Graduate procedure

Graduate procedure







Afstudeerhandleiding

Mechanical Engineering


(of ir-opleiding Werktuigbouwkunde)

2007/08






























Kenmerk: CTW.07/WB- 5027

Enschede, 30 oktober 2007.

Inhoud:


Ten geleide 3

1. Inleiding 3

2. Afstudeeropdracht 4

Planning 4

Onderzoek doen 5

3. Beoordeling 5

3.1 Beoordelingskader 5

3.2 Beoordeling van de inhoud 6

3.3 Beoordeling van voordracht/colloquium 6

3.4 Beoordeling van het afstudeerverslag/thesis 6

3.5 Beoordeling van de mondelinge verdediging 8

3.6 Beoordeling van de uitvoering van de afstudeeropdracht 8

3.7 Eindcijfer 8

4. Diplomering 8

Colloquiumaankondiging 8

Procedure diploma-uitreiking 9

5. Overige handige informatie 10

Opleidingsdirecteur (Bureau Onderwijs Ondersteuning) 10

Bureau onderwijszaken (BOZ) 10

Student Mobility Center (stage, internationale contacten) 10

Vakgroepinformatie 10

ICT- ondersteuning, systeembeheer en notebookservice 11

Bibliotheek (UB) 11

Centrale studentenadministratie (CSA) 11

Bureau Studentendecanen (BSD) 11

6. Tot slot 11












Deze handleiding is bedoeld als leidraad tijdens de afstudeerperiode


Ten geleide


Uit de evaluatie van het afstudeerprogramma blijkt dat de studenten positief zijn over de inhoud van de programma’s, maar minder te spreken zijn over de studeerbaarheid van de afstudeerfase. Dit probleem is niet altijd vermijdbaar en heeft twee kanten. Veel afstudeervakken worden afgesloten met een opdracht, waarvan de deadline niet hard is. Vaak schuift de afronding door naar een volgende periode en ontstaat een domino-effect van uitstel op uitstel. De flexibiliteit die ontstaat door de 'opdrachtvakken' willen we niet opgeven door striktere eisen te gaan stellen aan het moment waarop het vak afgerond moet zijn. De opleiding raadt de studenten wel aan om tijdig in contact te treden met de afstudeerdocent om een passend programma samen te stellen.

Voor een goede begeleiding is ook van belang dat het programma en de studieplanning tijdig worden doorgegeven aan BOZ, zie: http://www.me.utwente.nl/master_programme/graduate/ op de ME-website.


In deze handleiding wordt algemene voor iedereen relevante informatie gegeven. Details kunnen per gekozen vakkenpakket verschillen. Zorg dat de vakgroepsecretaresse weet dat je bij de betreffende vakgroep gaat afstuderen en hou ook de website van de vakgroep in de gaten.

Mochten er verder nog vragen of onduidelijkheden zijn, dan kun je contact opnemen met de begeleider, de opleidingsdirecteur, de stagecoördinator of BOZ (zie punt 5).


In het Studentenstatuut van ME (zie de website van CTW) staan de zaken die moeten gebeuren voordat met het afstuderen kan worden begonnen.

Lees in het Studentenstatuut in verband hiermee over:

•toewijzing vakgroepen;

•keuze van afstudeervakkenpakket en wijzigingen daarin;

•wanneer je mag beginnen met de stage;

•wanneer je mag beginnen met de afstudeeropdracht;

•samenstellen afstudeercommissie voor de begeleiding;

•voorwaarden voor het houden van je afstudeercolloquium.


1. Inleiding


De masteropleiding beslaat twee jaar. In het eerste jaar wordt de theorie van de gekozen specialisatie en het gekozen profiel uitgediept. Het tweede jaar bestaat uit de stage en de afstudeeropdracht. Hoewel de stage pas begint als nagenoeg alle vakken zijn afgerond, is aan te bevelen de voorbereiding zeker een half jaar eerder te starten. Het initiatief voor de stage ligt bij de student. De vakgroep en het Student Mobility Center CTW (HR-Z.220) kunnen hierbij op allerlei manieren ondersteuning verlenen en ook bemiddelen bij het verkrijgen van subsidies. In dit document gaan we verder alleen in op de afstudeeropdracht.


De afstudeeropdracht is het sluitstuk van de opleiding. Het is een meesterproef: de student laat zien in staat te zijn om op academisch niveau (‘master of science’) te functioneren en een bijdrage te kunnen leveren aan het onderzoek binnen de specialisatierichting van de opleiding. Naast een proeve van bekwaamheid is het leereffect zeer belangrijk: de student werkte nog niet eerder zo zelfstandig op dit niveau temidden van vakgenoten die hun sporen op dit gebied verdiend hebben. Normaliter wordt met het afronden van de afstudeeropdracht de masteropleiding 'Mechanical Engineering' afgesloten.


