UT Kader

studentenervaringen

Uitgangspunten

Het UT kader heeft 10 uitgangspunten voor module-evaluatie.

1.Het evalueren van modules heeft drie doelen:

I.het monitoren van het onderwijs in een module gedurende de uitvoering en het waar nodig bijsturen,

II.verder ontwikkelen van het onderwijs in een module,

III.het borgen van de kwaliteit van het onderwijs in de modules.


2.Het moduleteam is niet alleen verantwoordelijk voor het ontwerpen en uitvoeren van het onderwijs, maar ook voor het evalueren en verder ontwikkelen ervan.

Effectief onderwijs is onderwijs dat de student helpt zijn leerdoelen te halen. Als onderwijs effectiever wordt zullen de leerresultaten beter worden (ervan uitgaande dat andere factoren gelijk blijven). Docenten spelen een cruciale rol in het effectiever maken van het onderwijs. Evaluaties leiden alleen tot kwaliteitsverbetering als docenten de evaluatieresultaten zelf analyseren en conclusies trekken. Het effect is sterker als docenten met elkaar en met anderen (bijv. onderwijskundig adviseurs) in discussie gaan en op grond daarvan maatregelen kiezen om hun onderwijs verder te verbeteren. Onderzoek op het gebied van onderwijskwaliteit ondersteunt deze visie. (Zie onder andere papers van Hattie, Ramsden, Stevens en Overall).


3.Studenten dragen bij aan het op peil houden en verder verhogen van de kwaliteit van het onderwijs.

We streven naar een cultuur waarin het vanzelfsprekend is dat studenten deelnemen aan o.a. enquêtes en panelgesprekken. Studenten worden ook betrokken bij het organiseren van kwaliteitsactiviteiten.


4.Het evaluatieproces is zo efficiënt mogelijk ingericht. Docenten kunnen rekenen op ondersteuning bij het uitvoeren van de evaluaties.

Voor alle uit te voeren evaluaties geldt dat de docenten deze evaluaties niet zelf hoeven te organiseren. De opleiding zorgt voor een ondersteuningsteam dat vragenlijsten uitzet bij studenten, panelgesprekken organiseert, standaardrapportages aanlevert, enz.


5.Er zijn UT-brede afspraken over de clustering van taken met bijbehorende eenduidige benamingen. Verdere organisatorische keuzes maken de opleidingen zelf.

De volgende rollen zijn te onderscheiden: docent, student, moduleteam, studentenpanel, ondersteuningsteam, decaan, onderwijsdirecteur, opleidingsdirecteur, opleidingscommissie en examencommissie. Met het ondersteuningsteam worden degenen aangeduid die zorgen voor de organisatie en uitvoering van evaluaties (zie uitgangspunt 4).

Dit uitgangspunt past bij de wens een heldere organisatie neer te zetten met een duidelijke verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Het is van belang aan te haken bij de rol van de onderwijsdirecteur. Via de UCO 3.0 draagt deze laatste bij aan de beleidsvorming op instellingsniveau.


6.Iedere module-evaluatie wordt uitgevoerd aan de hand van een voor de module grotendeels op maat gemaakt evaluatieplan.

Een vast onderdeel van het evaluatieplan is een standaardvragenlijst die wordt voorgelegd aan alle studenten van alle modules. Het overige deel van het evaluatieplan wordt door het moduleteam vóór de start van het onderwijs in de module - in samenwerking met het ondersteuningsteam - vastgesteld. Het moduleteam baseert de details van de uit te voeren evaluaties onder meer op de gestelde doelen en verwachtingen van de module. Voor het evaluatieplan wordt een voorbeeldplan als uitgangspunt gebruikt.


7.Continu monitoren en tussentijds bijsturen zijn belangrijke kenmerken van de evaluatieplannen.

