Completed Bachelor theses assignments

Chatten met een stoere jongen - Jessica Steur


Chatten met een stoere jongen

Een inventarisatie van en theorie toepassing op literatuur omtrent loverboys op het internet en preventiemogelijkheden

Jessica Steur – s1002724
Enschede, mei 2012


Universiteit Twente
Opleiding: Bachelor Psychologie
Begeleiders:
Dr. Ir. Peter de Vries
Dr. Marsha de Vries


“There is nothing quite as practical as a good theory.” - Kurt Lewin

Samenvatting

De digitale loverboy is een tamelijk nieuw begrip en slaat op het werven en exploiteren van meisjes via het internet. In deze studie is een inventarisatie gemaakt van zowel wetenschappelijke als grijze literatuur omtrent de digitale loverboy. De literatuur is op een systematisch wijze verzameld. Er blijken kenmerkende dader- en slachtofferprofielen te zijn, maar ook de seksualisering op het internet en het streven populair te zijn op sociale netwerksites is van belang. De werkwijze van de digitale loverboy is op te delen in grooming-, inlijving- en exploitatiefasen, tevens is er vaak sprake van een crimineelsamenwerkingsverband. Het internet biedt de loverboy veel voordelen, maar kan ook gebruikt worden als opsporings- of preventiemiddel.
De literatuur blijkt strikt beschrijvend en de toegevoegde waarde van deze studie is het toepassen van theorieën op de fasen van het slachtofferproces, evenals op de sociale omgeving en individuele overwegingen van de loverboy. Betreffende het slachtofferproces zijn dit de Sociale Bindingstheorie, de SPF-theorie, de theorie van Psychological Entrapment en Learned Helplessness en het Slachtoffer-Beslissingsmodel. In het geval van de loverboy is gekozen in te gaan op de Subcultuurtheorie, de Sociale Bindingstheorie, de Differentiële Associatietheorie, de Gelegenheidstheorie en de Rationele Keuze theorie. De theorieën bieden een nieuw inzicht op de loverboyproblematiek en kunnen zo mogelijk bijdragen aan de aanpak hiervan. Daarnaast zal een gegrondere theoretische achtergrond het onderwerp loverboys meer aanzien kunnen geven in de wetenschappelijke wereld. Belangrijke implicaties zijn de behoefte aan bepaalde informatie voor loverboyslachtoffers, preventie vanuit de subcultuur van de daders en het verhogen van risico’s en kosten voor de loverboys. Enkele kanttekeningen en aanbevelingen worden verder genoemd.

Summary

In the Netherlands the English word ‘loverboys’ describes pimps who use their seductive skills to exploit young girls as prostitutes. The digital loverboy is a fairly new concept and refers to the recruitment and exploitation of girls over the internet. In this study, an inventory of both scientific and gray literature on the digital loverboy is made. The literature was collected in a systematic manner and shows that there appear to be typical offender and victim profiles, but also the sexualization on the internet and the desire to become popular on social networking sites is important. The methods used by the digital loverboy is divided into grooming-, habituation- and exploitation phases, and the loverboys tend to work together in criminal organizations. The internet offers many advantages to the loverboy, but can also be used as detection- or prevention tool.
Where the literature remains strictly descriptive this study applies theories to the victim phases, as well as to the social environment and individual considerations of the loverboy. On the victimization process the Social Bond Theory, the SPF-theory, the theory of Psychological Entrapment and Learned Helplessness and the model of Crime-Victim Decision Making are applied. In the case of the loverboy the Subculture Theory, the Social Bond Theory, the Differential Association Theory, the Opportunity Theory and the Rational Choice Theory are used. The theories provide a new insight on the loverboy issue and can possibly contribute to address these. In addition, a theoretical background can give the topic of loverboys a better position in the world of science. Important implications are the need for certain information to victims, prevention from inside the subculture of the perpetrators and an increase of the risks and costs for the loverboys. Some comments and recommendations will be mentioned.

Inhoudsopgave

Samenvatting 3
Summary 3
Inhoudsopgave 5

1 Inleiding 7

2 De loverboyproblematiek 8
2.1 Begripsomschrijving 8
2.2 Wettelijke achtergrond 9
2.3 Omvang van de loverboyproblematiek 10
2.4 Popularisering van het internet 10 2.5 Gerelateerde criminaliteit 11

3 Doel- en vraagstelling 13

4 Methode 13

5 Onderzoeksresultaten 16
5.1 Wetenschappelijke literatuur over de digitale loverboy 17
5.2 Grijze literatuur over de digitale loverboy 18
5.3 Daderprofiel 18
5.4 Slachtofferprofiel 21
5.5 Werkwijze van de digitale loverboy 23
5.6 Voordelen van internet voor de loverboy 29
5.7 De aanpak van digitale loverboys 31
5.8 Voorlichting 36
5.9 Andere dan seksuele exploitatie 41 5.10 Jongensprostitutie en lovergirls 41
5.11 Vergelijking wetenschappelijke en grijze literatuur 42
5.12 Toepasbare theorieën 44 5.12.1 Slachtoffertheorieën 44 5.12.1.1 Sociale Bindingstheorie 45 5.12.1.2 SPF-theorie 46 5.12.1.3 Psychological Entrapment en Learned Helplessness 47 5.12.1.4 Slachtoffer-Beslissingsmodel 49 5.12.2 Loverboytheorieën 52 5.12.2.1 Sociale omgeving 53 5.12.2.2 Individuele overwegingen 54

6 Conclusie en discussie 55

6.1 Samenvatting en conclusie 55
6.2 Implicaties van de gebruikte theorieën 57
6.3 Kanttekeningen studie 59
6.4 Aanbevelingen 59

7 Literatuurlijst 61

Bijlage 1: Artikel 273f van Het Wetboek van Strafrecht 69
Bijlage 2: Artikel 248e van Het Wetboek van Strafrecht 70



1 Inleiding

In september 1995 kreeg de Utrechtse politie voor het eerst te maken met loverboys. Er was een groepje Marokkaanse mannen aangehouden die jonge meisjes hadden geworven om ze voor zich in de prostitutie te laten werken. Maar het was hun werkwijze die ze origineel leek te maken: ze bonden meisjes aan zich middels liefde. De rechtszaak trok de aandacht omdat een aantal slachtoffers buiten het gerechtsgebouw stonden met spandoeken ‘Laat onze lieffies vrij’. Pijnlijk ironisch was dat de advocaat van de daders zo’n hoog honorarium verlangde dat de meisjes een maand lang in Amsterdam door moesten werken om zijn rekening te kunnen betalen (Bovenkerk, Van San, Boekhout van Solinge, Boone en Korf, 2006).

Een paar jaar daarna, in maart 2000 kwam het televisieprogramma Tros vermist met een reportage over Grietje Nagelhout en hoe zij in handen was gevallen van een loverboy. Dit was de eerste van een lange serie televisie-uitzendingen en andere media waarmee Nederland vertrouwd werd gemaakt met het verschijnsel van de loverboy. Waar er in 2006 in totaal 23 televisieprogramma’s en honderden artikelen in kranten uitkwamen zouden deze in 2010 meer dan verdubbeld zijn (Bovenkerk en Van San, 2011). Hoewel sommigen van mening zijn dat de term loverboy gewoon pooiers betreft (Bovenkerk en Pronk, 2007), zijn de meeste onderzoekers en praktijkbeoefenaars (o.a. Bullens en Van Horn, 2000; Terpstra en Van Dijke, 2005; hulpverleningsorganisaties Pretty Woman, Meldpunt loverboys) het er over eens dat dit een nieuwe wervingsmethode in de prostitutie is.
In de jaren hierop volgend werd het internet plotseling immens populair en is inmiddels niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Zo ook voor loverboys en daarmee is de term ‘digitale loverboy’ geboren (Zanetti, 2009; 2010). Digitale loverboys werven en exploiteren meisjes via het internet. Door gebrek aan controle en relatieve anonimiteit weet de loverboy hier veel voordeel uit te halen, maar wellicht kan het internet ook een middel zijn om deze problematiek juist aan te pakken. Zo kan in een enkel geval de digitale loverboy opgespoord worden, maar ook voorlichting gericht op slachtoffers, sitebeheerders, daders of ‘klanten’ gaat steeds vaker via het internet.

De verplaatsing van de loverboyproblematiek naar het internet is merkbaar in de wetenschappelijke en grijze literatuur (zie o.a. Zanetti, 2009;2010; Verhoeven, Van Gestel en De Jong, 2011; De Smet en Mahjoub, 2008). Aangezien een inventarisatie hiervan nog ontbreekt en nuttig kan zijn in vervolgonderzoek of bij het plannen van een interventie zal dat als eerste gedaan worden in deze studie. De literatuur is bestudeerd op de deelonderwerpen daderprofiel, slachtofferprofiel, werkwijze, voordelen van internet voor de loverboy, aanpak, voorlichting en varianten op de stereotype loverboyproblematiek. Het blijkt echter dat zowel de wetenschappelijke als grijze literatuur zeer beschrijvend blijft zonder in te gaan op onderliggende motieven en oorzaken. In deze studie zal tevens vanuit enkele theorieën naar zowel de slachtoffer- als daderkant van de digitale loverboyproblematiek worden gekeken. Implicaties en aanbevelingen hiervan worden besproken.

2 De loverboyproblematiek

Alvorens in gegaan wordt op de digitale praktijken van loverboys zal eerst kort en globaal worden behandeld wat een ‘loverboy’ precies is. De achtergrond van de problematiek wordt hier kort besproken, evenals de toenemende rol van het internet.

2.1 Begripsomschrijving

De vraag “Wat is een loverboy?” is ingewikkelder dan deze lijkt. Het begrip is namelijk niet terug te vinden in het Wetboek van Strafrecht. In de literatuur en andere geraadpleegde bronnen wordt gebruik gemaakt van verschillende definities, waardoor nogal eens wat verwarring kan ontstaan. Daarnaast geldt dat er grote onenigheid is over het bestaan van het begrip. Het wordt nogal eens als mediahype (Bovenkerk en Pronk, 2007) of modegevoelig containerbegrip (Verwijs, Mein, Goderie, Harreveld, en Jansma, 2011) zonder echte inhoud omschreven. Eind 2008 werd zelfs het begrip pooierboy ingesteld door de toenmalige minister van Justitie, omdat hij het begrip loverboy te verhullend en vergoelijkend vond. Het begrip pooierboy zou de uitbuiting in de prostitutie beter onderstrepen en bijdragen aan een groter bewustzijn van de ernst van de misdaad in het algemeen en in het bijzonder bij (potentiële) slachtoffers en hulpverleners. Hoewel de overheid nog wel spreekt van pooierboys in plaats van loverboys is het begrip niet overgenomen door professionals en de media. De term miskent namelijk dat het misbruik en de uitbuiting ook andere vormen kunnen aannemen dan prostitutie, bijvoorbeeld drugssmokkel of afpersing (Van der Wiele en De Ruiter, 2011). Op grond van de behandelde studies lijkt het begrip loverboy niet zozeer te slaan op de identiteit of het beroep van de souteneur of mensenhandelaar, maar op een bepaalde methode van werken. De loverboy onderscheidt zich van andere mensenhandelaren door zijn specifieke werkwijze, doordat hij in Nederland (of België) werkt en zich vooral richt op minderjarige slachtoffers (Verwijs, et al. 2011). Het blijkt echter dat de loverboyproblematiek ook bij grensoverschrijdende mensenhandel voorkomt. Zo zijn in bijvoorbeeld Estland en Oekraïne loverboytechnieken gerapporteerd (Van den Borne en Kloosterboer, 2005; Nationaal Rapporteur mensenhandel, 2010; O’Briain, Van den Borne en Noten, 2004). Zanetti en Kanters (2009) hebben de volgende, ook in deze studie gehanteerde, definitie van een loverboy opgesteld:

Loverboys zijn mensenhandelaren die vrouwen en/of mannen doelbewust emotioneel afhankelijk maken door (de belofte van) het aangaan van een liefdesrelatie en hen vervolgens - via dwang, (dreiging met) geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie van deze vrouwen of mannen - uit te buiten, veelal in de prostitutie.