De student kan de wens uiten voor een interne of externe afstudeeropdracht. Een externe afstudeeropdracht kan gedaan worden bij een andere universiteit, een onderzoekinstituut of bij een bedrijf. Het goed plannen van een externe opdracht is vaak lastig. De ervaring leert dat deze opdrachten de neiging hebben om uit te lopen. Afstuderen bij een vakgroep (intern) betekent over het algemeen een meer specifiek op het onderzoek van de vakgroep gerichte afstudeeropdracht. De opdracht zal vaak deel uit maken van een groter onderzoek, dat meestal door een externe opdrachtgever wordt gefinancierd. Ook bij dit onderzoek is de link met de toepassing evident.


De student en de afstudeerdocent maken voor aanvang van de opdracht afspraken over de doorlooptijd (begin- en einddatum), de tijdsbesteding, het overeenkomstige aantal EC’s, en de begeleidingsintensiteit. Als de afstudeeropdracht buiten de UT plaatsvindt, ziet de vakgroep er op toe, dat bij de desbetreffende organisatie een begeleider wordt aangewezen. Deze begeleider dient tevens akkoord te gaan met de formulering en het inkaderen van de afstudeeropdracht. De afstudeerdocent blijft verantwoordelijk voor de inhoud en het wetenschappelijk niveau van de afstudeeropdracht. Hij is er tevens verantwoordelijk voor dat de afstudeeropdracht binnen het overeengekomen aantal werkweken afgerond kan worden.



2. Afstudeeropdracht

Bij de opdracht horen naast het vaststellen van het onderwerp, het plannen en het instellen van de begeleidingscommissie een aantal afspraken en daaraan gekoppelde administratieve handelingen:

•Tijdig vastleggen gemaakte afspraken met de afstudeerdocent over de afstudeeropdracht Intentieverklaring (t.b.v. de vakgroep);

•Bekendmaking van de startdatum van de afstudeeropdracht en -plaats; deze zo snel mogelijk aan BOZ doorgeven via 'Masteropdrachtgegevens' (http://www.me.utwente.nl/master_programme/graduate/);

•Afspraken over het afronden van vakken als nog niet alle studieonderdelen zijn afgerond.
Let wel: alle studieonderdelen moeten zijn afgerond voordat de afstudeeropdracht wordt afgesloten;

•Het vooraf bepalen van de werktijden in afstemming met de vakgroep;

•Afspraken maken met de begeleider over de frequentie van voortgangsgesprekken; de afstudeerdocent blijft hierbij verantwoordelijk voor adequate begeleiding tijdens de afstudeeropdracht. Zonodig kan de opleidings­directeur hierbij sturend optreden;

•Snelle terugkoppeling aan de begeleider bij problemen tijdens de opdracht;

•Onderbreking van de opdracht direct doorgeven aan de begeleider (eventueel ook aan BOZ), zoals bijvoorbeeld bij: ziekte, verlof, vakantie, tussentijdse andere verplichtingen van invloed op de voortgang, stagnatie in aanlevering van onderdelen, en eventueel het voorbereiden en/of doen van tentamens;

•Bij uitloop van de opdracht direct aanvullende afspraken maken:

- op wiens verzoek ontstaat de uitloop? vakgroep, bedrijf of student (bij voorkeur vastleggen d.m.v. het formulier 'masteropdracht verlenging');

- consequenties voor de studiefinanciering?

- wel of geen vergoeding van de extra tijd in de vorm van EC’s of financiële vergoeding.

Planning

Het is niet altijd eenvoudig om direct in het begin een goede planning te maken voor de opdracht. Een suggestie is om de planning in twee etappes te maken in overleg met je begeleider/mentor.

In het begin, bij het vaststellen van de opdrachtomschrijving, wordt een ruwe planning gemaakt. Hierin wordt ook een tijdsbesteding aangegeven voor nog openstaande vakken. Vergeet niet om tijd in te plannen voor onvoorziene omstandigheden en vakanties. Op deze manier wordt de einddatum "harder". Geef de planning direct door aan de secretaresse, zodat deze voorlopige datum ook in de agenda van de afstudeerdocent komt te staan ter voorkoming van agendaproblemen bij het afstuderen. In de maanden juli / augustus (afwezigheid i.v.m. zomervakanties, congressen, etc.) is het zaak hierop extra alert te zijn. Studeer je na 31 augustus af, dan moet je niet vergeten je tijdig weer voor het nieuwe cursusjaar in te schrijven!


