De tijdsbesteding van universitair wetenschappelijk personeel: onderzoekstijd versus onderwijstijd



Onderzoek naar tijdsbesteding

In 2007 is in opdracht van het Ministerie van OC&W een onderzoek uitgevoerd naar de tijdsbesteding van universitair wetenschappelijk personeel. Dit tijdsbestedingonderzoek wordt eens in de 5 jaar uitgevoerd. Omdat een dergelijk onderzoek een behoorlijke belasting voor het wetenschappelijk personeel met zich meebrengt, wordt per 5 jaar de helft van alle universitaire sectoren bevraagd. Deze keer ging het om de volgende vier sectoren: Gedrag & Maatschappij, Rechten, Taal & Cultuur en Techniek.

De cijfers over aantallen wetenschappers, functiecategorieën, voltijd- en deeltijd-aanstellingen e.d., zijn gebaseerd op data afkomstig van de VSNU, het Wetenschappelijk Onderwijs Personeels Informatiesysteem en Kengetallen Universitair Onderzoek. Voor het onderzoek naar de tijdsbesteding is een representatieve steekproef van wetenschappers gevraagd op een doordeweekse dag hun tijdsbesteding voor die dag aan te geven aan de hand van een lijst werkzaamheden.

De dataverzameling vond plaats van maart 2006 tot maart 2007.



Enkele opvallende conclusies uit het onderzoek

Wat gegevens over de wetenschappers

Bij de vier onderzochte sectoren waren eind 2005 ruim 17.000 voltijdequivalenten aanwezig. Het aandeel wetenschappelijk personeel (hoogleraren, universitair hoofddocenten [UHD’s], universitair docenten [UD’s], promovendi en overig wetenschappelijk personeel) bedraagt 71% daarvan.

Het aandeel promovendi verschilt sterk per sector: van 23% bij Rechten en Taal & Cultuur tot 30% bij Gedrag & Maatschappij en 40% bij Techniek.

Bij de sectoren Rechten en Taal & Cultuur zijn er beduidend meer hoogleraren dan UHD’s. Bij de overige sectoren is zijn er (iets) meer UHD’s dan hoogleraren.
Bij Rechten is de kans dat je een hoogleraar tegenkomt heel wat groter dan bij Techniek. Bij Rechten is 16% van het wetenschappelijk personeel hoogleraar, bij Techniek slechts 8%.

Ongeveer 70% van het wetenschappelijk personeel heeft een voltijdaanstelling. Bij promovendi vind je de meeste voltijdaanstellingen (84%), bij het overig wetenschappelijk personeel de meeste deeltijdaanstellingen (56%).


Alhoewel ongeveer 3 op de 10 wetenschappers bij de onderzochte sectoren een deeltijdaanstelling hebben, wordt er toch nog in een normale werkweek gemiddeld bijna 42 uur gewerkt. De uren worden doordeweeks, maar ook wel in de weekenden gemaakt. Wetenschappers met een voltijdaanstelling werken gemiddeld genomen ruim 45 uur per week en 10% heeft aangegeven dat zij in een normale werkweek 56 uur of meer werken.

Het aantal werkuren is hoog, terwijl het ziektepercentage onder wetenschappelijk personeel juist weer laag te noemen is: 3.4%. Verlofdagen worden met name in de zomer opgenomen, in de zomerperiode worden er minder werkuren gemaakt.


De tijdsbesteding

Het onderzoek richtte zich vooral op de relatieve tijd die wetenschappers besteden aan de volgende vier hoofdcategorieën van werkzaamheden: onderwijs, onderzoek, maatschappelijke dienstverlening en overige activiteiten.

Tot onderzoeksactiviteiten, behoren taken die te maken hebben met het uitvoeren van onderzoek, maar ook onderzoeksgerelateerde taken, zoals: vakliteratuur lezen en redigeren, congressen bezoeken, begeleiding medewerkers en studenten in verband met onderzoek, deelname aan vergaderingen, overleggen, gesprekken etc. in verband met onderzoek e.d.

Tot onderwijsactiviteiten behoren activiteiten die te maken hebben met het uitvoeren van onderwijs, maar er vallen ook onderwijsgerelateerde werkzaamheden onder, zoals: onderwijsontwikkeling, congresbezoek, het ontvangen of geven van begeleiding ten bate van het onderwijs, administratieve taken e.d.

Met “overige werkzaamheden”, wordt gedoeld op werkzaamheden als: begeleiding medewerkers in het kader van personeelsbeleid, beheer en bestuur van de universiteit, faculteit of vakgroep, lezen, schrijven en redigeren van beheers- en bestuursstukken, sociale en werkgerelateerde activiteiten e.d.

