Richtlijn elektrische veiligheid

Samenvatting

Dit protocol geeft richting aan de omgang elektrische spanning, zodanig dat er geen ongevallen of incidenten kunnen ontstaan. Bij twijfel altijd een VGW contactpersoon raadplegen.
Uitgangspunt zijn wet en regelgeving, normen en deskundige adviezen.

Er wordt ingegaan op gebruik van elektrisch handgereedschap, aarding, snoeren en verbindingen en gebruik van tafelcontactdozen.

Doelstelling

Het doel van dit protocol is het veilig werken met elektrische spanning mogelijk te maken middels het aanreiken van richtlijnen en handreikingen.

Wettelijk kader

Het Arbobesluit en NEN normen bepalen in deze de uitgangspunten voor veilig werken.

Het Arbobesluit heeft een drietal bepalingen die betrekking hebben op het elektrische veiligheidsrisico voor arbeidsplaatsen.

De bepalingen over de arbeidsplaats zijn:

·

Arbobesluit artikel 3.1a : koppeling van de eisen gesteld aan elektrische installaties aan de eisen aan installaties in het Bouwbesluit artikel 3.49 en 3.52

·

Arbobesluit artikel 3.4: eisen aan installaties en bijbehorende tekeningen en documentatie

·

Arbobesluit artikel 3.5:eisen aan elektrotechnische werkzaamheden, bedieningswerkzaamheden en andere werkzaamheden.

Het volgen van de onderstaande normen impliceert dat men voldoet aan de door de wetgever gestelde eisen.

·

NEN 1010 Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties

·

NEN 3140 Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Laagspanning

·

NEN 3840 Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Hoogspanning

·

NEN-EN 50110 Bedrijfsvoering van elektrische installaties

Gevaren en risico’s

Er kan onderscheidt gemaakt worden tussen directe en indirecte gevaren of risico’s.


Directe risico’s van elektriciteit:

De mens loopt bij het gebruik van elektriciteit de volgende directe risico’s:

·

stroom door het menselijk lichaam (schok)

·

verbranding door vlambogen bij kortsluiting

·

statische elektriciteit

·

elektromagnetische straling

Indirecte risico’s van elektriciteit:

·

brand en explosie;

·

schadelijke stoffen;

·

vallen en stoten door schrikreacties en spiercontracties. Als de stroomsterkte door het lichaam niet direct schadelijk is, kan men toch van de ‘schok’ zo schrikken of door spiercontracties zo verkrampen, dat men van een ladder of steiger valt. In deze gevallen is er sprake van secundaire ongevallen. Ook hierdoor kan ernstig letsel ontstaan, zoals botbreuken en wervelletsel.

Voorschriften

In deze richtlijn elektrische veiligheid zijn voorschriften opgenomen waaraan u moet voldoen bij werkzaamheden met elektriciteit.

Hierbij is een onderverdeling gemaakt in:

1.

Elektriciteit (algemeen);

2.

Elektrisch handgereedschap;

3.

Zichtbare aarding van apparatuur;

4.

Snoer en stekerverbindingen;

5.

Gebruik van tafelcontactdozen.

1.

Elektriciteit (algemeen)

In het algemeen geldt:

Neem contact op met de VGM contactpersoon bij twijfel of bij het voor de eerste keer uitvoeren van elektrotechnische werkzaamheden.

Voer deze werkzaamheden nooit alleen uit.

 

Algemeen:

-

Elektrische installaties moeten, zo goed als redelijkerwijs mogelijk, voldoen aan de betreffende voorschriften [NEN 1010 (laagspanning), NEN 1041 (hoogspanning), NEN 3140 (regelt Arbozaken),
NEN 3410 (ruimte met gasontploffingsgevaar), NEN 3740 (werk- en hoogspanning)
.
Definitie van hoogspanning: AC > 1000V fase/fase of > 600V (fase/nul);
DC > 1500V fase/fase of > 900V (fase/nul)

-

Elke opstelling dient tenminste zó te zijn uitgevoerd, dat "voorbijgangers" niet in aanraking kunnen komen met gevaarlijke spanningen.

