Nieuw menu-onderdeel! Met (Inter)nationale HO nieuws blijft u voortaan goed op de hoogte


Er speelt zich van alles af, landelijk en internationaal, op het gebied van hoger onderwijs. Veel meer dan we in VoP in alle artikelen kunnen verwerken. Daarom hebben wij een nieuw menu-onderdeel (zie linkerzijde) toegevoegd: (Inter)nationaal HO nieuws.

Per aflevering een verzameling korte berichten over: actueel onderzoek op het gebied van hoger onderwijs, nieuwe onderwijsmaatregelen die het Ministerie OCW gaat nemen, bijzondere ontwikkelingen bij andere universiteiten, de stand van zaken rond kennisontwikkeling in Nederland en meer.

Geen uitputtende lijst, maar wel veel wetenswaardigheden voor een ieder die geïnteresseerd is in (achtergrondinformatie over) het hoger onderwijs.


Deze keer vindt u de berichten ook meteen hieronder. Voortaan zijn de berichten te vinden onder (Inter)nationaal onderwijsnieuws in het linkermenu.


Allerlei (inter)nationaal HO nieuws

Verzameld voor VoP aflevering 21, oktober 2009



Profs in beeld

First Day of Freshman Year PlaylistEen virtuele Lowlands University is ingericht door een reeks van de topinstellingen in de USA (denk aan Berkeley, Princeton, MIT en Harvard). De top-professoren in hun veld presenteren breed toegankelijke colleges over diverse onderwerpen. Sommige colleges zijn samengebundeld rond thema’s, zoals (zeer actueel): “ Understanding The Financial Crisis - 7 Lectures”. http://www.academicearth.org/universities
(Science guide, juni 2009)


Strengere maatregelen bij tentamens
Bij de Economische Faculteit van de VU worden beveiligers ingezet tijdens de afname van tentamens, om frauduleus en intimiderend gedrag tegen te gaan. “We moeten het niet overdrijven”, aldus de onderwijsdirecteur Sneep, “maar er zijn studenten geweest die zich op zijn minst ‘intimiderend’ hebben gedragen.” Studenten moeten voortaan ook ruim op tijd aanwezig zijn en mogen tijdens een tentamen niet naar het toilet.
(Bron: Advalvas.vu.nl / 20 mei 2009)


Harde knip verwacht vanaf 2012

Op 1 januari 2010 komt het wetsvoorstel over de ‘harde knip’ tussen bachelor en master in de Tweede Kamer, vergezeld van een brief met afspraken hierover die minister Platsterk met de universiteiten maakt. De maatregel gaat gelden voor de huidige lichting eerstejaars die in 2012-’13 een master kiezen. Bij voorkeur dienen instellingen twee instroommomenten te creëren, maar dit wordt niet wettelijk afgedwongen. Acht universiteiten hebben de harde knip al ingevoerd en uit de ervaringen blijkt dat studenten hun studiegedrag aanpassen aan de eisen.


Selectie en verhoogd collegegeld – nieuwe experimenten in de master

Er komen vanaf 2011 in het kader van het Sirius-programma nieuwe experimenten ter bevordering van ‘excellentie’ in het hoger onderwijs. Een aantal masteropleidingen mag studenten gaan selecteren op motivatie en kan meer collegeled vragen of voor bepaalde doelgroepen (bijvoorbeeld studenten uit ontwikkelingslanden) juist het collegegeld kwijtschelden. Selectie op basis van motivatie gebeurt nu ook al wel bij bacheloropleidingen met een numerus fixus en bij de university colleges.


