Klachten

Klachtenregeling Universiteit Twente

Onderaan dit document staat een toelichting.

Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder

1.

UT: de Universiteit Twente.

2.

College van Bestuur: het College van Bestuur van de UT.

3.

Medewerker: persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van de UT.

4.

Klager: indiener van de klacht.

5.

Aangeklaagde: degene op wiens gedrag de klacht betrekking heeft.

6.

Vertrouwenspersoon: de persoon als bedoeld in artikel 2.

7.

Klachtencommissie: commissie als bedoeld in artikel 5.

8.

Klacht: schriftelijk ingediende klacht over de wijze waarop de UT, dan wel een medewerker of (bestuurs)orgaan werkzaam onder verantwoordelijkheid van de UT, zich in een bepaalde gelegenheid heeft gedragen. Onder gedraging wordt mede begrepen een nalaten.

Vertrouwenspersoon

Artikel 2

1.

De UT beschikt over een drietal categorieën vertrouwenspersonen op wie de klager desgewenst een beroep kan doen t.w. personeelsvertrouwenspersonen, studentendecanen en vertrouwenspersonen ongewenst gedrag. In de bijlage bij deze regeling is een overzicht opgenomen van de vertrouwenspersonen, de hen toegewezen gebieden en de taken/bevoegdheden.

2.

De aangeklaagde kan desgewenst eveneens een beroep doen op een vertrouwens-persoon.

3.

Als de klager bereid is tot bemiddeling, dan zal de vertrouwenspersoon trachten tot een oplossing te komen. Als de klager niet bereid is tot bemiddeling, of via bemiddeling geen oplossing tot stand is gekomen, dan kan de klager schriftelijk een klacht indienen. De vertrouwenspersoon ondersteunt de klager zonodig bij het indienen van een klacht.

4.

De vertrouwenspersoon neemt bij zijn werkzaamheden de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht. De vertrouwenspersoon is verplicht tot geheimhouding van alle zaken die hij in die hoedanigheid verneemt.

Indienen van een klacht

Artikel 3

1. De klacht is ondertekend en bevat tenminste:

a.

De naam en het adres van de indiener;

b.

De dagtekening;

c.

Een omschrijving van de gedraging waartegen de klacht zich richt;

d.

De reden van de klacht.

2.

De klacht wordt gericht aan het College van Bestuur.

3.

Indien een klacht wordt ingediend bij een ander orgaan dan het College van Bestuur, dan zendt de ontvanger de klacht terstond door naar het College van Bestuur

4.

Indien niet is voldaan aan het gestelde in het eerste lid, wordt de klager in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen twee weken te herstellen. Is dan nog niet voldaan aan het gestelde in het eerste lid, dan kan het College van Bestuur de klacht niet-ontvankelijk verklaren.

Tegemoetkomen aan de klacht

Artikel 4

Zodra de UT naar tevredenheid van de klager aan diens klacht tegemoet is gekomen, vervalt de verplichting tot het verder toepassen van deze regeling. De klager wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennisgesteld.

Ontvangstbevestiging

Artikel 5

1.

Het College van Bestuur bevestigt de ontvangst van de klacht schriftelijk binnen 5 werkdagen onder vermelding van de wijze waarop en de termijn waarbinnen de klacht zal worden behandeld.

2.

Het College van Bestuur kan, na overleg met de beheerder(s) van de eenheid waar de klager en/of de aangeklaagde werkzaam zijn, een voorlopige voorziening treffen.

3.

Aan de aangeklaagde wordt een afschrift van de klachtbrief alsmede de eventuele bijlagen toegezonden, onder vermelding van de wijze waarop en de termijn waarbinnen de klacht zal worden behandeld.

4.

De beheerders van de eenheden waar de aangeklaagde en de klager werkzaam zijn, kunnen in kennis gesteld worden van het feit dat er een klacht is ingediend.

Klachtencommissie

Artikel 6

1.

