Completed Bachelor theses assignments

De slachtofferselectie van loverboys










Kim Veenvliet - s1028774

Bachelorthese

Enschede, juli 2012


Universiteit Twente

Faculteit der Gedragswetenschappen

Opleiding Psychologie


Begeleidingscommissie:

Dr. Ir. Peter de Vries

Dr. Marsha de Vries




Samenvatting

Loverboys zijn mensenhandelaren die vrouwen en/of mannen doelbewust emotioneel afhankelijk maken door (de belofte van) het aangaan van een liefdesrelatie om hen vervolgens uit te buiten, veelal in de prostitutie. Recent onderzoek heeft laten zien dat loverboys tegenwoordig het internet gebruiken als hulpmiddel. Dit onderzoek gaat over de specifieke slachtofferselectie van loverboys op het internet: er is onderzocht welke websites een rol spelen, hoe de profielen van (potentiële) slachtoffers eruit zien op websites en wat de resultaten van en ervaringen met de pilot ‘Loverboys 2.0’ zijn.

De resultaten laten zien dat het erg lastig is om de websites in kaart te brengen die een rol spelen bij de slachtofferselectie van loverboys; dit is erg veranderlijk. De meest genoemde websites zijn: Hyves, Facebook, Tagged en chatrooms. Opmerkelijk is dat meer dan de helft van de respondenten vertelde dat het contact tussen slachtoffer en loverboy snel verlegd wordt naar het mobiele internet: BlackBerry Messenger en WhatsApp. Hiernaast laten de resultaten zien dat het hebben van een afbeelding, vooral een uitdagende afbeelding, het posten van contactgegevens, vooral de BlackBerry PIN, en het posten van de hobby’s/voorkeuren van invloed zijn bij de slachtofferselectie van loverboys op websites. Ten slotte kwam nog naar voren dat het vooraf ingrijpen (bijvoorbeeld door lokprofielen) bij loverboyproblematiek moeilijk is, wellicht zelfs onmogelijk. Dit wil niet zeggen dat dit voor alle soorten misdaad het geval is, er werd in de pilot namelijk veel tegen pedofielen aangelopen. Hiernaast hadden de helft van de respondenten een negatieve kijk jegens de media.


In the Netherlands the term ‘lover boys’ refers to a kind of human trafficking. Characteristic for lover boys is that they are making women and/or men deliberately emotionally dependent by (the promise of) entering into a love affair. When this has happened, the women and/or men are being exploited, often in the prostitution. Recent research has shown that lover boys nowadays are using the Internet as an aid: it makes the search for victims easier. This research is focusing on three things: the websites which play a role with the victim selection by lover boys on the Internet, the profiles from victims on websites and the results and experiences with the pilot ‘Lover boys 2.0’.

The results show that it is very difficult to map the websites which play a role with the victim selection by lover boys: they are changing from time to time. The most frequently mentioned websites in this research are: Hyves, Facebook, Tagged and Chatrooms. It is remarkable that more than half of the respondents told that the contact between victim and lover boy shifts very fast to the mobile Internet: BlackBerry Messenger and WhatsApp.

The results also show that having a picture, especially a provocative picture, posting contact details, especially the BlackBerry PIN, and posting the hobbies/preferences have an effect on the victim selection by lover boys on the Internet.

Finally, the results revealed that it is very difficult, maybe even impossible, to intervene in advance at lover boy issues. But this does not mean that this applies to all kinds of crime; in the pilot there were results with catching pedophiles. It is also important to mention that half of the respondents said that the media is making a hype out of lover boys.






Inhoudsopgave

Samenvatting…………………………………………………………………………………...2

Inhoudsopgave…………………………………………………………………… …………...5

1. Inleiding……………………………………………………………………………………..7

2. Theoretisch kader…………………………………………………………………………..10

2.1 Definiëring ‘loverboy’…………………………………………………………….10

2.2 Slachtoffers van loverboys…………………………………..………………………..11

2.2.1 De gevolgen van het ingepalmd worden door een loverboy………………...11

2.2.2 Kenmerken van slachtoffers…………………………………….. ………….11

2.3 De komst van het internet……………………………………………………………13

3. Methoden…………………………………………………………………………………..18

3.1 Respondenten en procedure………………………………………………………18

3.2 Materialen………………………………………………………………………...18

3.3 Analyse……………………………………………………………………………19

4. Resultaten…………………………………………………………………………………..21

4.1 Websites/sociale media…………………………………………………………...21

4.2 Profielen van slachtoffers…………………………………………………………24

4.2.1 Eerdere onderzoeken met betrekking tot profielen van slachtoffers………..29

4.3 Resultaten van en ervaringen met de pilot………………………………………..32

5. Conclusie…………………………………………………………………………………...37

5.1 Websites/sociale media…………………………………………………………...37

5.2 Profielen van slachtoffers…………………………………………………………38

5.2.1 Eerdere onderzoeken met betrekking tot profielen van slachtoffers………..39

5.3 Resultaten van en ervaringen met de pilot……………………………………......40

6. Discussie…………………………………………………………………………………...42

6.1 Meerwaarde van dit onderzoek…………………………………………………...42

6.2 Methodologische punten………………………………………………………….42

6.3 Interview punten…………………………………………………………………..45

6.4 De toekomst…………………..…………………………………………………...45

7. Referenties…………………………………………………………………………………47

8. Bijlagen…………………………………………………………………………… ………51

8.1 Artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht………………………… ………….51

8.2 Oorspronkelijke citaten…………………………………………………………...53

8.2.1 Citaten bijbehorend bij paragraaf 4.1…………………………….................53

8.2.2 Citaten bijbehorend bij paragraaf 4.2……………………………………….53

8.2.3 Citaten bijbehorend bij paragraaf 4.2.1……………………………………..55

8.2.4 Citaten bijbehorend bij paragraaf 4.3……………………………………….56

8.3 Interview…………………………………………………………………………..59


1. Inleiding

Mensenhandel, ‘trafficking human beings’ (THB), is een serieuze misdaad en is een schending van de individuele mensenrechten. Het is de exploitatie van kwetsbare individuen door criminelen die met mensen omgaan als koopwaar, met als enige doel financiële winst (Europol 2009; 2011). Europol (2011) stelt dat wanneer individuen verhandeld worden, dit samengaat met fysiek en psychologisch misbruik van het slachtoffer. De omvang en soort mensenhandel is in Europa niet makkelijk vast te stellen vanwege twee oorzaken: (a) het kan verborgen worden met andere criminaliteit zoals prostitutie, illegale immigratie en arbeidsgeschillen en (b) er is een afwezigheid van een gestandaardiseerde handleiding voor dataverzameling op Europees niveau (Europol 2009; 2011).

Europol (2011) stelt dat er op het moment nog nooit zoveel reacties gericht zijn op het bestrijden van mensenhandel. Zo zijn lange gevangenisstraffen voor veroordeelde mensenhandelaren nu routine in veel landen, is het bewustzijn voor mensenhandel verhoogd bij de wetshandhavingsinstellingen, staat slachtofferbescherming en –ondersteuning voorop en zijn er nationale actieplannen om mensenhandel tegen te gaan. Desondanks verwacht Europol (2011), gebaseerd op huidige rapportages, trends en patronen, dat het onwaarschijnlijk is dat er een vermindering zal plaatsvinden van mensenhandel in Europa.


De meest voorkomende werving van individuen/slachtoffers van mensenhandel zijn volgens Europol (2007; 2011): valse beloften (zoals een vals aanbod van werk), vals aanbod van een huwelijk of een relatie met een loverboy. De meest voorkomende methode ‘een relatie met een loverboy’ staat centraal in dit onderzoek.

Recent onderzoek van de NRM (‘Nationaal Rapporteur Mensenhandel’; 2010) geeft aan dat er in Nederland veel minderjarige slachtoffers gemaakt worden door mensenhandelaren die met de term ‘loverboys’ worden aangeduid. CoMensha, het coördinatiecentrum van mensenhandel, registreert de slachtoffers van mensenhandel. Er is geen aparte registratie voor slachtoffers van loverboys, deze registratie zit bij de registratie van mensenhandel opgenomen aangezien loverboys onder mensenhandelaren vallen (CoMensha, 2010). Uit de jaarcijfers van CoMensha (2009; 2010), van het aantal meldingen van mensenhandel, valt wel af te leiden hoeveel meldingen er hiervan betrekking hebben op de loverboymethode. CoMensha (2009) laat zien dat er in 2009 sprake was van 909 registraties van slachtoffers van mensenhandel. Van deze 909 registraties betrof het 119 registraties van slachtoffers van loverboys. In 2010 was er sprake van 993 registraties van slachtoffers van mensenhandel. Van deze 993 registraties betrof het 210 registraties van slachtoffers van loverboys (CoMensha, 2010). Er kan dus gesteld worden dat de algemene registratie van slachtoffers van mensenhandel met ‘slechts’ 9,24% is toegenomen terwijl de registratie van slachtoffers van loverboys met 76,5% is toegenomen.

Deze toename van het aantal registraties van slachtoffers van loverboys kan twee verklaringen hebben. Zo kan het zijn dat de toename van slachtoffers een registratie-effect is doordat er hedendaags veel over loverboys wordt gesproken en het begrip veelvuldig gebruikt wordt; het kan het geval zijn dat contact met het publiek over loverboys zeer laagdrempelig is geworden aangezien de politie nu veel meer meldingen krijgt over loverboys, zoals Werson en Den Hartog (2011) stellen. Bovendien meldt het korps Rotterdam-Rijnmond dat CoMensha bij meldingen personen als slachtoffer aanmerkt terwijl nog niet bekend is of dat daadwerkelijk slachtoffers zijn (Werson & Den Hartog, 2011). Dit kan dus ook een oorzaak zijn van de grote toename van het aantal ‘slachtoffers’ van loverboys.

Een andere aanname kan zijn dat de toename slechts ‘het topje van de ijsberg’ is. Er worden namelijk diverse redenen gegeven waarom loverboyproblematiek moeilijk is om te achterhalen, waaronder: (a) het gebrek van een eenduidige definiëring van loverboys (Werson & Den Hartog, 2011), (b) het gebrek van een aparte, landelijke registratie van loverboys (Werson & Den Hartog, 2011), dus los van andere soorten mensenhandel en (c) de lage aangiftebereidheid van slachtoffers (Rood Utrecht, 2009).


Met de komst van het internet kan het nog lastiger worden om loverboyproblematiek te achterhalen. Onderzoek laat zien dat loverboys hun werkterrein hebben verlegd naar het internet en krijgen hiermee de naam ‘digitale loverboy’ (Zanetti, 2009). Volgens Zanetti (2009) werven en exploiteren digitale loverboys hun slachtoffers via het internet. De werkwijze via het internet lijkt uiterst geschikt voor loverboys: er is weinig controle door politie, hulpverlening of ouders en de loverboy kan volledig anoniem op zoek gaan naar een potentieel slachtoffer. Zanetti (2009) stelt echter wel dat sommige dingen juist beter achterhaald kunnen worden met de komst van het internet en dat het internet perspectief biedt voor politie en justitie. Als voorbeeld wordt hierbij gegeven dat er inzicht gekregen kan worden in het ‘manipulatieve en psychologische spelletje’ van de loverboy doordat gesprekken via bijvoorbeeld MSN tussen dader en slachtoffer worden opgeslagen.

Ook Casey (2011) stelt dat het internet zijn voor- en nadelen heeft. Zo kan het ervoor zorgen dat criminelen hun slachtoffers werven, informatie verzamelen over hun slachtoffers en dat zij kunnen communiceren met andere criminelen. Maar tegelijkertijd zijn de voordelen dat criminelen zich er vaak niet bewust van zijn dat ze gemakkelijk gelokaliseerd kunnen worden en dat zij soms informatie op websites laten staan.


Zanetti (2009) stelt in haar onderzoek dat slachtoffers van digitale loverboys via het internet geselecteerd worden op basis van informatie uit hun beschikbare profielen op sociale media websites. Er wordt bij vermeld dat een goed beeld van de van belang zijnde profielkenmerken echter nog niet beschikbaar is. Dit onderzoek gaat, aan de hand van interviews met ervaren rechercheurs, een inventarisatie maken van de praktijkkennis. Aan de hand van de inventarisatie zal er gekeken worden of er bepaalde kenmerken naar voren komen van de online profielen van slachtoffers op diverse sociale media websites.


2. Theoretisch kader

2.1 Definiëring ‘loverboy’

De reden waarom een aparte registratie van loverboys niet landelijk wordt bijgehouden, is omdat een eenduidige omschrijving van loverboys ontbreekt. Meningen over wie loverboys zijn, lopen zowel binnen als buiten de politie uiteen (Werson & Den Hartog, 2011).

Ook in artikelen over loverboys valt het op dat er geen eenduidige definiëring is. Zo stelt de NRM (2010) dat er met de term ‘loverboys’ vaak de werkwijze wordt bedoeld van een veelal jonge mensenhandelaar die met verleidingstechnieken kwetsbare, jonge meisjes zodanig aan zich bindt dat hij ze in de prostitutie voor hem aan het werk kan zetten. De NRM (2010) merkt hierbij op dat slachtoffers niet alleen worden uitgebuit in de seksindustrie, maar dat ze ook bewogen kunnen worden tot andere werkzaamheden zoals het smokkelen van drugs of het aangaan van leningen.

Het KLPD (2008) daarentegen definieert een loverboy als een pooier die zich onderscheidt door de manier waarop hij meisjes overhaalt om voor hem te werken, namelijk door te zorgen dat zij verliefd op hem wordt. Het KLPD (2008) definieert een pooier als degene onder wiens ‘protectie’ een prostituee staat.


Werson en Den Hartog (2011) stellen dat loverboys alleen goed te definiëren zijn als individuen die zich schuldig maken aan gedragingen zoals omschreven in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht. Zanetti en Kanters (2009) hebben in hun studie een definitie opgesteld die werkbaar is gevonden voor politie en justitie. Deze definitie is een invulling van het net genoemde artikel van het Wetboek van Strafrecht en luidt:

Loverboys zijn mensenhandelaren die vrouwen en/of mannen doelbewust emotioneel afhankelijk maken door (de belofte van) het aangaan van een liefdesrelatie en hen vervolgens – via dwang, (dreiging met) geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie van deze vrouwen of mannen – uit te buiten, veelal in de prostitutie.

Deze definitie wordt in dit onderzoek gehanteerd aangezien dit onderzoek, zoals later zal worden uitgelegd, voortbouwt op het onderzoek van Zanetti (2009).


