Nieuws van het ministerie en de VSNU: BaMa ontwikkelingen en de WO-monitor

VoP biedt u snel inzicht in belangrijke wetenswaardigheden: Inspectierapport “BaMa stroomt door” redelijk optimistisch van toon. / Duidelijke groei van het aantal masterstudenten. / Rendementscijfers bachelor - Universiteiten willen meer studiesucces. / WO-monitor 2004-2005: werkeloosheid onder academici daalt.


Onderwerpen:

uInspectierapport “BaMa stroomt door” redelijk optimistisch van toon

uDuidelijke groei van het aantal masterstudenten

uRendementscijfers bachelor - Universiteiten willen meer studiesucces

uWO-monitor 2004-2005: werkeloosheid onder academici daalt


Inspectierapport “BaMa stroomt door” redelijk optimistisch van toon

Bama stroomt door is het vervolg op het rapport Bama ontkiemt (mei 2005). In laatstgenoemde rapport uitte de inspectie een aantal zorgen over de toelating tot de wetenschappelijke masteropleidingen. Het nieuwe onderzoek biedt een heel wat positiever beeld. De toelatingsprocedures worden nu beschouwd als “transparant, billijk en zorgvuldig”.

De universitaire schakeljaren tussen hbo-bachelors en wo-masters worden door de instpectie als adequaat gezien.

Desalniettemin blijken er toch nog wel wat verbeteringen wenselijk. Die verbeterpunten betreffen onder meer:

-de eisen die opleidingen stellen en de selectie die zij toepassen en de harde knip tussen bachelor- en masteropleiding;

-het ontbreken van bekostiging voor de deficiëntievoorzieningen en van studiefinanciering voor studenten die van deze voorzieningen gebruik maken;

-het te bereiken niveau met eenjarige masteropleidingen.

De inspectie roept de universiteiten op om onderzoek te doen naar de doorstroom van wo-bachelor studenten naar een wo-master bij een andere faculteit of universiteit. Deze doorstroom is lager dan verwacht.


In een reactie ondersteunt de VSNU de twijfel over de waarde van een eenjarige masteropleiding, zeker met het oog op de internationale concurrentiepositie en samenwerking met buitenlandse instellingen. Gepleit wordt voor meer vrijheid van handelen op universiteitsniveau.

De VSNU ondersteunt eveneens het pleidooi van de inspectie om schakeljaren te bekostigen. Het standpunt van het ministerie om dit niet te doen, vindt de VSNU, met het oog op het streven naar een kennisintensieve samenleving, “moeilijk te begrijpen”.

De VSNU is het niet eens met de kritiek van de inspectie op de ‘harde knip’. Het hanteren van een ‘zachte knip’ is internationaal gezien uniek. Een ‘harde knip’ zou juist met het oog op instroom vanuit het buitenland en de ‘stok achter de deur werking’ die er van uitgaat, wenselijk zijn. Het mooist is de combinatie harde knip en meerdere instroommomenten, maar dit niet voor alle opleidingen haalbaar.

De VSNU is niet van mening dat de doorstroom van wo-bacheloropleidingen naar andersoortige master-opleidingen achter blijft. Van de totale instroom in de masteropleidingen is ongeveer 8% afkomstig van andere universiteiten (ruim 10% van de wo-wo instromers) en omdat niet alle studenten direct na de bachelor zullen doorstromen, kunnen daadwerkelijke aantallen pas na jaren bepaald worden.


Bronnen en links:

Via de website van de Onderwijsinspectie: Bama stroomt door; BaMa-onderzoek naar de toelating tot de wetenschappelijke masteropleidingen (jan., 2007)


Via de VSNU-site: VSNU-reactie op Inspectierapport ‘de BaMa stroomt door’ en reactie minister



Duidelijke groei van het aantal masterstudenten

De VSNU presenteert in haar Factsheet universitaire masterstudenten cijfers over de groei van het aantal masterstudenten. In het collegejaar 2006-2007 is het totale aantal masterstudenten met 24% toegenomen (totale aantal instromers: 17.623). Ook het aantal masteropleidingen groeide: van 481 opleidingen in 2005-2006 naar 519 in 2006-2007.