Wat verklaart uitval en rendement in het hoger onderwijs?
De Inspectie van het Onderwijs onderzocht de factoren die lage c.q. hoge opbrengsten bij (HO) opleidingen en instellingen verklaren. Bij zes instellingen zijn casestudies uitgevoerd.
Als belangrijke beïnvloedbare factoren voor studieuitval werden genoemd: verkeerde studiekeuze (wat soms pas ver in de studie tot uitval leidt), problemen die studenten hebben met het tempo en het niveau, te weinig sociale binding met de opleiding en de docenten, te weinig uitdaging voor getalenteerde studenten en specifieke studentgebonden factoren (bijvoorbeeld allochtone afkomst). Studievertraging ontstaat doordat studenten tegen barrières binnen de organisatie oplopen en bij het overstappen naar een andere opleiding veel studiepunten verliezen, doordat ze gaan ‘zwemmen’ wanneer wel keuzemogelijkheden worden geboden maar geen begeleiding daarbij, doordat ze moeizaam tot afronding van het bacheloreindwerkstuk komen of doordat ze veel activiteiten naast de opleiding verrichten.
Bij instellingen met studenten met meer studiesucces, spelen elkaar versterkende succesfactoren en een sterke onderwijscultuur ondersteunt door centraal en integraal beleid van het CvB een rol. Een geslaagde aanpak bestaat bijvoorbeeld uit een combinatie van een goed doordacht en alom ingevoerd onderwijsconcept, profileringsruimte, goede toetsing, kleinschaligheid, studiebegeleiding, het bindend studieadvies, het honoursprogramma en professionalisering van docenten.
De Inspectie geeft als advies mee dat bestuurders, faculteitsdirecteuren en opleidingsdirecteuren de eigen situatie zullen moeten analyseren en doelgericht zullen moeten gaan werken aan de voor hen meest belangrijke succesfactoren.
Rapporten zijn te downloaden: Werken aan een beter rendement - print versie (PDF, 419Kb) Werken aan een beter rendement (PDF, 633Kb)


Veel studenten kiezen niet doordacht en last-minute

ResarchNed heeft in september 2009 de Startmonitor 2009 gepresenteerd. Uit het onderzoek dat zij onder eerstejaarsstudenten hebben gehouden, komt naar voren dat slechts 60% van de eerstejaars studenten vindt dat zij goed de voor- en nadelen van hun studiekeuze hebben afgewogen. Studenten die tijdens het eerste jaar spijt krijgen van hun keuze (ongeveer 30% van de hbo-ers en 25% van de wo-ers) beginnen vaak laat met nadenken over de studiekeuze en maken ook laat een definitieve keuze. Gerichte voorlichtingsactiviteiten, zoals het bezoeken van open dagen, meeloopdagen en proefstuderen, hebben een positief effect op het maken van een goede keuze.
Studenten die wel (blijven hun studievervolgen) of niet (vallen uit, stappen over) goed kiezen, verschillen wat betreft hun motieven; studenten die goed kiezen, kiezen de opleiding omdat ze de opleiding interessant vinden en de opleiding aansluit bij hun capaciteiten. Uitvallers kiezen vaker op basis van baankans, de hoogte van het salaris of de maatschappelijke status. Bijna een kwart van de ho-studenten geeft aan dat de opleiding of instelling hun uitval had kunnen voorkomen. Door bijna de helft of meer dan de helft van de responsgroep studenten is aangegeven dat de uitval voorkomen had kunnen worden door: betere voorlichting, een betere introductie in de studie (informatie over opleiding, programma, toetsing), meer studiebegeleiding, betere verdeling van de studiebelasting, meer aandacht voor praktijk in de opleiding, beter rooster / programmering, betere introductie in de onderwijsorganisatie en huiswerkbegeleiding.
Volgens ResarchNed kunnen de uitvallers voor een aanzienlijk deel bij voorbaat voorspeld worden. Opleidingen kunnen risicogroepen vroegtijdig signaleren en voor die groep extra begeleidingsactiviteiten bieden. (Bron: Science Guide, 17 sept. 2007, Startmonitor 2009, PP, Persbericht: Eerste resultaten uit de Startmonitor 2008-2009 ).


Accreditatie nieuwe stijl komt er aan

Het huidige accreditatiestelsel heeft eind 2009 zijn eerste, volledige cyclus doorlopen. Al in 2007 begon de NVAO, in overleg met de koepels en OCW, aan de herziening om tegemoet te komen aan de kritiek die in de loop der tijd is geuit en aan de uitkomsten van evaluaties die tussentijds hebben plaatsgevonden. Kritiekpunten golden er o.a. ten aanzien van de accreditatielast en de te grote nadruk op processen.