Deze definitie is werkbaar bevonden voor politie en justitie, omdat het een invulling is van het artikel mensenhandel (artikel 273f Wetboek van Strafrecht, zie hiervoor bijlage 1).

2.2 Wettelijke achtergrond

Sinds 1911 is prostitutie toegestaan in Nederland en in 2000 is het verbod op souteneurschap verwijderd uit het Wetboek van Strafrecht (Bovenkerk en Van San, 2011). Dit is het gevolg van een emancipatiecampagne van prostituees die streden voor hun rechten en heeft gezorgd voor een decriminalisatie en normalisatie van het beroep (Van der Poel, 1995). De Nederlandse prostitutiekwestie wordt door sommigen zelfs gezien als een zaak van de postmoderne moraal, dat wil zeggen als gevolg van bureaucratische behoefte aan regulering en subjectieve ervaringen van de betrokken personen (Bouttelier, 1991). Dit geeft echter problemen bij de prostituees die niet zelfstandig kiezen voor hun baan, zoals drugsverslaafden of loverboyslachtoffers. Zo lang prostituees boven de achttien en Nederlandse burger zijn of een verblijfsvergunning hebben en zij geven hun verdiensten af aan een ander, handelen zij in principe niet in strijd met de wet. De politie kan alleen actie ondernemen als er een geweldsprobleem is, bijvoorbeeld mishandeling. Lange tijd hebben politie en justitie alleen zaken serieus genomen waarbij slachtoffers aangifte deden (en daarbij bleven) waarbij fysieke dwang en mishandeling bewijsbaar was. In de praktijk kan er dus vaak nauwelijks iets gedaan worden. Nu zijn er in 2005 met de introductie van artikel 273f meer kansen geschapen om loverboys te vervolgen (Bovenkerk en Pronk, 2007; voor het artikel zie bijlage 1). De delictsomschrijving van mensenhandel is nu ruimer, zodat ook vormen van dwang en overwicht die niet tot uiting komen in fysieke mishandeling aangepakt kunnen worden. Tevens zijn aanwijzingen vaak al bruikbaar. Tot nu toe hebben echter nog maar heel weinig loverboys de strafrechter hoeven trotseren. Zo vermoeden Bovenkerk en Pronk (2007) dat dit er maar ongeveer vijf per jaar zijn.

2.3 Omvang van de loverboyproblematiek

Het loverboyprobleem bleek geen mediahype te zijn. Uit cijfers van CoMensha (2011) blijkt dat alleen al in het jaar 2010 in totaal 210 loverboyslachtoffers geregistreerd waren van de 993 slachtoffers van mensenhandel in het algemeen. In het jaar 2009 waren deze cijfers nog respectievelijk 119 van de 909 (CoMensha, 2010). Ondanks deze toename van 76,5% is dit hoogst waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg. Zo blijkt uit onderzoek van Van den Borne en Kloosterboer (2005) dat in 48,5% van jeugdprostitutie sprake is van loverboyproblematiek en betoogt Stichting Kleinschalige Zorg dat het echte aantal loverboyslachtoffers rond de zesduizend schommelt (Nu.nl, 2011). De precieze omvang van de loverboyproblematiek kan om meerdere redenen niet worden achterhaald. Ten eerste is voor sommige instanties onduidelijk wat een loverboy precies is, waardoor deze zaken niet mee worden genomen in de registratie. Ten tweede wordt het fenomeen loverboy door veel korpsen en het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (het EMM ) niet erkend of niet apart geregistreerd en daardoor niet als zodanig geteld. Ten derde is er een summiere aangiftebereidheid bij slachtoffers. Als verklaring daarvoor wordt het misdrijf niet labelen als misdrijf, angst, het gevoel onrechtvaardig behandeld te zijn, schaamte, schuldgevoelens en hun verwachting of de politie hen kan beschermen genoemd (Rood Utrecht, 2009; Doornbos, 2006; Algemeen Dagblad, 2009). En als laatste vindt er geen optimale kennisuitwisseling plaats tussen betrokken instanties, waardoor er tevens kans op overlap bestaat (Zanetti en Kanters, 2009). Naast deze beperkingen komt er nog bij dat de cijfers voorzichtig geïnterpreteerd moeten worden. Enerzijds, wat al eerder is aangekaart, zal lang niet ieder slachtoffer aangifte doen wat tot een onderschatting van het probleem kan leiden (CoMensha, 2011). Anderzijds zou een toename van het aantal gemelde slachtoffers onder meer verklaard kunnen worden door toegenomen aandacht voor mensenhandel en verhoogde opsporingsinspanningen van politie en justitie (NRM, 2010).

2.4 Stijging van het internetgebruik

Internet maakt het mogelijk om op meerdere manieren te communiceren met anderen, denk aan chatten en e-mailen met collega’s en vrienden. Sociale netwerk sites zijn een veelgebruikte vorm van online mogelijkheden voor het communiceren en onderhouden van relaties. Dat internet de laatste tien jaar enorm populair is geworden onder jongeren zal niemand verbazen. Uit cijfers van het sociale media onderzoek van Comscore (2012) blijkt bijvoorbeeld dat 5,9 miljoen Nederlanders een Hyvesprofiel had in januari 2012. Verder komt naar voren dat er in 2008 dagelijks ruim zestien miljoen gesprekken werden gestart via MSN in Nederland (De Smet en Mahjoub, 2008). Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat 70% van de 12 tot 17 jarigen beschikt over een eigen computer of laptop, waarvan de meerderheid deze in zijn of haar slaapkamer heeft staan; dat bijna 80% van de tieners minstens vier maal per week online is; en dat 34% van de jongeren geen beperkingen opgelegd krijgt door ouders aangaande online gedrag. Ook voelen minderjarigen zich bijzonder aangetrokken tot profielsites. Ze willen zoveel mogelijk ‘vrienden’, want dit geeft aanzien. Ze geven veel informatie over zichzelf prijs en dat maakt hen bijzonder kwetsbaar (De Smet en Mahjoub, 2008).

De stijging van het internetgebruik lijkt verdere consequenties te hebben, waaronder verandering in de omgangsvormen tussen mensen. Zo blijkt dat het ontmoeten van nieuwe mensen op internet voor jongeren volstrekt normaal is: de helft van de jongeren is wel eens verliefd geweest op iemand die ze hebben leren kennen op internet en 42% heeft wel eens een afspraakje gemaakt met een contact van het internet (Pardoen en Pijpers, 2006). Maar ook de seksualisatie op het internet is merkbaar (Bovenkerk en Van San, 2011). Nederlandse jongeren krijgen regelmatig seksueel getinte vragen via het internet: 72% van de jongens en 83% van de meisjes, waarop maar liefst respectievelijk 77% en 31% antwoord geven. Ook een verzoek om een seksuele handeling te verrichten voor de webcam is niet zeldzaam: 57% van de meisjes en 40% van de jongens heeft dit al eens meegemaakt. In 79% van de gevallen kwam dit verzoek van een onbekende. Een schrikbarende 11% van de meisjes en 39% van de jongens geeft gehoor aan een dergelijk verzoek. Beide geslachten geven in 6% van de gevallen aan dat zij (mogelijk) zijn gefilmd. Van de 42% van de meisjes die een afspraakje heeft gehad met iemand van het internet zegt één op de tien dat ze tijdens deze afspraak tot seks gedwongen werd (De Graaf en Vanwesenbeeck, 2006).
In de prostitutie is de toename van het internetgebruik ook merkbaar. Zo speelt virtuele bemiddeling en exploitatie via internet een steeds belangrijkere rol (Goderie, Spierings en Ter Woerds, 2002).

2.5 Gerelateerde criminaliteit

De digitale loverboy problematiek is een zeer specifieke categorie binnen de criminaliteit die overeenkomsten heeft met andere misdaadcategorieën. Uit de definitie van een loverboy (Zanetti en Kanter, 2009) blijkt al dat het eigenlijk om mensenhandel gaat. Het groomen van, vaak minderjarige, meisjes via het internet valt echter weer onder cybercrime. Beide soorten criminaliteit zullen kort worden toegelicht.

Mensenhandel is een vorm van moderne slavernij (Rijksoverheid). Het is een ernstige schending van de mensenrechten en een zeer zware vorm van criminaliteit. Mensenhandel kenmerkt zich door mensen (on)vrijwillig en onder mensonterende omstandigheden te laten werken en daarvan te profiteren, vaak door het afnemen van inkomsten. Uitbuiting gaat vaak gepaard met dwang, geweld, chantage en misleiding. Vormen van mensenhandel variëren van manipulatie en misbruik door loverboys tot handel in menselijke organen en arbeidsuitbuiting. Mensenhandel voor gedwongen prostitutie is het bekendst. Daarbij lokken pooiers buitenlandse vrouwen onder valse voorwendselen naar Nederland, waar ze deze vrouwen verplichten om als prostituee te werken. De overheid probeert door intensieve opsporing en een harde aanpak van daders het aantal gevallen van mensenhandel sterk terug te dringen.
Onderzochte mensenhandel in Mexico komt dicht in de buurt van de loverboyaanpak (Zhang, 2011). Pooiers daar werven vrouwen door middel van ‘persuasion’, ‘flirtation’ en andere manipulatieve truckjes om haar de prostitutie in te krijgen. Het systeem wordt onderhouden als een waar bedrijf.

Cybercrime is een opkomende vorm van criminaliteit, waarbij gebruik wordt gemaakt van ICT(Rijksoverheid). Het wordt ook wel hightech crime genoemd. Cybercrime is te verdelen in twee categorieën: cybercriminaliteit en computercriminaliteit. Als de criminaliteitsvorm ook zonder ICT gepleegd kan worden spreken we van cybercriminaliteit. De computer is slechts een middel om de misdaad uit te voeren. De digitale loverboy is hier een voorbeeld van. Wanneer het strafbare feit zonder ICT niet kan bestaan is er sprake van computercriminaliteit. ICT is dan niet alleen het middel, maar ook het doel van de misdaad. Een voorbeeld hiervan is het inbreken in een computernetwerk (hacking). Er bestaan verschillende soorten cybercrime, waaronder seksueel benaderen van minderjarigen (grooming), misbruik van persoonlijke gegevens, internetfraude waarbij een internetgebruiker via een vervalste website of e-mail om persoonlijke gegevens wordt gevraagd (phishing), verspreiden van kinderporno, haat zaaien en aanzetten tot terrorisme en platleggen van computernetwerken. Politie, justitie, opsporings- en inlichtingendiensten hebben Meldpunt Cybercrime (MCC) opgezet. Hier kan melding worden gemaakt van vreemde zaken op websites, chatboxen of fora.
Onderzoek binnen beide onderwerpen zou kunnen bijdragen aan een beter begrip en een effectievere aanpak van digitale loverboys.

3 Doel- en vraagstelling

Deze studie heeft twee doelen. Allereerst zal een inventarisatie van de wetenschappelijke en grijze literatuur betreffende de digitale praktijken van loverboys worden gemaakt. Een overzicht als dit ontbreekt nog en kan nuttig zijn in vervolgonderzoek of bij het plannen van een interventie. De uitstap naar grijze literatuur is gemaakt, omdat er zeer weinig informatie over dit onderwerp beschikbaar is in de wetenschappelijke literatuur alleen en zo belangrijke praktijkkennis wordt meegenomen. Door de nadruk op de praktijk wordt ook de preventierol van internet meegenomen. Het tweede doel betreft het toevoegen van een theoretische achtergrond op de slachtoffers en daders van loverboypraktijken. Zowel de wetenschappelijke als grijze literatuur blijft zeer beschrijvend zonder in te gaan op onderliggende motieven en oorzaken. Een goede theorie zal inzicht kunnen bieden in dit relatief nieuwe onderwerp en kan op die wijze bijdragen aan de aanpak van het probleem. Enkele implicaties worden behandeld. Tevens zal een gegrondere theoretische achtergrond het onderwerp ‘loverboys’ wat meer aanzien kunnen geven in de wetenschappelijke wereld.