Directe doorstroming

Het merendeel van de bachelorstudenten stroomt direct na de bachelor door naar een masteropleiding bij de eigen universiteit (zie tabel 1.), al blijkt het aantal niet-direct-doorstromers wel toe te nemen. Van deze laatste groep kan een deel ook een studie zijn gaan volgen in het buitenland of later alsnog besluiten om (elders) een masteropleiding te gaan volgen. De cijfers over de instroom bij de masteropleidingen lijken daar ook op te duiden: als gekeken wordt naar de totale instroom van Nederlandse universitaire studenten in 2006, is 11.4% afkomstig van een andere universiteit. Deze cijfers (vooral de discrepantie) vergen nadere analyse.


studiejaar

stroomt niet direct door

stroomt door naar master binnen instelling

stroomt door naar master bij andere instelling

2004-2005

13.6%

81.6%

4.8%

2005-2006

17.1%

77.9%

5.0%

Tabel 1.: Doorstroom van de geslaagde bachelorstudenten. (Bron: VSNU 1cHO 2006: Examencohorten / Factsheet univeraitaire masteropleidingen 18-4-’07)

HBO-WO doorstroming

Steeds meer hbo-studenten stromen door naar masteropleidingen. Het aandeel studenten afkomstig van het hbo bedroeg in 2005-2006 29% en in 2006-2007 24.4% van de totale instroom. Alhoewel de instroom hbo-ers percentueel daalt, stijgen wel de absolute aantallen (NB. Andere groepen nemen sneller toe.). De instroom verschilt wel per studierichting; bij Economie en Techniek stromen bijvoorbeeld veel hbo-studenten in (36%), maar bij Taal en Cultuur (15%) en Recht (13.4%) liggen de percentages aanzienlijk lager.


Buitenlandse instroom

De VSNU is tevreden over het groeiend aantal studenten afkomstig uit het buitenland. De afgelopen twee studiejaren had ongeveer 15% van de masterstudenten een buitenlandse vooropleiding. Ook hierbij gelden weer verschillen voor de verschillende studierichtingen (HOOP-gebieden). Voor Techniek is het percentage relatief hoog (17%), voor Gezondheid (4%) en Recht (8%) relatief laag. Van de studenten met een buitenlandse vooropleiding kiest 40% voor een masteropleiding op het gebied van Landbouw, Natuur of Techniek, tegen 14% van de Nederlandse wo-bachelors.


Bronnen en links:

VSNU website - persbericht: : Universitaire masteropleidingen voorzien in maatschappelijke behoefte. Grote groei aantal masterstudenten op universiteiten. (apr. 2007)

VSNU-website – IR factsheet: Factsheet universitaire masteropleidingen (apr. 2007)

Rendementscijfers bachelor - Universiteiten willen meer studiesucces

De VSNU heeft recentelijk een factsheet met rendementscijfers onder de bachelor-masterstructuur uitgebracht. Dit leverde een aantal opvallende gegevens op:

- De instroom van het aantal studenten rechtstreeks afkomstig van het vwo is sinds 2002-2003 tot aan 2005-2006 bijna met eenderde gestegen (van 16.225 naar 21.342).

- Het aandeel vrouwelijke studenten neemt toe en overstijgt het aandeel mannelijke stduenten, zowel bij de instromers als bij het aandeel totaal ingeschrevenen. Ook behalen sinds 1999 meer vrouwen dan mannen een universitair diploma. Wel gelden wat betreft het aandeel vrouwen onder de studenten nog duidelijke verschillen voor de verschillende HOOP-gebieden.

- Van de studenten die in 2002 instroomden, schreven 9% zich het volgend jaar niet meer in voor een wo-studie. In de volgende bachelorjaren tezamen is de uitval eveneens 9%.

- De uitval onder vrouwelijke studenten is kleiner dan onder mannelijke studenten (6,7% tegen 10.6%).

- Het merendeel van alle wo-uitvallers stroomt door naar het hbo (57%). Van de inschrijvers die zich na 1 jaar studie niet meer voor een wo-studie inschrijven, schrijft 70% zich voor een hbo-opleiding in.

- Na 4 jaar heeft 45% van de studenten die zich na het eerste jaar herinschreef een ba- diploma. Dit percentage verschilt per studiegebied, maar verschilt vooral voor de sexen. Vrouwen blijken aanzienlijk sneller te studeren dan mannen en dit geldt voor alle (!) HOOP-gebieden. Na 4 jaar heeft 57% van de vrouwelijke studenten (van de herinschrijvers na het eerste jaar) een diploma, tegen 33% van de mannen.


Bronnen en links:

VSNU-website – persbericht: Universiteiten willen meer studiesucces bachelorfase. VSNU publiceert nulmeting studierendement bachelorstudenten (juni 2007)

VSNU-website – factsheet: Factsheet Studiesucces in de bachelorfase (juni 2007)



WO-monitor 2004-2005: werkeloosheid onder academici daalt


Arbeidsmarktpositie en zoekduur tot eerste baan

De tweejaarlijkse WO-monitor is weer uit en schetst een rooskleurig beeld van de arbeidsmarktperspectieven voor afgestudeerde academici. Uit de WO-monitor blijkt dat Nederlandse afgestudeerden de laatste jaren makkelijker een baan vinden dan voorheen.

Van de afgestudeerden van het academische jaar 2003-2004, is 4.6% circa anderhalf jaar na

het afronden van de opleiding werkloos.