Aanbevolen wordt om gemiddeld eens per veertien dagen de stand van zaken met de begeleider(s) door te nemen, alsmede de planning voor de eerstkomende tijd. Voordat een dergelijke bespreking plaats heeft, stelt de student op overzichtelijke wijze op schrift wat zijn recente activiteiten zijn geweest, met een nadruk op de technisch-inhoudelijke voortgang. Vindt de opdracht in een bedrijf plaats, dan regelt de student de bijeenkomst met de begeleider(s), stelt de agenda op en maakt een verslag. Deze bijeenkomst kan zowel in het bedrijf als op de UT plaatsvinden.

Na een maand of twee is een gedetailleerder zicht op de opdracht en kan de planning bijgesteld worden. De definitieve omschrijving van de opdracht wordt dan vastgesteld en ingeleverd bij de secretaresse van de vakgroep met een kopie aan BOZ.


De begeleider draagt er zorg voor dat de afstudeercommissie wordt samengesteld (conform het Studentenstatuut).


Het is verstandig om al snel een bouwplan voor het eindverslag op te stellen en aan de begeleider voor te leggen. Daarna kan begonnen worden met het invullen van de verschillende secties, waardoor het schrijven niet tot de laatste weken wordt uitgesteld. Als het verslag in eindversie gereed is, mag - via de secretaresse, op kosten van de vakgroep - een beperkt aantal kopieën van het afstudeerverslag gemaakt worden. Uiterlijk twee weken voor het afstudeerexamen dient elk lid van de examencommissie een exemplaar van het afstudeerverslag in zijn bezit te krijgen. Tevens dient tijdig een digitale versie van het afstudeerverslag gezonden te worden aan BOZ, bij voorkeur via e-mail in PDF-format. Ook dient één exemplaar en het (losbladig) origineel ingeleverd te worden bij de secretaresse van de vakgroep.

Onderzoek doen

In het begin van het onderzoek wordt eerst een literatuuronderzoek uitgevoerd. Dit betekent het definiëren van het onderzoeksgebied, het opzoeken van de vooraanstaande auteurs op dit gebied, en het lezen en beoordelen van deze literatuur. Hierbij wordt het gebied breder verkend dan direct voor de opdracht noodzakelijk is. Van belang is om niet klakkeloos alle referenties te verwerken, maar kritisch te kijken naar het wetenschappelijke gehalte ervan. Aangeraden wordt om nog eens bij ir. A.A.K. Boxem (informatiespecialist; HR-Z.214) te rade te gaan, en de site van de Universiteitsbibliotheek (UB) met zoektips grondig te bestuderen.


Om een eenmaal bestudeerd artikel of boek gemakkelijk terug te kunnen vinden, is het handig met behulp van het programma End Note een database te maken van de complete literatuurverwijzing met daarbij een korte samenvatting van de inhoud of een vermelding van de belangrijkste resultaten. Dit systeem is later erg nuttig bij het maken van de literatuurlijst voor het afstudeerverslag.

Wanneer een stuk van het onderzoek compleet is, schrijf het dan compact op. Hou dagelijks of wekelijks een logboek bij van de activiteiten, gedachten, de definities van begrippen, ook van de doodlopende weggetjes en zeker ook van de gemaakte keuzes. Dit zal waardevol materiaal opleveren voor het uiteindelijke eindverslag en kan de werkdruk in de afsluitende vaak hectische periode reduceren. Het op papier vastleggen van gedeeltelijk gevormde ideeën werkt dikwijls zeer verhelderend. Het verslag wordt op deze manier al grotendeels tijdens het onderzoek geschreven.


3. Beoordeling

3.1 Beoordelingskader

Het is goed om je er rekenschap van te geven dat de beoordelingscommissie aan de hand van hoe je de afstudeeropdracht hebt gedaan, beoordeelt of je aan alle leerdoelen van de opleiding hebt voldaan. Het oordeel gaat dus verder dan het resultaat van de opdracht!

Die leerdoelen van de opleiding liggen allereerst op het gebied van de werktuigbouwkunde:

1.de vakinhoud (binnen een subdiscipline van de werktuigbouwkunde de nieuwste kennis, methoden en inzichten kennen en begrijpen),

2.het vermogen om te kunnen ontwerpen en modelleren,

3.de ingenieursvaardigheden als doelgericht en planmatig problemen aanpakken (en oplossen).

Andere doelen hebben betrekking op de competenties die iedere academicus hoort te hebben als:

1.de zelfstandigheid, initiatieven nemen, zelfredzaamheid in complexe situaties;

2.het kunnen communiceren met vakgenoten, niet-vakgenoten en opdrachtgevers;

3.het vermogen zich snel in een nieuw probleem te kunnen inwerken of zich zelfstandig nieuwe kennis te kunnen eigen maken.