2.2 Slachtoffers van loverboys

2.2.1 De gevolgen van het ingepalmd worden door een loverboy

Loverboys palmen dus jonge meisjes in met als doel hen uiteindelijk in de prostitutie uit te buiten. De emotionele binding en afhankelijkheid die uit de verliefdheid voortkomt, maakt het voor de pooier mogelijk om zijn ‘geliefde’ verregaand te beïnvloeden in het werk dat zij verricht en het geld dat ze afstaat (Bullens & Van Horn, 2000; Bovenkerk et al., 2006; NRM, 2010).


Rood Utrecht (2009) heeft diverse interviews gehouden met slachtoffers van loverboys. Er werd in deze interviews gesproken over diverse manieren van uitbuiting, waaronder: groepsverkrachtingen, (illegale) (raam)prostitutie, financiële uitbuiting, toediening van drugs, drugs smokkelen en/of dealen, werken in privé(clubs), tippelen, met vrienden van de loverboy naar bed of spelen in pornofilms. Bijna alle meiden die geïnterviewd werden, werden gedwongen om in de prostitutie te werken.

Hiernaast laat het onderzoek van Rood Utrecht (2009) ook zien dat sommige slachtoffers geen aangifte doen tegen hun loverboy omdat ze een wraakactie zullen verwachten die gericht kan zijn op henzelf of op de familie. Het kan ook voorkomen dat het slachtoffer bang wordt gemaakt omdat het delict niet te bewijzen is volgens de loverboy. Bovendien is er voor een veroordeling vaak een getuigenis nodig van het slachtoffer, iets wat niet gemakkelijk is om te doen.


Europol (2009; 2011) gaat verder in op de gevolgen voor slachtoffers en zegt dat wanneer een individu slachtoffer is van mensenhandel, dit samengaat met blijvend fysiek en psychologisch misbruik van het slachtoffer. Het trauma geassocieerd met de exploitatie beïnvloedt het individu zelfs nog nadat het slachtoffer uit de exploiterende conditie is verwijderd. Hetzelfde laat Lange (2010) zien, in dit artikel wordt namelijk gesteld dat mensenhandel slachtoffers fysiek, psychologisch en financieel pijnigt. Deze dramatische gevolgen benadrukken het belang om meer inzicht te krijgen in de loverboyproblematiek.


2.2.2 Kenmerken van slachtoffers

Maar wat voor soort mensen worden slachtoffer van loverboys? Zanetti (2010) stelt dat er geen prototype slachtofferprofiel bestaat, maar dat men moet spreken over risicogroepen. Uit dossieronderzoek van Zanetti (2009) kwam naar voren dat slachtoffers tussen de 14 en 22 jaar oud waren en dat veel kenmerken van slachtoffers die via het internet geworven waren, overeenkwamen met kenmerken van slachtoffers die niet via het internet geworven waren. Zo wordt er gesteld dat relatief veel slachtoffers laagopgeleid zijn, vroegtijdig van school zijn gegaan of een (licht) verstandelijke beperking hebben (Zanetti, 2009; Bullens & Van Horn, 2000; Venicz & Vanwesenbeeck, 1998). Bovendien bleek uit het dossieronderzoek dat alle meisjes die via het internet geworven zijn een probleemjeugd/problematische thuissituatie hebben gekend, waarbij vaak sprake was van seksueel misbruik of grensoverschrijdend seksueel gedrag (Zanetti, 2009).

De Smet en Mahjoub (2008) gaan nog verder op kenmerken van slachtoffers in en stellen dat meisjes uit beroeps- en speciaal onderwijs vaker risicogedrag vertonen en dat slachtoffers vaak minder populaire meisjes zijn met veel problemen, ruzies binnen het gezin, echtscheidingen, overlijden van één van de ouders en moeilijkheden op school.


De Graaf en Vanwesenbeeck (2006) concludeerden dat kwetsbare meisjes, meisjes die negatieve gebeurtenissen in de jeugd en seksueel misbruik hebben meegemaakt, meer ongewenste seksuele ervaringen op het internet meemaken. Ze stellen dat de controle van ouders de kans op vervelende ervaringen op het internet verkleint. Hiernaast stellen ze ook dat meisjes met sociale beperkingen vaker op seksuele verzoeken ingaan op het internet om de sociale beperkingen te compenseren en geven ze aan dat dit soort meisjes vaker iets vervelends hebben meegemaakt op dit gebied. Hetzelfde stelt Zanetti (2009): kwetsbare, onzekere meisjes durven via het internet meer.


Bovenkerk et al. (2006) voerden een onderzoek uit waarin zij spraken met loverboys. Hierin werd door de loverboys gesteld dat de meisjes over het algemeen thuis problemen hebben en is dit niet het geval, dan kunnen die problemen wel ‘worden gemaakt’ door de meisjes bijvoorbeeld altijd te laat thuis te brengen.

De loverboys doen er in de gesprekken veel aan om de schuld bij de meisjes zelf neer te leggen en zeggen dat de meeste meisjes die in de prostitutie werken van zichzelf al ‘hoerige types’ zijn. Ze omschrijven ‘hoerige types’ als meisjes die zich op een bepaalde manier gedragen (stoer praten, jointjes roken), die zich op een bepaalde manier kleden (veelal ontbloot lichaam, lage truitjes), die tot laat in de nacht in bars en cafés doorbrengen en die veel wisselende seksuele contacten hebben. Dit kan gelinkt worden aan het onderzoek van Cense en Van Dijk (2010). Zij onderzochten door middel van diepte-interviews met jongeren wat de betekenis is van seksualiteit en van seksueel grensoverschrijdend gedrag voor jongeren. Op basis van inzicht in verschillende betekenissen van seksualiteit stelden ze vijf profielen op voor meisjes en vijf profielen voor jongens. De vijf profielen voor meisjes waren: ‘relatiegerichte meiden’, ‘weerbare meiden’, ‘afwachters’, ‘principiële maagden’ en ‘aandachtzoekende meiden’. De ‘aandachtzoekende meiden’ worden omgeschreven als meiden die seks hebben omdat ze aandacht en liefde zoeken. Ze hebben een negatief lichaamsbeeld, weinig zelfvertrouwen en staan niet sterk in hun schoenen. Ze komen veel in risicosituaties terecht of in situaties waarin ze zich achteraf goedkoop door voelen. De meiden hebben te maken met verkrachtingen, dwang in relaties en met respectloos gedrag van jongens.

De NRM (2010) laat zien dat er rekening gehouden moet worden met de veranderlijkheid van mensenhandelmethoden. De loverboytechniek ligt niet altijd meer op het emotioneel binden van meisjes om hen vervolgens uit te kunnen buiten, daarentegen wordt soms veel sneller en directer gebruik gemaakt van geweld of van chantage. Er wordt gesteld dat dit kan leiden tot andere kenmerken van slachtoffers.


2.3 De komst van het internet

Europol (2007) stelt dat het internet nu door loverboys wordt gebruikt als een middel om meisjes/vrouwen te adverteren en als middel om hun werk in een meer zekere omgeving uit te voeren. Een recenter artikel van Europol (2011) constateert dat het internet nu zelfs een sleutelrol speelt bij het rekruteren van slachtoffers en het aanbieden van hun diensten.

Meintser (2011) stelt ook dat de ‘markt’, met de komst van het internet, enorm is uitgebreid. Mensenhandel is van alle tijden, maar het gebeurt nu geraffineerder. Pooierschap is ook van alle tijden, maar het aantal pooiers is nu vele malen groter dan voorheen en het geweld dat ze gebruiken is harder. Bovendien suggereert Meintser (2011) dat het makkelijker is om te manipuleren via ‘tekst’ (bijvoorbeeld in online gesprekken) dan fysiek (bijvoorbeeld bij een ontmoeting).

Verhoeven, Van Gestel en De Jong (2011) stellen dat het internet een ‘ontmoetingsplek’ is voor verdachten en slachtoffers. De onderzoekers stellen dat in de door hen bestudeerde opsporingsonderzoeken het internet een expliciete rol speelt bij het leggen van nieuwe contacten met vrouwen.


Onderzoek van Zanetti (2009) laat ook zien dat loverboys hun werkterrein hebben verlegd naar het internet. Via het internet gaat het zoeken naar slachtoffers alleen nog maar makkelijker: door middel van chatten of profielinformatie is sneller te doorgronden of een meisje licht verstandelijk beperkt is of niet en of zij problemen thuis heeft. In het proces dat dader en slachtoffer doorlopen via het internet maakt Zanetti (2009) onderscheid tussen:

oGrooming: het vinden en inpalmen van het slachtoffer.

oInlijving: zowel via fysiek contact als het internet dreigt de loverboy met het plaatsen van gevoelige informatie, zoals filmpjes en foto’s die verkregen zijn in chat- en webcamsessies met het slachtoffer. De loverboy kan de ‘liefdesrelatie’ ook uitbuiten door aan te dringen op het geven van geld of iets dergelijks.

oExploitatie: het laten prostitueren van het meisje. De loverboy kan het slachtoffer bijvoorbeeld ‘adverteren’ op allerlei websites.


Dit onderzoek zal zich bezig houden met aspecten uit de eerste fase van het proces: grooming. Zanetti (2009) stelt dat grooming via het internet weer plaatsvindt aan de hand van vijf stappen:

1. De loverboy moet een profiel aanmaken op een sociale netwerksite. Zanetti (2009) noemt in haar onderzoek de volgende ronselsites waarop loverboys actief zijn: Hyves, Sugababes/Superdudes, PartyPeeps2000, Partyflock, Netlog, en Chatnu.

2. De loverboy zoekt naar potentiële slachtoffers. Bovenkerk et al. (2006) laten in hun onderzoek zien dat er twee soorten manieren zijn van slachtofferwerving: actief en passief. Actieve werving houdt in dat loverboys actief op zoek gaan naar kwetsbare meisjes waarbij er bij aanvang geprobeerd wordt in te schatten hoe ontvankelijk en gevoelig de meisjes zijn voor aandacht en vleierij. Als de pogingen op niks uit dreigen te lopen, wordt de aandacht meteen verlegd naar een ander slachtoffer. De tweede manier van slachtofferwerving die Bovenkerk et al. (2006) noemen, is passief. De jongens zeggen dat de loverboys in de stad waar ze wonen een zodanige levensstijl hebben dat het wel bekend moet zijn waar zij zich mee bezig houden en dat er meisjes zijn die zich hier tot aangetrokken voelen en er alles aandoen om bij hen in gunst te komen.

3. Het selecteren van het slachtoffer. Zanetti (2009) stelt dat selectie van slachtoffers plaatsvindt op basis van informatie uit beschikbare profielen van meisjes. Verwacht wordt dat de wijze waarop het meisje is afgebeeld op profielfoto’s, het aantal en het geslacht van de contacten, de achtergelaten berichten en het al dan niet afschermen van privézaken van belang zullen zijn.

4. Het geselecteerde slachtoffer(s) benaderen. Dit kan op twee manieren: direct of indirect (Zanetti, 2009). Directe benadering is meteen vragen of het meisje geld wil verdienen. Indirecte benadering is het meer voorzichtig te werk gaan door eerst de nieuwsgierigheid en aandacht van het slachtoffer te trekken; bijvoorbeeld door een positieve reactie te geven op de profielfoto van het slachtoffer.

5. Inpalmen van het meisje. Dit proces verloopt meestal via MSN. Bovenkerk et al. (2006) stellen dat een veelgebruikte techniek van de loverboy het verliefd laten worden van het slachtoffer is. De loverboys proberen aardig en begripvol te zijn en het meisje het gevoel te geven dat hij alles voor haar over heeft. Het meisje wordt dus door middel van verleiding verliefd gemaakt op de jongen.


Stap nummer drie in het proces van grooming ‘het selecteren van het slachtoffer’ zal in dit onderzoek centraal staan. Meintser (2011) geeft in zijn onderzoek aan dat de aanpak van loverboys op het moment vooral gericht is op daders en dat er te weinig stilgestaan wordt bij de factoren die mensenhandel faciliteren. Er moet ook oog zijn voor het slachtoffer, zo stelt Meintser (2011). We moeten begrijpen hoe en waarom een overtreder zijn of haar slachtoffers heeft geselecteerd, zodat we beter het ‘soort’ slachtoffer kunnen voorspellen en kunnen helpen potentiële slachtoffers te beschermen (Casey, 2011, p. 8). Hiernaast stelt Zanetti (2009) dat een goed beeld van de van belang zijnde profielkenmerken van slachtoffers nog niet beschikbaar is. Dit onderzoek zal daarom voortbouwen op het onderzoek van Zanetti (2009). Er spelen in dit onderzoek drie onderzoeksvragen een rol:

1. Welke websites of sociale media worden er gebruikt bij het selecteren van slachtoffers (‘groomingfase’) door digitale loverboys?

2. Wat zijn de kenmerken van de profielen van slachtoffers van digitale loverboys op websites?

3. Wat zijn de resultaten van en ervaringen met de pilot ‘Loverboys 2.0’?


Naar aanleiding van het onderzoek van Zanetti (2009) wordt er dus verondersteld dat er bepaalde kenmerken zijn op de profielen van slachtoffers van digitale loverboys zoals: de wijze van afbeelding, het aantal sociale contacten, geslacht van de contacten, de achtergelaten berichten en het wel of niet afschermen van privézaken.

Ook het onderzoek van Jayawardena en Broadhurst (2007), die een onderzoek uitvoerden naar de online exploitatie van minderjarigen, laat belangrijke informatie zien. Zij kwamen tot de conclusie dat ondanks dat sommige minderjarigen waarschijnlijk meer kwetsbaar zijn om slachtoffer te worden voor seksuele exploitatie, alle minderjarigen een risico lopen om slachtoffer te worden als zij een afbeelding hebben of details posten op hun profiel op sociale media websites. Door het posten van details (zoals e-mailadressen) lopen de minderjarigen namelijk het risico op meer contacten, waaronder contact met ‘roofdieren’.


Er zijn natuurlijk meerdere soorten criminaliteit die zich hebben verplaatst naar het internet en waarbij slachtoffers ook geselecteerd worden door middel van hun profiel op een sociale media site, een voorbeeld hiervan zijn pedofielen. Zo laat Casey (2011) zien hoe kinderslachtoffers in contact zijn gekomen met volwassen, seksuele overtreders en hierbij werden onder andere de volgende manieren genoemd: het geven van feitelijke informatie in het online profiel en het geven van een naam, afbeelding, thuisadres en telefoonnummer op de webpagina.

Een ander voorbeeld is het boek van Dean (2007) waarin duidelijk beschreven wordt hoe een fictief 13-jarig meisje door een pedofiel geselecteerd wordt aan de hand van haar profielafbeelding op een sociale media website. De auteur van het boek doet zich voor als een 13-jarige meisje. Hierbij gebruikte de auteur een afbeelding waarop een meisje zich ouder probeerde voor te doen en er sexy/uitdagend uitzag. Het meisje op de foto droeg veel make-up, had een provocatieve blik en droeg weinig kleding. In dit boek wordt dus verondersteld dat slachtoffers geselecteerd worden aan de hand van hun profielafbeelding.