-

Voor de eigen veiligheid van de bij de opstelling betrokken medewerkers draagt ieder voor zich en de groep voor elkaar verantwoordelijkheid. Vraag advies aan een ter zake deskundige.

-

De VGM contactpersoon heeft tot taak er voor te zorgen dat nieuwe medewerkers gewezen worden op mogelijke gevaren bij opstellingen.

-

Apparatuur mag alleen buiten diensttijd aan blijven staan indien aangegeven is hoe er in geval van calamiteit gehandeld moet worden, en als de duurproefkaart is ingevuld. Zie regeling duurproefkaarten.

-

Overtuig je ervan, dat een elektrisch toestel op de juiste wijze gezekerd is. Monteer nooit zwaardere smeltveiligheden dan die met de juiste waarde.

-

Bij test- of hulpopstellingen attent maken op aanrakingsgevaar.

Bijv. door toepassing van een hekwerkje op voldoende afstand met opschrift en gevaarsymbolen.

-

Verlengsnoeren e.d. mogen niet op looppaden liggen: daar struikel je over.

-

Zet elektrische apparaten niet zomaar op de grond: bij wateroverlast kan het apparaat onder spanning komen te staan. Het apparaat zelf wordt er ook niet beter op.

-

Elektrisch handgereedschap moet van het dubbelgeïsoleerde type zijn.

Zie verder Elektrisch Handgereedschap.

Aarding:

-

Bij verhoogd risico (vanaf netspanning en hogere spanningen of natte omgeving) moet een visueel controleerbare aarding aangebracht worden.

-

Aarddraden moeten bij voorkeur geel/groen geïsoleerd zijn. Geel/groen geïsoleerde draden mogen uitsluitend als aarddraden dienst doen.

-

Water-, gas en CV-leidingen mogen niet voor aarding worden gebruikt. In ruimten met verhoogde vochtigheid moeten dergelijk leidingen duidelijk zichtbaar aan aarde gelegd worden.

-

Voor meetapparatuur, waarbij het aarden moeilijkheden geeft (i.v.m. zogenaamde aardlussen) moeten speciale voorzieningen worden getroffen. In de apparatuur of steker niets veranderen!

- De netvoeding via scheidingstrafo (liefst per apparaat) aansluiten.

- In de snoercentrale of wandcontactdoos de randaarde aansluiten op de vereffenings(meet)aarde.

- Deze snoercentrale of wandcontactdoos duidelijk markeren met bordje (opschrift: randaarde vervangen door vereffenings(meet)aarde).

- De ruimte waar op deze manier wordt gewerkt, markeren met borden (randaarde vervangen door vereffenings(meet)aarde. Indien het een gedeelte van een ruimte betreft, strepen op de vloer en/of hekjes gebruiken.

Altijd vereffenings(meet)aardes van alle apparatuur met elkaar verbinden

Vraag bij onduidelijkheden advies aan VGM contactpersoon. 

Spanningsloos maken:

-

Voer geen reparaties uit aan apparatuur die onder spanning staat: zelfs laagspanning kan gevaarlijk zijn. Bedenk, dat een kortsluiting via een ring, metalen horlogeband of bril, ernstige brandwonden tot gevolg kan hebben.

-

Laagspanning (bijv. accu's): maak eerst de kabel los die met het gestel (chassis) is verbonden.

-

Netspanning (230/400V): spanningsloos maken bijv. door eerst het apparaat uit te schakelen en daarna de smeltzekering/installatieautomaat te verwijderen (en mee te nemen!), de werkschakelaar uit te zetten of de steker los nemen. Laat er altijd een briefje bij achter met de mededeling dat dit deel vanwege werkzaamheden spanningsloos moet blijven (+ naam).