Deze zes aspecten komen altijd expliciet aan de orde bij de eindbeoordeling. Een ander belangrijk doel is ‘het hebben van inzicht in een bedrijfsomgeving’; dit doel is in het algemeen bij de stage al beoordeeld.

Ook andere doelen als ‘kunnen samenwerken in een team’ zijn eerder (bij de projecten) beoordeeld en komen hier gewoonlijk niet opnieuw aan de orde.


De beoordeling van de opdracht gebeurt door de afstudeercommissie (zie voor volledige informatie het Studentenstatuut ME).

Deze commissie bestaat uit tenminste drie examenbevoegde leden:

1.de afstudeerhoogleraar of diens vervanger: voorzitter;

2.de dagelijkse begeleider vanuit de vakgroep;

3.een docent behorend tot de vaste staf van de universiteit en niet behorend tot de vakgroep/leerstoel waarbinnen de opdracht is uitgevoerd.


De beoordeling vindt plaats op grond van de volgende onderdelen (waarvoor iedere beoordelaar cijfers toekent):

1.Voordracht (het colloquium)

2.Verslag

3.Mondelinge verdediging

4.Uitvoering van de afstudeeropdracht (inhoudelijke aspecten; ook wel M-opgave genoemd; zelfstandigheid e.d.)


Het eindcijfer wordt vastgesteld gebaseerd op de afzonderlijk beoordeelde onderdelen. Het is echter geen gemiddelde maar een integrale afweging van het inhoudelijke niveau (breedte plus diepgang) van de kandidaat, de onderzoeksaanpak en planning (waaronder ook de zelfstandigheid), en de communicatieaspecten (communicatie met opdrachtgever, met collega-onderzoekers, het verslagleggen, de mondelinge rapportage).


3.2 Beoordeling van de inhoud

Bij de beoordeling van de inhoud wordt gelet op de volgende elementen:

•Is aan de afgesproken opdracht voldaan? Inbegrepen zijn de tussentijdse – goedgekeurde – aanpassingen van de opdrachtformulering;

•Kwaliteit

-analyse van probleem en theoretische onderbouwing

-analyse en verantwoording van de resultaten

-niveau, originaliteit en toepasbaarheid van het ontwerp, de implementatie

-documentatie;

•Kwantiteit;

•In relatie tot de zwaarte, complexiteit en omvang van de opdracht;

•Inbedding en relatie met ander werk, literatuur;

•Conclusies in relatie tot de probleemstelling, plaatsen van eigen werk in context, suggesties voor toekomstig werk;

•Oorspronkelijkheid, creativiteit en eigen inbreng.


3.3 Beoordeling van voordracht/colloquium

De voordracht is geen samenvatting van het afstudeerverslag. Het is een presentatie voor een gemêleerd publiek waaraan het onderzoeksgebied en -probleem duidelijk gemaakt moet worden. De inhoud van de voordracht moet, in overleg met de begeleider, afgestemd zijn op het niveau van de vakgroep.


Tips:

De hoofdstukken van het verslag gebruiken als structuur van de voordracht is zelden een goede opzet. De volgende structuur wordt aangeraden:

•Het eerste gedeelte van de voordracht zou een overzicht moeten geven van het gehele onderzoeksgebied: leg zo mogelijk op niet-technische wijze uit hoe het onderzoeksproject in het gebied past en wat de problemen en doelen waren. Dit gedeelte van de voordracht mag maximaal 10 minuten duren;

•Het belangrijkste gedeelte van de voordracht (± 30 minuten) gaat over de resultaten van het werk en de opgetreden problemen. Ga niet te diep in op de technische details, beperk het zo veel mogelijk tot de grote lijnen en hanteer een logische volgorde in de opbouw van de ideeën. Dit gedeelte moet gericht zijn op de beoordelaars (deskundigen) en niet op het algemene publiek.

•Het laatste gedeelte (5-10 minuten) zou moeten bestaan uit conclusies en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek.

•Na de voordracht is er gelegenheid tot vragen stellen (ca. 10-20 minuten).

Belangrijk is dat er een interessante voordracht gehouden wordt. Leg de relevante concepten uit en ga niet te diep op de technische details in. Kortom: maak onderscheid tussen hoofd- en bijzaken en beperk het in de 45‑50 minuten tot (voornamelijk) hoofdzaken. Laat zien dat je grip hebt op het onderwerp van je voordracht.


