Opiniestuk: Onderwijsvernieuwing volgens UT-docent AJ Annema

Onderwijsvernieuwing volgens docent AJ Annema

In dit documentje staan wat overpeinzingen, waarnemingen en ideeën voor universitair onderwijs, onderwijsvernieuwing in het algemeen en van alles wat daarmee samenhangt beschreven. Via het doel van onderwijs, de eisen aan onderwijs, en wat randcondities zal ik mijn visie, ergernissen en inbreng in onderwijsvernieuwing de revue laten passeren. Hier en daar kort door de bocht (vanwege plaatsgebrek) of wat ongenuanceerd (is duidelijker). Veel plezier ermee.


Onderwijs en het doel ervan

Voor het überhaupt over onderwijsvernieuwing te kunnen hebben is het noodzakelijk eerst het doel van onderwijs duidelijk voor ogen te hebben. Het doel van onderwijs is het opleiden van mensen zodat ze na de opleiding zo zinvol en zo nuttig mogelijk bezig kunnen zijn. Dit houdt dus in dat een opleiding moet passen bij de persoon en tegelijkertijd het halen van de studie ambitieus en haalbaar moet zijn:

•een studie doen die je niet ligt of een niet-haalbare studie doen is jammer van tijd, geld en motivatie. Dat weet iedereen.

•een niet-ambitieuze studie doen jammer van de tijd, geld, motivatie en van het eindniveau. Als je een studie op je sloffen kan doen zou je jezelf dan ook (on)behoorlijk bekocht moeten voelen: je hebt geïnvesteerd (vooral tijd) en je hebt er te weinig voor teruggekregen. Misschien wel een lange vakantie, maar onvoldoende kennis en vaardigheden en (toekomstige) lol voor de rest van je leven.

Even voor de duidelijkheid: ik vind niet dat iedereen een absoluut gezien moeilijke studie moet doen, maar wel een passende met een relatief (gerelateerd aan de persoon) ambitieus en haalbaar eindniveau. Voor de één is dat een universitaire graad, voor een ander LBO; beide waardevol. Het nut van een zo goed mogelijke opleiding hoef ik vast niet uit te leggen: in (ook) de rest van je leven veel voldoening en voldoende geld uit/voor je werk krijgen. Zo meteen meer over dat laatste.



Als je kijkt naar iemand met een universitaire opleiding, dan zie je dat de eerste 23 jaar van het leven besteed worden aan leren/studeren. Daarvan zijn slechts de laatste 5 jaar universitair…


Een universitaire studie: doet u maar een hoger eindniveau

Universitaire studies kan je opdelen in twee soorten: studies waarmee je iets studeert wat sterk op Nederland is gericht (zoals burgerlijk recht en Nederlands) en studies die niet zo sterk aan Nederland gebonden zijn (zoals de meeste wat exactere studies, vaak herkenbaar aan boeken en dictaten in het Engels). In het hierna volgende ligt de nadruk op de laatste categorie omdat dat zowel mijn werk als het grootste deel van de UT-zaken omvat.



Een leuke eigenschap van al deze vakgebieden is dat de ontwikkeling van het veld, of van de techniek, niet stilstaat. Dit is trouwens tegelijkertijd zowel het resultaat als de voordbestaansreden van universitair onderzoek op deze gebieden. Er is dus in deze gebieden continue vernieuwing, verbetering, verandering vanwege technologiepull of technologiepush, waarmee bedrijven en de overheden in deze internationale wereld geld verdienen. Zeker in deze gebieden geldt dat stilstand achteruitgang (in prijs/product, marktaandeel, inkomsten, kennis, quality-of-life, belastinginkomsten, lol in het werk, …) is omdat anderen wel vernieuwen en verbeteren.

Het eindniveau van onze universitaire studies (het hoogste niveau dat we aanbieden) moet in enige mate aansluiten bij wat je geacht wordt na de studie te gaan doen. Dit vanwege het simpele feit dat werkgevers dat verwachten en zij leveren de banen waar afgestudeerden veel geld en voldoening mee willen gaan verdienen in de rest van hun leven. Het omgaan met steeds omvangrijkere zaken in de vakgebieden wordt (gedeeltelijk) opgevangen door specialisaties of nieuwe studierichtingen. Het omgaan met toenemende complexiteit vereist een stijgend uitgangs(afstudeer)niveau, ten koste van enige breedte van de studie: het totale kennisgehalte van afgestudeerden
() zal niet veel veranderen. Alléén als onze studies hieraan voldoen kunnen onze afgestudeerden gemakkelijk een goed betaalde leuke baan vinden in binnen- en buitenland; onderwijsvernieuwingen zijn en blijven dus nodig om de studie op peil te houden.