Om inzicht te verkrijgen in de digitale loverboyproblematiek zijn er enkele onderzoeksvragen opgesteld:

• Wat is er bekend in de wetenschappelijke literatuur over de digitale loverboy?
• Wat is er bekend in de grijze literatuur over de digitale loverboy?
• Welke theorieën zijn toepasbaar op de stadia die het loverboyslachtoffer doorloopt?
• Welke theorieën zijn toepasbaar op de individuele- en omgevingsdeterminanten van de digitale loverboy?

4 Methoden

Om een onderscheid tussen wetenschappelijke en grijze literatuur te maken moeten beide allereerst worden gedefinieerd. Onder wetenschappelijke literatuur worden de publicaties verstaan die empirisch en theoretisch werk in de wetenschap rapporteren. Artikelen uit wetenschappelijke journals vallen hier onder, evenals boeken uitgegeven door wetenschappelijke uitgeverijen (vaak een universiteitsuitgeverij) en proefschriften. De inhoud moet aan bepaalde wetenschappelijke eisen voldoen, bijvoorbeeld de APA regels, en moet door anderen met een gelijkaardige voorkennis gecontroleerd zijn (peer review). Onder grijze literatuur worden de documenten die niet formeel worden uitgegeven of commercieel verkrijgbaar zijn verstaan. Te denken valt aan rapporten, papieren van interne organisaties, scripties, maar ook documenten op bepaalde websites enzovoort. De scheidslijn is soms dun. In zo’n geval is op basis van inschatting een indeling gemaakt. Ook wordt omwille van de leesbaarheid in een enkel geval de striktheid van de indeling verwaarloosd.

Relevante literatuur ten aanzien van mensenhandel, pooierschap en prostitutie in het algemeen en de (digitale) loverboyproblematiek in het bijzonder, seksuele omgangsvormen (van jongeren) op het internet en internet als preventie- en voorlichtingsmiddel tegen loverboys, is bestudeerd en verwerkt. Krantenartikelen en documenten zijn geïnventariseerd, evenals informatie op relevante websites. Ook overheidsrapporten en -handleidingen zijn meegenomen. Deze inventarisatie is gemaakt door in verschillende databasen van de bibliotheek van de Universiteit Twente, Google Scholar, Google, digitale archieven van kranten en op relevante sites te zoeken. De zoektermen ‘loverboy’, ‘pooierboy’, ‘internet’, ‘mensenhandel’, ‘human trafficking’, ‘prostitution’, ‘prostitutie’, ‘pimp’, ‘digitaal’, ‘victimization’, ‘social media’, ‘mass media’, ‘abuse’, ‘sexual abuse’ en ‘child abuse’ zijn apart of in onderlinge combinaties gebruikt. Door de afwezigheid van criminologische journals in de databasen van de Universiteit Twente is apart op een internationale journalverzamelwebsite gezocht. Dit betrof SpringerLink die een verzameling van 2,742 journals heeft, waarvan zestien met het onderwerp criminologie. Op deze wijze zijn alsnog 6 relevante artikelen gevonden. Hiernaast is nog de Internet Journal of Criminology geraadpleegd. Ook artikelen horend bij relevante verwijzingen in eerder gevonden artikelen zijn opgezocht en gebruikt. Jurisprudentie en kamerstukken over dit onderwerp zijn summier geraadpleegd via het internet. De literatuur is bestudeerd op de deelonderwerpen daderprofiel, slachtofferprofiel, werkwijze, voordelen van internet voor de loverboy, aanpak, voorlichting en varianten op de stereotype loverboyproblematiek.

Allereerst is de wetenschappelijke literatuur beschreven. In totaal zijn er 23 artikelen en 12 (e-)boeken bruikbaar gebleken. De precieze tijdschriften waaruit de artikelen afkomstig zijn, zijn weergegeven in tabel 1. Het Verwey Jonker Instituut, het Sociaal en Cultureel Planbureau en de Rutgers Nisso Groep geven een eigen tijdschrift uit. Deze organisatie voeren wetenschappelijk onderzoek uit en zijn daarom bij deze literatuurcategorie ingedeeld.

Tabel 1 Tijdschriftbronnen

Tijdschrift

Aantal artikelen gevonden

Recht en veiligheid – Verwey Jonker Instituut

5

Crime, Law & Social Change

3

Rutgers WPF - Rutgers Nisso Groep

3

Justitiële verkenningen

2

Crime Media Culture

1

Tijdschrift voor de Politie

1

Tijdschrift voor Seksuologie

1

Psychology and Health

1

Proces

1

Cahier Politiestudies

1

Tijd, Media en Cultuur – Sociaal en Cultureel Planbureau

1

Sex Abuse

1

Criminal Law Review

1

European Journal on Criminal Policy and Research

1

Betreffende de grijze literatuur zijn vooral documenten van instanties uit Utrecht en Rotterdam gebruikt. In Rotterdam houdt politiekorps Rotterdam-Rijnmond zich intensief bezig met de digitale loverboy en in Utrecht is de hulporganisatie Pretty Woman actief. Ook beschikbare informatie van het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) is behandeld. Evenals plannen van de overheid en enkele scripties die interessante invalshoeken bieden.
Er is voor gekozen de wetenschappelijke en grijze literatuur per onderwerp na elkaar weer te geven omwille van het leesgemak. Onderzoeksvraag 1 en 2 worden dus wisselend behandeld.

Verder is er gezocht naar psychologische en criminologische theorieën die te koppelen zijn aan de digitale loverboyproblematiek. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen slachtoffers en daders. De toegepaste theorieën zijn verzameld door de eerder gebruikte literatuur te scannen op theorieën, door twee boeken die sociale en criminologische theorieën behandelen te raadplegen (Siegel, 2010; Kassin, Fein en Markus; 2008) en door artikelen te zoeken die gericht zijn op een gerelateerd onderwerp. Gezocht is naar gewelddadige afhankelijkheidsrelaties, mensenhandel, mishandelde vrouwen, hulpeloosheid, criminaliteit, daders en entrapment in de digitale universiteitsbibliotheek en Google Scolar. Alle termen zijn zowel in het Engels als in het Nederlands ingevoerd. In totaal zijn er achttien relevante theorieën gevonden, waarvan er negen toegepast worden op de uitgebreide slachtofferstadia van de organisatie Pretty Woman en op de individuele- en omgevingsdeterminanten van de loverboy.

5 Onderzoeksresultaten

Uit een tweejarige analyse van Bureau Jeugdzorg Twente blijkt dat er door de komst van het internet een explosieve stijging van loverboyslachtoffers heeft plaatsgevonden (Nu.nl, 2009). Precieze cijfers over de omvang van digitale werving van slachtoffers (hierna grooming genoemd) zijn niet bekend omdat de manier van werving nergens wordt bijgehouden, maar de omvang lijkt groter dan eerder gedacht. Zo komt uit dossieronderzoek van Zanetti (2009) naar voren dat de helft van de loverboyslachtoffers via sociale netwerk sites, chatsites en internetfora is geworven en geëxploiteerd. Ook andere onderzoekers concluderen dat internet de nieuwe ‘ontmoetingsplek’ is voor loverboys en hun slachtoffers (Verhoeven, Van Gestel en De Jong, 2011; Verwijs et al., 2011; Boutellier, 2006; Van Jole, 2001). Om aan te tonen dat het internet zeer geschikt is voor grooming van slachtoffers heeft Zanetti (2009) een lokprofiel op enkele sites gezet om loverboys te lokken. Het aantal reacties was overwelmend: op Sugababes/Superdudes waren dit er 135 en op PartyPeeps2000 13, waarvan sommige voorstellen erg direct waren: “Wil je als hoer voor me werken?”. Volgens Bovenkerk en Van San (2011) waren zij actief in hetzelfde type hawking (prooi selecteren en toeslaan) als pedofielen op het internet.
Het anonieme karakter van het internet verlaagt de drempel en biedt loverboys meer werkmogelijkheden (De Smet en Mahjoub, 2008). Naast grooming van slachtoffers kan internet gebruikt worden voor virtuele prostitutie of exploitatie van slachtoffers. Bij virtuele prostitutie wordt het internet gebruikt om zich zonder fysiek contact te prostitueren (De Smet en Mahjoub, 2008). Bij exploitatie van slachtoffers worden meisjes geadverteerd op bepaalde sites (Zanetti, 2009; 2010).

Pas in 2009 is door Zanetti (2009;2010) voor het eerste expliciet onderzoek gedaan naar de manier waarop loverboys gebruik maken van internet. Hiervoor, en vaak nog steeds, betrof het een zogenoemde blinde vlek voor politie en justitie. Sinds de introductie van de term ‘digitale loverboy’ is er meer aandacht voor dit middel. De opbouw van de onderzoeksresultaten is als volgt: allereerst zal ik de wetenschappelijke en grijze literatuur over loverboys en internet toelichten per deelonderwerp om vervolgens verschillende theorieën toe te passen op zowel het slachtoffer als de loverboy. De deelonderwerpen betreffen het daderprofiel, slachtofferprofiel, werkwijze, voordelen van internet voor de loverboy, aanpak, voorlichting en varianten op de stereotype loverboyproblematiek.

5.1 Wetenschappelijke literatuur over de digitale loverboy

De digitale loverboy is een tamelijk nieuw begrip en er is nog maar weinig wetenschappelijke literatuur beschikbaar dat specifiek ingaat op dit onderwerp. Er zijn echter wel artikelen en boeken verschenen over loverboys is het algemeen, pooierschap, mensenhandel en de gevaren van internet. In veel van deze artikelen wordt ook aandacht besteed aan de digitale loverboy, of de term nou expliciet gebruikt wordt of niet.

Zanetti (2009; 2010) was de eerste die specifiek onderzoek deed naar de digitale praktijken van loverboys. Zij heeft een kwalitatief onderzoek uitgevoerd, waarbij zij de jurisprudentie, de theorie uit de toen beschikbare literatuur en de berichten uit de media vergeleek met praktijkervaringen van politie, justitie, gemeente, hulpverlening, slachtoffers, jongeren, Internet Service Providers, kennisbureaus en consumentenorganisaties. Aan Zanetti’s onderzoek wordt dan ook vaak gerefereerd in deze studie. Sindsdien hebben Verhoeven, Van Gestel en De Jong (2011) in hun onderzoek naar mensenhandel in de Amsterdamse raamprostitutie ook tamelijk wat aandacht besteed aan de digitale loverboy. Zij hebben een opsporingsonderzoek bestudeerd waarbij het internet een expliciete rol speelt voor loverboys bij het leggen van nieuwe contacten met vrouwen. In dit onderzoek maakten verdachten gebruik van netwerksites als Hyves, Superdude, Netlog en Partyflock, waarmee ze door middel van foto’s en andere informatie indruk willen maken op meisjes. Door middel van een geplaatste internettap kon de communicatie tussen de loverboy en zijn slachtoffer worden onderzocht. In 5.5 en 5.7 wordt hier verder op in gegaan. Ook uit andere opsporingsonderzoeken zijn aanwijzingen gevonden dat het internet wordt gebruikt om contact te leggen met slachtoffers of voor het uitbouwen van bestaande contacten (Verhoeven, Van Gestel en De Jong, 2011)

In België houdt de (digitale) loverboy onderzoekers ook bezig. Zo hebben De Smet en Mahjoub (2008) literatuuronderzoek, terreinbezoeken, rondetafelgesprekken en individuele interviews door middel van een gestructureerde vragenlijst gedaan om zoveel mogelijk informatie te verzamelen over prostitutie door minderjarigen en internetgebruik. Dit onderzoek zal worden toegelicht in 5.5. Naast deze belangrijke onderzoeken is er een redelijk aantal artikelen die óf over loverboys, mensenhandelaars, pooierboys of prostitutie gaan en de rol van internet kort bespreken, óf over internet gaan en de gevaren van loverboys kort bespreken.