De behandeling van de klacht geschiedt door de klachtencommissie.

2.

De klachtencommissie geeft gevraagd en ongevraagd advies aan het College van Bestuur over:

a.

de (on)gegrondheid van de klacht;

b.

het nemen van maatregelen;

c.

overige door het College van Bestuur te nemen besluiten.

3.

De klachtencommissie bestaat uit een externe voorzitter, twee leden en twee plaatsvervangende leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door het College van Bestuur. De werknemersorganisaties dragen één lid en één plaatsvervangend lid voor.

4.

Ingeval van klachten op het gebied van (seksuele) intimidatie, agressie, geweld en discriminatie wordt de klachtencommissie aangevuld met een op dat gebied werkzame, niet betrokken vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon is adviseur van de klachtencommissie.

5.

De klachtencommissie is zodanig samengesteld dat zij voldoende deskundig moet worden geacht voor de behandeling van klachten.

6.

De klachtencommissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

7.

Het College van Bestuur wijst een ambtelijk secretaris die de klachtencommissie ondersteunt.

8.

De voorzitter en de (plaatsvervangende) leden van de commissie worden benoemd voor een periode van 4 jaar en zijn terstond herbenoembaar.

9.

De voorzitter en de (plaatsvervangende) leden van de commissie kunnen op ieder moment ontslag nemen.

10.

Voor het houden van een zitting is vereist, dat tenminste de voorzitter en een lid aanwezig zijn.

11.

De voorzitter en leden van de klachtencommissie nemen niet deel aan de behandeling van een klacht, indien daarbij hun onpartijdigheid in het geding kan zijn.

12.

De klager en de aangeklaagde mogen de voorzitter en leden van de klachtencommissie wraken indien zij zich met redenen omkleed op het standpunt stellen dat de onpartijdigheid in het geding kan zijn.

13.

De klachtencommissie neemt bij de werkzaamheden de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht. De klachtencommissie is verplicht tot geheimhouding van alle zaken die zij in die hoedanigheid verneemt.

Buiten behandeling blijven

Artikel 7

1.

De UT is niet verplicht een klacht in behandeling te nemen indien:

a.

de klacht betrekking heeft op een gedraging die meer dan drie jaar voor het indienen van de klacht heeft plaatsgevonden;

b.

er door de klager bezwaar kan of kon worden gemaakt;

c.

er door de klager beroep ingesteld kan of kon worden;

d.

de klacht betrekking heeft op een zaak die in behandeling is bij de rechter;

e.

de klacht betrekking heeft op een gedraging waartegen een strafrechtelijk onderzoek loopt;

f.

de klacht al eerder met inachtneming van de bepalingen van deze klachtregeling is behandeld.

2.

Van het niet in behandeling nemen van de klacht wordt de klager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen drie weken na ontvangst van de klacht schriftelijk in kennis gesteld.

Onderzoek

Artikel 8

1.

De klachtencommissie start onmiddellijk na ontvangst van de klacht met het onderzoek.

2.

De klachtencommissie heeft de bevoegdheid om ten behoeve van het onderzoek binnen de UT vrijelijk mondeling en schriftelijk informatie in te winnen.

3.

Elke medewerker die betrokken is bij een klachtenprocedure en/of wordt gehoord, is verplicht tot geheimhouding ten aanzien van hetgeen hij in verband met de behandeling van de klacht verneemt.

Horen

Artikel 9

1.

De klachtencommissie stelt de klager en de aangeklaagde, in de gelegenheid te worden gehoord. De hoorzitting is niet-openbaar.

2.

De klager en de aangeklaagde worden in elkaars aanwezigheid gehoord, tenzij de klachtencommissie gemotiveerd anders beslist.

3.

Van het horen van de klager kan worden afgezien indien deze verklaard heeft geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord.

4.

De klager kan zich door een ander laten vertegenwoordigen of laten bijstaan. Indien iemand anders namens de klager ter hoorzitting verschijnt, dient deze een schriftelijke machtiging van de klager te kunnen tonen.

