Evaluatie van het bachelor-masterstelsel en veranderingen voor de toekomst


In 2002 is het bachelor-masterstelsel ingevoerd. Hoe is het vergaan met de eerste lichting bachelorstudenten in Nederland? Wat is er uit evaluaties gekomen van het bachelor-masterstelsel? Hoe gaat het verder?


Hoe verging het de eerste lichting bachelorstudenten?


Instroom en uitval

In 2002 begonnen 15.564 studenten aan een bacheloropleiding in Nederland. Van deze studenten heeft 8.9% zich het jaar daarop niet ingeschreven voor het tweede jaar. Een groot deel van deze “afhakers” (2/3) besloot over te stappen naar het hbo. Van de groep die wel de studie aan de universiteit voortzette, haakten in de volgende drie jaren nog 8.7% af . Van deze groep “afhakers” ging een aanzienlijk kleiner deel naar het hbo (56.7%). De uitval in latere jaren is onder de mannelijke studenten aanzienlijk hoger (10.6%) dan onder de vrouwelijke studenten (6.7%).

Het aantal vwo-ers dat instroomde in bacheloropleidingen is in twee jaar tijd (2002-03 vergeleken met 2005-06) het


Rendement na vier jaar

Van de studenten die in 2002 zijn begonnen en het jaar daarop wederom ingeschreven stonden voor een universitaire opleiding, heeft 45.1% vier jaar na dato het diploma behaald. Dit percentage krijgt een andere betekenis indien nader gekeken wordt naar het verschil in percentages voor vrouwen/mannen en sectoren. Van de vrouwen behaalde 57.1% na vier jaar het diploma, van de mannen 33.4%. Voor de sectoren geldt dat het percentage geslaagden bij de sector Techniek (geldend voor zowel mannen als vrouwen) het laagst is. Voor de mannen is het percentage geslaagden het hoogst bij Taal & Cultuur, voor vrouwen bij Gedrag & Maatschappij. (zie tabel 1.)


Doorstroom naar een master

Vanaf het studiejaar 2005-2006 stromen de eerste studenten met een volledige wo-bacheloropleiding de masteropleidingen in. In dat jaar stroomden 26.589 studenten in de master in.

Het merendeel van de wo-studenten (ongeveer 85%) stroomt na de bachelor door naar een master binnen de eigen instelling en daarvan kiest naar schatting zo’n 79% voor de bij hun bacheloropleiding aansluitende ‘doorstroommaster’.

Het aandeel dat voor de master naar een andere universiteit gaat bedraagt ongeveer 5%, maar lijkt wat te stijgen. Ongeveer een gelijk percentage kiest naar schatting voor een buitenlandse master en eveneens 5% kiest voor de overstap naar de arbeidsmarkt.


Wat is er uit de evaluatie van het bama-stelsel naar voren gekomen?

Bij de implementatie van het bama-stelsel in Nederland werd als hoofddoelstelling geformuleerd:

-een betere erkenning van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland (binnen het framework van het Bolognaproces);

-flexibiliteit en keuzevrijheid voor studenten.

De bachelor-master- en accreditatiewetgeving vonden gelijktijdig in 2002 plaats. Beiden zijn vanaf de start gevolgd en geëvalueerd. In het voorjaar van 2008 heeft een overkoepelend evaluatieonderzoek naar de invoering van bachelor-master plaatsgevonden, uitgevoerd door het onderzoeksbureau CHEPS.

Uit de evaluatie komt een positief beeld over de snelheid en wijze waarop de bachelor-masterstructuur in Nederland is doorgevoerd naar voren. Over de erkenning van de kwaliteit van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland wordt positief geoordeeld. In vergelijking met andere landen, vallen wel twee bijzondere kenmerken die voor de Nederlandse situatie gelden op: de ‘doorstroommasters’ en de ‘zachte knip’. In geen enkel land waar een bachelor-masterstructuur bestaat, zie je deze kenmerken terug.

Hoewel het algemene beeld positief is, blijken echter 5 jaar naar dato nog niet alle doelen behaald te worden: zo is de mobiliteit van studenten nog erg beperkt. Studenten kiezen voor het merendeel voor de bij hun bacheloropleiding behorende doorstroommaster en de internationale mobiliteit is (nog) niet toegenomen. Tevens geldt dat in de huidige situatie werkgevers de wo-bachelor niet als arbeidsmarktrelevant zien en studenten evenmin de afronding van de bachelor als een uitstroommoment zien. Veel opleidingen bleken in ieder geval in 2005 nog onvoldoende te zijn ingericht op het bieden van een bachelor-arbeidsmarktkwalificatie. Substantiële uitstroom van wo-bachelors naar de arbeidsmarkt is geen doel van het bama-beleid, maar de optie dient wel beschikbaar te zijn.


Op basis van de evaluatie werden door het CHEPS enkele aanbevelingen gedaan:

•Versterk de positie en de betekenis van het bachelordiploma als zelfstandig diploma en breng een sterker onderscheid tussen bachelor- en masteropleidingen aan. Met als implicatie het hanteren van een ‘harde knip’ tussen bachelor en master en het niet langer verplicht stellen van de ‘doorstroommaster’ (de verplichting om voor elk bachelorprogramma een aansluitende masteropleiding aan te bieden, zonder selectie).

