snel een damp gevormd;

-

m.b.t. gassen: zwaarte van het gas (in verhouding tot lucht), vorming nevels

mogelijk

III Motivatie voor het noodzakelijk gebruik van de stof of het proces, aangevuld met een

verklaring waarom vervanging van stof(fen) niet mogelijk is. Belangrijk is dat gemotiveerd wordt dat het vervangen van de kankerverwekkende, mutagene of reprotoxisch stof niet mogelijk is (geen alternatief aanwezig).

IV De afdeling waar de stoffen zich bevinden of het proces zich afspeelt (naam, nummer van de ruimte(n) waar met stof(fen) wordt gewerkt en waar deze worden opgeslagen).

V De hoeveelheid van de stof die op jaarbasis aanwezig is voor gebruik en de frequentie

van toepassing van het proces.

VI De aard van de verrichte werkzaamheden:

·

vinden de handelingen met de stof handmatig, geautomatiseerd of mechanisch plaats?

·

is er sprake van een open of gesloten systeem?

VII De manier waarop blootstelling plaats kan vinden. Het gaat hierbij om blootstelling die plaats zou vinden wanneer geen beschermende maatregelen getroffen zouden worden (zogenaamde potentiële blootstelling).

·

nagaan of blootstelling plaats kan vinden door inademing van damp (aërosol) of nevel via de huid of via opname door de mond;

·

rekening houden met eventuele versterkende effecten die kunnen ontstaan bij blootstelling aan meerdere stoffen (bijvoorbeeld in combinatie met oplosmiddel, makkelijke opname via huid);

·

geïnventariseerd moet worden bij welke stappen in het werkproces zich welke calamiteiten voor kunnen doen.

VIII Aan de hand van de inventarisatie van het bovengenoemde punt, kunnen de (groepen) medewerkers aangeduid worden die in aanraking kunnen komen met de stoffen. Te denken valt aan: wetenschappelijk onderzoekers, studenten en technici. De namen van deze medewerkers dienen geregistreerd te worden.

IX Plan van aanpak

Geef aan welke maatregelen genomen worden ter voorkoming van blootstelling.

·

Als bronbestrijding redelijkerwijs niet haalbaar is: ventilatie, scheiding van mens en bron of in het uiterste geval toepassing van persoonlijke beschermingsmiddelen voor het beschermen tegen restrisico's.

·

Wat moet gedaan worden om calamiteiten (die in stap VII onderkend zijn) te voorkomen.

4. Technische en organisatorische maatregelen

Afbakenen van ruimte

Werkzaamheden met kankerverwekkende, mutagenen en reprotoxische stoffen moeten plaatsvinden in een aparte werkruimte of op een aparte werkplek die gescheiden is van werkruimte(n) en werkplekken waar niet met kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen gewerkt wordt. Deze aparte plek dient duidelijk herkenbaar te zijn door het zichtbaar aanbrengen van waarschuwingssignalering (bijvoorbeeld "verboden voor onbevoegden"). Personen die niet in deze ruimte(n) werkzaam zijn, dienen zoweel mogelijk geweerd te worden. Eten en drinken in deze ruimten is uiteraard verboden.


Etikettering, opslag en afvoer

Emballage met kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen moet altijd als zodanig herkenbaar zijn. Het etiket op de verpakking dient de volgende informatie te bevatten:

·

Chemische naam van de gevaarlijke stoffen;

·

Gevarensymbo(o)l(en);

·

R- en S- zinnen.

Dit betekent dat ook flesjes, erlenmeyers en dergelijke voorzien moeten worden van een dergelijk etiket indien de inhoud na aanmaak of overgieten wordt bewaard (langer dan één dag). Voor werkoplossingen van één dag kan volstaan worden met de chemische naam van de gevaarlijke bestanddelen.