Hoewel net genoemde onderzoeken gaan over een ander soort criminaliteit, namelijk pedofilie, is het wel mogelijk dat loverboys ook op deze manier hun slachtoffers selecteren.


Kortom, aan de hand van de net genoemde onderzoeken met betrekking tot loverboys en online exploitatie van minderjarigen (Zanetti, 2009; Jayawardena & Broadhurst, 2007) kan er gesuggereerd worden dat er bepaalde profielkenmerken zijn waardoor individuen slachtoffer worden van loverboys.


Doel van dit onderzoek is een inventarisatie maken van de praktijkkennis, op het gebied van de politie, zodat er een beter beeld komt van de profielkenmerken van (potentiële) slachtoffers van loverboys. Als hier een beter beeld van beschikbaar is, kunnen er wellicht preventieve maatregelen genomen worden voor potentiële slachtoffers van loverboys zoals bijvoorbeeld voorlichting over digitale loverboys zodat potentiële slachtoffers meer op hun hoede zijn op het internet.

3. Methoden

3.1 Respondenten en procedure

In 2010 is er in de politieregio Rotterdam-Rijnmond de pilot ‘Loverboys 2.0’ van start gegaan. De pilot heeft gelopen tot 1 april 2012 en was gericht op hoe loverboys hedendaags hun slachtoffers in de val lokken, namelijk via het internet. De ervaringen tot nu toe zijn dat de keuze van het woord ‘loverboy’ ervoor zorgt dat contact met het publiek laagdrempelig wordt: de politie krijgt nu veel meldingen over loverboys (Werson & Den Hartog, 2011). De politie in Rotterdam-Rijnmond houdt zich, als enige korps in Nederland, bezig met digitale loverboys en daarom is er contact opgenomen met dit politiekorps. Uiteindelijk zijn er interviews gehouden met tien rechercheurs die betrokken zijn geweest bij de pilot ‘Loverboys 2.0’ in Rotterdam-Rijnmond.


3.2 Materialen

Zoals eerder al werd benoemd, kan er aan de hand van verschillende onderzoeken (Zanetti, 2009; Jayawardena & Broadhurst, 2007) gesuggereerd worden dat er bepaalde profielkenmerken zijn waardoor individuen slachtoffer worden van loverboys. Er is echter nog geen verslaglegging aanwezig van een direct onderzoek naar de mogelijke profielkenmerken op diverse websites van (potentiële) slachtoffers van loverboys. Omdat er nog geen eerder onderzoek naar gedaan is, is er gekozen voor kwalitatief onderzoek, interviews, zodat er zoveel mogelijk kennis vergaard kon worden. Van te voren waren er enkele interviewvragen opgesteld en was er een checklist gemaakt om ervoor te zorgen dat de onderwerpen die van belang waren om de onderzoeksvragen te beantwoorden sowieso aan bod zouden komen. Allereerst werd er aan de respondent gevraagd wat de betrokkenheid was in de pilot, zodat er een meer algemeen beeld van de persoon en diens rol verkregen kon worden. Vervolgens werd er aan de respondent gevraagd welke websites heden ten dage een rol spelen bij de slachtofferselectie door loverboys en of er bepaalde kenmerken zijn op de profielen van de slachtoffers van loverboys. Om nog dieper in te gaan op de kenmerken op de profielen van slachtoffers van loverboys, zijn er aan twee rechercheurs nog twee extra vragen gesteld. Deze twee rechercheurs hielden zich specifiek bezig met loverboys op het internet en hadden lokprofielen aangemaakt op basis van eigen ervaring. Er werd dus aan hen gevraagd hoe deze lokprofielen eruit zagen en wat de ervaringen hiermee waren.

Naast de net genoemde vragen, die eigenlijk al zorgen voor het beantwoorden van de eerste twee onderzoeksvragen, zijn er ook nog enkele andere vragen opgesteld om extra informatie te verkrijgen. Drie vragen werden opgesteld aan de hand van eerdere onderzoeken, namelijk Cense en Van Dijk (2010), De Smet en Mahjoub (2008) en Zanetti (2009), om te kijken of de slachtofferkenmerken die genoemd worden in deze onderzoeken ook naar voren komen in de profielen van slachtoffers van loverboys op websites.

Ten slotte werden er nog twee, afsluitende, vragen aan de respondent gesteld om beantwoording van de derde onderzoeksvraag te krijgen: erachter komen wat de ervaringen zijn met de pilot en wat de belangrijkste resultaten zijn die naar voren zijn gekomen tijdens de pilot.


Er moet wel opgemerkt worden dat het interviewschema dat van tevoren gemaakt is, niet bij elke respondent op dezelfde manier is doorlopen. Aangezien de resultaten in dit onderzoek door middel van interviews zijn verzameld en het doel was om zoveel mogelijk kennis te verkrijgen van de respondenten, zijn de respondenten zelf zoveel mogelijk aan het woord gelaten. De vragen in het interviewschema werden alleen gesteld als de respondent hierover zelf nog niks had verteld, of er werd doorgevraagd als de respondent zelf over het onderwerp begon.


3.3 Analyse

Boyce en Neale (2006) laten zien dat het analyseren van data van interviews op twee manieren gedaan wordt, namelijk door 1) de data te transcriberen en te herzien en 2) alle interviewdata te analyseren. Deze twee manieren zijn ook gebruikt in dit onderzoek. Nadat de interviews afgenomen waren, zijn de interviews beluisterd en vervolgens zo goed mogelijk letterlijk uitgetypt. Alle interviewdata is geanalyseerd door stuk voor stuk de interviews te lezen en de data te plaatsen in categorieën. De volgende categorieën zijn gemaakt: 1) Websites/sociale media, 2) Profielen van slachtoffers en 3) Resultaten van en ervaringen met de pilot. De tweede categorie bevat nog één subcategorie: ‘Eerdere onderzoeken met betrekking tot profielen van slachtoffers’. In de resultatensectie staan per categorie/subcategorie de antwoorden in tabelvorm samengevat. Bovendien worden er in de resultatensectie citaten weergeven om de desbetreffende items in de categorieën toe te lichten.

Hierbij moet opgemerkt worden dat de citaten in de resultaten zijn ‘opgeschoond’. Enkele resultaten waren moeilijk leesbaar door bijvoorbeeld een verkeerde woordvolgorde of een moeilijk lopende zin. Deze citaten zijn herschreven zodat de resultaten makkelijker door te lezen zijn. Deze ‘opgeschoonde’ citaten zijn te herkennen door een verwijzing naar de oorspronkelijke citaten in bijlage 3.


4. Resultaten

4.1 Websites/sociale media

De eerste onderzoeksvraag luidde: ‘Welke websites of sociale media worden er gebruikt bij het selecteren van slachtoffers (‘groomingfase’) door digitale loverboys?’. In Tabel 1 zijn de resultaten weergeven van de websites die genoemd zijn tijdens de interviews.


De websites die door minstens de helft van de respondenten genoemd worden zijn: Hyves, Facebook en Tagged. Hyves wordt vooral veel genoemd in de interviews (zeven van de tien respondenten benoemden deze website). ‘Hyves werd heel veel gebruikt en volgens mij wordt Hyves nog steeds heel veel gebruikt door echt jonge mensen, tot een jaar of 18, dat is nog wel een website die absoluut nog heel belangrijk is’, aldus een respondent.

Facebook wordt ook door zeven van de tien respondenten benoemd als een websites waar het groomen van (potentiële) slachtoffers van loverboys plaatsvindt. Een respondent vertelt hierover: ‘(…) Facebook is wel heel groot (…) Het kan haast niet dat er niks op Facebook gebeurt’. Ondanks dat Facebook veel door de respondenten wordt genoemd, stelt één respondent dat het groomen van (potentiële) slachtoffers wel gebeurt op Facebook, maar vraagt zich af of dit daadwerkelijk zoveel is: ‘Facebook veel minder vind ik in die doelgroep, dat komt bijna niet voor eigenlijk, is een wat meer volwassen iets’.

Tagged wordt door de helft van de respondenten (vijf van de tien) genoemd als een website waar het groomen van (potentiële) slachtoffers plaatsvindt. Een respondent zegt over deze website: ‘Is een soort Amerikaanse Hyves maar dan gericht op het leggen van seksuele contacten heb ik het gevoel’. Even later voegt dezelfde respondent eraan toe: ‘Als je dochters hebt, dan moet je niet hopen dat ze daarop zitten’.


In de interviews vertelt één respondent dat de soorten websites die een rol spelen bij de grooming van (potentiële) slachtoffers van loverboys veranderlijk zijn en snel verschuiven: ‘Dat is wel heel erg veranderd hoor… Het gaat wel heel erg snel’. Hiernaast wordt door de helft van de respondenten erop gewezen/gesuggereerd dat er eigenlijk heel veel websites zijn die een rol spelen en dat eigenlijk alle soorten websites waarop een individu een profiel kan aanmaken van belang zijn bij de slachtofferselectie van loverboys. Enkele kenmerkende uitspraken hierbij zijn: ‘Te veel om op te noemen eigenlijk’ en ‘Ik denk dat alle sociale netwerk sites benoemd kunnen worden, de één heeft een veel groter bereik dan de ander maar ze komen allemaal in aanmerking’. Deze reacties, tezamen met de eerder genoemde opmerking dat welke websites een rol spelen heel veranderlijk is, suggereren dat het heel moeilijk, misschien wel onmogelijk, is om vast te stellen welke websites door loverboys gebruikt worden om slachtoffers te vinden.


Ten slotte vermeldde meer dan de helft van de respondenten dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden naar het mobiele internet. Mobiel internet refereert naar het gebruik van applicaties of browsers die verbonden zijn met internet om toegang te krijgen tot het internet vanaf een mobiel apparaat, zoals een mobiele telefoon of een tablet die verbonden is met een draadloos netwerk (Tang, Xiao, Zhao & Xing, 2012). Tang et al. (2012) stellen bovendien dat met de snelle stijging van het aantal mensen dat een mobiele telefoon gebruikt, toegang tot het internet via mobiele apparaten steeds meer een nieuwe norm wordt in termen van netwerkactiviteiten en het alledaagse leven van mensen. Dit zorgt voor een steeds groter gebruik van het mobiele internet.

Een hedendaags populair mobiel apparaat is de BlackBerry (Reynolds, Gillette, Marder, Miles, Vodenski, Weintraub, Birnholtz & Hancock, 2011). De BlackBerry heeft één functie, die andere mobiele apparaten niet hebben: BlackBerry Messenger (BBM). BBM vereist dat gebruikers persoonlijke identificatie nummers (PIN’s) met elkaar uitwisselen voordat ze gesprekken kunnen uitwisselen (Reynolds et al., 2011). Dat eerst de PIN moet worden uitgewisseld, zorgt voor een extra barrière voor communicatie in BBM vergeleken met de traditionele SMS waar alleen telefoonnummers uitgewisseld hoeven te worden. Dit is echter zo ontwikkeld om ervoor te zorgen dat gebruikers beschermd worden van ongewilde gesprekken met onbekende contacten (Reynolds et al., 2011). Het onderzoek van Reynolds et al. (2011) laat echter zien dat de sociale contacten in BBM relationeel hechter zijn en meer vrienden bevatten, maar minder familie en kennissen bevatten vergeleken met SMS-contacten. Hiernaast laat het onderzoek ook zien dat er meer misleiding te zien is in BBM: meer leugens worden verteld in BBM vergeleken met de sms.

Tijdens de interviews hebben zes van de tien respondenten het over de communicatie via mobiel internet. Elke respondent hiervan heeft het over de Ping (BlackBerry Messenger) en twee hiervan over WhatsApp. ‘Toen ik begon toen was WhatsApp en Ping nog niet zo groot als dat het nu is. Vooral WhatsApp is echt heel groot geworden volgens mij’, aldus een respondent. Een andere respondent vertelt: ‘De Ping- en WhatsApp-contacten, het is vaak voor de slachtoffers en daders hét begin, het hele groomingproces zit daar juist in. Leuk pingen, leuke teksten, je hoeft geen foto’s te laten zien; lekker anoniem’.

WhatsApp Messenger is een app (een klein programma) voor mobiele telefoons die toestaat dat je berichten kunt uitwisselen met elkaar zonder dat je hiervoor hoeft te betalen. Het is beschikbaar voor de iPhone, BlackBerry, Android, Windows telefoons en Nokia. Als een telefoon deze app bezit, kan er met andere mensen die ook deze app hebben gecommuniceerd worden zonder dat hier kosten aan verbonden zijn. De contacten worden hierbij niet door middel van een persoonlijk identificatie nummer verkregen, maar simpelweg door het telefoonnummer.

Kortom, er kan geconcludeerd worden dat mobiel internet erg belangrijk is geworden bij het groomen van (potentiele) slachtoffers door loverboys. In de volgende resultatensectie zal dit nog verder worden besproken.

Tabel 1

Soorten websites die genoemd zijn tijdens de interviews (n=10)

Websites

Aantal respondenten

Hyves

7

Facebook

7

Tagged

5

Chatroom / MSN

4

PartyPeeps2000

4

Habbo-hotel

4

Twitter

3

Sugababes/Superdudes

2

Partyflock

2

CU2

1

Kinky

1

Sextubes

1
















4.2 Profielen van slachtoffers

De tweede onderzoeksvraag luidde: ‘Wat zijn de kenmerken van de profielen van slachtoffers van digitale loverboys op websites?’. In Tabel 2 zijn de resultaten weergeven van de kenmerken van de profielen van (potentiële) slachtoffers die genoemd zijn tijdens de interviews. Belangrijk om op te letten is dat het aantal respondenten met betrekking tot deze onderzoeksvraag acht betreft in plaats van de geïnterviewde tien respondenten. Twee respondenten gaven namelijk aan hier geen kennis over te hebben dus deze zijn bij beantwoording van deze onderzoeksvraag buiten beeld gebleven.


Uit de interviews komt met name naar voren dat het hebben van een afbeelding en hoe men hierop afgebeeld staat, van belang is bij de slachtofferselectie van loverboys (genoemd door zeven van de acht respondenten). In de interviews komt naar voren dat het hierbij gaat om uitdagende afbeeldingen: ‘Wij hebben wel gezien dat als je je als meisje profileert op internet, dat je dan een uitdagende pose aan moet nemen’, aldus een respondent. Andere kenmerkende opmerkingen zijn: ‘Je ziet nu heel vaak jonge meisjes met heel veel bloot en uitdagende foto’s’ en ‘(…) een beetje seksueel getinte foto’s’.