5.2 Grijze literatuur over de digitale loverboy

Naast de wetenschappelijke literatuur komt de digitale loverboy ook, en misschien wel vaker, terug in de grijze literatuur. Zo is er in het politiekorps Rotterdam-Rijnmond een heel managementrapport aan gewijd: ‘Analyse loverboys op internet’. Het is geschreven door Zanetti, die het begrip ‘digitale loverboy’ in de wetenschappelijke wereld heeft geïntroduceerd, en Kanters, een onderzoeker binnen het korps. Zij hebben interviews afgenomen binnen de hulpverlening en politie en dossieronderzoek gedaan. Veel van Zanetti’s (2009) eerdere onderzoek komt hier dus terug, echter is dit rapport vanuit een praktisch oogpunt geschreven. Zoals de onderzoekers zelf aangeven: “Alhoewel een analyse is gemaakt over een (inter)nationaal probleem, vormen de onderzoeken die gedaan zijn door de afdeling Eenheid Vreemdelingen Politie (‘de EVP’), van het korps Rotterdam-Rijnmond het uitgangspunt. Naar aanleiding van deze analyse zijn er […] aanbevelingen geformuleerd voor de politie en de ketenpartners. Deze zijn verwerkt in […] strategische notities.” Het rapport is onderdeel van de Rotterdamse pilot “Loverboys zijn laffe boys” die loopt tot april 2012, waarbij de nadruk ligt op het gebruik van internet.
Tevens zijn de onderzoeken verricht door de organisatie Pretty Woman in het komende overzicht van belang. Zij gebruiken hun slachtofferprofielen en slachtofferfasen uitvoerig in de praktijk. Verder staat er informatie op talloze sites en zijn er enkele campagnes gevoerd om meisjes te waarschuwen voor de gevaren van loverboys op het internet. Binnen de grijze literatuur zal verwezen worden naar politierapporten, overheidsrapporten, websites, rapporten van hulpverleningsorganisaties, scripties, campagnes enzovoort. De grijze literatuur is voornamelijk praktijkgericht.

5.3 Daderprofiel

Wetenschappelijke literatuur
Volgens Zanetti (2009) is er geen sprake van een ander dader- (en slachtoffer-) profiel indien het internet wordt ingezet voor het groomingsproces. Gegevens als leeftijd, geslacht, afkomst, opleidingsniveau, gezinssituatie, nare (seksuele) ervaringen en het hebben van een strafblad komen overeen met de profielen die eerder door Terpstra en Van Dijke (2005), Bullens en Van Horn (2000) en Bovenkerk et al. (2006) zijn geschetst. Zo blijkt dat (digitale) loverboys jong zijn: 81% is tussen de 18 en 30 jaar (Terpstra en Van Dijke, 2005). Uit hetzelfde onderzoek en uit het onderzoek van Bovenkerk et al. (2006) en Zanetti (2009), blijkt dat de onderzochte loverboys allen reeds een strafblad hadden. Na het plegen van diefstal, het uitvoeren van overvallen en het handelen in drugs is het pooierschap populair geworden vanwege de lage pakkans en de geringe straffen. De daders gaan uitermate calculerend te werk (Bovenkerk en Pronk, 2007). Verder blijkt uit een persoonlijkheidsonderzoek van Hoogeboom, Giebels en Bakker (2010) dat er aanwijzing voor is dat loverboys voornamelijk gekenmerkt worden door een bazige, heerszuchtige, egocentrische en autoritaire persoonlijkheid.
Het onderzoek van Zanetti (2009) dat gericht is op internet vindt geen overheersende rol van allochtone (overwegend Marokkaanse) Nederlanders die in de bovenstaande literatuur wel is gevonden. De meerderheid van de loverboys die via het internet hebben geworven zijn Surinaams en Antilliaans. De loverboys die via het internet exploiteerden waren over het algemeen autochtoon, Surinaams en Antilliaans. Bovendien werkten daders van verschillende etnische achtergronden samen (Zanetti, 2009). Resultaten van Van den Broek en Keuzenkamp (2008) bieden wellicht een verklaring voor het verschil in gevonden nationaliteiten van loverboys die wel of geen internet gebruiken. Zij vonden dat allochtone jongeren evenveel gebruik maken van internet als autochtone jongeren, maar dat zij vaak beperkter beschikking hebben over internet. Dit kan digitaal groomen in de weg staan. Daarnaast bleek dat allochtone jongeren minder gebruik maken van sociale netwerksites en minder informatie prijs geven.
De digitale loverboy brengt echter wel de mogelijkheid mee tot verbreding van de markt (Zanetti, 2009). Wanneer mannen niet de leeftijd, status, het uiterlijk of de sociale vaardigheden hebben van een voor jonge vrouwen aantrekkelijke man maken zij op het internet een grotere kans. Een profiel is immers naar wens aan te passen. Zo beweren Bovenkerk en Van San (2011) dat de veroordeelde loverboys waarbij zij interviews hebben afgenomen “juist helemaal niet knap” waren.
Als verklaring voor de overeenstemming van profielen noemt Zanetti (2009) dat het internet met name een uitbreiding van middelen betreft in plaats van een verandering van profiel. Dit is ook in overeenstemming met de eerdere aanname dat loverboys hun slachtoffers wellicht meer dan voorheen op het internet werven, maar ook nog steeds andere methodes gebruiken.

Gerelateerd aan de loverboyprofielen hebben Van der Hulst en Neve (2008) daderprofielen opgesteld voor groomers. Zij definiëren grooming als een seksuele toenadering van minderjarigen door een volwassen persoon via chatsites en webcams, die zich daarbij in eerste instantie voordoet als leeftijdgenoot. Daderkenmerken komen gedeeltelijk overeen met die van kinderporno uitwisselaars. Aangezien loverboyslachtoffers vaak minderjarig zijn, zijn er wellicht overeenkomsten. Van der Hulst en Neve (2008) vonden dat groomers vaak autochtone mannen, tussen de 23 en 58 jaar zijn die niet zelden slachtoffers chanteren via MSN tot het verrichten van seksuele handelingen voor de webcam. Later gaat hij vaak over op mobiele telefonie. Algemene internetchatrooms zijn ook populair bij groomers (Gillespie, 2001). Het verschil met loverboys is dat de primaire motivatie van groomers seksuele stimulatie is (Van der Hulst en Neve, 2008), waar loverboys vooral geld verdienen als doel hebben (Zanetti, 2009). Webb, Craissati en Keen (2007) hebben internet zedendelinquenten vergeleken met kindermisbruikers en concluderen dat de internet zedendelinquenten meer psychologische problemen hebben.

Grijze literatuur
Uit de ervaringen van het KLPD en de politie Utrecht blijkt dat loverboys tevens vaak zelf te kampen hebben gehad met een problematische jeugd, vergelijkbaar met die van het slachtoffer beschreven door Zanetti (2009; Zanetti en Kanters, 2009). Een Utrechtse rechercheur waarmee gesproken is volgt sommige loverboys al jaren en geeft aan dat zij ziet dat de meeste een slechte thuissituatie zonder een echt rolmodel hebben gehad. Ook de rechercheur van het Kinderporno team van het KLPD onderschrijft dit. Hij maakt een link met de achtergrond van pedofielen. Loverboys en pedofielen hebben zijns inziens namelijk vaak dezelfde problematische achtergrond als het slachtoffer. Dat deze en de bij wetenschappelijke literatuur eerder genoemde dadereigenschappen een grote kans hebben erg te kloppen blijkt wel uit Garniers (2007) bacheloronderzoek. Zij deed onderzoek naar het denkbeeld van mannelijke adolescenten over loverboys door middel van een spel, waarbij verschillende vragen beantwoord moesten worden. De vragen peilden het heersende denkbeeld onder mannelijke adolescenten over moderne vormen van prostitutie in de Nederlandse jongerencultuur en de respondenten hadden een soortgelijke achtergrond als het profiel waaraan loverboys veelal voldoen (Van Dijke en Terpstra, 2005; Terpstra et al., 2005; Zanetti, 2009; 2010). Er bleek dat vijf van de zeven respondenten aangaf loverboys te kennen en dat drie van de zeven respondenten zelf nagedacht heeft om loverboy of pooier te worden.

Samenvattend blijkt dat loverboys over het algemeen jong zijn, al een strafblad hebben, een autoritaire persoonlijkheid hebben en afkomstig zijn van verschillende etnische achtergronden. Tevens heeft het prototype digitale loverboy een problematisch jeugd gehad, overeenkomend met die van het slachtoffer. Naast de daders hebben ook de slachtoffers een kenmerkend profiel.

5.4 Slachtofferprofiel

Wetenschappelijke literatuur
Een prototype slachtofferprofiel bestaat niet, echter zijn er wel risicogroepen. Uit dossieronderzoek van Zanetti (2009) bleek dat de slachtoffers die via internet werden geworven tussen de 14 en 22 jaar waren. Relatief veel slachtoffers zijn laagopgeleid, vroegtijdig van school gegaan of hebben een (licht) verstandelijke beperking (Zanetti, 2009; Bullens en Van Horn, 2000; Venicz en Vanwesenbeeck, 1998). Dit gegeven past bij de bevindingen van De Smet en Mahjoub (2008) dat meisjes uit beroeps- en buitengewoon onderwijs vaker risicogedrag vertonen. Uit Zanetti’s (2009) dossieronderzoek blijkt tevens dat alle via internet geworven meisjes een probleemjeugd/problematische thuissituatie hebben gekend, waarbij vaak sprake was van seksueel misbruik of grensoverschrijdend seksueel gedrag. Ook De Smet en Mahjoub (2008) vonden dat slachtoffers vaak minder populaire meisjes zijn met veel problemen: ruzies binnen het gezin, echtscheidingen, overlijden van één van de ouders, moeilijkheden op school, enzovoort. Een andere risicogroep zijn AMA-meisjes: Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers. Zij zijn een extra kwetsbare groep, omdat de steun van familie bij hen ontbreekt (Terpstra en Van Dijke, 2005). In haar kwetsbaarheid valt het hierboven beschreven prototype meisje dan voor de aandacht van een loverboy. Het vermoeden heerst dat loverboys bewust op zoek gaan naar dit type meisjes, daar zij gemakkelijker over hun eigen grenzen zullen gaan. Via het internet gaat het zoeken naar deze meisjes alleen nog maar makkelijker: door middel van chatten of profielinformatie is sneller te doorgronden of een meisje licht verstandelijk beperkt is en of zij problemen thuis heeft. De etniciteit van de slachtoffers varieert sterk, net als bij de daders (Zanetti, 2009).

Een bijkomend probleem is de seksualisering op de sociale netwerksites en in chatboxen. Uit onderzoek van De Graaf en Vanwesenbeeck (2006) blijkt dat bijna elke jongere seksueel wordt benaderd op het internet. Daarnaast hebben ze uit hun onderzoek geconcludeerd dat kwetsbare meisjes, meisjes die negatieve gebeurtenissen en seksueel misbruik hebben meegemaakt in hun jeugd, meer ongewenste seksuele ervaringen op het internet meemaken. Ook vertonen zij eerder risicogedrag door bijvoorbeeld in het echt af te spreken. Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat meisjes om sociale beperkingen te compenseren vaker op seksuele verzoeken ingaan op internet en vaker aangeven dat ze iets vervelends hebben meegemaakt op dit gebied. Ook Zanetti (2009) stelt dat kwetsbare, onzekere meisjes via internet vaak meer durven en daardoor ook een gemakkelijkere prooi zijn voor loverboys. Controle van ouders blijkt dan weer de kans op vervelende seksuele ervaringen op het internet te verkleinen (De Graaf en Vanwesenbeeck, 2006). Enkele componenten kunnen dus in het geval van internet nog een risicoverhogende of -verlagende rol spelen.