De opslag van deze stoffen moet zodanig zijn dat deze overeenkomt met de milieuvergunning van de UT (conform PGS 15). Zie hiervoor de UT-richtlijn opslaan van gevaarlijke stoffen in laboratoria.

Binnen de UT bestaan uitgebreide regels met betrekking tot afvalverzameling en afvoer van gevaarlijke stoffen. Zie hiervoor de regeling afvoer bedrijfsafval en gevaarlijk afval UT.

Bedrijfshulpverlening

Met behulp van de bedrijfshulpverlening van het gebouw moet nagegaan worden of er een speciale calamiteitenprocedure opgezet moeten worden. Indien dit het geval is moet dit meegenomen worden in de voorlichting naar betrokken medewerkers en bedrijfshulpverleners.

Medisch onderzoek

Indien blootstelling aan kankerverwekkende stoffen mogelijk is en dit ook tot (waarneembare) gezondheidsrisico's kan leiden, is het nodig om de betreffende medewerker een arbeidsgezondheidskundig onderzoek (AGO) te laten ondergaan. Het onderzoek moet in ieder geval plaatsvinden voor de eerste maal dat de werkzaamheden met de kankerverwekkende stoffen worden verricht. Medewerkers die met kankerverwekkende stoffen werken kunnen op elk tijdstip kenbaar maken een vervolgonderzoek te willen ondergaan.

Hoe het onderzoek moet plaatsvinden is geheel afhankelijk van de stof waarmee gewerkt wordt. Overleg dient hierover plaats te hebben met de Arbodienst (hier moet het onderzoek ook uitgevoerd worden). Gedacht kan worden aan het meten van de stof in bloed, urine of uitademingslucht. Aandachtspunten voor uitvoering AGO:

-

De Arbodienst moet op de hoogte zijn van de voorwaarden en omstandigheden van de blootstelling;

-

Er moet een medisch dossier opgesteld worden waarin ook het beroepsverleden van betrokken medewerker is vastgelegd;

-

De Arbodienst moet een persoonlijk gesprek met de medewerker kunnen voeren;

-

Indien dit noodzakelijk wordt geacht (zinvol is) kunnen metingen aan bloed, urine of uitademingslucht worden uitgevoerd.

Voorlichting

Medewerkers moeten op de hoogte gesteld worden van risico's die zij lopen door het werken met gevaarlijke stoffen. Hierbij moet de medewerker gewezen worden op:

-

de mogelijke gevaren voor de gezondheid als gevolg van blootstelling aan de stoffen en dampen waarmee gewerkt wordt;

-

aandacht is noodzakelijk voor vrouwen en mannen in de vruchtbare leeftijd wanneer gewerkt gaat worden met stoffen die schadelijk zijn voor de voortplanting; indien aanwezige stoffen schadelijk zijn voor het ongeboren kind moeten vrouwen in de vruchtbare leeftijd hierover direct geïnformeerd worden;

-

de bestaande regels, de inhoud en de betekenis van een periodiek te herhalen medisch (gezondheidskundig) onderzoek;

-

de regelgeving met betrekking tot kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen;

-

de veiligheids- en preventieve maatregelen die genomen zijn en de redenen waarom deze maatregelen genomen zijn;

-

de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen en de wijze waarop men de beschermingsmiddelen moet gebruiken en onderhouden.

Persoonlijke Beschermingsmiddelen

Bij het werken met gevaarlijke stoffen is het dragen van een veiligheidsbril en een labjas verplicht. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden (zie onder Uitvoeren RI&E) dienen daarnaast andere persoonlijke beschermingsmiddelen te worden gedragen. Zie hiervoor ook de richtlijn werken met persoonlijke beschermingsmiddelen.

5. Literatuur/verder lezen

1.

Arbo-informatieblad nummer 6: kankerverwekkende stoffen en processen (uitgever SDU)

2.

Arbo-informatieblad nummer 12: arbeid en zwangerschap (uitgever SDU)

3.

Arbobesluit, Hoofdstuk 4