5.

De aangeklaagde kan zich laten bijstaan.

6.

De klachtencommissie heeft de bevoegdheid derden te horen.

7.

Van het horen wordt een verslag gemaakt.

8.

Wanneer de klager, de aangeklaagde en eventuele derden afzonderlijk worden gehoord, dan stelt de klachtencommissie de klager en de aangeklaagde in de gelegenheid om hun zienswijze geven op hetgeen in de verslagen is opgenomen.

Termijnen

Artikel 10

1.

De klachtencommissie handelt de klacht binnen zes weken na ontvangst van de klacht af.

2.

De afhandeling kan met ten hoogste met vier weken worden verdaagd.

3.

Van de verdaging wordt door de klachtencommissie schriftelijk mededeling gedaan aan de klager, de aangeklaagde en het College van Bestuur.

Advies

Artikel 11

De klachtencommissie stuurt de klager, de aangeklaagde en het College van Bestuur een rapport van bevindingen, vergezeld van het advies en eventuele aanbevelingen. Het rapport

bevat het verslag van het horen.

Afdoening van de klacht

Artikel 12

Het College van Bestuur deelt binnen vier weken na ontvangst van het rapport van de klachtencommissie aan de klager, de aangeklaagde, de beheerder van de eenheid waar de aangeklaagde werkzaam is en de klachtencommissie schriftelijk mede tot welke conclusie het College van Bestuur is gekomen. Indien de conclusie van het College van Bestuur afwijkt van het advies van de klachtencommissie wordt in de conclusie de reden voor die afwijking vermeld.

Sancties

Artikel 13

1.

Het College van Bestuur kan in de conclusie als bedoeld in het vorige artikel, het voornemen uitspreken om de aangeklaagde een disciplinaire maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 11.2 van de CAO Nederlandse Universiteiten.

2.

Het College van Bestuur kan in de conclusie als bedoeld in het vorige artikel, het voornemen uitspreken om de klager een disciplinaire maatregel op te leggen, wanneer een klacht opzettelijk vals is ingediend.

Rehabilitatie

Artikel 14

Wanneer een klacht ongegrond wordt verklaard kan het College van Bestuur de aangeklaagde op diens verzoek rehabiliteren.

Slotbepaling

Artikel 15

1.

Deze regeling kan worden aangehaald als Klachtenregeling Universiteit Twente.

2.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2000.

3.

Met inwerkingtreding van deze regeling vervalt de “Klachtenregeling Ongewenste Intimiteiten UT 1995”.

Toelichting op de Klachtenregeling Universiteit Twente

Inleiding

Deze regeling is totstandgekomen naar aanleiding van een brief van 19 november 1999 (km. 316529) waarin de minister van OCW alle instellingen w.o. ook de UT heeft opgedragen te zorgen voor de totstandkoming van een individuele klachtenregeling overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast is in de CAO Nederlandse Universiteiten (artikel 2.11 lid 3) de afspraak vastgelegd om ter bevordering van het welzijn in de werksituatie te komen tot een gedragscode en een klachtenregeling ter uitbanning van (seksuele) intimidatie, agressie, geweld en discriminatie.

Ter uitvoering van beide zaken is besloten één klachtenregeling vast te stellen. Reden hiervoor is de keuze voor een eenvoudige klantvriendelijke toegang d.w.z. een klager behoeft slechts een schriftelijke klacht te sturen naar het College van Bestuur, waarna de procedure vanzelf loopt.

De regeling op zichzelf maakt wellicht een wat zware indruk, hetgeen met name wordt veroorzaakt door de dwingende bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht. Gezien de opmerking in de voorgaande zin, behoeft dit echter voor een klager geen bezwaar te zijn.