Een universitaire studie: doet u maar (g)een lager ingangsniveau

Zoals in figuur 1 te zien is, is het eindniveau van een studie de basis voor de rest van je leven. Aan de andere kant levert de vooropleiding (basisschool + VWO) het ingangsniveau, en daar is de laatste jaren veel onderwijsvernieuwing geweest. En met die onderwijsvernieuwing ben ik niet blij:

•In 1998 is de tweede-fase/studiehuis geïntroduceerd waardoor de aansluiting VWO-universiteiten verbeterd zou worden. Een speerpunt van het studiehuis is “zelfstandig werken” in plaats van het ouderwetse klassikale onderwijs (leraar vertelt, leerlingen werken er klassikaal aan, leerlingen hebben huiswerk per dag). De zelfstandigheid van de studenten die studiehuis hebben gedaan is echter minder dan voorheen (vroegûh). Niet zo vreemd, want er is wetenschappelijk aangetoond dat studiehuismethodes en puberen fysiologisch niet samengaan! Zie daarvoor bijvoorbeeld het werk van de neuropsycholoog Jelle Jolles. De huidige studenten hebben dus nooit goed geleerd te leren, laat staan te studeren. Dit is de studenten niet aan te rekenen, maar het studiehuis en beleidsmakers des te meer.

•Er zijn veel vakken toegevoegd aan het VWO, waardoor de tijdsbesteding per vak (uiteraard) verminderd is en de kennis per vak (uiteraard) verminderd is. De uitdaging in veel vakken is onvoldoende voor goede leerlingen waardoor er geen drive is om alles goed te beheersen. Op het VWO niet erg, maar het is wel een uitermate brakke voorbereiding voor serieuze universitaire studies. Het was wetenschappelijk gezien te verwachten (zie Jelle Jolles) maar nieuwe bestuurders willen graag hun stempel ergens opdrukken en dus dingen veranderen.

Fig. 3.: Dom kunstjes leren, daar gaat de lol wel een keer vanaf.

•De inhoud van veel exacte vakken is minder abstract gemaakt, vaak zelfs zo toepassingsgericht waardoor ze toepasbaar lijken op slechts 1 concreet probleem. Het lesmateriaal lijkt dus op het aanleren van kunstjes die alleen voor bepaalde vraagstukken gelden.

•Veel exacte vakken zijn uit elkaar getrokken vanwege slechte redenen: in VWO-natuurkunde staat erg weinig wiskunde “omdat natuurkunde geen wiskunde is”. Dat klopt uiteraard, maar wiskunde is de taal bij uitstek voor exacte zaken en zou er dus uitgebreid in gebruikt moeten worden. Natuurkunde is ook geen Nederlands, en er staan wel erg veel Nederlandse woorden in natuurkundeboeken…

Art-for-art’s sake is prima, maar onderwijsvernieuwing alleen om te vernieuwen is slecht, met het risico/gevolg een hele generatie op te zadelen met onvoldoende onderwijs.


Onderwijsvernieuwing

Onderwijsvernieuwing is voor mij het aanpassen van les/studiestof en –methodes zodat bijvoorkeur meer stof gemakkelijker in minder studietijd gestudeerd kan worden. Meer waar voor je studietijd en –geld dus. Onderwijsvernieuwing is nodig, zowel op het VWO als op universiteiten.


VWO

Op het Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs zie ik het liefst een onderwijsver-nieuwing die meer richting onderwijsveroudering gaat. Dit staat (ik weet het) haaks op de huidige mening in onderwijskundigenland dat je “toch niet weer terug wilt in de tijd”. Dat wil ik wel degelijk als dat beter is! Beter je fouten erkennen dan doorgaan met een slechte verandering. Het studiehuis is het grootste probleem voor universitair onderwijs van enig niveau.

Het bovenstaande behoeft wel enige nuancering; mijn wensenlijst zou zijn:

•klassikaal onderwijs met huiswerk en een strak rooster. Er blijkt dat de huidige studiemethodes te veel vrijheid geven waar de meesten niet goed mee omgaan. Het is nu eenmaal fysiologisch bepaald op die leeftijd… en als je het op het VWO niet goed aangeleerd krijgt dan moet je niet gek opkijken als (jawel) het niet goed aangeleerd wordt.