-

Hoogspanning (voedingsapparaat): voeding spanningsloos maken als bij netspanning. Het uitschakelen van een apparaat garandeert echter niet dat alle onderdelen spanningsloos zijn. Sommige condensatoren kunnen wekenlang hun spanning behouden. Spanning voerende delen moeten daarom ook ontladen worden met behulp van een aardstok. Breng duidelijk zichtbaar een goede aardverbinding aan en houdt condensatoren kortgesloten. (Zowel bij onderhoudswerk als bij opruimen)

-

Wanneer per se onder spanning (hoger dan de veilige spanning, 50 volt AC, 120 volt DC) werkzaamheden moeten worden verricht realiseert u zich dan goed dat:

- U werkt tegen de voorschriften in van NEN1010/3140

- U dus heel goed moet kunnen uitleggen waarom u werkt tegen deze voorschriften in.

- U zelf een grote verantwoording draagt voor het veilig werken onder deze afwijkende omstandigheden.

- U een aantal aanvullende veiligheidsmaatregelen moet treffen om de risico's tot een minimum te beperken.

 

Aanvullende veiligheidsmaatregelen kunnen o.a. zijn:

-

Minimaal met 2 personen werken (bij hoogspanning altijd verplicht);

-

Afscheidingshekjes plaatsen;

-

Waarschuwingsborden plaatsen (pas op open spanning!);

-

Veilig gereedschap gebruiken (bijv. meetsnoeren met banaanstekers waarbij contact met

spanningvoerende delen niet mogelijk is);

-

Let op: Bij gebruik van een veiligheids- of scheidingstrafo kan een ongewilde aarding van

meetapparatuur optreden en daarmee een zeer gevaarlijke situatie.

 

2.

Elektrisch handgereedschap

Wat zijn elektrische handgereedschappen?

Elektrische handgereedschappen zijn gereedschappen die bedoeld zijn om mee te nemen naar verschillende werkplekken voor het uitvoeren van werkzaamheden, en die eenvoudig via een stekerverbinding op het elektriciteitsnet kunnen worden aangesloten. Voorbeelden:

·

Boormachine, handzaagmachine, haakse slijpmachine, knabbelschaartje;

·

Lasapparaat, soldeerbout, föhn;

·

Draadstripper, nietmachine (tacker), looplamp;

·

Meetinstrumenten met 220 volt voeding.

Waarom dubbelgeïsoleerd?

Bij defecten aan de isolatie kan de behuizing van geaarde apparatuur/gereedschap onder spanning komen te staan. Bij gebruik in geaarde opstellingen, geaarde werktafels en/of geleidende vloeren leidt dat direct tot levensgevaarlijke situaties. Bij een dubbelgeïsoleerde uitvoering is er een tweede isolatielaag aangebracht. In veel gevallen fungeert de kunststofbehuizing als zodanig. Hiermee is het risico drastisch verminderd. Punt van aandacht blijft altijd de aansluitkabel. Visuele inspectie voor elk gebruik is dan ook sterk aan te bevelen.

 

Waarom geen randaarde?

Bij aarding van de behuizing en de mogelijkheid van open spanning ergens in de proefopstelling of machine, ontstaat er direct een levensgevaarlijke situatie.

Bij defecte randaarde of wanneer spanning wordt betrokken van een stopcontact zonder randaarde, kan een vergelijkbare levensgevaarlijke situatie ontstaan.

 

Wat te doen als er geen dubbelgeïsoleerde uitvoering beschikbaar c.q. verkrijgbaar is?

-

Scheidingstransformator per apparaat toepassen en randaarde afkoppelen.

-

Laagspanningsuitvoering kiezen (eventueel zelf ombouwen).

-

De behuizing geheel in kunststof uitvoeren.

-

Het handgereedschap ombouwen naar vaste machineopstelling. D.w.z. vaste bevestiging aan tafel of machine met schroeven en degelijke aarding aan de tafel of machine.

N.B. let op of de scharnierpunten goed geleidend zijn uitgevoerd, anders aardstripjes gebruiken.

 

Het verschil in gebruik en toepassing van bureau-, machine- en loop-/werklamp.

Bureaulamp

Machinelamp
(onderdeel van een machine)

Looplamp c.q. werklamp

los op te stellen

Met schroeven vast gezet aan de machine of werktafel

los op te stellen

geen eisen aan de behuizing wel CE kenmerk verplicht

dubbelgeïsoleerd of geaarde behuizing CE kenmerk verplicht

dubbelgeïsoleerd of laagspanningsuitvoering geen randaarde !