Er kan gebruik gemaakt worden van eventueel aanwezige media, zoals PC of laptop, whiteboard, beamer, enz. Overleg dit tijdig met de facilitaire dienst (receptie Horst) en reserveer ook tijdig een zaal (via de vakgroep-secretaresse).

Zorg wel dat je proefgedraaid hebt voorafgaand aan de voordracht. Controleer voor de definitieve voordracht ook of alle afgesproken faciliteiten aanwezig zijn en functioneren!

Ga vooral ook naar andere voordrachten, om een beter idee te krijgen hoe de voordracht zou moeten gaan en om van andermans fouten te leren.


3.4 Beoordeling van het afstudeerverslag/thesis

Het afstudeerverslag dient om de afstudeercommissie te informeren over de verrichte afstudeeropdracht. Daarnaast kan het gebruikt worden ter informatie van degenen, die de resultaten van de opdracht willen gebruiken. Deze belangstellenden kunnen zijn: de opvolgers van het onderzoek, leden van het laboratorium of bedrijf waar het onderzoek eventueel heeft plaatsgevonden. Informatie wil hier zeggen: zakelijke, relevante en efficiënte gegevens. Dit betekent, dat het afstudeerverslag geen studieboek dient te zijn of een dagboek in romanvorm van de verrichte werkzaamheden. Anderzijds moet het niet zo compact zijn dat alleen de echte ingewijden kunnen begrijpen wat het werk inhield.


Het afstudeerverslag dient bij voorkeur in het Engels geschreven te worden met een korte Nederlandse samenvatting (in het Nederlands met een korte Engelse samenvatting is toegestaan als er geen buitenlandse beoordelaars in de commissie zitten). Ook voor het afstudeerverslag geldt dat commentaar van collega-studenten op een concept-versie de kwaliteit aanzienlijk ten goede zal komen.


De indeling van het afstudeerverslag

Het afstudeerverslag bestaat meestal uit twee delen:

•het algemene gedeelte (de beschrijving van het onderzoek) incl. korte samenvatting en

•het specifieke gedeelte (de verzameling van bijlagen, tekeningen, etc.).


Het algemene gedeelte heeft in het algemeen een omvang van ca. 50 pagina's (A4) tekst (11 punts). Het is zeker niet zo dat een omvangrijker rapport positiever wordt gewaardeerd. De omvang hangt mede af van het onderwerp, en de doelgroep (soms wordt informatie opgenomen t.b.v. de meelezers uit het bedrijf). Een afstudeerverslag bevat de volgende onderdelen:

•titelpagina, waarop vermeld:

- de titel van het verslag (is een compacte samenvatting van het onderzoek);

- de naam van de auteur (met alle voorletters);

- de datum (maand en jaartal is voldoende);

- de naam 'Universiteit Twente';

- de naam van de opleiding en de vakgroep;

•een inhoudsopgave;

•een symbolenlijst (facultatief);

•een korte samenvatting van ca. 100 woorden in het Nederlands of Engels;

•de omschrijving van de opdracht, zoals deze is overeengekomen;

•de analyse en specificatie van het probleem en het aangeven van de technische relevantie van de oplossing van het probleem. Eén en ander dient gepaard te gaan met de vermelding van de resultaten van een relevante literatuurstudie;

•de beschrijving van de werkwijze die bij de oplossing van het probleem is gebruikt: modelvorming, analysemethode, experimentele verificatie;

•rekenresultaten, etc.;

•een evaluatie van het werk en prognoses. Aanwijzingen voor voort te zetten onderzoek of toepassing. De evaluatie omvat een bespreking van de geldigheid en de kwaliteit van de bereikte resultaten;

•een alfabetisch gerangschikt literatuuroverzicht. In dit overzicht dienen de relevante literatuurreferenties in de vorm van artikelen en boeken op de juiste wijze te worden vermeld;

•bijlagen, hierin komen de uitgewerkte berekeningen, gedetailleerde beschrijvingen van experimenten, tabellen van de resultaten, grafieken, tekeningen. etc.

Andere zaken, bijvoorbeeld computeruitdraaien en overige informatie op DVD/Cd-rom, ten behoeve van voortzetting van het werk dienen in overleg met de begeleider te worden bewaard.