Dat hoe men op een profielafbeelding staat van belang is, komt nog eens extra naar voren wanneer er met een respondent gesproken wordt over de lokprofielen. Bij het korps waar de interviews zijn afgenomen, zijn er namelijk lokprofielen aangemaakt: fictieve profielen op diverse websites in de hoop hiermee loverboys te kunnen lokken. Eén lokprofiel was aangemaakt op Hyves waarbij de respondent een foto had geplaatst van een paard omdat het een te lastige opgave was om een echte foto te plaatsen want de vraag was dan van wie die foto moest zijn. Een ander lokprofiel was aangemaakt op Tagged, waar wel een daadwerkelijke foto van een meisje stond, maar dan zo bewerkt dat het niet te achterhalen was wie dit in werkelijkheid zou zijn. De respondent vertelt hierover: ‘Maar je ziet dat je dan andere soorten reacties krijgt als je een foto hebt van een paard of van een best wel mooi meisje. Op het profiel van het meisje met het paard als afbeelding krijg je reacties zoals: ‘Hoe gaat het met jou? Nog leuke plannen dit weekend?’. (…) Op het profiel van het meisje waar een echte foto op staat als afbeelding zie je dat het gelijk meer over het uiterlijk gaat, bijvoorbeeld dat ik mooie benen heb’.


Uit de interviews komt ook naar voren dat het belangrijk is dat informatie/details op het profiel beschikbaar zijn. Zes van de acht respondenten merken namelijk op dat de contactgegevens die beschikbaar zijn op het profiel van het slachtoffer van belang is bij de slachtofferselectie van digitale loverboys. Hiervan stellen vijf respondenten dat een meisje meer risico loopt als de BlackBerry PIN gekoppeld is aan de naam, een vorm van details posten; de BlackBerry PIN is zichtbaar. Eigenlijk hoeft hiervoor het hele profiel van het meisje niet bekeken te worden, maar kan het meisje al meteen toegevoegd worden op BlackBerry Messenger. Dit is precies wat het korps in Rotterdam-Rijnmond heeft gedaan bij het lokprofiel op Tagged: een PIN vermelden bij de naam van de fictieve persoon. Dit was daadwerkelijk een bestaande PIN. Een respondent vertelt hierover: ‘We hebben de BlackBerry PIN eraan gekoppeld, dan zie je dat het een stuk sneller gaat. Je wordt toegevoegd op het profiel en gelijk ook op de Ping. Dan zie je een soort versnelling met contact zoals ‘Wat ben je vanmiddag aan het doen? Ben je vrij van school? Zal ik je ophalen? Zullen we wat gaan drinken in de stad?’’.

Als de contactgegevens niet in de naam staan, zoals net werd genoemd, dan staan de contactgegevens tussen het profiel zelf. Om deze contactgegevens te kunnen zien, is het een voorwaarde dat de persoon zijn profiel niet afschermt voor buitenstaanders. Twee van de acht respondenten hadden het hierover. Een respondent vertelt: ‘(…) maar het is ook wel van belang of een meisje haar profiel helemaal opengooit of beveiligt. Dan weet je wel of ze openstaat voor nieuwe contacten, of juist helemaal niet’.


Ook andere informatie die op het profiel van het slachtoffer staat kan van belang zijn bij de slachtofferselectie door loverboys. Zo stellen vier van de acht respondenten dat er ook gekeken wordt naar de hobby’s/voorkeuren die de (potentiële) slachtoffers op hun profiel vermelden. ‘Er staan natuurlijk ook je hobby’s, of je van merkkleding houdt (…)’, aldus een respondent. Een andere respondent vertelt: ‘Wat ik ook héél kenmerkend vind, is dat slachtoffers in hun profiel vaak associaties opnemen zoals ‘ik hou van…’ of hun hobby’s of voorkeuren. Ik noem het altijd een beetje de MTV-sfeer waar gangsterrap, hiphop en dure merken vermeld worden’. Dit soort informatie op de profielen van potentiële slachtoffers, kunnen loverboys in hun voordeel gebruiken op twee manieren: a) door uit de informatie op het profiel te kunnen associëren dat ze elkaar zogenaamd ergens van kennen om zo in contact te komen. Een voorbeeldopmerking hierover van een respondent: ‘Meisjes van 14 krijgen veel verzoeken van vreemde mannen en dan zeggen ze: ‘Daar doe ik niks mee, dat verwijder ik’, totdat diegene een berichtje stuurt en hierin aangeeft dat er een link is. Bijvoorbeeld: ‘Ik zie dat je op (…) hockeyclub zit, daar heb ik ook op gezeten’. En dan hebben de meisjes al een gevoel dat het toch wel goed is’. De andere manier b) is dat die informatie gebruikt kan worden om het potentiële slachtoffer in te palmen. Een voorbeeldopmerking hierover van een respondent: ‘Kun je uit het profiel opmaken of er een vorm van materialisme is? Is merkkleding bijvoorbeeld belangrijk of mooie auto’s of sierraden. Dat kan een loverboy triggeren. Als een meisje het belangrijk vindt om bijvoorbeeld Prada-schoenen te hebben, kan dat een belangrijk punt worden voor een loverboy’.


Wat ook wordt genoemd is dat de leeftijd belangrijk is voor (potentiële) slachtoffers van loverboys. Het gaat dan vaak om de combinatie van naam met leeftijd. Bijvoorbeeld Marieke14, hierbij wordt er gesuggereerd dat 14 een indicatie is voor de leeftijd. Dit is echter meer een kenmerk bij chatrooms, waar er over het algemeen niet een profiel hoeft te worden aangemaakt, maar men slechts een naam hoeft op te geven.


Een vijfde kenmerk van een profiel van een (potentieel) slachtoffer van een loverboy, is het soort vrienden wat ze heeft (benoemen drie van de acht respondenten) en het aantal vrienden wat ze heeft (benoemen twee van de acht respondenten). Wanneer het gaat om het soort vrienden, komt er naar voren dat hoe meer jongens een meisje in haar vriendenlijst heeft staan, des te kwetsbaarder zij is om slachtoffer te worden van een loverboy: ‘Veel jongens is interessant. Zoveel mogelijk, dat is toch een teken dat zo’n meisje geïnteresseerd is in mannelijke aandacht’. Wanneer het gaat om het aantal vrienden, komt er naar voren dat hoe meer contacten een meisjes in haar vriendenlijst heeft staan, des te kwetsbaarder zij is om slachtoffer te worden van een loverboy: ‘Maar die meisjes die hadden heel veel vrienden en voor hen was het goed genoeg om te weten dat er ergens een soort van link zou kunnen zijn’ of ‘Als dat 500 types zijn die je niet als buurman/buurjongen zou willen hebben, dan is er alweer een link dat het meisje misschien wel genegen is om zo mensen toe te voegen. Als je maar 40 vrienden hebt en dat zijn allemaal volwassenen mensen, zoals je tante of mensen van school, dan is de sociale controle groter in je vriendenlijst en denk ik dat er wat minder kans is om te scoren’.


Een zesde kenmerk, door drie van de acht respondenten genoemd, zijn de soorten berichten die er op het profiel van het (potentiële) slachtoffer staan. Dit kunnen zowel achtergelaten berichten als zelf geplaatste berichten zijn. Een respondent vertelt hierover: ‘Je kan er heel veel uithalen aan informatie over een meisje, bijvoorbeeld een meisje die zegt dat ze laveloos in een café tot 5 uur ’s nachts tegen de bar heeft gehangen of een meisje die zegt dat ze morgen nog een toets moet leren voor school’.


Ten slotte is het belangrijk om op te merken dat twee van de acht rechercheurs het erover hadden dat loverboys berichten sturen naar heel veel meisjes en dat het slechts een kwestie is welke meisjes hierop reageren en hoe ze reageren, ook wel ‘phishing’ genoemd. De ene respondent vertelt hierover: ‘(…) gewoon op zoek gaan naar een leuk meisje en haar aanspreken. Dit doen ze 100 keer op een dag en dan zijn er misschien 90 meisjes die denken: ‘Griezel, rot op!’ en er zijn er een paar die denken: ‘Interessant’ en die gaan een gesprek beginnen. (…) Als je dat 500 keer doet op een dag, is er vanzelf iemand die wat terug stuurt’. De andere respondent vertelt hierover: ‘Die jongens surfen het internet af en zijn op zoek naar leuke meiden. (…) Dan begin ik meiden te benaderen. Het ligt denk ik aan de reactie van jou, wat mijn vervolgstappen zullen zijn. (…) Kijk het is net als vissen, als je 40 keer je hengeltje uitgooit, heb je kans dat je twee keer wat vangt’.


Tabel 2

Kenmerken van de profielen van (potentiële) slachtoffers (n=8)

Kenmerken

Aantal respondenten

Afbeelding/foto(‘s)

7

Contactgegevens

-Ping bij de naam

6

5

Hobby’s/voorkeuren

-Dure merken

4

3

Leeftijd (al dan niet gekoppeld aan de naam)

5

Achtergelaten/geschreven berichten

3

Vriendensoort

3

Vriendenaantal

2

Niet-afgeschermd profiel

2

Lid van andere profielen

1

Aansprekende, makkelijke naam

1

Woonplaats

1
















4.2.1 Eerdere onderzoeken met betrekking tot profielen van slachtoffers

Bij de methoden werd al uitgelegd dat er in de interviews enkele onderzoeken voorgelegd waren aan de respondenten met de vraag of zij de slachtofferkenmerken die hierin werden benoemd kenmerkend vonden voor de profielen van slachtoffers op websites. Een overzicht is te vinden in tabel 3.

Het eerste onderzoek dat werd voorgelegd was van Cense en Van Dijk (2010): ‘Aandachtzoekende meiden die kunnen omschreven worden als meiden die seks hebben omdat ze aandacht en liefde zoeken. Ze hebben een negatief lichaamsbeeld, weinig zelfvertrouwen en staan niet sterk in hun schoenen. Deze meiden komen veel in risicosituaties terecht en krijgen te maken met verkrachtingen, dwang in relatie en met respectloos gedrag van jongens’. Alle tien de respondenten vonden dat deze omschrijving van toepassing is op slachtoffers van loverboys, maar slechts twee van de respondenten vonden dat dit ook daadwerkelijk terug te zien is in het profiel van slachtoffers op websites: ‘Het is zeker zo dat meisjes met hun profiel al uiting zoeken naar hun mogelijke zoektocht naar aandacht. Die meisjes zijn niet gek denk ik, zij weten ook wel hoe ze op een foto staan en wat voor reacties dat gaat opleveren’. Deze respondent stelt dus dat een meisje met haar afbeelding uitstraalt of ze wel of niet op zoek is naar aandacht. De andere respondenten waren het niet eens dat dit op het profiel te zien is, een voorbeeld: ‘Ja, dat kun je aan de buitenkant natuurlijk niet zien of dat zo is. Dat zie je pas als er wat meer contact is ontstaan, of de meiden toegeeflijk zijn en dergelijke’.


Het tweede onderzoek dat werd voorgelegd was van De Smet en Mahjoub (2008): ‘Slachtoffers zijn vaak minder populaire meisjes met veel problemen, ruzies binnen het gezin, echtscheidingen, overlijden van één van de ouders en moeilijkheden op school’. Hier zeiden acht van de tien respondenten dat deze omschrijving van toepassing is op slachtoffers van loverboys, maar geen één hiervan stelt dat dit op te merken is uit de profielen van slachtoffers op websites. Een respondent vertelde: ‘Wat ik wel gezien heb in die twee jaar, is dat het heel vaak meiden zijn die al in een probleemgebied zitten: problemen thuis, gebroken gezinssituatie, bij de hulpverlening zitten of zelfs in een jeugdinrichting. Dat valt me wel heel erg op’. Een andere respondent: ‘Ze hebben naar mijn ervaring allemaal wel een probleem. Psychisch ook wel, ze hebben allemaal een achtergrond dat het allemaal niet klopt en dat het thuis ook allemaal niet goed is, weglopen en dat soort dingen’.


Het derde onderzoek dat werd voorgelegd was van Zanetti (2009): ‘Meisjes met een (licht) verstandelijke beperking hebben een groter risico om slachtoffer te worden van loverboys’. Hiervan zeiden acht van de tien respondenten dat dit kenmerkend is voor slachtoffers van loverboys, maar wederom geen enkele respondent die zei dat dit op te maken was uit het profiel van een slachtoffer op een website. Eén respondent zei: ‘Ja, dan raak je natuurlijk een thema… Dat is wel echt een kenmerk, laten we zeggen dat 90% van de slachtoffers daarmee te kampen heeft. Een laag IQ of een persoonlijkheidsstoornis of om een andere reden afhankelijk van de hulpverlening’.


Er moet echter wel opgemerkt worden dat acht van de tien respondenten erbij vertelden dat een slachtoffer niet altijd de kenmerken heeft die naar voren komen in de onderzoeken. Het zijn risicofactoren en een individu heeft met deze factoren vaak meer kans om slachtoffer te worden van een loverboy, maar dit hoeft niet per se. Zo zegt een respondent: ‘We zien ook slachtoffers uit hele normale gezinnen waarvan je op het oog denkt van ‘Waarom jij?’’.

Hiernaast moet er rekening mee gehouden worden dat niet alle factoren een rol hoeven te spelen, zo stelt een respondent: ‘We hebben nu toevallig een onderzoek met een meisje die op het VWO zat, gewoon goed bezig en een Nederlandse meid, en daarmee is het mis gegaan. Maar dat heeft misschien met haar gezinssituatie te maken’. En ten slotte nog een laatste respondent die vertelt: ‘Dat nuanceert dat beeld eigenlijk, ze zeggen vaak dat is een aandachtzoekend meisje en zielig en VMBO. Het is in het verleden nog wel eens naar voren gekomen: ‘Nou, het zijn allemaal VMBO-meisjes’. Maar dat is niet zo, er zijn ook enorme uitschieters naar boven en naar beneden’.


Ten slotte stellen/suggereren vijf van de tien respondenten nog dat er te weinig controle vanuit de omgeving plaatsvindt van de slachtoffers. ‘(…) voorzien worden van een computer op de kamer en een BlackBerry met een onbeperkt abonnement.’ Een respondent vertelt: ‘Die meiden (…) krijgen niet echt sturing. (…) Het hoeven niet eens de ouders te zijn, het kan ook een zus zijn of een broer, iemand die daar een beetje de controle over houdt van ‘Meid waar ben je mee bezig?’’.