De snellere doorstroming naar de arbeidsmarkt, impliceert (nog) niet een verbetering in de baankwaliteit. Het aandeel afgestudeerden met een baan op minimaal WO-niveau is licht gedaald, van 63% in 2004 naar 61% in 2005. Het gemiddelde reële bruto uurloon en het aandeel afgestudeerden met een vaste aanstelling, zijn tussen 2004 en 2005 nagenoeg gelijk gebleven

Uit een vergelijking met negen andere Europese landen, blijkt dat Nederlandse afgestudeerden relatief snel werk vinden na afstuderen, maar dat de kwaliteit van de eerste banen aan de lage kant is. In de latere jaren maken de Nederlandse afgestudeerden wel een relatief snelle groei door, maar ook dan ligt het percentage banen op WO-niveau, evenals het percentage vaste aanstellingen en het gemiddelde bruto maandloon, nog altijd rond of zelfs iets onder het gemiddelde van de andere landen die aan het onderzoek hebben deelgenomen.


Positie van afgestudeerden Techniek en Natuur
De positie op de arbeidsmarkt van afgestudeerden Techniek en Natuur blijkt op een aantal punten achter te blijven bij die van afgestudeerden van andere WO-sectoren. Hierbij gaat het vooral om het gemiddelde loon (dit ligt voor de sectoren Natuur en Techniek duidelijk lager dan het gemiddelde over alle sectoren). Ook komen afgestudeerden van de sectoren Natuur en Techniek in het algemeen in wat smaller georiënteerde banen terecht, waarbij de specifieke opleiding een grote rol speelt. De arbeidsmarkt lijkt daardoor voor hen wat beperkter toegankelijk en dit komt ook tot uiting in de langere zoekduur voor de eerste baan.

Opvallend is dat de arbeidsmarktpositie voor mono- en multidisciplinaire bèta-opleidingen

opleidingen weinig verschilt, al is de positie voor afgestudeerden van de monodisciplinaire opleidingen over het algemeen net iets gunstiger. Wel oordelen afgestudeerden in multidisciplines gemiddeld beter over de aansluiting met de arbeidsmarkt dan die in monodisciplines.


Kwaliteit van de opleiding

Iets meer dan de helft van alle afgestudeerden oordeelt dat hun WO-pleiding een goede basis bood om te starten op de arbeidsmarkt, maar 80% geeft een positief oordeel ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding als basis voor het verder ontwikkelen van kennis en aardigheden. Nederlandse afgestudeerden zijn vergeleken hun ‘peers’ in de meeste

Europese landen beduidend positiever over deze punten.

Nederlandse afgestudeerden hebben in vergelijking met hun buitenlandse ‘peers’ minder tijd per week aan de studie besteed (33 uur per week versus ongeveer 39 uur gemiddeld). De Nederlandse afgestudeerden blijken in vergelijking met hun buitenlandse ‘peers’ minder vaak bereid te zijn om veel extra inspanning te leveren om hoge(re) studieresultaten te behalen.

In vergelijking blijken ze vaker te werken naast de studie (90% van de Nederlandse afgestudeerden heeft tijdens de studie gewerkt, tegenover slechts 75% gemiddeld

over alle 10 landen), al gaat het hierbij vaak om banen die niet direct aan de studie gerelateerd zijn.

Nederlandse studenten hebben vaker dan de ondervraagde buitenlandse afgestudeerden tijdens de studie ervaring opgedaan in het buitenland. Deze ervaring blijkt geen rol te spelen bij de zoekduur tot de eerste baan.


Nederlandse academici scoren naar eigen zeggen relatief vaak hoog op ‘academische’ competenties en attitudes, maar de managementvaardigheden, evenals specifieke kennis (van eigen en vooral van andere vakgebieden), worden iets lager ingeschat. Afgestudeerden van opleidingen waar gebruik werd gemaakt van probleemgestuurd onderwijs, schatten zichzelf hoger in op academische competenties, attitudes en managementvaardigheden, dan

afgestudeerden van opleidingen waarbij geen gebruik van deze onderwijsmethode

werd gemaakt.


Arbeidssituatie allochtone afgestudeerden

Het aandeel allochtonen dat een wo-opleiding afrond neemt niet toe, wel het absolute aantal. De kwaliteit van de banen van werkende allochtonen en autochtonen is vergelijkbaar, maar met name niet westerse allochtone afgestudeerden blijken ruim twee keer zo vaak werkeloos te zijn als autochtone afgestudeerden.


Bronnen en links:

VSNU-website – persbericht: WO-monitor: Werkloosheid academici daalt over de hele linie (juni 2007)

VSNU-website – WO monitor: WO-monitor 2004 en 2005. VSNU-kengetallen, Analyse en Interpretatie (juni 2007)