Hoewel met name ook de CAO een aantal zaken dwingend voorschrijft, zoals o.a. het instellen van een klachtencommissie, de sancties, de klachtentermijn etc., is het wenselijk in een voortraject te trachten klachten (informeel, maar wel definitief) op te lossen. In dit geval komt de formele klachtenregeling, met een behandeling door de klachtencommissie niet aan de orde. Met name de vertrouwenspersonen kunnen hierbij een grote rol spelen.

Verschillende diensten hebben in het verleden zelf een klachtenregeling opgesteld. Deze voldoet vaak niet aan de formele eisen die diverse (wets) bepalingen stellen aan een klachtenregeling. In geval van een informele behandeling van klachten, kunnen deze regelingen echter prima worden gebruikt. Hiervan kan in voorkomende gevallen ook een meerwaarde uitgaan. Gebleken is dat veel klagers eerder de behoefte hebben om serieus genomen te worden in hun klacht, dan aan het ingaan van een formele klachtenprocedure.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

De klachtenregeling bestrijkt een zeer ruim werkingsgebied. Een klacht kan bijvoorbeeld gaan over de begeleiding van studenten, inrichting van de organisatie, rookgedrag op de werkplek tot gevallen van (seksuele) intimidatie, agressie, geweld en discriminatie. De klachtenregeling heeft alleen betrekking op schriftelijk ingediende klachten. Klachten die mondeling of telefonisch worden ingediend worden afgehandeld volgens het interne beleid van de organisatie-eenheid.

Klachten kunnen slechts betrekking hebben op de wijze waarop de UT of een orgaan van de UT dan wel een of meer medewerkers van de UT zich in een bepaalde gelegenheid ten opzichte van de indiener heeft/hebben gedragen. Onder een gedraging wordt mede begrepen een nalaten. Indieners van een klacht kunnen bijvoorbeeld zijn: andere werknemers van de UT, andere personen die in opdracht van de universiteit werkzaam zijn, zoals gastdocenten, stagiairs en uitzendkrachten, (werknemers van) derden die op het UT-terrein werkzaamheden verrichten en studenten en bezoekers van de universiteit.

Artikel 2

De UT heeft een aantal vertrouwenspersonen (zie bijlage). De vertrouwenspersoon heeft op het gebied dat hij bestrijkt een aantal specifieke taken (zie bijlage). In zijn algemeenheid zijn de taken van de vertrouwenspersonen onder meer: verstrekken van voorlichting over ongewenst gedrag, zorgen voor een adequate opvang van de klager, terzijde staan van de klager bij het indienen van een formele klacht. De vertrouwenspersoon heeft een onafhankelijke positie en geniet daarin bescherming van de zijde van de UT.

In de eerste bemiddelende fase van de klachtenbehandeling probeert de vertrouwenspersoon een voor de klager acceptabele oplossing van de klacht te bereiken. Zo mogelijk is de adviserende rol van de vertrouwenspersoon erop gericht dat de klager en de aangeklaagde de klacht zelf oplossen. Als de bemiddelingspoging strandt, dan staan er voor de klager twee wegen open: of afzien van de verdere behandeling van de klacht, of de klacht schriftelijk voorleggen aan het College van Bestuur.

Ook de aangeklaagde kan desgewenst een beroep doen op een vertrouwenspersoon. Het betreft dan een andere vertrouwenspersoon dan bedoeld in lid 1 van artikel 2. Indien nodig kan een externe vertrouwenspersoon worden aangezocht.

Artikel 3

In dit artikel worden de eisen beschreven waaraan een schriftelijke klacht moet voldoen. Als de klacht niet voldoet aan de gestelde eisen, bestaat er geen verplichting om de verdere procedure te volgen. Een behoorlijke klachtbehandeling brengt echter met zich mee dat, indien mogelijk, de indiener in de gelegenheid wordt gesteld om binnen een redelijke termijn de klacht aan te vullen.