Tabel 3

Voorleggen van eerdere onderzoeken (n=10)

Opmerkingen

Aantal respondenten

Slachtoffers zijn aandachtzoekende meiden

10

Slachtoffers zijn aandachtzoekende meiden en dit is terug te vinden in hun profiel op een website

2

Slachtoffers komen uit een problematisch situatie

8

Slachtoffers hebben vaak een (licht) verstandelijke beperking

8

Er vindt te weinig controle plaats vanuit de omgeving

5

Er kunnen risico’s/kenmerken zijn, maar dit hoeft niet het geval te zijn

8





4.3 Resultaten van en ervaringen met de pilot

De derde onderzoeksvraag luidde: ‘Wat zijn de resultaten van en ervaringen met de pilot ‘Loverboys 2.0’? Een overzicht van de resultaten is te vinden in tabel 4.


Uit de interviews kwam naar voren dat de pilot is gestart naar aanleiding van het onderzoek van Zanetti (2009). Doel van de pilot bij het korps Rotterdam-Rijnmond was om aan de voorkant te komen van loverboyproblematiek. Negen van de tien respondenten geven aan dat dit moeilijk, al dan niet onmogelijk is: ‘Er is geen loverboy die op het internet zegt: ‘Ik ben een loverboy, ik wil heel lief tegen je gaan doen en vervolgens ga ik je in de prostitutie brengen en laat ik je drugs voor mij transporteren’. Dus het is heel moeilijk om van tevoren zicht te krijgen’. Dezelfde respondent stelt dat dit ook te maken heeft met het bewijs wat verkregen moet worden voor een veroordeling: ‘Want je bent pas een dader, je wordt pas veroordeeld, als je iemand hebt uitgebuit op één of andere manier’. Er is in het korps nagedacht over het inzetten van bijvoorbeeld een collega, maar dit is onethisch aangezien deze collega dan eerst uitgebuit zou moeten worden door de loverboy, voordat de loverboy kan worden veroordeeld. Een andere opmerking is: ‘En het monitoren van het internet, er wordt heel makkelijk gezegd van ‘we gaan even kijken hoe dé loverboy zich beweegt op het internet’, dat is onmogelijk’.

Wat opvallend is, is dat de pilot wel andere resultaten heeft geboekt, namelijk resultaten met betrekking tot pedofielen. ‘Wat ik wel heel veel heb gemerkt, bij het chatten, is dat ik continue belaagd werd door allemaal mannen, met name bijvoorbeeld Opa61. (…) Volwassen mannen die jonge meisjes aan het versieren zijn voor seksueel contact. Dat zijn geen loverboys, dat zijn gewoon pedoseksuelen op zoek naar jonge meisjes’. Acht van de tien respondenten vertelden dat er met name tegen pedofielen werd aangelopen op het internet tijdens de pilot. Pedofielen zijn makkelijker te veroordelen, in tegenstelling tot loverboys hoeft hierbij geen sprake te zijn van uitbuiting; het is al strafbaar als een meerderjarige bewust seksueel contact zoekt met een minderjarige. Zo stelt een respondent: ‘Want als we nu gaan chatten, dan hebben we vanavond een aanhouding of meer en bij loverboys is de kans heel klein dat dat zo is’. Ondanks dat dit niet het doel was van de pilot, zijn pedoseksuelen die actief zijn op internet ook een kwalijke zaak. Op dinsdag 15 mei jongsleden, besteedde het AVRO-programma ‘Opsporing Verzocht’ nog aandacht aan grooming via het internet door pedofielen om mensen meer bewust te maken voor de gevaren hiervan. Zo kreeg een 13-jarige jongen uiteindelijk Ping-contacten (BlackBerry Messenger) met ene Freek die zich op het internet voordeed als een ‘vriendje’ van jongens tussen de 12-18 jaar. Na een tijd gechat te hebben ontstaat er een vertrouwensband tussen de twee. Na enige tijd vraagt Freek aan de jongen of hij een foto wil laten maken van zijn geslachtsdeel en te mailen via de chat. Als de jongen dit gedaan heeft, wordt hij door Freek gechanteerd als hij geen afspraak met hem wil maken. Tijdens deze afspraak (afspraken) wordt de minderjarige jongen seksueel misbruikt. Kortom, ook dit soort misdaad is erg belangrijk om tegengehouden te worden.


De helft van de respondenten (vijf) vertelden in de interviews dat er van alles gebeurt op het internet. Maar, merkt een respondent op: ‘(…) dat is op zich heel normaal denk ik in deze tijd omdat internet overal grote rollen speelt’. Een andere respondent vertelt hierover: ‘Het is wel verklaarbaar dat door het internet mensen veel sneller met elkaar in contact komen’. Opmerkelijk is echter, dat twee respondenten stellen dat het internet slechts een hulpmiddel is bij de loverboyproblematiek. Zo vertelt een respondent: ‘Het is een middel, het is geen doel op zichzelf. (…) Het internet maakt het makkelijker, maar het is niet de sleutel naar een nieuw soort loverboy’.

Dat het internet een grote rol speelt in het alledaagse leven van mensen, wil niet zeggen dat dit wetgeving hierop toegepast is, iets wat drie respondenten vermelden. ‘De wetgeving is eigenlijk geschreven op de offline wereld, de reële wereld. We hebben wel een cybercrime wetgeving, alleen de toepassing daarvoor, dat wringt nog wel eens’, aldus een respondent. Een andere respondent vermeldt: ‘En ik vraag me af of onze wetgeving daar op dit moment klaar voor is’.


Vijf van de respondenten hebben het over het ontbreken van een definitie over wie loverboys nou eigenlijk zijn en dat dit zorgt voor problemen: ‘Ik denk dat we ten eerste niet goed weten wat een loverboy is, dat iedereen een andere definitie hanteert waardoor de cijfers nooit overeenkomen. Ik registreer bijvoorbeeld iemand wel en een ander niet en dan gaat het al gelijk mis’. Een andere respondent vertelt: ‘Wij monitoren het bedrijfsprocessysteem binnen Rotterdam-Rijnmond op de term ‘loverboy’ en dan krijg je mutaties van collega’s, rapporten, en daar staat dan in ‘Een meisje in dronken toestand, er stonden twee jongens naast, vermoedelijk loverboyproblematiek’. Maar dat is dan niet onderbouwd’.

Tevens benoemen drie van de respondenten dat de aangiftebereidheid laag is van slachtoffers, een voorbeeld hiervan: ‘(…) dan gaan ze naar de politie aangifte doen en twee weken later denken ze: ‘Ja, maar hij is toch wel stoer, hij is toch wel tof, ik heb toch wel een mooie gouden ring’. En dan wordt de aangifte weer ingetrokken (…). Dan heb je een hele wankele basis om een goed politieonderzoek te doen’.


Loverboyproblematiek blijft een lastig punt voor de politie, zo laten drie van de respondenten weten dat het noodzakelijk is dat het verhoor van slachtoffers goed gestuurd wordt. ‘Je ziet vaak dat op het moment dat slachtoffers zover zijn dat ze bereid zijn om bij de politie aangifte te doen, dan ze dan zo snel mogelijk het hele verhaal op tafel willen gooien. (…) Het verhaal wat ze kwijt willen dat vertellen ze wel in het geheel, maar de ene keer vertellen ze wat er in het begin is gebeurd en dan weer wat er aan het eind is gebeurd en vervolgens weer ergens tussenin. De moeilijkheid is om daar een chronologisch, goed verhaal van te maken’.

Een andere respondent: ‘Je doet onderzoek naar de misstanden op basis van hun verhaal, maar probeer daar maar eens een zinnig verhaal uit te krijgen. Het gaat alle kanten op, (…) wanen zitten er doorheen, chronologie klopt niet (…)’. En de derde respondent vertelt: ‘Meisjes zijn labiel, de verhalen zijn niet consistent, de advocatuur schiet erop los want het meisje vertelt de ene keer dit en de andere keer dat, ze is onder invloed van drank en drugs. Dus het blijven gewoon hele moeilijke onderzoeken’.


Wat ten slotte nog naar voren kwam in de interviews, was dat de helft (vijf) van de respondenten een negatieve kijk hadden jegens de media: ‘(…) Wij zijn niet de allesweters, maar wij zien wel een heel groot verschil tussen wat de media zegt en wat wij zien’ en ‘(…) Wij zien wel dat er in de media heel veel gesuggereerd wordt door journalisten die niet goed weten waar ze het over hebben’.

Door sommige respondenten wordt betwijfeld of het aantal slachtoffers wel daadwerkelijk is toegenomen, of echt zo hoog is als wat de media beweert: ‘Als je het aantal stukken in de media afweegt tegen het aantal slachtoffers van loverboys, echt het specifieke loverboy-verhaal, dan komt dat niet overeen. Volgens de media is bijna elk meisje in Nederland slachtoffer of maakt kans om slachtoffer te worden, maar de cijfers qua echte slachtoffersaantallen zijn best laag’. Even later wordt er door dezelfde respondent gezegd: ‘De media pakt hier een integriteitsrol niet op. Ze zouden misschien wat meer onderzoek moeten doen voordat ze zo’n stuk durven te publiceren’. Een andere respondent vermeldt ook: ‘Als je ziet hoe vaak het nou daadwerkelijk leidt tot een contact, wat weer leidt tot uitbuiting, dat is natuurlijk waar loverboyproblematiek over gaat, dan is dat niet zo heel vaak als dat lijkt hoor. Dat is wel belangrijk om te vermelden’. Deze respondent gaat echter nog een stap verder en stelt dat het niet alleen in de media is waar ze het fout hebben, maar ook in de wetenschap: ‘Precies, het wordt heel erg uitvergroot. Maar niet alleen in de media, ook wel in de wetenschap moet ik zeggen’. Nog een voorbeeld: ‘Het is eigenlijk zo begonnen dat er in de pers, in de media, werd geopperd dat het internet een grote rol speelde of zou gaan spelen bij het werven van slachtoffers door loverboys. Dat zie je in een heleboel krantenartikelen, media-artikelen (…). De vraag is alleen waar ze die wijsheid vandaan hebben gehaald’.


Tabel 4

Resultaten van en ervaringen met de pilot (n=10)

Opmerkingen

Aantal respondenten

Er gebeurt van alles op het internet

5

Internet is slechts een hulpmiddel bij loverboyproblematiek

2

Aan de voorkant komen van loverboyproblematiek is moeilijk, al dan niet onmogelijk

9

Stuiting op pedofielen

8

Ontbreken (eenduidige) definitie

5

Wetgeving is nodig voor de online wereld

3

Goede sturing van verhoor van slachtoffer is noodzakelijk

3

Bereidheid van aangifte is laag

Negatieve kijk jegens de media

3

5












5. Conclusie

5.1 Websites/sociale media

De belangrijkste conclusie die getrokken kan worden met betrekking tot welke websites een rol spelen bij de slachtofferselectie van loverboys op het internet is dat het erg veranderlijk is welke websites een rol hierbij spelen. Eén respondent vermeldde dit expliciet en de helft van de respondenten stelden/suggereerden dat er heel veel websites een rol spelen en dat eigenlijk alle soorten websites waarbij een individu een profiel moet aanmaken van belang kunnen zijn bij de slachtofferselectie.

Deze conclusie wordt nog duidelijker wanneer de resultaten van dit onderzoek vergeleken worden met de resultaten van het onderzoek van Zanetti (2009). Zanetti (2009) stelde dat de volgende websites een rol spelen: Hyves, Sugababes/Superdudes, Partypeeps2000, Partyflock, Netlog en Chatnu. Alle websites, op Netlog na, zijn tenminste één keer genoemd in dit onderzoek. Wat echter opvalt, is dat in dit onderzoek nog twee andere websites vaak genoemd werden door de respondenten: Facebook en Tagged. Dat deze twee websites, die respectievelijk zeven en vijf keer zijn benoemd door de respondenten, niet genoemd worden in het onderzoek van Zanetti (2009), een onderzoek dat ‘slechts’ drie jaar eerder heeft plaatsgevonden dan dit onderzoek, laat nogmaals de veranderlijkheid zien van de websites die een rol spelen bij de slachtofferselectie van loverboys. Deze veranderlijkheid suggereert dat het heel moeilijk, wellicht zelfs onmogelijk, is om de websites in kaart te brengen die door loverboys gebruikt worden om slachtoffers te vinden.


Zanetti (2009) concludeerde in haar onderzoek dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden naar het internet. Opmerkelijk is, dat in de interviews naar voren komt dat er een verschuiving te zien is naar het mobiele internet: de BlackBerry Ping en WhatsApp. Reynolds et al. (2011) lieten zien dat er meer misleiding, waaronder het vertellen van leugens, te zien is in BBM (BlackBerry Messenger). Eén manier die loverboys gebruiken om vrouwen en/of mannen doelbewust emotioneel afhankelijk te maken is misleiding (Zanetti & Kanters, 2009). Het onderzoek van Reynolds et al. (2009) suggereert dus dat de BBM gebruikt kan worden voor misleiding en hierdoor kan het een handig hulpmiddel zijn voor loverboys.




5.2 Profielen van slachtoffers

Uit de interviews kan met name geconcludeerd worden dat het hebben van een afbeelding, het posten van de contactgegevens en het posten van de hobby’s/voorkeuren van belang is bij de slachtofferselectie van loverboys op websites. Deze drie kenmerken werden namelijk door minstens de helft van de respondenten benoemd.

De conclusie dat het hebben van een afbeelding op een profiel op een website van belang is bij de slachtofferselectie van loverboys komt overeen met de suggestie van Zanetti (2009) en de onderzoeken van Jayawardena en Broadhurst (2007) en Casey (2011). Uit de interviews komt naar voren dat niet alleen het hebben van een afbeelding, maar vooral hoe men hierop afgebeeld staat, van invloed is: uitdagende, provocatieve afbeeldingen zorgen voor een groter risico om slachtoffer te worden van een loverboy. Dit komt overeen met het onderzoek van Bovenkerk et al. (2006) en met het onderzoek van Dean (2007). De onderzoeken van Dean (2007) en Casey (2011) hadden echter betrekking op pedofielen die via sociale media zochten naar potentiële slachtoffers. Hieruit kan gesuggereerd worden dat zowel loverboys als pedofielen wellicht hun slachtoffers op eenzelfde manier zoeken via sociale media.

De tweede conclusie, dat het posten van de contactgegevens zorgt voor een groter risico om slachtoffer te worden van een loverboy, komt overeen met het onderzoek van Jayawardena en Broadhurst (2007) en het onderzoek van Casey (2011). De helft van de respondenten stelden dat een meisje meer risico loopt wanneer de BlackBerry PIN gekoppeld is aan de naam: een vorm van details posten. Voordat er op een profiel contactgegevens te zien zijn, moet het profiel van de desbetreffende persoon openstaan voor buitenstaanders. Dit komt overeen met de suggestie van Zanetti (2009).