Meisjes van loverboys die al achter de ramen staan zijn vaak te herkennen aan een tatoeage met de naam van hun loverboy, aldus verschillende politiemensen. De slachtoffers zouden een tattoo krijgen op hun achttiende verjaardag. Het is niet bekend of dit ook het geval is bij meisjes die alleen via het internet werken, maar de kans wordt groot geacht (Bovenkerk et al. 2006).

Grijze literatuur
Van den Borne en Kloosterboer (2005) hebben een onderzoek uitgevoerd voor ECPAT, Defence for Children, Unicef en Plan Nederland om beter in beeld te krijgen hoe handel in minderjarigen in Nederland eruit ziet en hoe minderjarigen daartegen beschermd worden. Ze vonden dat van de meisjes die in de prostitutie belanden ongeveer bij de helft (48,5%) sprake is van loverboyproblematiek en dat de meeste loverboyslachtoffers van Nederlandse afkomst zijn (36,8%). De onderzoekers hebben een database samengesteld uit interviews met uitgebuite minderjarigen en 75,3% van de Nederlandse meisjes hieruit heeft te maken met loverboys.
Er lijkt een verband te zijn tussen de slachtoffers en het aantal online vrienden of kudo’s (respectbetuigingen) dat iemand krijgt op sociale netwerksites. Uit Brits onderzoek van Smallwoord blijkt dat met name vrouwen hun eigenwaarde laten afhangen van het aantal vrienden op sociale netwerksites (Telegraaf, 2008). Dit kan een reden zijn om vriendelijk tegen onbekenden te blijven, aldus een woordvoerder van sociale netwerksite Hyves, en maakt dat potentiële slachtoffers contact met een loverboy minder snel weigeren. Daarnaast gaat het prototype slachtoffer sneller in op seksuele uitnodigingen, omdat het spannend en tegelijkertijd veilig lijkt, aldus de Kinderconsument.nl. Mijnkindonline.nl en de Kinderconsument.nl betogen tevens dat door de seksualisering op sociale netwerksites en in chatboxen jongeren eerder gedwongen worden hun grenzen te bepalen. Vooral kwetsbare jongeren blijken hier minder goed toe in staat.

Het geschetste prototype slachtoffer is dus jong, heeft een Nederlandse nationaliteit, een (licht) verstandelijke beperking en problemen thuis. Een belangrijke invloed van buitenaf blijkt de seksualisering op het net en het populair willen zijn op sociale netwerksites.

5.5 Werkwijze van de digitale loverboy

Wetenschappelijke literatuur
De werkwijze van loverboys is aan verandering onderhevig (Verwijs, Mein, Goderie, Harreveld en Jansma, 2011). Waar in het verleden sprake was van een solistische opererende jongeman, die zijn slachtoffers opzoekt op het schoolplein en in de disco en verleidingstechnieken toepast om zijn slachtoffers in de prostitutie te dwingen, zien we nu ook de groepsgewijs opererende loverboys die actief zijn op het internet, bruter te werk gaan en minder aandacht besteden aan grooming. In het proces dat dader en slachtoffer via internet doorlopen maakt Zanetti (2009; 2010) onderscheid tussen a) grooming (ronselen en inpalmen van het slachtoffer) en b) inlijving en exploitatie. Wat betreft grooming onderscheidt ze een vijftal stadia:

Stap 1: het aanmaken van een profiel. Op sociale netwerksites moet een loverboy een profiel aanmaken wil hij contact maken met een meisje. Op chatboxen kan dit echter vaak anoniem. Digitale loverboys lijken een voorkeur te hebben voor ofwel een incompleet, onjuist, en/of afgeschermd profiel, ofwel een profiel waarop ze zich profileren als ‘gangsters’. Doorgaans worden nicknamen gebruikt in plaats van de eigen naam. Wat ook opvallend is zijn de vele vrouwelijke contacten in hun vriendenlijsten.

Stap 2: de ronselsites. Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen actief en passief ronselen. Slachtoffers kunnen uit zichzelf reageren op profielen van loverboys, dit is passieve ronseling, echter vindt het eerste contact via internet meestal plaats door actieve ronseling: de loverboys gaan bewust op zoek naar geschikte slachtoffers op sociale netwerksite, jongerensites en chatboxen.

Stap 3: het selecteren van het slachtoffer. Dit vindt plaats op basis van de informatie uit de beschikbare profielen van meisjes. Onder meer de wijze waarop het meisje op haar profielfoto staat, het aantal en het geslacht van de contacten, de achtergelaten berichten en het al dan niet afschermen van privézaken lijken van belang.

Stap 4: het benaderen van het slachtoffer. Sommige loverboys benaderen meisjes direct en onomwonden (“Wil je geld verdienen?”), anderen doen dit door middel van social engineering. Ze reageren positief op de foto van het meisje of zoeken op het profiel van het meisje naar aanspreekpunten.

Stap 5: inpalmen. Als het slachtoffer ingaat op de benadering begint het inpalmen. Vooral MSN blijkt hiervoor geschikt (Antheunis, 2009). Er wordt dan contact gelegd met meisjes die zich in hun eigen vertrouwde thuisomgeving bevinden, met minder controle van ouders en een vrijwel onbeperkte contactduur. Het stelt de loverboy tevens in staat middels webcam te controleren of hij een geschikte kandidaat te pakken heeft.
Uit onderzoek van Verhoeven, Van Gestel en De Jong (2011) blijkt dat loverboys honderden vrouwelijke contacten onderhouden. Als ze in contact komen met een meisje in wie ze interesse hebben vragen ze haar MSN e-mailadres zodat ze online kunnen chatten. Uit de geplaatste internettap voor het onderzoek blijkt dat de hoofdverdachten veelvuldig chatgesprekken onderhouden met vrouwen waarin wederzijds interesse wordt getoond, wordt gepraat over uitgaan, seks en ze elkaar voor de webcam uitdagen, meestal op verzoek van de verdachte. Soms worden telefoonnummers uitgewisseld en/of volgt er op het internetcontact een daadwerkelijke afspraak in levende lijve. De Smet en Mahjoub (2008) vonden dat wanneer de meisjes tijdens hun afspraakje alle vertrouwen verliezen wanneer ze zien dat de internetidentiteit van de loverboy niet klopt met de realiteit dit vrij snel wordt vergeven en zo’n eerste afspraakje toch vaak uitmondt in seks.

Bovenkerk et al. (2006) stelden al dat loverboys een calculerende aard hebben. Zij gebruiken verschillende dwangmiddelen. In de grooming fase zijn dit vooral misleiding (het voorwenden van liefde), misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht (bijvoorbeeld het leeftijdsverschil tussen dader en slachtoffer) en/of misbruik van de kwetsbare positie van het meisje (bijvoorbeeld wanneer zij een licht verstandelijke beperking heeft) (Zanetti, 2010). Daarna begint de inlijvingsfase, wat gewenning aan een voor prostitutie geschikte seksuele instelling door haar seksuele grenzen te verleggen en door het losweken van het slachtoffer uit haar sociale omgeving inhoudt. Ook hier speelt, naast fysiek contact, internet een belangrijke rol. Zo worden slachtoffers gechanteerd met het dreigen tot plaatsen van gevoelige informatie, beelden of foto’s op internet, vaak verkregen uit msn-gesprekken of webcamsessies. Via profielsites en via instant messaging kan de loverboy immers makkelijk de vrienden van iemand contacteren, foto’s verspreiden en beelden doorsturen (De Smet en Mahjoub, 2008). Exploitatie, het daadwerkelijke uitbuiten, middels internet gebeurt vooral op commerciële pornosites (Zanetti, 2009; Goderie, Spierings en Ter Woerds, 2002). In de fasen inlijving en exploitatie worden vooral de dwangmiddelen (dreiging met) geweld, dwang en afpersing gebruikt (Zanetti, 2010). Op een bepaald moment komt de loverboy met argumenten dat er geld nodig is of dat ze wel eens wat voor zijn gunsten mag doen, met als gevolg vaak werk in de prostitutie (Terpstra en Van Dijke, 2005).
De afhankelijkheidsrelatie tussen het slachtoffer en haar loverboy bestaat uit een aantal ‘push’ en ‘pull’ factoren (Bullens en Van Horn, 2000). De ‘pull’ factoren bestaan voornamelijk uit aantrekkingskracht en het willen hebben van een relatie, daar de ‘push’ factoren gevoelens van angst, boosheid en dreiging betreffen. Ergens in het proces, meestal in de exploitatiefase, vindt de verschuiving van ‘pull’ naar ‘push’ factoren plaats. Er is geen reden om aan te nemen dat dit anders is bij de digitale loverboyproblematiek. Bullens en Van Horn (2000) hebben ook een model opgesteld over de werkwijze van de loverboy. De eerste drie stappen zijn in grote lijnen al eerder behandeld. Dit zijn het werven van meisjes, hen in de prostitutie dwingen en hen daar houden. De vierde stap is een interessante toevoeging. Dit betreft de moeite die de loverboy doet om zijn organisatie te beschermen en is opgedeeld in interne en externe bescherming. Interne bescherming houdt in dat hij de slachtoffers onder controle moet houden, externe bescherming houdt in dat hij de meisjes die naar de politie (willen) stappen bedreigd. Ook kan hij haar dwingen een tattoo te nemen of haar werkadres te veranderen et cetera. De tattoos zijn een manier om een meisje dat is gevlucht weer op te sporen en zijn een machtig psychologisch instrument om haar te onderdrukken. Wanneer een meisje vlucht bedreigt de loverboy haar en haar familie.

Grijze literatuur
Het managementrapport van politiekorps Rotterdam-Rijnmond (Zanetti en Kanters, 2009) gaat voornamelijk in op de werkwijze van loverboys. Uit het rapport blijkt dat er vaak sprake is van een crimineel samenwerkingsverband (CSV). Het werk van loverboys is dermate arbeidsintensief dat het zich uitermate leent om in groepsverband te doen, wil het lucratief blijven. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de organisatiegraad van de loverboys professioneler van aard moet zijn indien er internet bij komt kijken. In het onderzoek zijn een aantal zaken over de organisatiestructuur naar voren gekomen, waaronder dat er sprake is van CSVen, ze elkaar kennen uit de buurt, via-via en/of familie zijn van elkaar en er groepen van meerdere etniciteiten samenwerken. Ook leren ervaringen van de politie, hulpverlening en dossieronderzoek dat er een duidelijke hiërarchie en taakverdeling is te destilleren. Het betreft een piramidevorm met één man of meerdere grote jongens aan de top, de (zeer jonge) loopjongens, de bewakers van de meisjes, de chauffeurs en de vriendelijke jongen die het vertrouwen van het meisje wint, haar uithoort en deze informatie doorspeelt. Uit de mediastukken die onderzocht zijn door Zanetti en Kanters (2009) blijkt ook dat jongere mannen soms worden ingezet voor de grooming en inlijving, waarna het meisje wordt overgedragen aan de meer ervaren criminelen voor de exploitatie. De Rode Draad (de belangenvereniging voor prostituees) meent dat loverboys doorgaans meerdere meisjes hebben. Onderzoek van de organisatie Pretty Woman wijst uit dat loverboys in hun ‘carrière’ gemiddeld 2,5 a 2,8 slachtoffers maken. Het gaat hier echter alleen om slachtoffers die bekend zijn bij de politie. Dit getal wordt bevestigd met een dossieronderzoek (Zanetti en Kanters, 2009). Tevens blijkt uit ervaringen van de politie Amsterdam dat de loverboys vaak connecties hebben met de ‘grotere jongens’ uit de mensenhandel. Uit de ervaringen van de hulpverleners blijkt dat loverboys het ‘vak’ aan elkaar leren: sommigen kennen een ‘criminele loopbaan’ vanaf zeer jonge leeftijd. Kortom, de hele organisatiestructuur van loverboys heeft veel weg van een klein bedrijf.
Overeenkomend met een bedrijf wil ook de loverboyorganisatie winst maken. In het rapport van Zanetti en Kanters (2009) wordt duidelijk aangegeven dat uitbuiting van een slachtoffer niet perse via de prostitutie hoeft. Drugshandel, het afsluiten van leningen, het leasen van auto’s op haar naam en het incasseren van haar uitkeringen/studiefinanciering zijn dingen die worden genoemd. Zolang het maar geld oplevert. Kennisbureau Movisie (2007) past deze calculerende aard van de loverboy toe op het internet. Zo passen loverboys zich aan aan de mogelijkheden die de wet biedt (de summiere handhaving op internet), de tekortkomingen in de bescherming van kwetsbare groepen en de mogelijkheden van nieuwe communicatiemiddelen (internet) en ronselplekken (sociale netwerksites en chatboxen). Naast het loverboy zijn komt terug uit dossieronderzoek van Zanetti en Kanters (2009) dat bij alle onderzoeken een link met drugshandel te vinden is. In de onderzoeken waarin een CSV te ontdekken valt is dit zelfs in grote mate het geval. De verklaring is eenvoudig: loverboys richten zich niet enkel op mensenhandel, maar kijken waar ze het makkelijkste en het meeste geld aan kunnen verdienen.

