Wat maakt Liesbet Heyse UT-docent van het jaar?


Liesbet Heyse, docente bij Bedrijfskunde, won 29 maart de Centrale Onderwijsprijs 2005. Deze prijs wordt jaarlijks door vertegenwoordigers van de studenten aan de beste docent van de Universiteit Twente uitgereikt. Het thema voor dit jaar luidde: “Uitdaging binnen kaders”. Wat maakt het onderwijs van deze docente nu zo uitdagend? Wat valt er te leren over goed onderwijs van de docent van het jaar?


prijswinnares Centrale Onderwijsprisj 2005 UT


Liesbet Heyse, blij met de prijs.

Wat maakt Liesbet Heyse docent van het jaar?

Het thema voor de Centrale Onderwiisprijs van 2005 was “Uitdaging binnen kaders". Docenten die “uitdagen binnen kaders” zijn in staat studenten ieder op een eigen niveau het uiterste uit zichzelf te laten halen, maar houden daarbij wel duidelijk rekening met de kaders die gelden voor het onderwijs, zoals de beschikbare studielast, de aansluiting met andere vakgebieden en de voor het vak geldende leerdoelen.

Liesbet Heyse bleek hier met haar tweedejaars vak Service management uitstekend toe in staat. In het juryrapport wordt ze geroemd om haar enthousiasme, de bijzondere opzet van haar vak en de gerichte feedback die ze iedere student biedt.

Door Stress, de studievereniging van Bedrijfskunde, werd ze al eerder uitgeroepen tot faculteitsdocent van het jaar voor de opleiding Bedrijfskunde. De studievereniging roemde haar om haar duidelijkheid (zowel met betrekking tot de procedurele als ook de inhoudelijke kant van haar vakken), helder taalgebruik en up-to-date kennis, de keuze van onderwerpen die aansluiten bij de belevenis van de studenten, de stimulansen tot zelfwerkzaamheid en hoge inspanning, waardoor de studenten zich uitgedaagd voelen en veel werk verzetten gedurende het traject.

Dat haar onderwijs nu deze prijs verdient, vind ze zelf ook bijzonder. Zo gaf ze in haar toespraak na ontvangst van de prijs aan, dat ze in het eerste jaar dat ze bij Bedrijfskunde de colleges verzorgde, nog door een mededocent apart werd genomen omdat enkele studenten hadden geklaagd dat ze niet veel van de colleges hadden begrepen. Dit bood vervolgens wel de uitdaging om het voortaan heel anders aan te pakken, waarbij het volgen van het Didactische Inwerktraject UT (de zogenaamde “DUIT-cursus”) een praktisch steuntje in de rug bood.

In haar toespraak gaf ze ook aan dat je onderwijs niet alleen maakt en uitvoert; daar is een heel team bij betrokken en voor goede ideeën wordt dankbaar geput uit de onderwijservaringen van collega’s.


De positieve geluiden zijn duidelijk. Hoog tijd om iets meer in te zoemen op het onderwijs zelf en daar wat vragen over te stellen, want wat bepaalt nu die uitdaging binnen kaders voor dit stukje onderwijs?


Vak:

Service Management

Doelgroep:

Tweedejaars bachelor studenten Bedrijfskunde

Doel:

1. Studenten theoretische inzichten verschaffen over het primaire proces van dienstverlenende organisaties (kenmerken, totstandkoming, toepassing, knelpunten en aanpassing). 2. Studenten een analysekader aanbieden aan de hand waarvan zij primaire processen in dienstverlenende organisaties kunnen analyseren en voorstellen ter verbetering kunnen doen.

Inhoud:

In het vak Service Management staat het primaire proces van dienstverlenende organisaties in de profit en non profit sector centraal. We gaan op zoek naar de aard, inrichting en uitwerking van dit primaire proces. Er wordt inzicht verkregen in verschillende typen dienstverlenende organisaties en hun herkomst, en de verschillende potentiële knelpunten die in de dienstverlenende praktijk kunnen optreden.

Materiaal:

reader + boek

Werkvormen:

Hoorcollege, werkcollege

Toetsing:

Opdrachten

Studielast:

5 EC

Docenten 2005:

mw. dr. L. Heyse, dr. D.B.D. Bannink, mw. drs. M. Moulijn

Wat maakt de studenten zo enthousiast over u?

Dit heeft denk ik grotendeels te maken met de opzet van het vak. Deze opzet (die ik overigens niet alleen bedacht heb maar in nauwe samenwerking met mijn collega Duco Bannink) zorgt ervoor dat studenten:

a) zelf onderzoek leren doen naar de praktijk van dienstverlenende organisaties. Dit brengt studenten in aanraking met de praktijk waarin ze later werkzaam zouden kunnen zijn. Daarnaast helpt dit onderzoek om abstracte theorie beter te begrijpen omdat het gekoppeld wordt aan concrete praktijkvoorbeelden. Kortom: het nut van theorie wordt duidelijker.