Nadere zaken betreffende het afstudeerverslag

Deze kunnen per vakgroep verschillen. Alle verslagen, die binnen de vakgroep worden geproduceerd, dus ook de afstudeerverslagen, worden geregistreerd en krijgen een vakgroepnummer. Dit nummer is verkrijgbaar bij de secretaresse van de vakgroep, waarbij tevens de titel van het afstudeerverslag, de auteur en de status van het verslag worden opgegeven. De titel dient in overleg met de begeleider te worden vastgesteld. De status van het verslag geeft aan, wie het afstudeerverslag later mogen inzien of gebruiken. Dit hangt samen met eventuele geëiste geheimhouding door een bedrijf, waar of voor wie het werk wordt uitgevoerd. Er zijn twee classificaties: "gewoon" of "vertrouwelijk". Bij een vertrouwelijk afstudeerverslag mag, na het gereedkomen van het werk, alleen de begeleider over het verslag beschikken en slechts met uitdrukkelijke toestemming van het bedrijf waar de opdracht is uitgevoerd, bepalen wie het mag inzien of gebruiken. In veel gevallen tekenen zowel de student als de begeleiders dan ook een geheimhoudingsverklaring. In het algemeen zal een vertrouwelijk verslag na drie jaar die status ver­liezen. Op de voorpagina en in de 'kop- of voettekst' van het verslag moet dan duidelijk 'CONFIDENTIAL' vermeld worden. Een te lange vertrouwelijke status is niet in het belang van de student, die in dat geval bij sollicitaties geen concrete informatie over het afstudeerwerk kan overleggen.

BOZ dient echter in alle gevallen een digitaal archiefexemplaar te ontvangen (eventueel ontdaan van de meest vertrouwelijke gegevens).

De afstudeerverslagen worden door BOZ voor een beperkte duur in het digitale archief (Docuware) gearchiveerd en in de toekomst via de Universiteitsbibliotheek toegankelijk gemaakt.

3.5 Beoordeling van de mondelinge verdediging

De verdediging van het werk vindt mondeling plaats voor de afstudeercommissie, eventueel aangevuld door interne/externe deskundigen. Deze besloten bijeenkomst vindt gewoonlijk aansluitend aan het colloquium plaats en duurt ongeveer een uur.

De afstudeerder wordt aangeraden om een collega-student te vragen om tijdens de ondervraging het bij het colloquium aanwezige publiek te begeleiden.


3.6 Beoordeling van de uitvoering van de afstudeeropdracht

Hierbij kunnen de volgende punten worden meegenomen in de beoordeling van de afstudeeropdracht:

•Samenwerken met anderen

•Zelfstandigheid

- eigen initiatief (bijv. verzamelen van literatuur)

- creativiteit en originaliteit

- begrip van en overzicht over het probleem

•Planning

- maakt een goede planning

- houdt zich aan gemaakte afspraken

- op tijd nemen van beslissingen (bijv. voor de oplossingsmethode)

•Kritische houding

- conclusies en (zelf)evaluatie

•Systematisch gewerkt.


3.7 Eindcijfer

Alle indrukken tezamen worden door de beoordelaars verwerkt in een eindcijfer. De procedure daarbij is als volgt:

1.iedere beoordelaar stelt individueel een eindcijfer vast op vier aspecten: (a) de presentatie (is de student in staat om uit te zoomen en een presentatie te geven op de cruciale hoofdlijnen), (b) het verslag (heeft de student het gedane werk op een verantwoorde manier verwoord en beargumenteerd), (c) de ondervraging (blijkt de student echt te begrijpen wat hij heeft gedaan) en (d) de M-opgave (de mate van complexiteit van de opdracht, de zelfstandigheid en het initiatief van de student worden hierin gewogen).

2.de beoordelaars leggen hun beoordelingen op tafel en komen tot een eindcijfer op de vier aspecten;

3.tezamen wordt het eindcijfer vastgesteld. In het algemeen doet de voorzitter een voorstel op basis van hetgeen besproken is. Dit cijfer is geen gemiddelde van de cijfers van de vier aspecten. Waar de deelcijfers in grote mate betrekking hebben op de gedane opdracht, wordt nu uitgezoomd en vastgesteld of de beoordeelde uit het goede ingenieurshout gesneden is.


Indien de afstudeercommissie van oordeel is dat er sprake is van een uitzonderlijke studieprestatie kan de afstudeerhoogleraar bij de examencommissie een voorstel indienen om aan het Masterdiploma het predikaat 'met lof' te verbinden, zie hiervoor het Studentenstatuut. Het verzoek wordt gericht aan de griffier van de examencommissie, het Hoofd BOZ.


Uitzonderlijke studieprestaties en uitmuntende afstudeeropdrachten, kunnen door de opleiding genomineerd worden voor afstudeerprijzen, zoals die ter beschikking gesteld worden door instituten en/of het bedrijfsleven. Voor de prijzen is er competitie met andere universiteiten en andere opleidingen. Sommige prijzen worden jaarlijks, andere om het jaar uitgereikt. Bekende prijzen zijn de UT-CTW-afstudeerprijs, de KIvI/NIRIA-prijs, de Corus-afstudeerprijs en de Unilever-prijs.