De derde conclusie is dat het posten van de hobby’s/voorkeuren van belang is bij de slachtofferselectie van loverboys. Dit soort informatie op de profielen van potentiële slachtoffers, kunnen loverboys in hun voordeel gebruiken op twee manieren: a) door uit de informatie op het profiel te kunnen associëren dat ze elkaar zogenaamd ergens van kennen om zo in contact te komen, of b) is dat die informatie gebruikt kan worden om het potentiële slachtoffer in te palmen.


Hiernaast werden er nog enkele andere kenmerken genoemd die van belang kunnen zijn bij de slachtofferselectie van loverboys wanneer het gaat om de profielen van slachtoffers, maar deze kenmerken werden door minder dan de helft van de respondenten benoemd: de achtergelaten/geschreven berichten, vriendensoort, vriendenaantal, lid van andere profielen, aansprekende/makkelijke naam en de woonplaats.

Wanneer het gaat om de vriendensoort en vriendenaantal, komt in de interviews naar voren dat het hebben van veel vrienden en met name mannelijke vrienden zorgt voor een groter risico om slachtoffer te worden van een loverboy. Dit komt overeen met de suggestie van Zanetti (2009). Tevens komt het soort achtergelaten/geschreven berichten als kenmerk ook overeen met de suggestie van Zanetti (2009).


Ten slotte stelden twee respondenten nog dat loverboys op het internet te werk gaan door berichten te sturen naar zoveel mogelijk meisjes om vervolgens te kijken wie hierop reageert (‘phishing’). Ditzelfde stelt Zanetti (2009) ook: het is voor de loverboy een kwestie van veel lijntjes tegelijkertijd uitgooien en kijken wie er toehapt.


5.2.1 Eerdere onderzoeken met betrekking tot profielen van slachtoffers

Zoals al eerder werd benoemd, werden er enkele onderzoeken voorgelegd tijdens de interviews aan de respondenten. Er kan geconcludeerd worden dat alle respondenten het eens zijn met het onderzoek van Cense en Van Dijk (2010). Slechts twee respondenten vonden dat dit daadwerkelijk terug te zien was in het profiel van slachtoffers op websites.

Hiernaast waren acht van de respondenten het eens met het onderzoek van De Smet en Mahjoub (2008). Van deze acht respondenten vond geen enkele respondent dit kenmerkend op een profiel van een slachtoffer op een website.

Ten slotte waren ook acht van de respondenten het eens met het onderzoek van Zanetti (2009). Wederom vond geen enkele respondent dit kenmerkend voor het profiel van een slachtoffer op een website.


Een belangrijke conclusie die getrokken kan worden uit de interviews is dat de slachtofferkenmerken die in de voorgelegde onderzoeken benoemd waren zeker wel een rol spelen, maar dat het risicofactoren zijn. Een individu heeft door een risicofactor meer kans om slachtoffer te worden, maar dit betekent niet dat een individu daadwerkelijk slachtoffer wordt. Dit komt overeen met het onderzoek van Zanetti (2009) waarin gesteld werd dat er geen prototype slachtofferprofiel bestaat, maar dat men moet spreken over risicogroepen.


Ten slotte kan er nog geconcludeerd worden dat er te weinig controle plaatsvindt vanuit de omgeving van het slachtoffer, iets wat door de helft van de respondenten benoemd werd. Dit komt overeen met het onderzoek van De Graaf en Vanwesenbeeck (2006) waarin geconcludeerd werd dat de controle van ouders de kans op vervelende ervaringen op het internet verkleint.


5.3 Resultaten van en ervaringen met de pilot

Eén conclusie die getrokken kan worden met betrekking tot de resultaten en ervaringen met de pilot, is dat het aan de voorkant zitten van loverboyproblematiek moeilijk, al dan niet onmogelijk, is. Bijna alle respondenten zeiden dit.

Dit wil echter niet zeggen dat dit voor alle soorten misdaad het geval is. Een andere conclusie die getrokken kan worden, is dat er in de pilot veelal gestuit is op pedofielen en hiermee wel enkele resultaten zijn geboekt. Dit komt met name omdat pedofielen makkelijker te veroordelen zijn dan loverboys. Uit de interviews komt naar voren dat er voor een veroordeling van loverboys uitbuiting van een individu moet hebben plaatsgevonden, terwijl een pedofiel al veroordeeld kan worden wanneer er bewust naar seksueel contact met een minderjarige gezocht wordt.


In de interviews wordt er door de helft van de respondenten gesteld dat er heel wat gebeurt op het internet, maar dat dit ook vrij normaal is gezien de tijd waarin we leven. Maar dat het internet een grote rol speelt in het alledaagse leven van mensen, wil niet zeggen dat de wetgeving hierop is toegepast, een probleem die door enkele respondenten wordt benoemd. Er kunnen ook nog enkele andere problemen geconcludeerd worden aan de hand van de interviews. In de inleiding was al benoemd dat er diverse redenen zijn waarom loverboyproblematiek moeilijk is om te achterhalen. Deze problemen werden deels bevestigd in de interviews. Zo hebben vier van de respondenten het over het ontbreken van een definitie over wie loverboys nou eigenlijk zijn, dit komt overeen met Werson en Den Hartog (2011). De respondenten hebben het erover dat dit zorgt voor problemen. Een consequentie die door twee van de respondenten wordt genoemd is dat de cijfers qua loverboysaantallen nooit overeenkomen doordat er geen eenduidige definiëring is. Dit kan suggereren dat de ‘toename’ van het aantal slachtoffers, zoals CoMensha (2009, 2010) laat zien, niet zozeer een toename hoeft te zijn.

Hiernaast benoemen drie van de respondenten dat de aangiftebereidheid laag is van slachtoffers, iets wat overeenkomt met het onderzoek van Rood Utrecht (2009).

Bovendien is nog een ander lastig punt voor de politie de slachtofferverklaringen. Vanwege de problematiek die de slachtoffers over het algemeen hebben, vertellen de slachtoffers vaak hun verhalen niet logisch of niet chronologisch. Dit maakt het noodzakelijk dat het verhoor van de slachtoffers goed gestuurd wordt.


Ten slotte kan uit de interviews geconcludeerd worden dat de helft van de respondenten een negatieve kijk hadden jegens de media, veelal omdat de media een hype maakt van loverboys en verhalen opgeblazen worden. In de inleiding werd al verteld dat CoMensha (2009, 2010) een toename lieten zien van het aantal slachtoffers van loverboys van 2009 naar 2010. Er wordt door respondenten echter betwijfeld of het aantal slachtoffers daadwerkelijk is toegenomen, of echt zo hoog is als wat de media beweert.



6. Discussie

De doelstelling van dit onderzoek, erachter komen welke websites een rol spelen bij de slachtofferselectie van digitale loverboys, welke aspecten van een profiel van een (potentieel) slachtoffer een rol spelen bij de slachtofferselectie en wat de ervaringen en resultaten zijn van de pilot, is bereikt.


6.1 Meerwaarde van dit onderzoek

Dit onderzoek kan gezien worden als een verfijning van eerdere onderzoeken. Zoals in de conclusie al te merken is, bevestigen veel van de resultaten van dit onderzoek eerdere onderzoeken (Zanetti, 2009; Jayawardena & Broadhurst, 2007; Dean, 2007; Werson & Den Hartog, 2011; Rood Utrecht, 2009; Cense & Van Dijk, 2010; De Smet & Mahjoub, 2008). Veel van de resultaten zijn verfijningen van het onderzoek van Zanetti (2009). Het onderzoek van Zanetti (2009) suggereerde al enkele profielkenmerken van slachtoffers op diverse sociale media websites, maar dit onderzoek laat voor het eerst zien welke kenmerken daadwerkelijk een rol spelen bij de slachtofferselectie van loverboys op het internet.

Hiernaast laat dit onderzoek ook nog enkele nieuwe bevindingen zien. Zo werpt dit onderzoek meer licht op de websites die een rol kunnen spelen bij de slachtofferselectie; dit is erg veranderlijk. Hiernaast wordt er uit de interviews geconstateerd dat tegenwoordig het contact steeds sneller wordt verlegd naar het mobiele internet: BlackBerry Messenger en WhatsApp. Bovendien kan er geconstateerd worden dat het vooraf ingrijpen bij loverboys op het internet erg moeilijk is, maar er wel veel potentie zit bij het vooraf ingrijpen bij pedofielen. En ten slotte kan er geconcludeerd worden dat de media soms een hype maakt van loverboys: de media blaast dingen op.


6.2 Methodologische punten

Er zijn enkele belangrijke kwesties met betrekking tot de betrouwbaarheid en validiteit van dit onderzoek. Om de betrouwbaarheid en validiteit te beoordelen is gebruik gemaakt van de aanwijzingen in het boek van Baarda, De Goede en Teunissen (2009). Zij stellen dat betrouwbaarheid, klassiek gezien, gedefinieerd kan worden als de mate waarin metingen onafhankelijk zijn van toeval. Bij kwalitatief onderzoek is het echter juist de bedoeling dat men voor een groot deel afhankelijk is van toeval(ligheden). Baarda, De Goede en Teunissen (2009) stellen dat een indicatie voor betrouwbaarheid, in het bijzonder de stabiliteit, bij kwalitatief onderzoek te verkrijgen is op twee manieren: a) de intra-interviewerbetrouwbaarheid of b) de inter-interviewerbetrouwbaarheid. De intra-interviewerbetrouwbaarheid is te verkrijgen door na de dataverzameling enige tijd later dezelfde gegevens nog eens te bekijken en te analyseren. De inter-interviewerbetrouwbaarheid is te verkrijgen door je eigen resultaten te vergelijken met de resultaten van een collega, of medestudent, die de interviews ook heeft bekeken en heeft geanalyseerd. In dit onderzoek is alleen gebruik gemaakt van de intra-interviewerbetrouwbaarheid aangezien het onderzoek slechts door één persoon is uitgevoerd. Zoals al eerder werd benoemd is het interview opgenomen en daarna uitgetypt. Het uitgetypte interview is na de eerste analyse nog twee keer herzien, dit maakt de intra-interviewerbetrouwbaarheid van dit onderzoek redelijk goed. Het was echter beter geweest als het onderzoek door meerdere personen was uitgevoerd, zodat de resultaten ook geanalyseerd konden worden door andere personen en er sprake was geweest van een inter-interviewerbetrouwbaarheid.

Hiernaast moet er nog vermeld worden dat er sprake kan zijn van persoonsafhankelijke betrouwbaarheid. Als het gaat om de respondenten die zijn geïnterviewd (tien in totaal) waren er twee respondenten die specifieke kennis hadden over loverboys op het internet, één respondent die hier zeer veel omheen had gezeten en ook behoorlijke kennis had en de overige respondenten hadden hier en daar enkele kennis maar gaven ook aan zich niet specifiek bezig te hebben gehouden met hoe loverboys zich bewegen op het internet.


Baarda, De Goede en Teunissen (2009) stellen in hun boek dat validiteit te maken heeft met de juistheid van de onderzoeksbevindingen. Het gaat er hierbij om in hoeverre de onderzoeksbevindingen een goede weergave vormen van datgene wat zich feitelijk in de praktijk afspeelt. De schrijvers stellen dat men in de kwalitatieve traditie liever spreekt over geldigheid in plaats van over validiteit, deze term wordt dus ook vanaf hier gebruikt. Baarda, De Goede & Teunissen (2009) stellen dat er drie vormen van geldigheid zijn: a) interne geldigheid, b) externe geldigheid en c) de instrumentele of dataverzamelingsgeldigheid.

Interne geldigheid heeft te maken met de keuze van je onderzoeksopzet en of dit het meest geschikt is om een geldig antwoord te vinden op de onderzoeksvragen (Baarda, De Goede en Teunissen, 2009). In dit onderzoek is gekozen voor interviews zodat er zoveel mogelijk kennis vergaard kon worden (aangezien er nog weinig kennis over het onderwerp beschikbaar is). Er zijn enkele vragen van te voren geformuleerd, aan de hand van eerdere onderzoeken, die aan de respondenten werden gevraagd. De interne validiteit van dit onderzoek wordt als goed gezien omdat de keuze van de onderzoeksopzet (interviews) het meest geschikt was om een geldig antwoord te vinden op de onderzoeksvragen, aangezien er nog niet eerder onderzoek naar gedaan was.

Externe validiteit heeft te maken met of de resultaten, verkregen van de interviews, ook toepasbaar zijn in andere, vergelijkbare situaties; de generalisatie van de onderzoeksresultaten. Bij kwalitatief onderzoek wordt er vaak gesproken over inhoudelijk generalisatie, of de resultaten van je onderzoek overdraagbaar zijn op vergelijkbare of overeenkomstige situaties; de overdraagbaarheid van de onderzoeksresultaten (Baarda, De Goede en Teunissen, 2009). Naarmate de resultaten uit je eigen onderzoek makkelijker zijn over te dragen op vergelijkbare situaties, is er sprake van een grotere vergelijkbaarheid. In dit onderzoek is er gekozen voor het interviewen van respondenten/informanten en een gerichte/beredeneerde (niet aselecte) steekproef; rechercheurs die meegewerkt hebben binnen de pilot ‘Loverboys 2.0’ zijn geïnterviewd over hun eigen werkzaamheden en ervaringen maar ook over de slachtoffers van loverboys. Er valt echter te betwijfelen of het aantal geïnterviewde rechercheurs (tien) voldoende is voor de externe validiteit. Baarda, De Goede en Teunissen (2009) zeggen dat het bij kwalitatief onderzoek niet om de kwantiteit gaat, maar over de kwaliteit en dat daarmee een goede representatieve casus belangrijker is dan een grotere steekproef. Bovendien moet er opgemerkt worden dat het korps Rotterdam-Rijnmond het enige korps in Nederland is dat zich bezig gehouden heeft met het vooraf zicht proberen te krijgen op loverboys via het internet. Omdat doel van dit onderzoek een inventarisatie van de praktijkkennis was, was dit het enige korps in Nederland dat hierover geïnterviewd kon worden. Onder de tien respondenten die geïnterviewd waren, zaten de twee internetrechercheurs die het meest betrokken waren bij de pilot en die daadwerkelijk lokprofielen hadden gemaakt. De andere acht respondenten zijn de rechercheurs die hier het meest omheen bij betrokken waren. Er zijn dus geen mensen, met belangrijke ervaringen of iets dergelijks, uit het korps die niet geïnterviewd zijn.

Instrumentele of dataverzamelingsvaliditeit heeft te maken met de kwaliteit van je verzamelde gegevens, vooral met de mate waarin ze een geldige weergave zijn van het te bestuderen fenomeen in de praktijksituatie. Het is als onderzoek altijd beter om gebruik te maken van verschillende dataverzamelingsmethoden om dezelfde gegevens van je onderzoekseenheden te verzamelen (Baarda, De Goede en Teunissen, 2009). In dit onderzoek is echter gebruik gemaakt van slechts één dataverzamelingsmethode, namelijk interviews. Dit maakt de instrumentele of dataverzamelingsvaliditeit van dit onderzoek laag.