Artikel 6

Degene die betrokken is geweest bij de gedraging waarop de klacht betrekking heeft, mag niet met de afhandeling van de klacht worden belast. Hij mag ook geen onderdelen ervan behandelen, zoals het horen. Ook het verbinden van conclusies aan onderzoeksresultaten mag niet door een direct betrokkene gebeuren. Om deze reden is gekozen voor de instelling van een klachtencommissie. Aangezien het College van Bestuur altijd het definitieve oordeel uitspreekt over de klacht, wordt hierdoor voldoende recht gedaan aan de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor de behandeling van klachten.

Artikel 7

Artikel 6 bevat een opsomming van situaties waarin een klacht buiten behandeling kan worden gelaten. Voor de UT bestaat de bevoegdheid, dus niet de plicht om een klacht niet in behandeling te nemen.

Het object van een klacht is een gedraging. Een gedraging kan ook een besluit bevatten. Zodra de klacht zich richt tegen een besluit, wordt de klacht niet als een klacht afgehandeld. In die situatie wordt de klacht opgevat als een bezwaarschrift. Een bezwaarschrift wordt afgehandeld volgens de bepalingen uit hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht. Hiermee wordt voorkomen dat een zelfde gedraging voorwerp is van een klachtbehandeling

en tevens van een bezwaarprocedure.

Onder bezwaarprocedure valt in voorkomende gevallen ook de bedenkingenprocedure.

Artikel 8

De klachtencommissie wordt in eerste instantie geïnformeerd door de klager. Dit neemt niet weg dat de klachtencommissie ook zelf (aanvullend) materiaal kan verzamelen. Mocht zich dat voordoen, dan zullen klager en aangeklaagde op de hoogte worden gebracht van dit materiaal.

Artikel 13

lid 1

Op zich staat tegen de wijze waarop een klacht is behandeld geen beroep of bezwaar open. Een beslissing op een klacht is namelijk geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Echter degene die niet tevreden is over de wijze waarop met zijn of haar klacht is omgegaan, kan hierover een klacht indienen bij de Nationale Ombudsman. Indien in de conclusie van het College van Bestuur echter een rechtspositionele maatregel is begrepen worden de geldende regels ter zake in acht genomen (Algemene wet bestuursrecht, CAO, Regeling disciplinaire maatregelen UT etc).

lid 2

Ook ten aanzien van een klager die opzettelijk vals een klacht heeft ingediend kan door het College van Bestuur het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire maatregel worden uitgesproken. Ten aanzien van medewerkers kan worden verwezen naar het hierboven genoemde artikel 11.2 CAO. Ten aanzien van personen op wie de CAO niet van toepassing is, geldt artikel 36 van het BBR UT 1998.

Artikel 14

Bij rehabilitatie wordt gedacht aan maatregelen om eerherstel te bewerkstelligen, daaronder kan een schadevergoeding vallen.

Bijlage

Overzicht van vertrouwenspersonen binnen de UT


Personeelsvertrouwenspersonen

Elke medewerker kan te maken krijgen met een probleemsituatie in het werk die men liever (nog) niet bespreekt met de directe chef, de personeelsadviseur, de beheerder of een hulpverlener, maar wel aan een onafhankelijke partij wil voorleggen. Zo’n partij kan een van de personeelsvertrouwenspersonen zijn.

In veel gevallen gaat het om probleemsituaties die liggen in de relatie medewerker-leidinggevende of werknemer-werkgever. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een slechte werksfeer, het ontbreken van structureel overleg, dichtgeslibde communicatielijnen, toezeggingen die niet worden nagekomen, onderwaardering, (vermeende) ondeskundigheid van de chef, begeleider, promotor enz.

De personeelsvertrouwenspersoon is onafhankelijk en geniet daarin bescherming van de zijde van de werkgever. Hij/zij fungeert als klankbord en tussenpersoon. De personeelsvertrouwenspersoon treedt nadrukkelijk niet op als scheidsrechter en neemt zelf geen beslissingen. Wel kan hij/zij, al dan niet met behulp van derden, adviezen uitbrengen of bemiddelen tussen partijen. De anonimiteit wordt daarbij absoluut gewaarborgd.