•uitdagend onderwijs, niet automatisch het niveau verlagen als de score laag is. Misschien is de oorzaak dat de uitdaging erg laag is en daardoor de inzet, motivatie, en daardoor de resultaten beroerd zijn. Mijn ervaring van lesgeven op het VWO, masterclasses en VWO-voorlichting is dat VWO-leerlingen best wel te interesseren en te motiveren zijn, en ook best hard willen werken als het een leuke uitdaging is!

•niet alleen exacte opgaven met context gebruiken, maar ook voldoende abstracte opgaven gebruiken zodat lesstof veel breder te gebruiken is. Schaf “formules” (invuloefeningen) af, en voer overal “relaties” (verbanden) in. Alleen de andere omschrijving zorgt al voor een ander gevoel en begrip.

•de GRafischerekenmachine gebruiken naast begrip, in plaats van in plaats van.



Universiteit

Onderwijsvernieuwing op de universiteit is continu noodzakelijk vanwege de twee eerder besproken randcondities:

1.om iets nuttigs met de opleiding te kunnen doen moet er enige mate van aansluiting op de eisen van de boze (baanaanbiedende) buitenwereld zijn. Wil een studie relevant blijven dan moet – zie de sectie over “hoger eindniveau” – het eindniveau continu omhoog, ten koste van wat breedte.

2.studenten hebben een vooropleiding (meestal VWO) die toegang geeft tot universitair onderwijs. Zoals beschreven in de sectie over “(g)een lager ingangsniveau” is het ingangsniveau lager dan voorheen, en als de voortekenen ons niet bedriegen wordt het helaas niet beter.


Het opvangen van het eerste punt kan prima door dezelfde studiestof beter behapbaar aan te bieden. Op een hoog niveau komt dit neer op het bewerkstelligen van voldoende studietijdinvestering en voldoende studie-efficiëntie. De meest voor de hand liggende manieren zijn:

•ongrijpbare stof inzichtelijker maken zodat het (be)grijpbaar wordt en dus efficiënter gestudeerd kan worden. Bijvoorbeeld het gedrag van elektronen in halfgeleidende materie is niet veel anders dan dat van mensen onder elkaar: niets menselijks is het elektron vreemd, niets elektronisch is de mens vreemd. Als je je kunt inleven in iets ongrijpbaars wordt het vanzelf eenvoudiger, (be)grijpbaar. Goede demo’s helpen enorm.

•de studenten uitdagende/motiverende zaken laten doen. Dit komt meestal neer op het gieten van de studiestof in een gewild of nieuwsgierig makend jasje. Het effect hiervan is dat studenten efficiënter sturen (meer aandacht/nieuwsgierigheid) en ook gemakkelijker er meer tijd insteken.

•de stof zó afstemmen op de studenten dat de studiestof ambitieus en haalbaar is. Dit is het zoeken naar de balans tussen te moeilijk en te gemakkelijk; iets met “te” is meestal net niet goed, het moet te maken zijn maar ook uitdagend voor alle aanwezige (geschikte) studenten.

•directe feedback naar studenten gedurende de vakken. Dit kan eenvoudig worden gedaan met tussentoetsen, quiz-elementen en aanverwante zaken. Als studenten ervaren dat ze dingen wel kunnen is dat fijn; als ze op tijd zien dat sommige zaken nog niet beheerst worden is dat ook fijn omdat dat nog op tijd is.

Met onderwijsaanpassingen is prima om te gaan met de hogere eindniveaueisen; de studie wordt er zelfs leuker van, met leukheid als motivator en niet als doel. Als het beginniveau van de studenten daalt en de studievaardigheden dalen dan kunnen grote problemen optreden. Bij studies waarbij veel zaken naast elkaar worden geleerd valt het nog wel een beetje mee:

Bij veel UT-studies wordt echter geen parallelle kennis opgedaan gedurende de 5 studiejaren, maar wordt voortgebouwd op eerder opgedane kennis. Volgens de wet van toegevoegd nut en volgens normale natuurwetten is de kennisaanwas dan meer dan evenredig met de tijd (exponentieel namelijk). Een lager beginniveau vertaalt zich dan (met dezelfde studiebelasting) in een veel lager eindniveau of –breedte.


Er is helaas geen onderwijsvernieuwing die dit volledig kan ondervangen. Het paradoxale is dat het falen van het vrije studiehuis gedeeltelijk op te vangen is door: de vroegere vrije universitaire aanpak (“universiteiten bieden alles goed aan en verder is het studentenverantwoordelijkheid”) overboord te kieperen en strak schools te worden.