b) keuze hebben: ze kunnen kiezen tussen een intensief en een extensief traject. Het extensieve traject houdt in dat studenten geheel vrij zijn om wel of niet naar de hoorcolleges te komen. Ze doen het onderzoek zelfstandig en krijgen daarbij geen begeleiding, alleen bij de keuze van de casus krijgen ze feedback. Dit mogen ze alleen of in koppels doen, al naar gelang hun eigen voorkeur. Het intensieve traject behelst dat studenten zich committeren drie werkcolleges te volgen waarin de onderzoeksopdracht in een aantal deelopdrachten wordt behandeld. Dit traject behelst een soort contract tussen student en docent: de student belooft alle werkcolleges te volgen en in ruil daarvoor geeft de docent feedback op de deelopdrachten. Studenten mogen de opdrachten alleen of in koppels doen. Studenten die niet alle werkcolleges volgen, worden uit het intensieve traject gezet en krijgen ook geen feedback meer. Ik heb gemerkt dat studenten het heel prettig vinden dat er onderscheid gemaakt wordt: degenen die om wat voor reden dan ook hun werk niet doen of niet opdagen voor de werkcolleges zijn niet meer welkom. Dan hou je een groep over die wel komt opdagen en werkt aan de opdracht. Dit geeft de docent de mogelijkheid een lijn in de werkcolleges te trekken en de studenten die zich houden aan de afspraak hebben geen ‘last’ meer van studenten die alleen maar komen omdat het verplicht is of om slechts te consumeren (i.p.v. participeren en leren).

c) redelijk hard moeten werken voor het vak. Het vak behandelt vrij veel stof, daarnaast moeten de studenten zelf een onderzoek uitvoeren, waaronder twee interviews met dienstverleners. De deelopdrachten worden ook uitgebreid becommentarieerd door de docenten. Er wordt van studenten verwacht dat ze ook wat met de feedback doen. Voldoendes zijn geen automatisme; onvoldoendes worden dan ook uitgedeeld als ze verdiend zijn.

d) elkaars eindproducten moeten lezen, vergelijken en bespreken. Het vak wordt afgesloten met een workshopronde waarin per workshop 6 studenten elkaars werk lezen en moeten vergelijken. Hier houden ze dan een presentatie over. De kleinschaligheid van de workshopronde geeft ons docenten de kans de theorie nogmaals te koppelen aan de praktijk maar dan voor meerdere cases. Verschillen en overeenkomsten tussen de cases staan dan centraal, alsmede de vraag wat deze verschillen en overeenkomsten verklaart. Zo oefenen de studenten verschillende vaardigheden naast de onderzoeksvaardigheden: presenteren en feedback aan elkaar geven.


Deels heeft het er wellicht mee te maken dat ik in het begin misschien wat streng, maar daardoor wel duidelijk ben. Studenten die zich niet houden aan de afspraken m.b.t. het intensieve traject worden ook daadwerkelijk het intensieve traject uitgezet. Sommigen zullen dat minder waarderen, maar ik denk dat de meeste studenten het prettig vinden dat we doen wat we beloven.

Verder probeer ik in de werkcolleges studenten mee te nemen naar concrete praktijkvoorbeelden. Zo heb ik hen in een hoorcollege een casus voorgelegd uit mijn eigen onderzoekspraktijk: ik heb hen verteld over een humanitaire hulporganisatie in Afrika die voor een aantal dilemma’s kwam te staan ten aanzien van de hulpverlening. Ik heb hen die dilemma’s geschetst en gevraagd wat de studenten zouden doen.

Finalisten Centrale Onderwijsprijs 2005 UT De 3 finalisten van 2005.

Zo hebben we een half college gediscussieerd en raakten we daarmee een aantal belangrijke thema’s uit de theorie. Ik heb zelf enorm genoten van dat college. In de werkcolleges probeer ik zoveel mogelijk het initiatief bij de studenten te leggen, om te voorkomen dat het een herhaling van het hoorcollege wordt. Studenten moeten dus in de werkcolleges zelf aan de slag, bijvoorbeeld door zelf interviewvragen te formuleren en met elkaar te bediscussiëren of door elkaars casuskeuze te lezen en te beoordelen. Verder denk ik dat ik redelijk bereikbaar ben voor vragen en opmerkingen en dat ik relatief snel reageer.



Hoe zorgt u dat de student weet wat er van hem/haar verwacht wordt?

In het eerste college zet ik zwaar aan dat dit een vak is waar hard voor gewerkt moet worden. Ik leg het verschil tussen een intensief en extensief traject uit en waarschuw studenten dat we ons ook echt houden aan de gemaakte afspraken. Verder staat deze informatie ook in de reader en op de Teletopsite. We geven ook vooraf aan wat we verwachten van de opdrachten (zowel qua inhoud als qua vorm). In de feedback op de deelopdrachten kunnen we dan nog extra, meer op maat gemaakte opmerkingen, maken over wat we van de studenten verwachten. Herhaling is daarbij belangrijk, want ik merk dat studenten pas na herhaling echt oppikken wat we van hen verwachten.



Hoe zorgt u ervoor dat elke student op zijn/haar eigen niveau uitgedaagd wordt het maximale uit zichzelf te halen?