De NVAO heeft nu een nieuw beoordelingssysteem ontworpen; uitgangspunt is een instellingsaudit in combinatie met een beperkte opleidingsbeoordeling. De Inspectie van het Onderwijs heeft door de NVAO een negental pilots laten uitzetten om het nieuwe ontwerp te testen. Er blijkt bij de deelnemende instellingen draagvlak voor de nieuwe aanpak, maar de audit moet nog wel op een aantal punten worden aangepast.

Na indiening van het wetsvoorstel door de minister van OCW - naar verwachting oktober 2009 - wordt het voorstel in het parlement besproken en worden vervolgens de beoordelingskaders voor het nieuwe stelsel definitief vastgesteld. Tot die tijd gelden de huidige accreditatiekaders. Meer informatie: http://www.nvao.net/nieuw-accreditatiestelsel

Rapport: Accreditatie nieuwe stijl - printversie (PDF, 377Kb)


Kwaliteit van het hoger onderwijs onderzocht door de Inspectie
Tien jaar na ‘Bologna’ staat het Nederlands hoger onderwijs er volgens de Inspectie van het Onderwijs goed voor. De Bachelor-masterstructuur is ingevoerd en vrijwel alle opleidingen hebben de eerste accreditatieronde goed doorlopen en voldoen daarmee aan de eisen voor basiskwaliteit. Ook Internationaal gezien zijn de Nederlandse bachelors en masters van voldoende hoog niveau. Wel zijn er nauwelijks opleidingen die excelleren of zich profileren.
Het aantal studenten groeit sterk (van 450 duizend studenten in 1995/96 naar 580 duizend in 2007/08), maar zorgt ook voor spanning tussen volume en kwaliteit. Ook de instroom van allochtone studenten in het hoger onderwijs neemt toe, maar hun aandeel blijft achter bij het aandeel autochtonen in de Nederlandse samenleving. Allochtone studenten vallen vaker uit, switchen vaker van opleiding en behalen een lager diplomarendement. Het zorgdragen voor een positief studieklimaat, hoge verwachtingen en sociale en academische binding, zal het studiesucces van allochtone studenten positief beïnvloeden.
Onderzoek onder afgestudeerden laat zien dat een op de zes vindt dat de opleiding meer diepgang had mogen hebben en dat veel afgestudeerden de opleiding achteraf te gemakkelijk en te weinig uitdagend hebben gevonden.
Twee maatregelen voor kwaliteitsbewaking zijn: sterke(re) rol van examencommissies (wordt vanuit het ministerie aan gewerkt) en de inzet van het bindend studieadvies; 98 procent van de hbo-opleidingen en 43 procent van de wo-opleidingen heeft het BSA al ingevoerd.
Dit en meer feiten, cijfers en informatie over de kwaliteit van het hoger onderwijs, de toegankelijkheid van het stelsel en gerealiseerd niveau, is te vinden via: het volledige hoofdstuk over het hoger onderwijs (pdf)



Studenten komen zelf met ideeën voor het stimuleren van excellentie

Bijna 50% van de hbo-studenten en 37% van de universitaire studenten voelt zich niet uitgedaagd tot extra prestaties, aldus minister Plasterk tijdens het jaarcongres van de HBO-raad in 2007. Academic Transfer en Battle of Concepts stelden een inspiratiebundel samen voor de minister op basis van 98 ideeën om excellentie te stimuleren, allemaal afkomstig van studenten. Uit de voorstellen kan afgeleid worden dat er binnen het hoger onderwijs meer beloningsvormen voor betere prestaties dienen te komen (zoals een schenking van een jaar collegegeld, een topstage, een internationale uitwisseling) en dat er een cultuuromslag dient plaats te vinden. Uitblinken moet ‘cool’ worden. Competitie kan helpen om studenten te stimuleren zichzelf te bewijzen.

Inspiratiebundel "Hoe stimuleer je excellentie in het hoger onderwijs" (Bron: Science Guide)


Hoe ver zijn we gevorderd met de internationalisering in het hoger onderwijs?
In de Internationaliseringsmonitor van het onderwijs in Nederland 2008 zijn de ontwikkelingen op het gebied van internationalisering in het Nederlands onderwijs weergegeven. Enkele bevindingen met betrekking tot het universitair onderwijs:

•het aandeel buitenlandse studenten op Nederlandse universiteiten groeide in 2008-2009 van acht naar negen procent. Dit is vooral aan toename van Duitse studenten te danken. (Van alle buitenlandse studenten die hun volledige hoger onderwijs - hbo of wo - opleiding in Nederland volgen, is 42% Duitser.)