Rood Utrecht (2009), een afdeling van de politieke partij SP heeft een rapport uitgegeven dat voornamelijk bestaat uit verhalen van slachtoffers. Interessant hieraan is dat van de 21 meiden, drie het internet aangeven als middel gebruikt door de loverboy. Zo is één meisje twee keer in de handen gevallen van een loverboy, waarbij ze beiden leerde kennen via een meetingsite. Naast het groomen ging ook de exploitatie via internet, daar vonden haar loverboys klanten. Een ander meisje zegt zelfs over haar ex-loverboy: “Hij blijft onverhinderd actief op internet op zoek naar nieuwe slachtoffers. Dit heb ik o.a. kunnen zien via Hyves. Erg jonge meiden zijn op dit moment in contact met hem.” Uit de interviews van Movisie (2007) komen eenzelfde soort berichten. Dit zijn maar een paar voorbeelden van alle in de grijze literatuur voorkomende casussen waarin internet een grote rol speelt óf als groomingmiddel, óf als chantagemiddel, óf als exploitatiemiddel.

In verschillende literatuurstukken en op verschillende sites is een faseoverzicht weergegeven van de stadia van de relatie tussen een loverboy en zijn slachtoffer (Humanitas Prostitutie Maatschappelijk Werk, 2003; Scharlaken Koord, 2004; Repetur, 2005; 2006; Pretty Woman, 2009). Welke organisatie deze stadia als eerste heeft geconstrueerd is onduidelijk, maar omdat de organisatie Pretty Woman ze ook daadwerkelijk in haar hulpverlening hanteert (Pretty Woman, 2009) verwijs ik verder naar de stadia als afkomstig van haar. De zeven fasen beschrijven het proces waar het slachtoffer doorgaat voordat zij inziet dat ze gebruikt wordt en wil stoppen met de relatie. De nadruk ligt op de beleving van het slachtoffer, maar de modus operandi van de loverboy zorgt ervoor dat zij het doormaakt. Daarom worden de fasen in deze paragraaf behandeld. De M.O. die zij beschrijven is tevens goed toe te passen op de digitale loverboy en is weergegeven in tabel 2.

Tabel 2 Fasen van het slachtofferproces

Fase

Omschrijving

1. Groomingfase

De loverboy en het potentiële slachtoffer ontmoeten elkaar op ronsellocaties (of -sites).

2. Inpalmingsfase

Na deze (digitale) ontmoeting probeert de jongen indruk te maken op het potentiële slachtoffer.

3. Honeymoon fase

Het slachtoffer wordt verliefd en de loverboy isoleert haar van haar sociale omgeving.

4.Seksuele contacten fase

Er ontstaat al dan niet gedwongen seksueel contact tussen dader en slachtoffer.

5. Fase van het verleggen van grenzen

Hier gaat het slachtoffer steeds meer in op seksuele verzoeken van haar loverboy, soms door het gebruik van een webcam.

6.Aanzet tot prostitutie fase

Het slachtoffer wordt - al dan niet ‘vrijwillig’ of uit loyaliteit - aangezet tot prostitutie, via bijvoorbeeld een advertentie op internet.

7. Exploitatie fase

De dader intimideert en chanteert het slachtoffer. Het slachtoffer gaat zich realiseren dat ze gebruikt wordt en in de problemen zit. Ze wil of durft niet weg te gaan.


In de eerste twee fasen is het meisje bereikbaar voor voorlichting. In de derde, vierde, vijfde en zesde fase is ze niet bereikbaar voor hulpverleners en in de zevende fase kan een prostitutie-maatschappelijk werker het slachtoffer bijstaan met hulp (Pretty Woman, 2009). In het onderdeel 5.4 kom ik terug op deze fasen, waarin ze gekoppeld zullen worden aan theorieën.

In het rapport van Zanetti en Kanters (2009) worden de al eerder genoemde grooming en exploitatie stadia van digitale loverboys van Zanetti (2009) behandeld, die enigszins overeenkomen met de hierboven beschreven fasen van het slachtofferproces. Het kinderporno team van de KLPD (Zanetti, 2009) geeft extra informatie bij de derde stap van Zanetti’s groomingstadia ‘het selecteren van het slachtoffer’. Zo stellen ze dat loverboys hun slachtoffers op een vergelijkbare wijze als pedofielen vinden op het internet: middels hawking (als een havik rondcirkelen boven de prooi). Er wordt gezocht op geslacht en/of leeftijd, woonplaats, hobby’s, opleidingsniveau en dergelijke op een sociale netwerksite. Loverboys kijken vooral naar hoe het meisje op de foto staat (aandacht vragend of onzeker), hoeveel en wat voor contacten ze heeft (een sterk sociaal vangnet maakt haar minder geschikt), hoe ze zichzelf presenteert en of ze haar informatie wel of niet afschermt.
Naast de verschillende fasen waar de werkwijze van loverboys in ingedeeld kan worden hebben zij volgens Arendsen (2009) ook verschillende typen individuele werkwijzen. In de handleiding Loverboy-Casussen van Politie Gelderland-Midden onderscheidt hij drie werkwijzen van de loverboy: de standaard loverboy tactiek, waarbij de nadruk ligt op verliefdheid; de tactiek met behulp van drugs, waarbij het meisje wordt gedrogeerd en loverboys seks met haar hebben terwijl gefilmd wordt, vervolgens vindt chantage plaatst. Dit type loverboy wordt vaak ‘kakkerlak’ genoemd; en de tactiek met behulp van geweld en intimidatie, waarbij het slachtoffer zo wordt gedwongen over te gaan op prostitutie. Arendsen (2009) betoogt echter dat de basis van elke loverboy-casus hetzelfde is, of nu gebruik wordt gemaakt van internet of niet. De afhankelijkheidssituatie maakt de dader een loverboy. De handleiding is bedoeld voor agenten op straat om signalen van slachtoffers te kunnen herkennen, te weten wat de vervolgstappen zijn en wie ze daarvoor moeten benaderen.

Samenvattend is de werkwijze van de digitale loverboy in te delen in verschillende fasen, variërend per onderzoek, en verschillende individuele werkwijzen. Loverboys werken samen in een crimineel samenwerkingsverband (CSV) en handelen naar wat het meeste oplevert, of dit nu prostitutie of drugshandel is. De basis van elke loverboycasus lijkt echter hetzelfde: Er is sprake van een afhankelijkheidssituatie. Chantage via het internet is een belangrijk dwangmiddel en meisjes adverteren op sites scheelt de loverboy veel tijd en moeite. Er zal nu dieper ingegaan worden op deze en andere voordelen van het internet voor de loverboy.

5.6 Voordelen van internet voor de loverboy

Wetenschappelijke literatuur
Zanetti (2009) concludeert dat internet uitermate geschikt is voor zowel het groomen, inpalmen, inlijven als exploiteren van minder- en meerderjarige slachtoffers van loverboys. Vooral de mogelijkheid om een groter publiek te trekken zonder veel aandacht op zich te vestigen biedt gemak en met name de meisjes die al een risicogroep vormen zijn nog gemakkelijker in te palmen op het internet. Het inpalmingsproces verloopt op digitale wijze hetzelfde als in het echte leven, echter gaat het emotioneel veel sneller. Mensen hebben via MSN meer de neiging om aan zelfonthulling te doen en sneller over hun grenzen te gaan (Antheunis, 2009). Ook biedt het internet de mogelijkheid om de meisjes op een subtiele manier te laten wennen aan het idee van prostitutie. Zo laten de loverboys de meisjes bijvoorbeeld eerst strippen voor de webcam om de overstap naar seks met vreemden soepeler te laten verlopen (Van den Borne en Kloosterboer, 2005). De loverboy heeft bovendien meer controle op de wijze waarop hij zich presenteert en op de ontwikkeling van het proces. Hij kan volledig anoniem op zoek gaan naar slachtoffers, het aanbod is enorm, het is laagdrempelig en goedkoop. Daarbij komt dat er amper controle is op internet door politie, sitebeheerders, hulpverlening of ouders (Zanetti, 2009; 2010).
Verwijs et al. (2011) geven een ander voorbeeld van internetgebruik door loverboys, namelijk als informatie - en controlemiddel. Zo had een meisje op haar MSN-status ingevuld dat ze naar voetbaltraining ging. De loverboy heeft dit gelezen en stond haar op te wachten. Ze werd de auto in getrokken en moest seks hebben met meerdere mannen, waarna hij het geld inde.

Pooiers opereren voorzichtiger na de wetswijziging in 2000, waardoor vraag en aanbod in de prostitutie vooral via internet schijnt te verlopen (Terpstra, Van Dijke, Berger en Geurts, 2006). Wanneer de loverboy zijn slachtoffer ‘adverteert’ op websites zorgt hij ervoor geen digitaal spoor achter te laten, door bijvoorbeeld gebruik te maken van meerdere e-mailadressen, prepaid telefoons en internetcafés (Zanetti, 2009; 2010). Hierdoor is tevens de pakkans erg laag. Maar ook het te verdienen geld moedigt internetexploitatie toe. Nu de vergunde prostitutie qua opbrengst terugloopt worden er op websites hoge bedragen aangeboden, vooral voor tieners. Meer controle in het vergunde circuit houdt in dat er meer meisjes via het internet geëxploiteerd worden (Zanetti, 2009). Gerelateerd hieraan hebben Van der Hulst en Neve (2008) gevonden dat sinds het internet zo’n grootschalig middel is de verspreiding van kinderporno sterk is toegenomen. Goderie, Spierings en Ter Woerds (2002) stellen dat internet de logistieke processen van klanten en slachtoffers gemakkelijker en anoniemer hebben gemaakt. Prostitutie is niet of nauwelijks meer aan een specifieke locatie gebonden en wordt dus niet gereguleerd. Loverboys zijn niet meer beperkt tot een lokaal schaalniveau.