Als personeelsvertrouwenspersonen zijn aangewezen:

Vacature

De heer dr. ir. G.M. Bonnema (Maarten),

Universitair Hoofddocent faculteit Construerende Technische Wetenschappen, Kamer N 220,

e-mail: g.m.bonnema@utwente.nl,

Telefoon: 053 489 2548

Drs. J.W.D. ter Hellen (Joke)

Hoofd bedrijfsvoering Bibliotheek & Archief/TNW

e-mail: j.w.d.terhellen@utwente.nl

locatie Vrijhof 369: telefoon: 053 489 2074 (maandag, woensdag en vrijdag)

locatie Carré 3041: 053 489 2900 (dinsdag en donderdag)


Mevrouw M.H. ten Asbroek-Braamhaar,MA (Melanie) momenteel afwezig i.v.m. verlof

Strategie en Beleid
EU office (STAF)

e-mail: m.h.tenasbroek@utwente.nl
Telefoon: 053 489 6361

Taken/bevoegheden van de personeelsvertrouwenspersonen zijn m.n.:

·

vervullen van een klankbordfunctie;

·

zich indien nodig inzicht verschaffen in de ruimere context van de probleemsituatie door kennisname en analyse van bescheiden en van de mening van andere betrokkenen;

·

de medewerker in voorkomende gevallen doorverwijzen naar andere instanties;

·

zorgen voor een vertrouwelijke behandeling van gegevens;

·

na verkregen toestemming van de medewerker zoeken naar en bemiddelen bij een (informele) oplossing;

·

de medewerker op diens verzoek terzijde staan bij het indienen van een schriftelijke klacht en eventueel bij de formele afhandeling daarvan;

·

indien gewenst of noodzakelijk tijdelijke maatregelen met betrekking tot de klager en/of aangeklaagde voorstellen aan het College van Bestuur;

·

adviseren van het College van Bestuur, gevraagd en ongevraagd, omtrent de inhoud en de werking van algemeen geldende voorschriften met betrekking tot het universitaire personeelsbeleid.

Studentendecanen

Tijdens zijn/haar verblijf aan de UT kan elke student te maken krijgen met een probleemsituatie, waarover hij of zij liever niet praat met iemand van de eigen opleiding of faculteit, ook niet met een medestudent, maar wel met een onafhankelijk iemand van buiten de faculteit of eigen kring. In zo’n situatie kan een studentendecaan uitkomst bieden, in een sfeer van vertrouwen en veiligheid.

In veel gevallen zal het gaan om probleemsituaties die liggen in de relatie student-docent of student-opleiding. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van onenigheid over een tentamencijfer, de interpretatie van het onderwijs- en examenreglement, gedragingen van een docent/functionaris of een medestudent, het wonen/leven op de campus, persoonlijke of financiële problemen, het niet meer happy voelen in de studie, (vermeende) onrechtvaardige behandeling enz.

De studentendecaan is – daar waar vereist – onafhankelijk en heeft een geheimhoudingsplicht tegenover anderen, zoals docenten en universitaire instanties. Hij/zij fungeert als klankbord en tussenpersoon en kan, al dan niet met behulp van derden, adviezen uitbrengen of bemiddelen tussen partijen. De anonimiteit wordt daarbij absoluut gewaarborgd en wordt slechts opgeheven indien de student daarvoor uitdrukkelijk toestemming geeft ter wille van de aard van de bemiddeling e.d.