•Ontwikkel een visie (door overheid en instellingen) op de aantallen, breedte, lengte en profielen van de masteropleidingen in Nederland, inclusief de hbo-master, de ‘top-masters’ en de joint degreeprogramma’s.

•Specificering van toelatingseisen voor de masteropleidingen, gekoppeld aan benodigde competenties en kennis voor succes in de masterfase.

•Versnel de ontwikkeling rond het onderwijsbrede “qualificiations framework”, zodat het bachelor-masterstructuur ook een grotere rol kan gaan spelen in het ‘leven lang leren’. Het framework beschrijft de niveaus binnen het hoger onderwijs en de aansluitingen tussen de verschillende typen onderwijs en regelt de erkenning van eerder verworven competenties.


Welke nieuwe ontwikkeling voor het bachelor-masterstelsel staan ons te wachten?


Doelstellingen

De volgende doelstellingen van de bachelor-masterstructuur zijn door de minister van OC&W voor de toekomst als kerndoelen vastgesteld:

•“Flexibiliteit en keuzevrijheid in het hoger onderwijs, gericht op mogelijkheden voor studenten om over te stappen tussen instellingen en tussen opleidingen en internationaal.

•Inhoudelijke vernieuwing, gericht op betekenisvolle differentiatie in de masterfase. Hierdoor krijgen studenten meer keuzemogelijkheden en worden alle studenten uitgedaagd hun talenten te ontplooien. Dit betekent ook meer mogelijkheden voor niveaudifferentiatie.”


Uitgangspunten

Een belangrijk uitgangspunt voor het toekomstig beleid vormt het handhaven van de differentiatie tussen beroepsgeoriënteerd en een wetenschappelijk georiënteerd hoger onderwijs. Ook het verschil in duur van de bachelors (de 3-jarige wo bachelor en de 4 jarige hbo bachelor) blijft gehandhaafd.

Een ander uitgangspunt is dat selectie aan de poort voor de bachelorfase alleen mogelijk is bij uitzondering. Wel kunnen instrumenten als studiekeuzegesprekken worden ingezet om de match tussen student en opleiding te verbeteren.

Deficiëntieprogramma’s gericht op de doorstroom van de hbo-bachelor naar wo-masteropleidingen, blijven mogelijk en worden binnen een bacheloropleiding vormgegeven, zodat studenten studiefinanciering kunnen ontvangen en maximaal het wettelijk collegegeld

hoeven te betalen. Programma’s van geringe omvang (summercourses) kunnen wel buiten de bacheloropleiding om aangeboden worden, met een bijbehorende (beperkte) onkostenvergoeding.


Drie veranderingen voor de toekomst

Het CHEPS heeft een aantal aanbevelingen gedaan, waarvan een deel is overgenomen door minister Plasterk (OC&W) in zijn nota “Naar een volwassen bachelor-masterstructuur”. Drie veranderingen staan daarin centraal, waarmee het VSNU in grote lijnen instemt:

1)Afschaffing van de ‘zachte knip’ tussen bachelor en master of invoering van de ‘harde knip’. Hierbij geldt wel dat er enige flexibiliteit bij de instellingen mogelijk moet zijn, bijvoorbeeld voor studenten die actief zijn in een bestuur en daardoor een vertraging van enkele maanden oplopen of in andere situaties waar studenten een onredelijk grote vertraging dreigen op te lopen. Hierbij dient het te gaan om uitzonderingen. Tegelijk wil de minister het hanteren van meerdere instroommomenten stimuleren.
De VSNU pleit er wel voor de invoering niet met ingang van 2010 te verplichten, maar de instellingen ruimte te laten om het tempo en de vorm van de invulling zelf te bepalen.

2)Onderzoek naar de noodzaak voor verdere optimalisatie van het bestaande masteraanbod. Met aandacht voor meer transparantie en heldere toelatingseisen.

3)De mogelijkheid om in het specifieke geval van een internationale ‘joint degree’ (gezamenlijke graadverlening met een buitenlandse universiteit) ook masteropleidingen van 90 studiepunten aan te bieden, met het oog op internationale samenwerking.
De VSNU vindt wat betreft dit laatste punt, dat ook andere argumenten, zoals de moeilijkheidsgraad van een vak of de noodzaak om een stage in te bouwen, de mogelijkheid tot verlenging moeten bieden.



Bronnen:
VSNU-website http://www.vsnu.nl/Universiteiten/Feiten-Cijfers.htm


Notitie minister Plasterk ‘Naar een volwassen bachelor-masterstructuur’ http://www.minocw.nl/documenten/70383a.pdf


Aanpassingen BaMa: stap in de goede richting. Reactie VSNU op nititie http://www.vsnu.nl/Media-item/Aanpassingen-BaMa-stap-in-de-goede-richting.htm