Onderwijsvernieuwing is universitair dus noodzakelijk om het Tweedefase falen gedeeltelijk te kunnen repareren:



VWO

UT

vroeger

schools

vrij

nu

(veel te) vrij

schools (schadebeperking)


Het alternatief is dat we het eindniveau naar beneden bijstellen wat nogal wat consequenties zal hebben voor de (arbeidsmarkt)waarde van afgestudeerden.


UT-Onderwijsondersteuning-1

Op de UT zijn in principe voldoende mogelijkheden om onderwijs zelf vorm te geven. In de afgelopen jaren heb ik ondermeer alle hoorcolleges grondig verbouwd, vele demo’s ingebouwd, 1-tegen-100 quizzen ingevoerd, een 550 paginadik boek geschreven en diverse wedstrijdelementen ingebracht. Daar is ruimte en geld voor, hoewel een groot deel van de tijd buiten de 40 werkuren per week valt.

Een onderwijsvernieuwingprobleem bij UHD’s en ander lesgeefvolk is verder dat onderwijs absoluut niet de enige taak is, maar dat ook onderzoek, studenten en promovendi begeleiden, voorstellen schrijven, en andere organisatorische zaken gedaan moeten worden. Hier is met het huidige financieringsstelsel niets aan te doen. Sterker nog: je wil hier niets aan doen omdat je docenten wilt die goed weten wat er is, hoe het moet en wat relevant is en gaat worden.

Iedere docent moet dus zelf bepalen hoeveel tijd er aan onderwijs wordt besteed. De enige stokken achter de onderwijsdeur zijn slaagpercentages, persoonlijke meningen en onderwijskwaliteitcommissies. Aan de andere kant van de deur staan onderzoek (voorblijven of bijblijven op het vakgebied) en begeleiden (voor onderwijs en voor onderzoek) en voorstellen schrijven (geld en onderzoek) vol ongeduld te trappelen.

Onderwijsvernieuwing met €¥

Het mag duidelijk zijn dat ik in eerste instantie ben voor het volledig op de schop nemen van de tweedefase omdat dat HET probleem is. De vrije studiestructuur zou helemaal teruggedraaid worden tot (bijna) hoe het voordien was. Alle onzinvakken die momenteel worden gegeven gaan verdwijnen ten gunste van verdieping (ontvlakking) van serieuze vakken. Verder zou ik de uitdagingen vergroten, door hier en daar de zaken ook abstracter te maken en vooral begrip te belonen. Uitdagingen erin brengen door leuke afsluitende projecten in te voeren; ik heb voor 4-havo natuurkunde in het kader van “arbeid en energie” vermogensmetingen aan auto’s gedaan, en voor 5-VWO in het kader van “elektriciteit” en “golven” uitleg en bouwen van fm-zenders voor aan je iPod. Dat kan voor veel meer onderwerpen, en laat zien dat (hier) natuurkunde erg leuk is, helemaal als je’t begrijpt.

Vooral uitdaging en begrip erin, dan dus ook weg met die (nu lonende) 6-jes-cultuur, vrijetijdsvakken en google-en-nadoen-cultuur. Dit veranderen kost erg veel geld en werk. Veel tijd en geld dat in de afgelopen jaren in de tweedefase is gepompt is dan meteen afgeschreven. Maar beter geld afschrijven dan een hele generatie leerlingen afschrijven. Het moeilijke punt is dat iemand fouten moet toegeven, maar een gouden handdruk (gouden schop onder de kont) doet wonderen.

In het ideale middelbareschoolsysteem (met mavo havo en vwo naast LBO, MBO en HBO) zijn leraren weer gewoon leraar, met leuk en uitdagend onderwijs waarin “leuk” een middel is om veel nuttigs te leren. Als het ingangsniveau van universitaire studies weer op peil is, dan is er al veel gewonnen. En als er nog wat geld over is van mijn oneindige budget: op het individu afgestemd ambitieus en haalbaar onderwijs aanbieden.

Met de reguliere universitaire onderwijsaanpassingen zou dan het eindniveau weer goed kunnen worden. Met ook op de UT aansprekende demo’s en uitdagende kennisintegrerende projecten (ambitieus en haalbaar) en competitie-elementen wordt het eindniveau dan, na 5 jaar leuk gestudeerd te hebben, wereldtop.