6.3 Interview punten

Er zijn enkele kanttekeningen te plaatsen bij het interview dat is afgenomen bij de respondenten. Voor de afname van de interviews werd, zoals eerder genoemd, gebruik gemaakt van een vooraf opgestelde vragenlijst. Tijdens het interview werd hier zo nu en dan vanaf geweken, afhankelijk van wat de respondenten vertelden werd erop doorgegaan. Het hebben van een vooropgestelde vragenlijst/checklist zorgde er wel voor dat alle punten bij elke respondent aan bod zijn gekomen. Een ander punt wat goed ging, was het vasthouden van de rode draad tijdens de interviews. Meerdere respondenten vertelden soms dingen die eigenlijk niks te maken hadden met het beantwoorden van de vragen, maar dan werd er altijd wel weer goed bijgestuurd naar de oorspronkelijke vraag.

Het was echter beter geweest als het interview niet door slechts één persoon was afgenomen, maar door twee personen, zodat er een beter bewustzijn zou zijn voor wat er benoemd was in de eerdere interviews en waar doorgevraagd moest worden. Dit heeft echter ook te maken met de planning van de interviews. De tien interviews waren gepland op twee dagen; elke dag vijf interviews. Dit had twee redenen: a) vanwege de locatie van het korps; dit lag op bijna 3,5 uur reizen en b) om het zo makkelijk mogelijk te maken voor het korps zelf aangezien de pilot al was afgelopen en de respondenten nu vanuit verschillende afdelingen verzameld moesten worden.

Wetende wat er nu bekend is, zoals dat de helft van de respondenten stelden dat de media soms dingen opblaast, was het beter geweest om hier ook een standaardvraag over te hebben. Dit was echter niet van te voren bekend, dus dit was niet mogelijk, maar dit is wellicht een punt voor toekomstig onderzoek.


6.4 De toekomst

De resultaten van dit onderzoek kunnen gebruikt worden om potentiële slachtoffers van loverboys meer bewust te maken voor de gevaren van het internet. Twee respondenten vermeldde echter in de interviews al dat dit ook door het politiekorps Rotterdam-Rijnmond is geprobeerd. Zo vertelde een respondent: ‘Je moet in contact komen met potentiële slachtoffers van ‘Hoe presenteren jullie je op het internet?’ (…) We hebben geprobeerd via de Ping en andere manieren om daar contact mee te krijgen. (…) Om te kijken wie zich presenteert op een site zoals Tagged en wie staat er met een BlackBerry PIN, een uitdagende foto, of iets dergelijks. Die meiden hebben we benaderd, als politie, maar ook anoniem. Om te kijken of we tot een fysieke afspraak kunnen komen, of dat we anoniem een interview kunnen afnemen, of dat we kunnen zeggen dat we van de politie zijn en met een onderzoek bezig zijn. Wat we daar hebben gezien, is dat die meiden het afhouden. Ze denken ‘Wat een idioot’ en ‘Die politie is gek geworden, wat is dit op mijn Ping?’’. De andere respondent zegt: ‘(…) Die zijn ze gaan benaderen en of ze met ons wilden praten, maar die meiden die willen dat gewoon niet. En die zijn dan nog geen eens slachtoffer, kun je nagaan’. Een respondent vertelde zelf al: ‘Als politie moeten we dat misschien toch nog net ff iets meer fijn slijpen’.

Kortom, er zullen andere manieren gevonden moeten worden om potentiële slachtoffers bewust te maken van de gevaren via het internet, wellicht via ‘fear appeal’: een vorm van persuasieve communicatie met een grote impact (Witte & Allen, 2000; Witte, 1992; 1998). Een effectieve fear appeal bevat een component van grote dreiging en een component van hoge doeltreffendheid (‘efficacy’). Een conditie van hoge dreiging wordt gecreëerd door de negatieve consequenties van een actie te benadrukken als zeer waarschijnlijk om voor te komen en door het doelwit te laten geloven dat hij/zij hier zeer vatbaar voor is. Een conditie met hoge doeltreffendheid wordt gecreëerd wanneer de aanbevolen actie om de dreiging af te wenden effectief is en het doelwit gelooft dat hij/zij deze aanbeveling kan bereiken (Witte & Allen, 2000; Witte, 1992; 1998). Fear appeal kan op verschillende manieren worden gebruikt, namelijk door middel van billboards, reclame op televisie of reclame op internet.

Een andere methode kan zijn om de ouders meer bewuste te maken voor de gevaren van het internet bij hun kinderen, ook dit zou eventueel door middel van fear appeal kunnen. De helft van de respondenten vermeldde namelijk dat er te weinig controle plaatsvindt vanuit de omgeving van het slachtoffer. Zoals De Graaf en Vanwesenbeeck (2006) al concludeerden: de controle van ouders verkleint de kans op vervelende ervaringen op het internet.

7. Referenties

Baarda, D.B., De Goede, M.P.M. & Teunissen, J. (2009). Basisboek Kwalitatief Onderzoek:

Handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwalitatief onderzoek. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers.


Bovenkerk, F., San, M. Van, Boone, M., Boekhout Van Solinge, T. & Korf, D. (2006).

Loverboys of modern pooierschap in Amsterdam. Amsterdam: Augustus.

Boyce, C. & Neale, P. (2006). Conducting In-Depth Interviews: A Guide for Designing and

Conducting In-Depth Interviews for Evaluation Input. Watertown, MA: Pathfinder International.


Bullens, R.A.R. & Van Horn, J.E. (2000). Daad uit ‘liefde’: gedwongen prostitutie van jonge meisjes. Justitiële verkenningen, 26, 25-41.

Casey, E. (2011). Digital Evidence and Computer Crime: Forensic Science, Computers and

the Internet. San Diego, CA: Elsevier Inc.


Cense, M., & Dijk, L. Van (2010). Niet zomaar seks. Jongeren over seks en grenzen. Utrecht:

Rutgers Nisso Groep.


CoMensha jaarcijfers 2009. Verkregen van www.comensha.nl.


CoMensha jaarcijfers 2010. Verkregen van www.comensha.nl.

Dean, S. (2007). Sexual Predators: How to Recognize Them on the Internet and on the Street

– How to Keep Your Kids Away. Los Angeles, CA: Silver Lake Publishing.


Europol (2007). Crimes Against Persons Unit. Trafficking of Woman and Children for Sexual

Exploitation in the EU: The Involvement of Western Balkans Organised Crime (2006). Europol. Verkregen van https://www.europol.europa.eu/.


Europol (2009). Trafficking In Human Beings in the European Union: A Europol Perspective.

Europol. Verkregen van https://www.europol.europa.eu/.


Europol (2011). Trafficking In Human Beings in the European Union. The Hague: Europol.

Verkregen van https://www.europol.europa.eu/.


Graaf, H. De & Vanwesenbeeck, I. (2006). ' Seks is een game': gewenste en ongewenste seksuele ervaringen van jongeren op internet. Utrecht: Rutgers Nisso Groep.

Jayawardena, K. P. & Broadhurst, R. (2007). Online Child Sex Solicitation: Exploring the

feasibility of a research ‘sting’. International Journal of Cyber Criminology 1 (2), 228-248.


KLPD (2008). Schone Schijn: De Signalering van Mensenhandel in de Vergunde

Prostitutiesector. Driebergen: Korps Landelijke Politiediensten (KLPD).


Lange, A. (2010). Research Note: Challenges of Identifying Female Human Trafficking

Victims Using a National 1-800 Call Center. Trends Organ Crime, 14, 47-55.


Meintser, N. (2011). Experts over ontwikkelingen en trends in seks en seksueel geweld.

Utrecht: MOVISIE, kennis en advies voor maatschappelijke ontwikkeling.


Nationaal Rapporteur Mensenhandel (2010). Mensenhandel – 10 jaar Nationaal Rapporteur Mensenhandel in Nederland – Achtste rapportage van de nationaal rapporteur. Den

Haag: BNRM.


Reynolds, L., Gillette, S., Marder, J., Miles, Z., Vodenski, P., Weintraub, A., Birnholtz, J. &

Hancock, J. (2011). Contact Stratification and Deception: Blackberry Messenger versus SMS Use among Students. Proceedings of the ACM 2011 Conference on Computer Supported Cooperative Work, 221 – 224.


Rood Utrecht (2009). In gesprek met slachtoffers van loverboys: een onderzoek naar

ervaringen met politie en justitie van het proces van aangifte tot de veroordeling. Utrecht: Rood Utrecht.


Smet, S. De & Mahjoub, S. (2008). Op het scherp van het net: Een verkennende studie over jongeren, internet en betaalseks. Anderlecht: Impresor.


Tang, H., Xiao, S., Zhao, G. & Xing, C. (2012). Traffic Behaviors on the Mobile Internet.

Journal of Convergence Information Technologie, 7 (7), 182-190.


Venicz, L. & Vanwesenbeeck, I. (1998) Aard en omvang van (gedwongen) prostitutie onder minderjarige (allochtone) meisjes. Utrecht: Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek.


Verhoeven, M.A., Gestel, B. Van & Jong, D. De (2011). Mensenhandel in de Amsterdam

raamprostitutie. Een onderzoek naar aard en opsporing van mensenhandel. Den Haag: Boom Juridisch Uitgevers.


Werson, H. & Hertog, A. Den (2011). Korpsmonitor prostitutie & mensenhandel 2010.Verkregen van www.hetccv.nl.


Witte, K. & Allen, M. (2000). A meta-analysis of fear appeals: Implications for effective

public health campaigns. Health Education and Behavior, 27, 591–615.


Witte, K. (1992). Putting the fear back into fear appeals: The extended parallel process model.

Communication Monographs, 59, 329–349.


Witte, K. (1998). Fear as motivator, fear as inhibitor: Using the extended parallel process

model to explain fear appeal successes and failures. In P. A. Andersen, & L. K. Guerrero (Eds.)The handbook of communication and emotion: Research, theory, applications, and contexts (pp. 423–450). San Diego, CA: Academic.


Zanetti, V.S.M. (2009). De digitale loverboy. Proces, 5, 279-291.

Zanetti, V.S.M. (2010). Op jacht naar loverboys op het internet. Cahier Politiestudies

Policing multiple communities, 2010, 2, 183-196.


Zanetti, V.S.M & Kanters, K. (2009). Management samenvatting: analyse loverboys opinternet. Politiekorps Rotterdam-Rijnmond. Verkregen van www.hetccv.nl.



8. Bijlagen

8.1 Artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht

(Tekst geldend op: 23-03-2012)

Wetboek van Strafrecht


Artikel 273f

1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

1°. degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;

2°. degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

3°. degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

4°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt;

5°. degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling beschikbaar te stellen dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen of zijn organen tegen betaling beschikbaar stelt, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

6°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander;

7°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de verwijdering van organen van een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat diens organen onder de onder 1° bedoelde omstandigheden zijn verwijderd;

8°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling of de verwijdering van diens organen tegen betaling, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

9°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde of van de verwijdering van diens organen.


2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.

3. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien:

1°. de feiten, omschreven in het eerste lid, worden gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2°. de persoon ten aanzien van wie de in het eerste lid omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt.


4. Indien een van de in het eerste lid omschreven feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft of daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.

5. Indien een van de in het eerste lid omschreven feiten de dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste achttien jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.

6. Artikel 251 is van overeenkomstige toepassing.

8.2 Oorspronkelijke citaten

8.2.1 Citaten bijbehorend bij paragraaf 4.1

1. ‘Hyves werd heel veel gebruikt en volgens mij wordt Hyves nog steeds heel veel gebruikt door echt jonge mensen. Tot een jaar of 18 ofzo. Dus dat is nog wel een website die absoluut nog heel belangrijk is.’


2. ‘Maar Facebook is wel heel groot, dat is altijd wel… Het kan haast niet dat er niks op Facebook gebeurt, laat ik het zo zeggen’.


3. ‘Is een soort Amerikaanse Hyves maar dan echt wel gericht op het leggen van seksuele contacten heb ik het gevoel. Het lijkt heel normaal, maar het gaat bijna altijd alleen maar over seks daar’


4. ‘Denk dat je gewoon alle sociale netwerk sites eigenlijk kan benoemen in deze. En kijk de ene heeft een veel groter bereik hè dan de ander maar ik denk dat ze allemaal in aanmerking komen’


5. ‘Die Ping en die WhatsApp-contacten, het is vaak voor de slachtoffers hét begin. En voor de dader vaak, ook het grooming-proces zit daar juist in hè. Leuk pingen, leuke tekstjes… Je hoeft geen foto’s te laten zien, niks. Lekker anoniem, gouden bergen geloven’


8.2.2 Citaten bijbehorend bij paragraaf 4.2

6. ‘Je ziet natuurlijk heel vaak nu die jonge meisjes met heel veel bloot en uitdagende foto’s enzo’


7. ‘Maar dan zie je dat je andere soorten, het is best wel een mooi meisje, dan zie je wel dat je andere soorten reacties krijgt dan als je een foto van een paard hebt. Bij het paarden-meisje heb je heel veel ‘Hoe gaat het met jou? Nog leuke plannen dit weekend?’-achtige berichtjes. (…) Bij het meisje bij wie ik de foto op het profiel heb staan zie je dat het gelijk meer over mijn uiterlijk gaat, of haar uiterlijk, en over dat ik mooie benen heb.’


8. ‘We hebben de BlackBerry PIN eraan gekoppeld, gewoon het adres erbij gezet en dan zie je dat het een stuk sneller gaat. Je wordt toegevoegd op je profiel en je ziet gelijk op je Ping zo’n iemand ook binnenkomen. En dan zie je een soort versnelling met contact, dan sturen ze twee berichtjes en dan gaan ze pingen en dan zeggen ze gelijk ‘Wat ben je vanmiddag aan het doen? Ben je vrij van school? Zal ik je ophalen? Zullen we wat gaan drinken in de stad?’. En dan zie je wel dat het gelijk sneller gaat.’


9. ‘Nou ook wel het wat héél kenmerkend is vind ik dat ze in hun profiel vaak associatie opnemen, of hoe noem je dat, ‘ik hou van’ weet je wel, hobby’s of voorkeur. De, ja ik noem het altijd een beetje de MTV-sfeer waar, weet je wel, gangsterrap, hiphop, dure merken vermelden, weet je wel.’


10. ‘(…) middelbare scholen bij meisjes van 14, dat ze heel veel verzoeken krijgen toch van vreemde mannen en dat ze zeggen, ‘Daar doe ik niks mee, dat verwijder ik’, totdat diegene je een berichtje stuurt, aangeeft dat er een link is. Bijvoorbeeld ‘Ik zie dat je op hockeyclub ‘…’ zit, daar heb ik ook op gezeten’. En dan hebben ze al zoiets van ‘Oké’. Dan hebben ze al een soort van, dan is het goed gevoel.’