Tot maatschappelijke dienstverlening worden alleen maatschappelijke activiteiten gerekend buiten de onderzoeks- en onderwijsactiviteiten om.


Relatieve tijdsbesteding per sector

Voor de totale onderzoeksgroep geldt dat 51% van de tijd die de wetenschappers beschikbaar hebben, wordt besteed aan onderzoek, 37% aan onderwijs, 1% aan maatschappelijke dienstverlening en 12% aan overige werkzaamheden.

Per sector zijn er verschillen: wetenschappers die werken bij de sector Techniek besteden veel tijd aan onderzoek: 59% van hun tijd. De tijd die de wetenschappers bij de overige drie sectoren aan onderzoek besteden varieert tussen 44% en 47%. Hierbij geldt dat hoe meer tijd besteed wordt aan onderzoek, hoe minder tijd er besteed wordt aan onderwijs. De tijd besteed aan maatschappelijke dienstverlening en overige werkzaamheden, verschilt niet veel voor alle sectoren.


Relatieve tijdsbesteding per functie

Met name de promovendi en de categorie “overig wetenschappelijk personeel (wp)” zorgen er voor dat het beeld ontstaat dat wetenschappers vooral veel tijd besteden aan onderzoek. Zij besteden, in vergelijking met de andere functionarissen, relatief veel tijd aan onderzoeksactiviteiten (respectievelijk 73% en 50%). Hoogleraren, UHD’s en UD’s besteden (iets) meer tijd aan onderwijs dan aan onderzoek en zij besteden, in vergelijking met de promovendi en overig wp, meer tijd aan maatschappelijke dienstverlening en overige werkzaamheden (zie tabel 1.).


Wanneer de taken van de wetenschappers op een andere wijze worden ingedeeld, zie tabel 2., dan valt op dat naast de onderzoeks- en onderwijstaken, administratieve taken, het vergaderen en het geven van begeleiding, relatief veel tijd vergen. Opvallend is het lage percentage bij “ontvangen begeleiding”.


Wordt weer het verband gelegd met de eerdere vier categorieën, dan kan gesteld worden dat de ‘echte onderzoekswerkzaamheden’ goed zijn voor ongeveer 2/3 van de totale onderzoekstijd. De resterende onderzoekstijd wordt besteed aan onderzoeksgerelateerde werkzaamheden die in tabel 2. onder andere categorieën vallen, zoals onderzoeksgerelateerde begeleiding, afhandelen van onderzoeksgerelateerde e-mail en correspondentie, het bijwonen van promoties e.d.

Voor onderwijswerkzaamheden geldt een soortgelijk verhaal: ongeveer 38% van deze onderwijstijd is gericht op de uitvoering van het onderwijs. De resterende onderwijstijd bestaat uit diverse onderwijsgerelateerde werkzaamheden.





Tabel 1: Tijdsbesteding per hoofdcategorie, naar functiegroep (in procenten).




Tabel 2.: Tijdsbesteding per categorie (in procenten).



Vergelijking met 25 jaar geleden

Een vorig tijdsbestedingonderzoek onder wetenschappelijk personeel, dat 25 jaar geleden plaatsvond, laat zien dat ook vroeger door wetenschappers meer tijd besteed werd aan onderzoek dan aan onderwijs. Wel zijn tegenwoordig de verschillen kleiner. Het beeld ligt wat genuanceerder als gekeken wordt naar de cijfers per sector. Voor Rechten is de situatie in 25 jaar tijd niet veel veranderd. Voor Taal en Cultuur en Gedrag en Maatschappij wordt er in vergelijking met vroeger, minder tijd aan onderzoek en overige werkzaamheden (inclusief maatschappelijke dienstverlening) besteed en meer tijd aan onderwijs. In de sector Techniek wordt in vergelijking met vroeger juist meer tijd besteed aan onderzoek en minder tijd aan onderwijs en overige werkzaamheden.




Bron en meer informatie
Beleidsgerichte studies Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek. Tijdsbesteding universitair wetenschappelijk personeel.

Auteurs: dr. J.M.P. de Kok, drs. J. de Jonge, drs. M. Tom (Zoetermeer, sept 2007 / EIM bv., onderdeel van Panteia)

Publicatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Uitgave januari 2008

ISBN 978-90-5910-074-9

Zie ook www.minocw.nl/wetenschap

OCW38.010/530/08BK2008B004

http://www.minocw.nl/actueel/beleidsonderzoeken/60/Tijdsbesteding-universitair-wetenschappelijk-personeel.html

Beleidsgerichte studies 130 Pdf-bestand, 1.1MB Pdf-icoon