Monitoren van het onderwijs geeft de mogelijkheid tussentijds bij te sturen en daarmee de leerresultaten positief te beïnvloeden. Monitoren betekent dat de docenten gedurende de

uitvoering van het onderwijs voortdurend open staan voor en zoeken naar signalen van studenten. Deel- en tussentoetsen (al dan niet meetellend) geven signalen over de mate waarin studenten voortgang boeken. Een mix van verschillende evaluatieactiviteiten (zoals bijvoorbeeld panelgesprekken) geven inzicht in de effectiviteit van het geboden onderwijs. Ook informele vormen van evaluatie (zoals bijvoorbeeld gesprekken met studenten “bij de koffieautomaat” of tijdens een werkcollege) dragen bij aan dat inzicht. (Het werk van Steward ondersteunt deze visie).


8.Voor alle modules wordt het afnemen van een UT-breed vastgestelde standaardvragenlijst opgenomen in het evaluatieplan.

De enquête aan het einde van de module wordt standaard afgenomen. Het gaat om een beperkte set vragen waarmee aan het eind van de module de balans opgemaakt kan worden. Het is mogelijk aan de vragenlijst een aantal module specifieke vragen op te nemen. Door deze vragenlijst meerdere jaren UT-breed in te zetten, is het mogelijk modules onderling te vergelijken en trends te herkennen.
Er wordt naar gestreefd de organisatie van deze peiling en de verwerking van de resultaten zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Er is een vorm van ICT-ondersteuning beschikbaar.


9.Het evaluatieproces is transparant: evaluatieresultaten plus bijbehorende conclusies en voorgenomen acties worden opgeslagen in een moduledossier.

Op opleidingsniveau hebben opleidingsdirecteur, opleidingscommissie en examencommissie (wettelijk vastgestelde) verantwoordelijkheden om de kwaliteit van het onderwijs en de kwaliteit van afgestudeerden te monitoren en waar nodig tot actie over te gaan. Zij moeten om die reden toegang hebben tot de moduledossiers, enerzijds om de goede werking van het kwaliteitszorgproces op moduleniveau te borgen, maar ook om situaties die wat kwaliteit betreft onder de maat zijn, te identificeren. Overigens is het in een professionele organisatie ook heel vanzelfsprekend dat medewerkers open zijn over de resultaten van hun werk.


10.Evaluatieresultaten worden – samengevat - naar opleidingsniveau gerapporteerd.

Behalve de onder het voorgaande punt genoemde borgen van de goede werking van het proces, is het op opleidingsniveau ook noodzakelijk het curriculum als geheel geëvalueerd te worden. Behalve module-overstijgende evaluaties is daarvoor ook informatie nodig vanuit de afzonderlijke modules.

Voor iedere module wordt één UT-breed vastgesteld evaluatie-instrument onderdeel van het evaluatieplan. De resultaten hiervan worden samengevat in rapporten bestemd voor het opleidingsniveau en vormen daarmee een onderdeel van de genoemde informatiestroom.




Bronnen:

Hattie, John. Teachers Make a Difference What is the research evidence? University of Auckland, Australian Council for Educational Research, October 2003

Overall, J. U.; Marsh, Herbert W. Midterm feedback from students: Its relationship to instructional improvement and students' cognitive and affective outcomes. Journal of Educational Psychology, Vol 71(6), Dec 1979, 856-865. doi: 10.1037/0022-0663.71.6.856. http://psycnet.apa.org/journals/edu/71/6/856/ .

Paul Ramsden, Paul. A performance indicator of teaching quality in higher education: The Course Experience Questionnaire, Studies in Higher Education, 16:2, 129-150, 1991 (http://dx.doi.org/10.1080/03075079112331382944)

Stevens, J.J; Aleamoni, L.M. The use of evaluative feedback for instructional improvement: a longitudinal perspective.. Office of Instructional Research and Development, University of Arizona. Tucson, AZ 85721, U.S.A. 1985.

Steward, B.L.; Mickelson, S.K.; Brumm, T.J. Continuous Engineering Course Improvement through Synergistic use of Multiple Assessment. Int. J. Engng Ed. Vol. 21, No. 2, pp. 277-287, 2005