Grijze literatuur

Meningen over internet als middel voor de loverboy zijn verdeeld. Zo vonden Zanetti en Kanters (2009) dat er door enkele hulpverleners en politiemedewerkers getwijfeld wordt aan de exploitatie van minderjarigen via internet. Minderjarige slachtoffers zouden meer in het eigen circuit van vrienden geëxploiteerd worden en het internet zou te veel risico’s met zich mee brengen voor de loverboy, daar hij minder controle heeft op het publiek. De meerderheid van de respondenten geeft echter aan dat we juist het topje van de ijsberg zien, vooral in het minderjarige circuit. Niemand controleert deze meisjes namelijk. Één van de respondenten uit de hulpverlening schat dat 20% van de slachtoffers via het internet wordt geëxploiteerd, waarvan ongeveer de helft minderjarig is. Ook de onderzoekers zelf denken dat de cijfers zullen blijven stijgen, vooral omdat uit de analyse van politiedossiers blijkt dat de meerderheid van de slachtoffers via internet zijn geëxploiteerd.
Naast dat internet een goede manier lijkt om slachtoffers aan het zicht van de autoriteiten te ontrekken noemt Arendsen (2009) een gevaarlijk ander voordeel voor loverboys: zij zijn actief op ‘anti-loverboys sites’ om te leren wat er speelt en hun werkwijze aan te passen. Met als gevolg dat zij de politie steeds een stap voor zijn. KLPD’er Groeneveld (Metro, 20 maart 2007) geeft aan dat ook groomers, vergelijkbaar met loverboys, op het internet actief onderling tips uitwisselen of een kind uitspelen: “De mannen weten heel precies hoe ze het vertrouwen van een kind moeten winnen. Vaak maken ze ook deel uit van een heel netwerk. Zo gauw één van de mannen met een kind in gesprek is, gaan de anderen gemene berichtjes sturen en het kind pesten. De eerste man komt dan voor het kind op en zo wekt hij het vertrouwen. Het einddoel is natuurlijk altijd een afspraakje met seks”. Deze techniek zal vermoedelijk ook gebruikt worden door de CSVs van loverboys.

Dat het internet veel voordelen heeft voor de loverboy moge duidelijk zijn. Hij bereikt gemakkelijk een groot publiek, heeft meer invloed op het sneller gaande emotionele proces en hij kan zijn slachtoffer laten wennen aan prostitutie door gebruik van de webcam. Daarbij komt dat het internet anoniem, goedkoop en laagdrempelig is en dat er nauwelijks controle op dit soort activiteiten is en de pakkans laag is. Tevens kan het internet als informatie- of strategisch middel dienen. En, vanuit de calculerende aard van de loverboy heel belangrijk, sinds controle in het vergunde circuit is toegenomen is er veel geld te verdienen aan tienermeisjes adverteren op websites.

5.7 De aanpak van digitale loverboys

Wetenschappelijke literatuur
Door de afhankelijkheidsrelatie tussen een loverboy en zijn slachtoffer is het erg lastig loverboys aan te pakken. Vrouwen van boven de achttien zijn volkomen gerechtigd om in de prostitutie hun geld te verdienen en wanneer zij hun verdiensten vrijwillig afdragen aan een ander is er geen haan die ernaar kraait. Toch zijn er enkele manieren waarop digitale loverboys gepakt kunnen worden. In de grooming fase gaat het dan om communicatie op het internet tussen de loverboy en zijn slachtoffers. Door chatgesprekken en berichtjes op sociale netwerksites laat ook de loverboy onbedoeld bewijsmiddelen achter op het internet. Net zoals de slachtoffers zich ontoegankelijk en anoniem op het internet voelen, geldt dit schijnbaar ook ten aanzien van een deel van de loverboys (Zanetti, 2009). Verhoeven, Van Gestel en De Jong (2011) merkten op dat verdachten minder gebruikmaken van telefoons en steeds meer van internet om te communiceren (e-mail, Skype, Hyves en andere sociale netwerksites). In een politieonderzoek dat zij hebben bestudeerd is een internettap geplaatst, waarmee bel-, surf- en mailgedrag op de computer kan worden bekeken. Ook is er in een ander onderzoek de harde schijf van de computer van de verdachte onderzocht. Hierop zijn chatgesprekken aangetroffen waaruit blijkt dat de verdachte verschillende meisjes probeert over te halen om voor hem in de prostitutie te gaan werken. Goderie, Spierings en Ter Woerds (2002) concludeerden echter dat pooierjongens vaak werken met 06-nummers, waarbij zij regelmatig de sim-kaart vervangen, en internet. Dat maakt het opsporen zo moeilijk, zelfs als er gebruik kan worden gemaakt van dwangmiddelen als telefoontaps. Maar ook het aanmaken van lokprofielen op sociale netwerksites is een manier om loverboys te betrappen (Bovenkerk en Van San, 2011; Zanetti, 2009; 2010). Deze methode, die nu gebruikt wordt bij een enkel politiekorps, is hetzelfde als wat de politie doet om personen op te sporen die geïnteresseerd zijn in kinderporno (Schultz, 2008).
Digitale exploitatie kan wellicht opgespoord worden door te zoeken naar ‘onzuivere’ advertenties (Zanetti, 2010). Goderie en Bouttelier (2006) stellen dat het in de advertentie neerzetten van een prostituee als volkomen willoos een teken kan zijn van uitbuiting. Bijvoorbeeld “M is een gewillig meisje. In feite kun je alles met haar doen.” Daarnaast zijn onzuivere advertenties volgens sitebeheerders te herkennen aan meerdere e-mailadressen, IP-nummers en (prepaid)telefoonnummers (Zanetti, 2010). De advertentie wordt vaak aangemaakt in internetcafés, zodat het IP-nummer niet te achterhalen is en indien een klant het vermelde nummer belt krijgt hij doorgaans de loverboy aan de telefoon in plaats van de prostituee zelf.

Een andere interessante insteek komt van Elzinga (2011). Hij heeft de mogelijkheden van het gebruik van Formal Concept Analysis (FCA) in politiezaken onderzocht. FCA is een methode van data analyse die concepten in een bepaalde hiërarchie weergeeft, waardoor een overload aan informatie beschikbaar wordt gemaakt voor menselijk begrip. Elke onderzochte casestudie bleek voordeel te hebben van deze methode, zo ook in een loverboyzaak. Alle kenmerken van de zaak werden overzichtelijk weergegeven en de loverboy is opgepakt. Het gebruik van FCA door de politie biedt wellicht nieuwe kansen. Een nadeel is echter dat politie en justitie weinig wettelijke mogelijkheden hebben om grooming aan te pakken, maar omdat het doel een ontmoeting is (Van der Hulst en Neve, 2008; Cops, 2007, Lünnemann, Goderie en Tierolf, 2006), is het sinds 2010 wel strafbaar om als volwassene online een ontmoeting voor te stellen met de bedoeling ontucht te plegen (Artikel 248e). Hier staat maximaal twee jaar celstraf op (Cops, 2010). Zie bijlage 2 voor het strafrecht artikel 248e.

Grijze literatuur
De omvang van de (digitale) loverboyproblematiek is de overheid gelukkig niet ontgaan en verschillende aanpakken en onderzoeken zijn er sindsdien verschenen. Zo heeft de Rijksoverheid (Ministerie van Veiligheid en Justitie) een actieplan opgezet voor 2011-2014: Rijksbrede aanpak loverboyproblematiek. De nieuwe werkwijze van loverboys op het internet krijgt hierin ook aandacht: “Steeds vaker worden deze meisjes via sociale netwerksites op het internet door de loverboys benaderd”. Het doel van dit rapport is een beter inzicht krijgen in de omvang en de aard van de slachtoffers van loverboys. Vanaf 2012 zal, in opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de registratie van het aantal slachtoffers van loverboys structureel worden verbeterd door afspraken te maken met jeugdzorginstellingen, die de gegevens aanleveren en CoMensha, die de cijfers verwerkt. De doelstelling van het kabinet is om het aantal criminele organisaties dat wordt aangepakt te verdubbelen, waarbij mensenhandel een prioriteit is. Om dit te bereiken is de Task Force in het leven geroepen en deze heeft een inhoudelijk sturende rol in de loverboyproblematiek.
Het rapport, gebaseerd op de aanbevelingen van de Nationaal Rapporteur, is gestructureerd naar de drie p’s: prevention (preventie), prosecution (opsporing en vervolging van daders) en protection (bescherming van slachtoffers). Preventie slaat vooral op voorlichtingsmateriaal: “De politie heeft de ervaring dat ouders niet goed op de hoogte zijn van de risico’s die het gebruik van ‘social media’ – die door loverboys vaak als werkterrein worden gebruikt - met zich meebrengt.” Naast het benaderen van ouders wordt er een, vermoedelijk effectievere, aanpak genoemd. Om jongeren direct te bereiken zouden ze benaderd moeten worden via hun eigen netwerken en ‘sociale media’. Sociale media kunnen bepaalde risico’s met zich meebrengen, maar zijn ook effectieve communicatie-instrumenten die aansluiten bij de belevingswereld van jongeren. Ook interventies betreffende de seksuele weerbaarheid van jongeren zullen ontworpen en verspreid worden via sociale media, bijvoorbeeld de “We Can jongerencampagne”. Het ministerie wil tevens meer inzetten in e-hulpverlening. Daarnaast wilde het kabinet Rutte de loverboyproblematiek aanpakken door de minimumleeftijd van prostituees te verhogen naar 21 jaar (VVD-CDA Regeerakkoord, 2010).
Bij de opsporing en vervolging van daders worden verschillende instellingen als de opsporingsdiensten, het onderwijs, de zorg, de gemeenten, GGD’en, Sociale Diensten en Reclassering betrokken. De betrokken instanties zullen allen een handleiding of webdossier krijgen over de aanpak van de loverboyproblematiek. Naar aanleiding van de succesvolle campagne “Schijn bedriegt” van Meldpunt M zal er in 2012-2013 een soortgelijke nieuwe campagne worden gelanceerd. Volledig online zal op zowel landelijke als lokale erotische websites door middel van banners aandacht worden gevraagd voor mensenhandel en de loverboyproblematiek in het bijzonder. Er wordt tevens meer aandacht gevraagd voor de nationale actiesite: www.totaleovergave.nl. Minister Opstelten heeft inmiddels een wetsvoorstel ingediend waarin staat dat de maximum straf van loverboys omhoog gaat van acht naar twaalf jaar (Volkskrant, 2012). Betreffende de bescherming van slachtoffers ligt de nadruk op het ontwikkelen van brochures en zelfbeschermingtrainingen voor slachtoffers.

De Landelijke Expertgroep Mensenhandel (LEM) draagt bij aan het krijgen van inzicht in de omvang en de aard van de slachtoffers van mensenhandel op internet. Deze bestaat uit alle 26 regiokorpsen, de Nationale Recherche, de Politieacademie, de Koninklijke Marechaussee, het ministerie van Justitie en het Bureau Nationaal Rapporteur Mensenhandel. De expertgroep deelt strategische- en beleidsmatige informatie en ontwikkelt en implementeert visie en beleid op het gebied van prostitutietoezicht en de bestrijding van mensenhandel. Tweejaarlijks wordt in een korpsmonitor de stand van zaken met betrekking tot prostitutietoezicht en de bestrijding van mensenhandel in de korpsen beschreven. In de korpsmonitor prostitutie en mensenhandel wordt in beeld gebracht op welke wijze en in welke mate de politiekorpsen in 2010 de prostitutie en mensenhandel hebben aangepakt (Werson en Hertog, 2011). Naast het korps Rotterdam-Rijnmond, vanwaar al eerder is besproken dat deze zich bezig houdt met de digitale loverboy, zijn ook de korpsen Gooi- en Vechtstreek en Limburg-Noord zich gaan richten op niet-vergunde prostitutie op het internet. Gooi- en Vechtstreek heeft op internet gezocht naar excessen binnen de escortbrance en heeft advertenties gecontroleerd. In het korps Limburg-Noord maakt men gebruik van vertrouwenspersonen die de seksinrichtingen buiten de reguliere controles om bezoeken met als doel in gesprek te komen met prostituees en zicht te krijgen op misstanden. Ook scant het korps advertenties op internet. Algemeen geldt echter dat de niet-vergunde branche nog veel aandacht vraagt, omdat er nu alleen reactief toezicht is. Door gebruik van internet en/of chatboxen neemt de greep op de (illegale) prostitutie af. De auteurs concluderen dat veel korpsen alleen reactief en/of incidenteel de branche controleren en dat het aanbod van prostitutie via internet en chatboxen innovatieve vaardigheden en opsporingsmethoden vereist. Hier dienen recherchekundigen onderzoek naar te gaan doen, aldus Werson en Hertog (2011).