CE kenmerk verplicht

alleen voor gebruik op bureaus voor administratieve doeleinden

voor gebruik op machines en werktafels en in proefopstellingen

voor gebruik op machines en werktafels en in proefopstellingen

 

Gevaarlijke situaties ontstaan met name wanneer machines of opstellingen geaard zijn!!

3.

Zichtbare aarding van apparatuur

Dit is een UT werkvoorschrift, dat verder gaat dan NEN 1010. (NEN 1010 schrijft overigens wel beschermingsleidingen voor (zie hierna onder N.B.)

Achtergrond van het UT besluit.

Bij experimentele opstellingen wordt vaak gebruik gemaakt van één of meerdere frames, waarin meetapparatuur, pompen, voedingen etc. zijn samengebouwd. De voeding van de verschillende componenten geschiedt vaak via netsnoeren vanuit een of meerdere spanningssloffen. Via de randaarde zijn ook meestal alle componenten van de opstelling geaard. Bij een manco in de aarding (bijv. steker eruit) kan echter een gevaarlijke situatie ontstaan wanneer via meet- en/of voedingskabels of andere geleidende verbindingen (een deel van) het frame onder spanning komt te staan.

Vandaar dat onderstaande aanvullende veiligheidseis gehanteerd wordt, die er kort geformuleerd als volgt uitziet:

-

Alle onderdelen van een opstelling moeten zichtbaar (in een oogopslag te controleren) geaard zijn met een daartoe geëigende klemschroef en op minstens één punt via de borstwering c.q. spanningsrail met de aarding van het net zijn verbonden.

-

Voor de uitvoering gelden verder de voorschriften die NEN 1010 geeft voor beschermingsleidingen.

-

De bedoelde klemschroeven moeten zichtbaar aan de buitenzijde van apparatuur, behuizing of frame worden aangebracht.

-

Stekerverbindingen, die ongewild los kunnen schieten, zijn niet toegestaan.


N.B.

De verplichting tot zichtbare aarding geldt niet voor standaard "stand alone" apparatuur die

-

Duidelijk via één netsteker wordt gevoed.

-

Via de randaarde is geaard.

De verplichting tot zichtbare aarding heeft geen enkele relatie tot de "zwaarte" van de apparatuur oftewel het opgenomen vermogen.

Als de randaarde vervangen is door een meet- of vereveningsaarde dan moet dit middels een stikker op de apparatuur aangegeven worden.

4.

Snoer- en stekerverbindingen (trekontlasting)

Enkele eenvoudige regels wat NEN 1010 voorschrijft over snoeren en stekerverbindingen en hoe een en ander te interpreteren in onze praktische werksituaties.

Elektrische verbindingen tussen kernen onderling en tussen kernen en andere onderdelen van de installatie mogen niet zijn blootgesteld aan torsie of trekkrachten.

Uitgangspunten:

1.

Snoer niet langer dan 1,75 meter.

2.

Snoeren moeten ongeveer op maat zijn. Dus geen overlengtes, los of opgebundeld.

3.

Indien het hangende (verticale) deel van het snoer langer is dan 1,25 m dan trekontlasting aanbrengen.

4.

Min of meer op punt 3 gebaseerd is de standaardhoogte van wandcontactdozen tussen 1,10 en

1,25 m.

5.

Indien wandcontactdozen hoger aangebracht zijn dan 1,25 m dan ook de apparatuur hoger plaatsen (bijv op tafel).

6.

Bij voeding vanuit het plafond altijd trekontlasting toepassen, behalve wanneer het snoer reeds boven 2 m hoogte de opstelling binnengaat en daar van een trekontlasting is voorzien.

7.

Bij voeding van een opstelling met meerdere snoeren vanuit een aantal bij elkaar zittende wandcontactdozen is bundeling van de snoeren en de toepassing van één trekontlasting toegestaan.

8.

Bij een opstelling met meerdere voedingskabels voor de diverse onderdelen moet in één oogopslag duidelijk zijn via welke steker(s) de voeding binnenkomt. De uitverdeling naar de diverse elektrische componenten via snoercentrale(s) moet logisch en overzichtelijk zijn.