En anders.. gaat alles ook goed komen

Ook als de tweede-fase niet volledig wordt teruggedraaid zal het weer helemaal goed komen met de universiteitsrendementen. Pffff, een geruststellend gevoel. Het komt weer helemaal goed omdat het niveau ook op de universiteiten dan fors naar beneden bijgesteld zal moeten worden: de oplossing voor al uw aansluitingsproblemen is gewoon diploma-inflatie! Net zoals geldzorgen verminderen door hyperinflatie, waarvan in de geschiedenis meerdere voorbeelden te vinden zijn.

Onze tweedefase-afgestudeerden kunnen dan wetenschap bedrijven en uitvindingen doen door te Googlen en na te doen. Iedereen hoogopgeleid in naam, exit kennis(economie)!



Bovenstaand artikel is door dr. ir. Anne-Johan Annema geschreven op verzoek van de Centrale Onderwijsprijs Commissie en n.a.v. de tweede maal dat Annema de EL-onderwijsprijs toegekend heeft gekregen. Het thema voor de centrale onderwijsprijs was "Vernieuwingen in het onderwijs”


Dr. ir. Anne-Johan Annema is Associate Professor bij de IC Design Group, CTIT Research Institute, van de Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica (EWI) van de Universiteit Twente. Als docent verzorgt hij de vakken Elektronische Basisschakelingen/Elektronische Functies, is hij lid van de OnderwijsKwaliteitsCommissie EL en nauw betrokken bij allerhande activiteiten op het gebied van onderwijs en de onderwijsorganisatie.

Voor meer informatie over Anne-Johan Annema, zijn activiteiten en publicaties, zie zijn homepage.

Bij dit artikel horen drie bijlagen. Klik op de oranje pijl om de bijlagen te lezen.


Bijlage 1: als we dan toch wetenschappelijk bezig zijn…

Roepen dat onder meer het wiskundeonderwijs tegenwoordig slecht is, is strijdig met vele (pers)berichten. Wetenschappers als we zijn moeten we dit bewijzen met harde data waarnaar niet wordt geluisterd omdat het niet fijn is om naar te luisteren. Hierbij dus 2 referenties (NRC 12-9-2006 en Intermediair 10-10-2006). De onderkant van het Nederlandse onderwijs is beter dan de onderkant van andere landen. Helaas is door de tweede fase de Nederlandse bovenkant nauwelijks beter… geen uitdaging, wel Pavlov… zo snel mogelijk veranderen.


http://www.nrc.nl/binnenland/article479183.ece

Nederlandse scholieren presteren goed (NRC - 12 september 2006). Door een onzer NRC-redacteuren

Samenvatting: Uit het rapport Education at a Glance van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) komt naar voren dat Nederlandse kinderen op school in vergelijking met hun leeftijdsgenoten in andere (geïndustrialiseerde) landen goed presteren, ondanks het op een aantal punten gebrekkige Nederlandse onderwijssysteem. Nederlandse kinderen presteren vooral relatief goed in wiskunde, waarbij met name is gekeken naar wiskundig inzicht: het vermogen wiskundige problemen op te lossen. Alleen Finse en Zuid-Koreaanse kinderen zijn beter in wiskunde. De Oeso signaleert wel gebreken aan het Nederlandse onderwijssysteem. Onder andere wordt gewezen op het relatief grote aantal schooltypes (vwo, havo, vmbo) dat leidt tot grotere ongelijkheid tussen de beste en de slechtste leerlingen en de vroegtijdige schoolkeuzes waardoor kinderen uit achterstandsgezinnen minder kansen krijgen.

Nederland scoort het hoogst wat betreft het aantal lesuren (Nederlandse kinderen zitten van hun zevende tot hun veertiende jaar meer dan 8.000 uur op school). Finland (met de beste wiskundeprestaties) kent de kortste totale schoolduur (5.500 uur).


http://www.intermediair.nl/artikel.jsp?id=436751

Uitgelicht: Misplaatste tevredenheid over wiskunde-onderwijs. WAT: kritiek op hoge score in internationale vergelijking. HOEZO: Nederlandse scholieren zijn vooral goed in ‘verhaaltjessommen’. Intermediair - Dinsdag 10 oktober 2006. Auteur: Kees Versluis

Samenvatting: De hoge internationale resultaten staan haaks op de klachten van docenten en hoogleraren van universitaire bètastudies over het wiskundeniveau van eerstejaars studenten en hun verwijten richting “dat verfoeide studiehuis waar slap gebabbel hard denk- en stampwerk verdreven heft”.
Het Utrechtse Freudenthal Instituut ­ heft de internationale Pisa-onderzoeken nader geanalyseerd. Conclusie: er valt nogal wat af te dingen op de hoge Nederlandse Pisa-score.
1) De vragen van de Pisa-test zijn te simpel voor scholieren die waarschijnlijk naar de universiteit doorstromen. De internationale vergelijking zegt vooral iets over het wiskunde-onderwijs aan de onderkant van het schoolsysteem.