Studenten moeten in koppels werken of alleen. Dit voorkomt ‘freeriders’-gedrag grotendeels. In de werkcolleges geven we feedback op de deelopdrachten en kunnen we goed achterhalen waar de studenten problemen hebben met de stof. Daar kunnen we dan in de werkcolleges extra aandacht aan besteden. We proberen ook niet meteen antwoorden op de vragen van studenten te geven, maar de studenten uit te dagen eerst zelf of met elkaar op zoek te gaan naar antwoorden. Mijn instelling is altijd dat ze het eerst zelf moeten proberen, dan hun probleem aan hun medestudenten moeten voorleggen en dan pas komen de docenten er aan te pas. De opdrachten tijdens de werkcolleges zijn ook zo gemaakt; zo hebben we een opdracht waarbij de studenten eerst in groepjes verschillende artikelen moeten samenvatten. Die zetten we dan op het bord en dan stel ik de vraag wat de onderlinge samenhang tussen de artikelen is. Sommige studenten zie je denken: ‘Huh, is er onderlinge samenhang?’ en pas als dat kwartje is gevallen, kunnen ze nadenken wat die samenhang dan is. Ik laat ze dat eerst weer in groepjes uitzoeken en daarna behandelen we de ideeën van de studenten klassikaal. Zo leren de studenten ook van elkaar.



Hoe zorgt u ervoor dat uw vak, zowel vakinhoudelijk als qua tijdsbesteding, goed binnen het curriculum past?

We overleggen met docenten die in hetzelfde kwartiel vakken geven en kijken ook naar de lijn in de gehele opleiding. Dit wordt deels geregeld door de onderwijsdirecteur. We kijken daarbij welke inhoudelijke verbanden er tussen de vakken zijn. We verwijzen naar elkaars vakken waar mogelijk. Ook wordt bekeken welke vaardigheden worden geoefend. Zo is er in hetzelfde kwartiel een vak waarin studenten een vragenlijst moeten afnemen. Dat betekent dat wij in ons vak niet meer oefenen op het houden van een interview maar op het maken van interviewvragen. Daarnaast is er een duidelijke lijn in de organisatiesociologische vakken die grotendeels door onze groep verzorgd worden. We weten als docenten dus heel goed welke kennis de studenten al zouden moeten hebben, en verwijzen daar ook naar. Ik plaats het vak Service Management ook in die lijn: van Maatschappelijke Organisatie naar Interne en Externe Organisatie naar Service Management. Service Management is dan het meest specifieke organisatiesociologische vak dat de studenten krijgen.



Hoe zorgt u ervoor dat de leerdoelen binnen de beschikbare ruimte gerealiseerd kunnen worden?

•Niet te veel literatuur voorschrijven en aangeven welk deel van de literatuur tot de kern van de stof behoort en welke literatuur meer als achtergrondinformatie gezien kan worden.

•Door te zorgen dat de onderzoeksvaardigheden die nodig zijn om de leerdoelen te halen ook geoefend worden in de colleges.

•Door de stof op te splitsen in deelopdrachten, zodat de studenten gedurende het hele kwartiel met de stof bezig te zijn, en ook nog eens in redelijk te behappen delen.

•Door van te voren aan te geven wat we van de studenten verwachten (en dat blijven herhalen) en door ons daar ook aan te houden.



Hoe gaat u na of de van te voren gestelde leerdoelen door de student bereikt zijn?

Dit doen we door op verschillende momenten met die leerdoelen bezig te zijn: voor, tijdens en na het college. Dat doen we door per college of opdracht van te voren goed na te denken wat onze leerdoelen zijn en vervolgens via concrete stappen te bedenken hoe we deze leerdoelen gaan halen. We maken vaak ook een soort draaiboek per bijeenkomst en een inhoudelijke checklist van wat de studenten in een opdracht moeten hebben bereikt. Door tijdens het hoorcollege vragen te stellen of discussies te genereren, kan ik ook achterhalen in hoeverre ik mijn leerdoelen aan het bereiken ben. Na het college ontdek ik of de studenten de leerdoelen bereiken door het lezen van de tussentijdse opdrachten.

Ik heb daarnaast tijdens het laatste college onlangs een evaluatiegesprek met de groep gehad, naast de digitale evaluatie.



Welke uitdagingen in het onderwijs ziet u voor uzelf?

Mijn grote uitdaging is om in de hoorcolleges creatiever te worden en meer los van de stof te raken. Ik zou vooral tijdens de hoor-en werkcolleges creatievere werkvormen willen toepassen, waardoor er meer afwisseling komt. Mijn grote ontdekking tijdens Service Management was dat als ik weinig voorbereidingstijd had, ik de hoorcolleges eigenlijk beter gaf, omdat ik gedwongen was uit eerdere ervaringen te putten. Daar was ik erg door verrast. Dus ik zou willen leren (durven) meer op basis van spontaniteit onderwijs te geven.



Winnaar Centrale Onderwijsprijs 2004 verzorgt de inleiding

Pascal Wilhelm, docent van het jaar 2004,
verzorgt de inleiding.