9.

Alle trekontlastingen in het gebouw zijn van een standaard goedgekeurd type.


Al de bovengenoemde richtlijnen hebben betrekking op "semi" permanente opstellingen. Voor incidentele kort durende toepassingen, zoals het gebruik van handgereedschap of meetinstrument gelden deze voorschriften niet. Het enige criterium is dan veilig gereedschap (dubbel geïsoleerd), deugdelijke snoeren en stekers en het vermijden van struikelgevaar en bekneld c.q. beschadigd raken van de snoeren.

In de Norm NEN 1010 staat de norm over trek ontlasting onder artikel nr.522.8

Art. 522.8.5

Wanneer op een leidingsysteem een voortdurende trekkracht wordt uitgeoefend (bijvoorbeeld door het eigen gewicht bij een verticale geleider), moet een geschikt type geleider met voldoende kerndoorsnede en bijpassende bevestigingsmethode worden gekozen, zodat de geleiders niet door het eigen gewicht worden beschadigd

Toelichting

Dit houdt in dat aandacht behoort te worden besteed aan de trekkrachten tijdens de installatie van geleiders. Trekkrachten behoren bij voorkeur door de kernen te zijn opgenomen. een bijpassende bevestigingsmethode houdt tevens een deugdelijke trekontlasting in.

Al de bovengenoemde richtlijnen hebben betrekking op “semi” permanente opstellingen. Voor incidentele kort durende toepassingen, zoals het gebruik van handgereedschap of meetinstrument gelden deze voorschriften niet. Het enige criterium is dan veilig gereedschap (dubbel geïsoleerd), deugdelijke snoeren en stekers en het vermijden van struikelgevaar en bekneld c.q. beschadigd raken van de snoeren.

Het gebruik van verlengsnoeren moet tot een minimum beperkt worden. Verlengsnoeren mogen slechts in zeer tijdelijke (max. één dag) situaties worden toegepast bijv. bij het werken met handgereedschap. Bij aanschaf en gebruik van een verlengsnoer moet men rekening houden met het maximaal toelaatbare vermogen dat aangesloten mag worden. Overschrijding hiervan kan tot (brand)gevaarlijke situatie leiden.

5.

Gebruik van tafelcontactdozen

Om veiligheidsredenen stelt de UT minimaal de volgende eisen voor het gebruik van tafelcontactdozen:

·

De tafelcontactdoos moet zijn gemaakt van onbrandbaar materiaal, voorzien zijn van degelijke contacten en keurmerken.

·

De tafelcontactdoos moet zijn voorzien van een dubbelpolige aan- en uitschakelaar. Dit om spanningsloos de verbruikers te kunnen aan- en afkoppelen. Hiermee wordt voorkomen dat er een overgangsweerstand ontstaat omdat de contacten door het trekken van vonken, inbranden bij het maken of verbreken van een contact.

·

Het aansluitsnoer mag niet langer zijn dan 1,75 meter en minimaal een aderdoorsnede van 1,5 mm2 hebben. De maximale belasting is 2000 Watt.

·

Een tafelcontactdoos mag niet doorgelust worden (in een andere tafelcontactdoos worden aangesloten).

·

In de directe omgeving mogen zich geen ontvlambare stoffen bevinden.

·

Het aansluitsnoer moet van een aangegoten steker zijn voorzien. Deze mag bij een defect niet (zelf) worden vervangen!

·

Bij enig defect aan de tafelcontactdoos dient deze te worden afgevoerd. Een tafelcontactdoos mag dus niet gerepareerd worden en moet worden vervangen door een nieuwe.

·

Alle tafelcontactdozen die niet voldoen aan bovengenoemde specificaties dienen te worden vervangen.

·

Naar gelang de intensiteit van gebruik en de omstandigheden dienen aansluitsnoeren en apparatuur periodiek (controleerbaar) op defecten te worden gecontroleerd (NEN 3140)

·

Apparatuur met grote vermogens (> 2000 Watt) niet d.m.v. een tafelcontactdoos aansluiten.