•universiteiten met de meeste buitenlandse studenten zijn: Universiteit Maastricht, TU Delft en UvA.

•bij de economische en de gedrag- & maatschappijwetenschappen vind je de hoogste aantallen buitenlanders. De landbouwwetenschappen zijn relatief gezien het populairst.

Cijfers over het aandeel Nederlandse studenten dat een diploma in het buitenland haalt, zijn niet erg betrouwbaar. In 2005-2006 was dit 2.4% (EU-gemiddelde ligt bij 2.8%). Vooral België blijkt een populair studieland.
Bronnen: HOP, Transfer en de Internationaliseringsmonitor van het onderwijs in Nederland 2008.


Voldoende vrouwelijke hoogleraren; er is nog een lange weg te gaan

Het percentage vrouwelijke hoogleraren steeg de afgelopen jaren met een half procent per jaar. Dat lijkt gunstig, maar in dit tempo wordt in Nederland pas in 2030 het streefpercentage dat de EU stelde voor 2010 (25% vrouwelijke hoogleraren in alle EU-landen) gehaald en in 2014 het door OCW bijgestelde lagere streefpercentage van 15%.
Op iedere sport van de wetenschappelijke carrière ladder wordt het aandeel vrouwen lager: 52% afgestudeerden is vrouw, 43% van de promovendi, 31% van de universitair docenten, 18% van de universitair hoofddocenten en 12% van de hoogleraren. De meeste andere EU-landen steken hierbij gunstiger af.

Vrouwelijke hoogleraren blijken minder te verdienen dan mannelijke hoogleraren en in universitaire bestuursorganen zijn vrouwen relatief slecht vertegenwoordigd (7% van de leden van de CvB’s, 5% van de decanen). In de raden van toezicht is het percentage vrouwen aanzienlijk hoger (31%). De wettelijke bepaling dat in deze raden minstens een vrouw moet zitten, kan hier debet aan zijn.

Bron: ‘Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2009’ De ‘Monitor Vrouwelijke Hoogleraren’ wordt uitgegeven in samenwerking van Stichting de Beauvoir, Vereniging van Universiteiten (VSNU), Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH) en Sociaal Fonds voor de Kennissector (SoFoKles).



Overheidsbijdrage per student: stijgen ze nu, blijven ze gelijk of dalen ze?

Jaarlijkse vergelijken in een OESO-rapport (“Education at a Glance”) 30 landen hun onderwijs. Het laatste rapport (waarvan de gegevens tot 2007 gaan, ofwel nog voordat de kredietcrisis speelde, waardoor het beeld niet up-to-date is) toont aan dat in Nederland, in vergelijking met andere OESO-landen, de studenten iets langer in het hoger onderwijs verblijven en dat een relatief klein percentage (15% van de gediplomeerden) is afgestudeerd in een bètatechnische richting. In Nederland vinden relatief veel afgestudeerden een baan op hoger niveau: in 2007 had 85% van de hoger opgeleiden in de leeftijd 25-34 jaar in Nederland een baan op hoger niveau (gemiddelde voor de OESO-landen: 79%).

De overheidsuitgaven per student in Nederland zijn redelijk hoog in vergelijking met andere landen (1.5 % van het Bruto binnenlands product in 2006), maar lopen wel achteruit, terwijl in andere landen de budgetten voor hoger onderwijs juist steeds meer oplopen.


Uitgaven voor hoger onderwijs dalen (of toch niet?)

De universiteiten klagen over het feit dat de uitgaven voor Nederlands hoger onderwijs steeds lager worden, maar er bestaat verschil van mening tussen het ministerie en de universiteiten wat betreft de daling van het bedrag dat per student beschikbaar wordt gesteld. Volgens OCW is dat bedrag al jaren gelijk, een kleine zesduizend euro. Volgens de VSNU zijn de uitgaven sinds 1995 met bijna 8% (tot 5372 in 2007) gedaald. Het verschil komt volgens de minister voort uit een andere berekeningswijze; het wel/niet meerekenen van de extra uitgaven voor geneeskundestudenten en het wel/niet corrigeren voor inflatie. Ook kijken de universiteiten specifiek naar het onderwijsdeel van de begroting, terwijl het ministerie rekent met de lumpsum voor onderwijs en onderzoek, waarbij via tijdsbestedingonderzoek berekend wordt welk deel van de lumpsum bestemd is voor onderwijs.