2) Veel opgaven van de Pisa-test komen sterk overeen met het soort wiskunde dat Nederlandse scholieren krijgen. “Simpel gezegd: ‘verhaaltjessommen’ met veel grafieken en tabellen.” Op die Pisa-onderdelen scoren de Nederlanders bijzonder goed, maar bij abstractere opgaven met formules doen Nederlandse leerlingen het niet zo goed. Bij sommen waarbij meerdere stappen nodig zijn om bij het antwoord te komen geeft de Nederlandse jeugd snel op volgens de opstellers van het Freudenthal-rapport. ‘Ze hebben gebrek aan wiskundig doorzettingsvermogen’. Zij bevelen aan om in het odnerwijs meer aandacht te besteden aan de formele en abstracte aspecten van de wiskunde.’ Verslui noemt dit frappant, want juist het Freudenthal Instituut was ooit verantwoordelijk voor de vervanging in het Nederlands middelbaar onderwijs van de klassieke ‘droge’ wiskunde door de ‘verhaaltjeswiskunde’.


Klik op oranje pijl voor bijlage 2


Bijlage 2: geen wonder dat techniek niet wordt gekozen…

Het VWO-lesmateriaal staat, zoals gezegd vol met tekst en af en toe een formule (invuloefening) van het soort “zo is het en reken die ene onbekende er numeriek mee uit door alle andere waarden in te vullen”. Voor de bachelor-onderwijsherziening heb ik een paar jaar geleden natuurkundemateriaal bekeken, en uiteraard extra goed gekeken wat er van elektrotechniek in staat. Schrikken. Het is vooral vaag en zwarte magie en roept er om om vooral geen natuurkunde of EL te gaan doen.


Een illustratie daarvan; gebruik ik ook bij VWO-voorlichting:



Uit mijn brief naar de uitgeverij:


Heb ik nooit meer iets zinnigs van gehoord, behalve dat de verantwoordelijke bij de uitgeverij niet meer verantwoordelijk was. Over alle andere opmerkingen (foutieve beweringen, vragen die geen zinnig of geen goed antwoord hebben) ook nooit meer iets gehoord.

Klik op oranje pijl voor bijlage 3


Bijlage 3: gedeelde smart is driedubbele smart

Bij de technische studierichtingen mekkeren we uitgebreid op de tweedefase omdat daar onvoldoende inhoud is in wiskunde en natuurkunde en in studeervaardigheden. “Gelukkig “ zijn wij niet de enigen: bijvoorbeeld talen zijn net zo inhoudsloos geworden.


http://www.intermediair.nl/artikel.jsp?id=685428

Intermediair 14 februari 2007: interview met een hoogleraar letteren in Utrecht.

Interview hoogleraar Geert Buelens: ‘Het onderwijs hier is een schande’. Auteur: Kees Versluis.


Citaat:

Voordat u naar Utrecht kwam, gaf u les aan de Universiteit Antwerpen. Het Belgisch middelbaar onderwijs is nog niet aangetast door het studiehuis. Merkt u het verschil tussen Belgische en Nederlandse studenten? ‘Ik was gewaarschuwd voor het niveau in Nederland, maar dat het zo dramatisch was, had ik niet verwacht. Dat studiehuis heeft hier zo veel ravage aangericht. En dan heb ik het niet eens over spelling, dat vind ik verhoudingsgewijs perifeer. Aandachtig een tekst kunnen lezen, op zinsniveau kunnen analyseren, het verschil weten tussen onderwerp en lijdend voorwerp: het niveau hier in Nederland is een schande, echt een schande. Het erge is dat iedereen aan de universiteit weet hoe erg het is en dat ook roept. En toch dringt het niet door in Den Haag, terwijl ze daar hun mond vol hebben van de kennissamenleving. De verantwoordelijkheid van bewindslieden die níet ingrijpen, is verpletterend.’.”


Vroeger (vóór de tweede-fasestudenten) waren verslagen duidelijk en zelf geschreven, en viel het op als er een taal- of stijlfout in stond. Tegenwoordig is het vaak andersom.