De studentendecaan is:

·

mevrouw mr. C. van Dijken
Bastille, kamer 207
tel. 2035/2036

Taken/bevoegdheden van de studentendecanen zijn o.a.:

·

te woord staan van studenten op open spreekuren of inloopspreekuren;

·

vervullen van een klankbordfunctie;

·

informatie en advies geven over relevante wetgeving (WSF, WHW) en daarmee samenhangende interne regelgeving van de UT (SSUT, OER, financiële ondersteuning);

·

meehelpen oplossingen te zoeken voor problemen;

·

de student terzijde staan bij het formuleren en indienen van een schriftelijke klacht, een bezwaar- of beroepschrift, alsmede bij de procesgang (als raadsman/vrouw);

·

zich inzicht verschaffen in de ruimere context van een probleemsituatie;

·

zorgen voor een vertrouwelijke behandeling van gegevens;

·

na verkregen toestemming van de student zoeken naar en bemiddelen bij een (informele) oplossing;

·

adviseren van het College van Bestuur en andere UT-instanties, gevraagd en ongevraagd, omtrent inhoud en werking van relevante wetgeving en UT-voorschriften met betrekking tot studenten en studentenbeleid.

Vertrouwenspersonen ongewenst gedrag

In een goed en stimulerend werk- en onderwijsklimaat behoren collegialiteit, respect en aandacht voor de ander tot de normale omgangsvormen. Ongewenst gedrag kan er toe leiden dat de verhoudingen ernstig verstoord worden, waardoor medewerkers en studenten niet meer plezierig, veilig en goed kunnen functioneren. Een ieder die in de werk- of onderwijssituatie een vorm van ongewenst gedrag signaleert en dit liever (nog) niet rechtstreeks aan de orde stelt bij betrokkene(n), kan zich tot een van de vertrouwenspersonen ongewenst gedrag wenden.

Bij ongewenst gedrag gaat het om:

Seksuele intimidatie: ongewenste seksuele toenadering in de vorm van verzoeken om seksuele gunsten of ander verbaal non-verbaal of fysiek gedrag (waaronder het ongevraagd verzenden of bewust voor anderen zichtbaar raadplegen van pornografische afbeeldingen of teksten, o.m. via internet).

Agressie en geweld: het pesten, psychisch of fysiek lastig vallen, bedreigen of aanvallen van anderen.

Discriminatie: het in enigerlei vorm doen van uitspraken over, het verrichten van handelingen jegens of het nemen van beslissingen over personen die beledigend zijn voor die personen vanwege hun ras, godsdienst, geslacht, levensovertuiging en/of seksuele geaardheid, dan wel het maken van onderscheid op basis van deze factoren.

De vertrouwenspersoon ongewenst gedrag is onafhankelijk en geniet daarin bescherming van de zijde van de werkgever. Hij/zij fungeert als klankbord en tussenpersoon. De vertrouwenspersoon ongewenst gedrag treedt nadrukkelijk niet op als scheidsrechter en neemt zelf geen beslissingen. Wel kan hij/zij, al dan niet met behulp van derden, adviezen uitbrengen of bemiddelen tussen partijen. De anonimiteit wordt daarbij absoluut gewaarborgd.

Taken/bevoegdheden van de vertrouwenspersonen ongewenst gedrag zij m.n.:

·

verstrekken van voorlichting over ongewenst gedrag;

·

advies geven aan personeelsleden en studenten die ongewenst gedrag hebben gesignaleerd;

·

zorgen voor een adequate opvang van degene die klachten heeft over ongewenst gedrag;

·

in voorkomende gevallen klager doorverwijzen naar andere hulpverleningsinstanties;

·

zorgen voor een vertrouwelijke behandeling van gegevens;

·

na verkregen toestemming van de klager zoeken naar en bemiddelen bij een informele oplossing;

·

klager op diens verzoek terzijde staan bij het indienen van een schriftelijke klacht en eventueel bij de formele afhandeling daarvan;

·

indien gewenst of noodzakelijk tijdelijke maatregelen met betrekking tot de klager en/of aangeklaagde voor te stellen aan het College van Bestuur;

·

zo nodig verlenen van nazorg na beëindiging van de klachtenprocedure;

·

adviseren van het College van Bestuur, gevraagd en ongevraagd, op het gebied van beleidsmaatregelen met betrekking tot ongewenst gedrag.