Begroting 2010

De OCW-begroting zal niet ontkomen aan aanpassingen door de economische crisis, maar – zeggen minister Plasterk en de staatssecretarissen - er worden geen concessies gedaan aan de kwaliteit van het onderwijs, er wordt nog steeds geïnvesteerd. Maar een blik op de cijfers laat zien dat vergeleken met 2009, de toegenomen investering slechts 4% bedraagt.
Het kleinste deel van de totale begroting onderwijs (afgezien van de categorie “overig”) gaat naar “Onderzoek en wetenschappen” (3.4%), het grootste deel naar het primair onderwijs (25.9%). In totaal wordt gesproken van 36.5 miljard euro. Voor meer informatie: OCW-begroting in vogelvlucht voor een snel overzicht van alle maatregelen en bijstellingen, of De OCW-begroting op www.rijksbegroting.nl.


(Bron: HOP, UBlad 8 en 11sept, Folia 9 sept.) OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Rapport: Editie 2009 van Education at a Glance Samenvatting: hier raadplegen


Kennisinvesteringsagenda (KIA)
Het kabinet wil dat Nederland tot de internationale top 5 gaat behoren op het gebied van hoger onderwijs, onderzoek en innovatie. Hiervoor heeft het kabinet in 2003 het Innovatieplatform (IP) opgericht. De IP heeft een Kennisinvesteringsagenda (KIA, 2006) opgesteld met daarin meetbare doelstellingen. Elk jaar wordt de voortgang gemeten, door een ‘foto’ te maken van de stand van zaken en met stoplicht-kleurtjes aan te geven wat goed gaat en wat beter zou kunnen en wat urgent aandacht vraagt. Uit deze KIA is o.a. af te leiden dat Nederland slecht scoort wat betreft: het aantal universiteiten in de Internationale Top 50 (wel wordt aangegeven dat getwijfeld wordt aan de validiteit en waarde van sommige rankings), het aandeel hogeropgeleiden in de beroepsbevolking (rond 35%), de uitstroom aan bètatechnici (hbo,wo: nu 17.742) en het aandeel beroepsbevolking dat deelneemt aan (bij)scholing. Positief is het gesteld met: de output en citatie van wetenschappelijke artikelen (Nederland nam in 2006 een vijfde plaats in) en de samenwerkingsverbanden die innovatieve bedrijven aangaan (36% van de innovatoren).

Bronnen en ‘foto’-overzicht 2009 (Powerpoint): http://www.minaz.nl/dsc?c=getobject&s=obj&objectid=108228
Rapport Kennisinvesteringsagenda 2009 Innovatieplatform: http://www.innovatieplatform.nl/projecten/kia/


Kennis in Kaart 2008

De publicatie Kennis in Kaart 2008 geeft in figuren en tabellen een overzicht van de stand van zaken in het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in Nederland. Sinds 2007 is er de strategische agenda voor hoger onderwijs-, onderzoek- en wetenschapsbeleid. Hierin zijn beleidsvoornemens voor het hoger onderwijs en het wetenschapsbeleid in samenhang opgenomen. . Op basis van de strategische agenda worden meerjarenafspraken met de koepelorganisaties

VSNU en HBO-raad gemaakt. In hoofdstuk 1 is een eerste monitor van de indicatoren die in deze meerjarenafspraken zijn opgenomen te vinden. Hoofdstuk 2 gaat over deelname aan het hoger onderwijs en de verschillende aspecten van toegankelijkheid. Hoofdstuk 3 belicht de verschillende

kanten van kwaliteit van hoger onderwijs en wetenschap en hoofdstuk 4 behandelt het onderwerp doelmatigheid. In het tweede deel van deze publicatie zijn tabellen opgenomen met informatie per instelling. http://www.minocw.nl/documenten/88236.pdf

http://www.onderwijsinspectie.nl/nl/home/naslag/Alle_publicaties/accreditatie-nieuwe-stijl