·

Gebruik van een tafelcontactdoos of verlengsnoer is alleen toegestaan in zeer tijdelijke situaties (max. één dag). Vaste apparatuur dient te worden aangesloten met het aansluitsnoer van het apparaat zelf op een daarvoor bestemde wandcontactdoos die deel uitmaakt van de vaste elektrische installatie.

·

Gebruik van tafelcontactdozen in een zuurkast is niet toegestaan! De reden is dat er zich in een zuurkast explosieve mengsels kunnen vormen en het schakelmateriaal niet explosie veilig is (EX). Verder moet in een zuurkast een wirwar van snoeren worden voorkomen! Verder kan de atmosfeer in een zuurkast, de geleidbaarheidseigenschappen aantasten waardoor bijvoorbeeld door corrosie de overgangsweerstand weer te groot zal worden.

Literatuur

Boeken

·

Cobben, J.F.G. en N.J. Kluwen (2011), Handleiding NEN 1010 – Theorie en praktijk voor elektro­technische installaties, 3e druk. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Cobben, J.F.G., N.J. Kluwen en P. Jongbloed (2011), Jaarboek ElektroBase, Editie 2011-2012. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Cobben, J.F.G. en N.J. Kluwen (2007), Werkboek NEN 1010 – Toets uw praktische kennis van de NEN 1010. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Hettinga, J.C. (2008), Praktijkboek NEN 1010 – Elektrische installaties in woningen, 2e druk. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Kerkhofs, A.W.M. (2011), NEN 3140 – Vakbekwaam Persoon. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Kluwen, N.J. (2011), Handleiding NEN 3140. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Kluwen, N.J. en M. Hovens (2011), Metingen en thermografie – Elektrotechnische inspecties en onderzoeken. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Kluwen, N.J. en J.F.G. Cobben (2010), Zakboek Elektrotechniek – Formules, tabellen en berekeningen (met calculator). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Kluwen, N.J. (2009), Handleiding ATEX – Toepassing van explosieveiligheid in de praktijk. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Kluwen, N.J. (2006), Praktijkboek NEN 1010-6/NEN 3140 – Elektrotechnische metingen in de praktijk. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Kluwen, N.J. (2006), Praktijkboek NEN-EN 50110/NEN 3140 – Veilig werken met elektrotechnische installaties. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Pols, E. en J.F.G. Cobben (2011), Alles over aarding – Bliksembeveiliging, persoonsbeveiliging en EMC. Sdu Uitgevers, Den Haag.

Arbo-Informatie

·

Flierman, P., Preventie van zware ongevallen door gevaarlijke stoffen (Arbo-Informatie 25). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Gallis, H. en J. van der Vorm, Bedrijfshulpverlening en noodorganisatie (Arbo-Informatie 10). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Hoogerkamp, P., Machineveiligheid: afschermingen en beveiligingen (Arbo-Informatie 11). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Kluwen, N.J., Elektrische veiligheid (Arbo-Informatie 54). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Poort, R.O.B., Aansprakelijkheid (Arbo-Informatie 40). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Putman, J., Persoonlijke beschermingsmiddelen: beleid opzetten en in stand houden (Arbo-Informatie 49). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Rongen, E. van, J.F.B. Bolte en M.J.M. Pruppers, (Arbo-Informatie 39) Elektromagnetische velden. Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Slager, S., Risicobeheersing: taakrisicoanalyse, persoonlijke risicoanalyse, werkvergunningsysteem (Arbo-Informatie 45). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Villevoye, J., KAM-managementsystemen (Arbo-Informatie 37). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Visser, R., H. ter Horst en S. Slager, De preventiemedewerker (Arbo-Informatie 44). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Visser, R., N. Versloot en M. Maaier, Veilig werken in een explosieve atmosfeer (Arbo-Informatie 34). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Walter Zwaard, W., J. Bus en E. van der Stegen, Communiceren over risico’s (Arbo-Informatie 50). Sdu Uitgevers, Den Haag.

·

Zwetsloot, G. en A.J. Dijkman, Werken aan veiligheid- en gezondheidscultuur (Arbo-Informatie 56). Sdu Uitgevers, Den Haag.