4. Diplomering

Colloquiumaankondiging

De colloquiumaankondiging wordt tijdig via de secretaresse geregeld. Maak eventueel gebruik van het colloquiumformulier (http://www.me.utwente.nl/master_programme/graduate/). Een zaal voor de voordracht regel je zelf of via de secretaresse (vakgroepafhankelijk). BOZ zorgt vervolgens voor publicatie van de colloquiumaankondiging.

Procedure diploma-uitreiking

Door de opleiding kan tot uitreiking van het Masterdiploma worden overgegaan indien de student aan de volgende voorwaarden heeft voldaan:

1.De student neemt ruim voor het afstuderen contact op met de afstudeerdocent voor het vaststellen van de examencommissie, -datum en -zaal (indien gebruikelijk via de vakgroepsecretaresse), zie hiervoor ook de betreffende afstudeerregeling binnen de vakgroep;

2.De student zorgt er zelf voor dat vier weken (20 werkdagen) voor zijn examen het formulier 'Aanmelden Masterdiploma' en het door de afstudeerdocent getekende colloquiumformulier bij BOZ zijn ingeleverd;

3.BOZ stuurt daarop een e-mail met de studiegegevens van nog niet afgesloten studiefase(n) naar de student en c.c. naar de afstudeerdocent met verzoek binnen een week deze gegevens te controleren en zonodig op te schonen (vakken ruilen, af- en/of opvoeren). Dit laatste dient de student, d.m.v. het formulier 'Wijzigen Mastervakken' en mede ondertekend door de afstudeerdocent, bij BOZ in te leveren;

4.Direct na deze periode controleert BOZ alle studiegegevens en de eventueel ingeleverde wijzigings-voorstellen;

5.Van alle vakken, met uitzondering van de afstudeeropdracht, moeten de cijfers drie weken vóór het afstudeerexamen bij BOZ ingeleverd zijn;

6.Als daarna aan alle slaagvoorwaarden zijn voldaan meldt BOZ de student bij CSA aan (dat moet twee weken voor het examen schriftelijk door BOZ zijn gedaan);

7.De student zorgt er voor dat hij ten tijde van de laatste verrichting ingeschreven staat aan de opleiding van deze universiteit;

8.CSA controleert of de student aan alle (inschrijf)-verplichtingen heeft voldaan;

9.BOZ gaat één maal per week op de dinsdag vóór de examens van de daarop volgende week naar CSA om tegelijk alle betreffende diploma's te laten waarmerken (droogstempel) en registreren;

10.De student levert circa een week voor het examen het afstudeerverslag in digitale vorm (PDF-format) per
e-mail in bij BOZ;

11.Als aan bovengenoemde regels is voldaan wordt het examen afgenomen en bij goed gevolg kan in principe de student aansluitend het diploma, dat door de voorzitter van de Examencommissie CTW en de afstudeerdocent is getekend, ondertekenen en in ontvangst nemen. Later zal het master diplomasupplement met daarin de definitieve cijferlijst (inclusief het cijfer voor de afstudeeropdracht) of de D3-cijferlijsten van de ir-opleiding worden toegezonden.

In uitzondering, zoals door grote aantallen afgestudeerden of vakanties de maanden juli en augustus, kan BOZ in sommige gevallen niet in staat zijn om tijdig het diploma af te kunnen geven voor uitreiking aansluitend aan het colloquium. Het diploma kan dan op een later tijdstip, naar keuze bij BOZ of de vakgroep, in ontvangst worden genomen.


Alle hiervoor genoemde formulieren zijn bij BOZ of van de ME-website te halen:

http://www.me.utwente.nl/master_programme/graduate/


De diploma-uitreiking vindt meestal plaats in een andere zaal dan waarin het colloquium werd gehouden. Bij de uitreiking wordt de kandidaat door de afstudeerdocent kort toegesproken en gefeliciteerd, waarna het diploma door beiden wordt ondertekend en overhandigd. Hierna is de nieuwe ingenieur in de gelegenheid om de begeleiders te bedanken. Het is niet de bedoeling om dit dankwoord vergezeld te doen gaan van cadeaus voor de leden van de beoordelingscommissie. Als de behoefte wordt gevoeld om de dagelijkse begeleider(s) te bedanken met een presentje (aardigheidje) dan kan dit het beste buiten het officiële protocol om te gebeuren.


5. Overige handige informatie

Opleidingsdirecteur (Bureau Onderwijs Ondersteuning)

Opleidingsdirecteur:

Drs. C.T.A. Ruijter, tst. 2512, kamer HR-Z.208, e-mail: C.T.A.Ruijter, afspraken via BOZ.