11. ‘Kun je eruit opmaken of er een vorm van materialisme is, weet je? Dus is merkkleding belangrijk voor je? Mooie auto’s, sierraden, beetje het ‘blingbling’-gehalte, weet je wel. Kijk dat zijn natuurlijk bepaalde signalen, daar kunnen die gasten wel op getriggerd worden. Kijk als een meisje belangrijk vindt om bepaalde dure schoenen of Prada-schoenen, -oorbellen, noem het allemaal maar op, als dat belangrijk is, kan dat wel een belangrijk punt worden zeg maar voor zo’n jongen.’


12. ‘Ja en als dat 500 naja types zijn die je niet als buurman zou willen hebben of buurjongen zou willen hebben dan is er alweer een link dat ze misschien wel genegen is om zo mensen toe te voegen bijvoorbeeld. Maar als je maar 40 vrienden hebt en als daar staan allemaal volwassen mensen tussen die waarschijnlijk van je tante zijn of van je school dat je sociale controle wat groter is in je vriendenlijst, dan heb je daar wat minder kans in om te scoren denk ik.’


13. ‘Je zou er heel veel uit kunnen halen aan informatie van zo’n meisje die zegt dat ze laveloos in een café tot 5 uur ’s nachts tegen de bar heeft gehangen of dat ze zegt dat ze druk is dat ze voor school morgen nog een toets moet leren ofzo’.


14. ‘…dat mensen gewoon gaan zoeken naar een leuk meisje en gewoon aanspreken. En dat doen ze 100 keer op een dag en dan zijn er misschien 90 meisjes die denken ‘Griezel, rot op!’ en er zijn er een paar die denken ‘Interessant’ en die gaan een gesprek beginnen. (…) Als je dat gewoon 500 keer op een dag doet, is er vanzelf eentje die wat terug stuurt’.


15. ‘Kijk die jongens die surfen het internet af en die zijn op zoek naar leuke meiden. … Dan begin ik gewoon meiden te benaderen … Het ligt denk ik aan de reactie van jou, wat mijn vervolgstappen zullen zijn. … Kijk, het is net als vissen … Als jij 40 keer je hengeltje uitgooit, ja dan heb je kans dat er 2 keer … Ja, dat je twee keer wat vangt.’


8.2.3 Citaten bijbehorend bij paragraaf 4.2.1

16. ‘Maar het is zeker zo dat meisjes al met hun profiel uiting geven van hun mogelijke zoektocht naar aandacht. Die meisjes zijn ook niet gek denk ik. Die weten ook wel hoe ze op een foto staan, wat voor reacties dat gaat opleveren neem ik aan.’


17. ‘Ja, dat kun je aan de buitenkant niet zien natuurlijk of dat zo is. Dat kun je pas zien als er wat meer contact is ontstaan, of de meiden toegeeflijk zijn en dergelijke…’


18. ‘Alleen, wat ik wel gezien heb in die 2 jaar, is dat het wel heel vaak meiden zijn die al in probleemgebied zitten weet je wel. Problemen thuis of gebroken gezinssituatie, zitten al bij de hulpverlening of zitten al zelfs in een jeugdinrichting weet je wel. Dat valt me wel heel erg op.’


19. ‘Ze hebben naar mijn ervaring wel allemaal een probleem. Psychisch ook wel, dat je denkt van nou… Ze hebben allemaal een achtergrond dat het allemaal niet klopt en thuis dat het allemaal niet goed is en weglopen en dat soort dingen…’


20. ‘Ja, dan raak je natuurlijk een thema wat... Dat is wel echt een kenmerk, laten we zeggen 90% van de slachtoffers heeft daarmee te kampen. Een laag IQ of een persoonlijkheidsstoornis of om een andere reden afhankelijk van de hulpverlening.’


21. ‘Het is echt, we hebben nu toevallig een onderzoek, misschien heb je er iets van opgevangen, we zijn nu bezig met een onderzoek waar een meisje uit een, met een goede, die zat gewoon op het VWO, was goed bezig, een Nederlandse meid ook trouwens, waar het mis is gegaan. Maar heeft misschien met haar gezinssituatie te maken…’


22. ‘Maar dat nuanceert dat beeld eigenlijk, want ze zeggen vaak dat is een aandachtzoekend meisje en zielig en VMBO, dat is in het verleden ook nog wel eens naar voren gekomen, ‘nou het zijn allemaal VMBO-meisjes’… Dat is niet zo. Dat is, zo’n algemeen beeld is het niet…maar er zijn ook enorme uitschieters naar boven en naar beneden.’


23. ‘Die meiden zijn in principe, krijgen niet echt sturing. (…) Het hoeven niet eens de ouders te zijn, het kan ook een zus zijn of een broer, iemand die daar een beetje de controle over houdt van ‘Meid waar ben je mee bezig?’’.



8.2.4 Citaten bijbehorend bij paragraaf 4.3

24. ‘Er is geen loverboy die op internet in advent zegt ‘Ik ben een loverboy, ik wil heel lief tegen jou gaan doen en vervolgens ga ik jou in de prostitutie brengen en drugs voor mij laten transporteren’. Dus het is heel moeilijk om van tevoren zicht te krijgen’.


25. ‘Want je bent pas een dader, je wordt pas veroordeeld als je, zeg dat ik slachtoffer ben, je mij hebt uitgebuit op één of andere manier.’


26. ‘Wat ik wel heel veel heb gemerkt, ik ben ook gaan chatten, het gebeurt niet meer zoveel als vroeger maar het gebeurt nog wel en dan gebruik ik een minderjarige meisjesnaam en dan word ik continue belaagd door allemaal mannen, met name Opa61. … Volwassen mannen die jonge meisjes aan het versieren zijn voor seksueel contact. Dat zijn geen loverboys, dat zijn gewoon pedoseksuelen op zoek naar jonge meisjes’.


27. ‘Het is een middel, het is geen doel op zichzelf, het is echt heel vaak een hulpmiddel. (…) Het internet het wel makkelijker maakt, maar niet de sleutel is naar een nieuw soort loverboy ofzo, dat zie ik niet’.


28. ‘De wetgeving is eigenlijk geschreven op de offline wereld, op de reële wereld. En we hebben ook wel cybercrime wetgeving, alleen de toepassingen daarvoor … dat wringt natuurlijk nog wel eens’.


29. ‘Ik denk dat we ten eerste niet goed weten wat een loverboy is, dat iedereen een andere definitie hanteert waardoor de cijfers nooit overeenkomen want ik registreer iemand wel en de andere niet waardoor het al gelijk misgaat.’


30. ‘Wij monitoren zeg maar het bedrijfsprocessysteem binnen Rotterdam-Rijnmond en op de term loverboy en dan krijg je mutaties van collega’s, rapporten, en daar staat in ‘ja, een meisje die in een dronken toestand, en er stonden twee jongens naast en ja… Vermoedelijk loverboyproblematiek’. Weet je… Maar niet onderbouwd.’


31. ‘…dan gaan ze naar de politie aangifte doen en twee weken later denken ze ‘ja, maar hij is toch wel stoer, hij is toch wel tof en ik heb toch wel een mooie gouden ring’ en dan wordt de aangifte weer ingetrokken en dan mogen we er niks meer mee. Dan heb je een hele wankele basis om een goed politieonderzoek te doen.’


32. ‘Je ziet vaak dat op het moment dat slachtoffers zover zijn dat ze bereid zijn om bij de politie aangifte te doen, dat ze dan ook zo snel mogelijk dat hele verhaal op tafel willen gooien. En wij noemen dat dan dat er een, ja een verklaring die gaat dan van links naar rechts en van boven naar onder. En dus, met andere woorden, het verhaal wat ze kwijt willen dat vertellen ze zeg maar wel in z’n geheel, maar dan vertellen ze wat er in het begin gebeurd is, dan weer helemaal aan het eind en dan weer ergens tussenin. En de moeilijkheid is om daar een chronologisch, goed verhaal van te maken. Op het moment dat je dat niet doet, kan je dus ook niet goed een tijdlijn samenstellen van je zaak zeg maar.’


33. ‘Kijk je doet een onderzoek naar die misstanden op basis van hun verhaal, maar ja probeer daar maar eens een zinnig verhaal uit te krijgen. Het gaat alle kanten op, volstrekt hoe noem je dat… Wanen zitten er soms doorheen, chronologie die niet klopt, allemaal aanpassingen die ze in hun geheugen maken.’


34. ‘Meisjes zijn labiel, verhalen zijn niet consistent, advocatuur schiet erop want ja als het meisje de ene keer dit vertelt en de andere keer dat, is ze onder invloed van drank en drugs dus het blijven gewoon hele moeilijke onderzoeken.’


35. ‘Want als je het aantal stukken in de media afweegt tegen het aantal slachtoffers van loverboys, echt het specifieke loverboy-verhaal dan, dan komt dat niet overeen. Volgens de media is bijna elk meisje in Nederland slachtoffer als je het goed leest of maakt kans om slachtoffer te worden en de cijfers qua echte slachtoffersaantallen zijn best laag’.


36. ‘Dat de media wel een integriteitsrol hier niet oppakt. Die zouden hier misschien wat meer onderzoek naar moeten doen voordat ze zo’n stuk durven te publiceren’.


37. ‘Maar als je ziet hoe vaak het nou daadwerkelijk leidt tot een contact, wat weer leidt tot uitbuiting, dat is natuurlijk waar loverboyproblematiek over gaat, dan is dat niet zo heel vaak als dat het lijkt hoor. Dat is wel belangrijk om, vind ik hoor, om te vermelden.’

8.3 Interview


Respondentnummer:……………………………

Geslacht van de respondent: □ Man □ Vrouw

Datum van het interview:……………………….


De volgende punten dienen voor het interview toegelicht te worden aan de respondent:

oWelkom heten, bedanken voor deelname en introduceren.

oDoel van het onderzoek: inventarisatie van de praktijkkennis m.b.t. (slachtoffers van) digitale loverboys.

oHet onderzoek vindt plaats in kader van mijn bachelorthese, in opdracht van de opleiding ‘Psychologie’ aan de Universiteit van Twente in Enschede.

oDuur van het interview zal ongeveer een half uur zijn.

oHet interview zal opgenomen worden met een geluidsband. Het interview zelf zal alleen teruggeluisterd worden door mij zelf om het interview te kunnen analyseren.

oDe resultaten worden anoniem verwerkt.


Deel 1: Algemene gegevens.


1. ‘Hoeveel jaar werkt u al bij de politie?’

_____ jaar


2. ‘Hoeveel jaar bent u als politieagent al betrokken bij zaken rondom loverboys?’

_____ jaar



Deel 2: Het interview


3. ‘Wat waren uw werkzaamheden of wat was uw betrokkenheid bij de pilot ‘Loverboys 2.0’?’


…………………………………………………………………………………………



Deel 2.1: Grooming



4. ‘Viola Zanetti heeft in de pilot een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot digitale loverboys. Zij stelt dat dader en slachtoffer een proces van drie stappen doorlopen via het internet, te weten: grooming, inlijving en exploitatie. Kunt u mij wat meer vertellen over het eerste stadia, grooming?’


…………………………………………………………………………………………


Grooming bestaat uit enkele stadia.

1. De loverboy moet een profiel aanmaken op een sociale media site.


o4.1. Welke websites worden er door loverboys gebruikt?


……………………………………………………………………………...


3. De loverboy selecteert het slachtoffer.


o4.2. Een slachtoffer die via het internet geselecteerd wordt, heeft zelf ook een profiel op de desbetreffende sociale media site. Kunt u mij iets meer vertellen over de profielen van slachtoffers van digitale loverboys?


………………………………………………………………………………


5. Er zijn naast Zanetti nog meer onderzoeken uitgevoerd met betrekking tot loverboys. Ik wil graag enkele onderzoeksuitkomsten aan u voorleggen, zou u dan kunnen vertellen of dit terug te vinden is in de profielen van slachtoffers van loverboys?


5.1 Cense en van Dijk (2010) onderzochten grensoverschrijdend gedrag bij jongeren en stelden hierbij profielen op. Eén profiel voor meisjes was ‘aandachtzoekende meiden’. Deze meiden werden omschreven als meiden die seks hebben omdat ze aandacht en liefde zoeken. Ze hebben een negatief lichaamsbeeld, weinig zelfvertrouwen en staan niet sterk in hun schoenen. Deze meiden komen veel in risicosituaties terecht en krijgen te maken met verkrachtingen, dwang in relatie en met respectloos gedrag van jongeren.


…………………………………………………………………………………………


5.2 De Smet en Mahjoub (2008) stellen dat slachtoffers van loverboys vaak minder populaire meisjes zijn met veel problemen, ruzies binnen het gezin, echtscheidingen, overlijden van één van de ouders of moeilijkheden op school.


…………………………………………………………………………………………


5.3 Zanetti (2009) stelt dat meisjes met een licht verstandelijke beperking meer risico hebben om slachtoffer te worden van loverboys.


…………………………………………………………………………………………



Deel 2.3: Lokprofielen



6. ‘Een recent krantenartikel bericht dat er bij de politie Rotterdam-Rijnmond gebruikt worden gemaakt van lokprofielen. Kunt u een beschrijving geven hoe zo’n lokprofiel er ongeveer uitziet?’


…………………………………………………………………………………………


7. ‘Kunt u ook vertellen wat de ervaringen zijn met de lokprofielen (c.q. hebben ze geleid tot de gewenste resultaten en wat waren de gewenste resultaten)?’


…………………………………………………………………………………………

Deel 2.4: Afronding



8. ‘De pilot is sinds 1 april jongstleden afgelopen. Kunt u iets vertellen over de belangrijkste resultaten of bevindingen tijdens deze pilot?’


…………………………………………………………………………………………


9. ‘Hoe denkt u dat de toekomst eruit ziet van de opsporing van digitale loverboys nu de pilot is afgelopen?’


…………………………………………………………………………………………



De volgende punten dienen na het interview toegelicht te worden aan de respondent:

oBedanken voor de deelname.

oVragen om contactgegevens uit te wisselen voor twee doelen:

oMocht de respondent nog vragen hebben, dan kan ik altijd bereikt worden.

oMocht ik nog vragen hebben of mijn resultaten nog voor willen leggen aan de respondent, dan kan ik hem/haar bereiken.


Checklist of de volgende punten doorlopen zijn:

1. Websites/sociale media wat een rol speelt bij de slachtofferselectie.

2. Kenmerken van de profielen van slachtoffers.

3. Vragen op de onderzoeken.

4. Beschrijving lokprofiel en ervaring hiermee.