Ervaring met interactie in een bachelorvak EE ((Netwerkanalyse)

Werkgroep Interactie in hoorcolleges

Docent: Luuk Spreeuwers

Context en aanleiding:
De docent heeft in het studiejaar 2011-2012 geprobeerd om meer studenten aan het werk te zetten tijdens zijn colleges van Netwerkanalyse (kwartiel 2). Het betreft een eerstejaarsvak waar ongeveer 50 studenten aan deelnamen. De aanleiding om meer interactie te creëren en meer studenten aan het werk te zetten was dat veel studenten problemen ondervonden bij de basisprincipes van Netwerkanalyse. Gevolg hiervan was dat de studenten niet alleen bij Netwerkanalyse problemen ondervonden, maar ook bij vervolgvakken. Een mogelijke oplossing was het actiever betrekken van studenten bij de leerstof.

Acties:
De docent heeft meerdere veranderingen doorgevoerd in zijn vak. Als eerste zijn de colleges interactiever gemaakt. De docent heeft tijdens verschillende colleges één of twee vragen gesteld aan studenten om hen aan het denken te zetten. De opgaven moesten worden uitgewerkt op papier. Studenten zijn met elke opgave ongeveer 5 minuten bezig. De docent loopt langs bij de studenten om te kijken hoe het oplossen van het probleem de studenten vergaat en helpt studenten waar nodig. Opvallend is dat lang niet elke student pen en papier bij de hand had om de opgaves te maken. De docent heeft daarom ook een aantal keren een student voor het bord gevraagd die de opgave voor de hele groep moest oplossen.

Ten tweede is een nieuw digitaal dictaat voor studenten gemaakt. Dit dictaat bevat ‘recepten’ of stappenplannen om verschillende problemen aan te pakken zodat studenten beter zouden begrijpen hoe ze een probleem moeten aanpakken.

De derde verandering heeft te maken met het feit dat de docent van mening is dat de studenten van alle 10 onderwerpen die behandeld worden in het vak Netwerkanalyse een substantieel deel moeten weten om te voorkomen dat de studenten problemen krijgen met vervolgvakken waar de kennis van Netwerkanalyse verondersteld wordt. Elk onderwerp wordt individueel getoetst in een toetsopgave tijdens een deeltoets. Voor elk onderwerp moeten minimaal 5 van de 10 punten worden gehaald en totaal (alle deeltoetsen samen) minimaal gemiddeld 55 punten. Tijdens het reguliere tentamen en de herkansing hoeven alleen de toetsvragen over de onderwerpen die nog niet zijn gehaald te worden gemaakt.

Evaluatie:
De docent is tevreden over zijn aanpak. De opgave die hij tijdens een college laat maken heeft nut om dat studenten eerst zelf gaan nadenken over de opgave voordat het antwoord wordt gegeven. De docent geeft de studenten tijdens het maken van de opgave de nodige individuele hulp. De docent is van mening dat de studenten minder basale fouten maken op het tentamen/deeltoetsen. Het kost bovendien slechts beperkte tijd tijdens het college om een dergelijk opgave te laten maken. De conclusie van de docent is daarom ook dat hij hier volgend jaar zeker weer gebruik van gaat maken.

Zowel de docent als de studenten zijn zeer tevreden over het digitale dictaat met daarin stappenplannen en recepten om verschillende soorten opgaven goed op te lossen. De tussentoetsen zijn bovendien vooral toegespitst op het dictaat, waardoor studenten veel baat hebben bij het gebruik van dit dictaat.

De studenten geven aan dat het deeltoetsen systeem erg prettig is, omdat zij gedwongen worden echt alle onderdelen goed te leren en men niet pas aan het einde moeite gaan doen (met als gevolg dat de kans op het halen van het tentamen en het begrijpen van de 10 verschillende onderwerpen veel kleiner is). De deeltoetsen helpen erg goed om bij te blijven. Wel worden er wat kritische opmerkingen gemaakt. Een nadeel van de deeltoetsen is dat de aandacht voor parallel lopende vakken verzwakt. Maar studenten geven daarbij aan de niet de deeltoetsen daar schuld aan zijn, maar vaak andere redenen bijvoorbeeld gebrek aan interesse in en motivatie voor andere vakken.