Verzoeken aan de examencommissie van de opleiding dienen te worden gericht aan de opleidingsdirecteur.

De opleidingsdirecteur is ook contactpersoon voor de masteropleiding.

Bureau onderwijszaken (BOZ)

Hr. H.P. Kroezen (hoofd), tst. 2480; mw. D.J. Nijhuis, mw. S.H.J. Steinmeijer; kamer: HR-Z.206.

Geopend van 8.30 t/m 16.30 uur, e-mail: BOZ-WB

MobiliteitsCentrum (stage, internationale contacten)

- Coördinator:

Mevr. dr.ir. D. van de Belt, tst. 2457, kamer: HR-W.204, e-mail: D.vandeBelt

- Administratief medewerkster:

Mevr. H. de Haas-Hendriks, tst. 3640, kamer HR-Z.220;

aanwezig: maandag, dinsdag en donderdag van 9.00 tot 12.00 uur en 13.00 tot 14.00 uur;

e-mail: H.deHaas-Hendriks.

- Het algemene stage e-mailadres is: Stage-WB

Vakgroepinformatie

Biomedische werktuigbouwkunde (BW) 053-4894428 http://www.bw.ctw.utwente.nl/

prof.dr.ir. H.F.J.M. Koopman, voorzitter

prof.dr. F.C.T. van der Helm

prof.dr.ir. G.J. Verkerke


Ontwerp, productie en management (OPM) 053-4892520 http://www.opm.ctw.utwente.nl/

prof.dr.ir. F.J.A.M. van Houten (Ontwerptechniek), voorzitter

prof.dr.ir. R. Akkerman (Productietechniek en Kunststoffen) 053-4892566 http://www.pt.ctw.utwente.nl/

prof.dr.ir. A.O. Eger (Productontwerp)

prof.dr.ir. D.J. Schipper (Oppervlaktetechnologie en Tribologie) 053-4895630 http://www.tr.ctw.utwente.nl/

ir. R. Mantel (Productiemanagement)

dr.ir. T.H.J. Vaneker (Industrial Design & Manufacturing)


Rubbertechnologie

prof.dr.ir. J.W.M. Noordermeer 053-4892529 http://www.ete.ctw.utwente.nl/


Technische mechanica (TM) 053-4892460 http://www.tm.ctw.utwente.nl/

prof.dr.ir. J. Huétink, voorzitter

prof.dr.ir. A. de Boer


Thermische werktuigbouwkunde (ThW) 053-4892530 http://www.thw.ctw.utwente.nl/

prof.dr.ir. T.H. van der Meer, voorzitter

prof.dr.ir. G. Brem (Thermische conversieprocessen)

prof.dr.ir. M. Wolters (Gastechnologie)


Technische- en stromingsleer (TS) 053-4894428 http://www.ts.ctw.utwente.nl/

prof.dr.ir. H.W.M. Hoeijmakers, voorzitter

prof.dr.ir. A. Hirschberg (Akoestiek)

prof.dr.ir. S. Luding (Multi-scale mechanics) 053-4894212


Werktuigbouwkundige automatisering (WA) 053-4892502 http://www.wa.ctw.utwente.nl/

prof.dr.ir. J.B. Jonker, voorzitter

prof.ir. H.M.J.R. Soemers (Mechatronisch ontwerpen)


ICT- ondersteuning, systeembeheer en notebookservice

zie https://www.nsc.utwente.nl/


Bibliotheek (UB)

De opleidingsbibliotheek is ondergebracht in de Centrale UT-bibliotheek (Vrijhof).

Informatiespecialist voor WB-studenten: ir. A.A.K. Boxem, kamer HR-Z.214, tst. 2083

Centrale studentenadministratie (CSA)

Bastille (blauwe balie), tst. 2123.

Bureau Studentendecanen (BSD)

Bastille (rode balie), tst. 2035.

6. Tot slot

Na diplomering wordt nog het volgende van je verwacht:

•retourneer alle boeken, handleidingen, verslagen, apparatuur, DVD's, etc. die geleend zijn aan de rechtmatige eigenaar.

•lever eventuele toegangssleutels in bij de beheerder, vraag (indien van toepassing) om restitutie borgsom.

•lever (indien van toepassing) tijdig je OV-jaarkaart in (informatie bij BSD).

•vraag (indien van toepassing) tijdig restitutie van teveel betaald collegegeld aan bij CSA.


Suggesties voor verbetering betreffende deze handleiding zijn welkom, s.v.p. doorgeven aan:

BOZ-WB ; Tel.: 053-489 2480, UT-gebouw nr.20, 'Horst',