Een ander probleem is de aanpak van aangiften. In oktober 2007 haalde het grote aantal zogenaamde “plankzaken” van slachtoffers van mensenhandel het nieuws. Jaarlijks blijven er ongeveer honderd aangiftes liggen en er is geen capaciteit om onderzoek in te stellen (Kamerstukken, 2008-2009). Ook onderzoek van ECPAT Nederland (2003) stelt dat de snel toenemende rol van internet en chatboxen om met meiden in contact te komen ertoe leidt dat gedwongen prostitutie moeilijker te bewijzen is. Een krantenbericht uit het Noord-Hollands Dagblad (2006) bevestigt de toename van het gebruik van internet en het gebrek aan controle. Er wordt vermeld dat er in 2006 alleen al ruim 200 aangiften van seksueel misbruik via internet werd gedaan. Volgens de chef van het kinderporno team van de KLPD is dit te verklaren door de populariteit van profielsites als Sugababes. Door de hoeveelheid bezoekers zijn dit soort sites bijna niet meer te controleren. Zanetti en Kanters (2009) noemen in het Rotterdam-Rijnmond politierapport vier praktische problemen bij de aanpak van digitale loverboys. Het eerste probleem ligt in de erkenning en vastlegging van loverboys. Voor veel korpsen en instanties is het nog onduidelijk wat een (digitale) loverboy precies is, waardoor het niet wordt geregistreerd, maar ook wordt door veel korpsen en het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) het fenomeen ‘loverboy’ niet erkend en dus niet geteld. Het tweede probleem dat aan de orde komt is dat er uit vele bronnen blijkt dat loverboys altijd antecedenten hebben. Het is niet het eerste delict dat gepleegd wordt. Desondanks zijn de huidige loverboys geen bekenden bij jeugdreclassering en Bureau Jeugdzorg Rotterdam: afgevraagd kan worden of er op tijd is ingegrepen. Ten derde wordt het opsporen van de internetactiviteit van loverboys genoemd. Door internetcafés, wisselende IP-nummers, e-mailadressen en telefoonnummers en door het gebruik van grote, anonieme websites laat de loverboy vaak maar weinig digitale sporen achter. Als vierde punt noemen Zanetti en Kanters (2009) de facilitators die een rol spelen in de problematiek: klanten zijn zich zeer goed bewust van de aanwezigheid van loverboys, maar komen doorgaans niet in actie; exploitanten/beheerders hebben vaak veel inside information dankzij hun unieke informatiepositie; er is geen controle op de internetcafés die worden gebruikt door loverboys om slachtoffers te werven en advertenties te plaatsen en de groep van Internet Service Providers wil vaak wel optreden, maar weet veelal niet hoe. Ook kunnen maar weinig sites de weg naar politie vinden en bestaat er geen tot verwaarloosbaar contact tussen hen; en het valt te vermoeden dat, indien geadverteerd wordt via internet, daadwerkelijke exploitatie vaker in een hotel plaatsvindt.
De Nationaal Rapporteur (2010) doet aanbevelingen naar ketenpartners. Toezicht, beheersing en controle van advertentiesites is namelijk een complicerende factor. Want waar de levens van jonge potentiële slachtoffers zich voor een belangrijk deel af spelen in de internet-omgeving, geldt dat vaak nog niet voor de levens van hun beschermers (De Nationaal Rapporteur, 2010). Een belangrijke aanbeveling uit het rapport is het op peil houden van een adequaat kennisniveau en het bevorderen van de bewustwording over taken en bevoegdheden van ketenpartners. Vooral de virtuele leefwereld van jongeren dient beter begrepen te worden, maar ook de mogelijkheden om ICT zo goed mogelijk te benutten dienen onderzocht te worden. In het Nationaal Actieplan Mensenhandel is voorts aandacht besteed aan het inbedden van informatie over werkwijze en profielen van loverboys in opleidingen van politie en Openbaar Ministerie. Maar ook de publieke bewustwording zou moeten worden vergroot om mensenhandel beter aan te kunnen pakken.

Vanuit een heel ander oogpunt komt Van Welzen (2011) met een mogelijke oplossing voor een vervelend bijkomend probleem: het gebruik van internet als chantagemiddel, waardoor er compromitterende foto’s van slachtoffers van loverboys op het internet verschijnen. Zo willen zij hun slachtoffers dwingen zich te prostitueren of andere handelingen te verrichten. Ook komt het voor dat er wordt ingebroken op een webcam van een slachtoffer, waarmee ongemerkt beeldmateriaal wordt verkregen. Dit materiaal wordt dan op het internet gezet of het slachtoffer wordt gechanteerd met de dreiging het beeldmateriaal op internet te zetten. Van Welzen (2011) heeft voor het kennispunt Bètawetenschappen aan de Universiteit Utrecht onderzoek gedaan naar gezichtsherkenningssoftware en zocht naar een mogelijkheid om deze beelden eenvoudig op te sporen en te laten verwijderen, waardoor er veel leed bespaard zou blijven. Slachtoffers moeten daarvoor herkend kunnen worden door een bepaald softwareprogramma en dit blijkt effect te hebben. Er kan dan namelijk een lijst worden gemaakt met foto’s waarop de betreffende persoon staat om deze vervolgens van het internet te halen. Zo heeft de loverboy minder mogelijkheden om zijn slachtoffers te chanteren.

De loverboyslachtoffers die uiteindelijk naar de politie gaan zijn ontevreden. Naar aanleiding van een groot aantal binnenkomende klachten over politie en justitie van slachtoffers heeft Rood Utrecht (2009), een afdeling van de politieke partij SP een onderzoek gestart. De ervaring van slachtoffers omtrent het functioneren van politie en justitie rondom het proces van aangifte tot veroordeling van de dader was het onderwerp. Er is gebleken dat meiden worden weggestuurd bij de politie, controles ontoereikend zijn, de communicatie tussen het slachtoffer en de politie na een intakegesprek of de aangifte slecht is, slechts een klein aantal loverboys is veroordeeld en veel meiden in de financiële problemen zijn gekomen door hun loverboy maar desondanks meestal geen schadevergoeding krijgen.

Kort samengevat kunnen digitale loverboys opgespoord worden door een IP-nummer te achterhalen, een internettap te plaatsen, gebruik te maken van lokprofielen of zoeken naar onzuivere advertenties. FCA en Artikel 248e bieden wellicht nieuwe handvatten voor politie en justitie. De overheid loopt in haar strijd tegen de loverboyproblematiek echter nog tegen problemen op. De controle zou toenemen, maar uit resultaten van de korpsmonitor blijkt echter dat veel korpsen alleen reactief en/of incidenteel de niet-vergunde prostitutie controleren. Ook aan de aanpak schort het nog. Veel aangiftes worden plankzaken. Oorzaken voor de moeilijke aanpak zijn onvoldoende erkenning van het probleem, het ontglippen van delinquenten voordat het loverboys worden, moeizame opsporing van internetactiviteit en de aanwezigheid van verschillende facilitators. Er is duidelijk meer ICT kennis nodig bij de politie. De loverboyslachtoffers die uiteindelijk naar de politie gaan zijn ontevreden over de aanpak.

5.8 Voorlichting

Wetenschappelijke literatuur
De voorlichting over de gevaren op het internet laat momenteel nog veel te wensen over op het gebied van loverboypraktijken (Zanetti, 2010). Er zijn vier belangrijke doelgroepen waarop voorlichting is, of zou moeten zijn, gebaseerd. Dit zijn de sitebeheerders, slachtoffers, daders en ‘klanten’. Alertheid ontbreekt bij de sitebeheerders van jongerensites, chatboxen en erotische advertentiesites. Daarbij komt dat deze beheerders geen of nauwelijks contact hebben of kunnen vinden met de politie in geval van misstanden (Zanetti, 2009; 2010). Een ander probleem is de regelgeving. Sitebeheerders zijn namelijk niet verantwoordelijk voor hetgeen gebeurt op hun website: zij verhuren slechts een webpage (Zanetti, 2009; 2010; De Smet en Mahjoub, 2008). Controle laat dan ook vaak te wensen over. Hetzelfde geldt voor de meerderheid van exploitatiesites: ook deze zijn nergens toe verplicht.
Bij meerdere instellingen in de jeugdzorg is voorlichtingsmateriaal beschikbaar dat speciaal is bestemd voor slachtoffers van loverboys. Daarnaast wordt soms voorlichting gegeven op scholen. Het omgaan met sociale media maakt deel uit van het preventieaanbod voor meisjes. Zo krijgen ze bijvoorbeeld training in het afschermen van hun internetprofielen (Verwijs et al. 2011).
Bovenkerk en Pronk (2007) kaarten preventie in de kring van potentiële daders aan. “Wie multicultureel redeneert, zou bij criminaliteitspreventie kunnen denken aan inschakeling van (formele en informele) leidersfiguren in de etnische gemeenschappen waar deze jongemannen uit voortkomen.” Een voorbeeld hiervan is het optreden van Marokkaanse buurtvaders. Deze onderzoekers menen dat loverboys vooral uit Marokkaanse en Antilliaanse gemeenschappen komen, echter is niet elke onderzoeker het hiermee eens (zie o.a. Zanetti, 2009). Het probleem bij Marokkanen en Antillianen is dat die groepen niet perse een gemeenschap vormen en dat er een reusachtige cultuurkloof bestaat tussen oudere en jongere generaties (Bovenkerk en Pronk, 2007). Toch zijn er enige hoopgevende tekenen. Er zijn enkele imams in Marokkaanse kring die zich openlijk zorgen maken over de verloedering van een deel van hun jeugd en ofschoon alles wat met seksualiteit te maken heeft nu niet bepaald een onderwerp van dagelijks gesprek vormt, is er over de loverboys wel gesproken. Ook in de Antilliaanse kring wordt wel degelijk over de kwestie gesproken en in 2001 heeft een Adviescommissie Antilliaans Medeburgerschap in Nederland een rapport uitgebracht over ‘Ontbrekende schakels’. Het rapport heeft nog weinig concrete gevolgen gehad, maar ook hier wordt erover nagedacht.
Een interessante doelgroep voor preventie en aanpak van loverboys zijn de klanten. Uit cijfers van Bakker en Vanwesenbeeck (2006) blijkt dat een kwart van de mannen in Nederland wel eens voor seks heeft betaald. Via het internet zijn zij waarschijnlijk het gemakkelijkst te bereiken. Zo heeft meldpunt M. (Meld Misdaad Anoniem) met de landelijke campagne “Schijn bedriegt” in 2006 de klanten van prostituees proberen te bewegen om gevallen van gedwongen prostitutie te melden via een banner op de site van www.hookers.nl. De signalen werden genoemd (angst, blauwe plekken en geen ‘plezier’ in het werk), evenals een telefoonnummer dat gebeld kon worden. In het hele jaar dat de campagne liep zijn er maar liefst 120 bruikbare meldingen binnen gekomen (Bovenkerk en Pronk, 2007). De politie heeft echter maar één bezoek gebracht aan de plaatsen in kwestie en nadat ze niet direct strafbare feiten constateerde, werd het onderzoek gestopt. Volgens Bovenkerk en Pronk (2007) laat dit zien dat de strijd tegen mensenhandel nog steeds geen hoge prioriteit heeft. Ook Bovenkerk en Van San (2006; 2011) hebben gebruik gemaakt van de site www.hookers.nl. In het commentaar van de klanten werden regelmatig referenties gemaakt naar loverboys. De algemeen heersende reactie was dat ze er een hekel aan hebben en dat de meisjes onprofessioneel en niet aardig zijn en het stuit ze tegen de borst te zien dat zij haar geld meteen afgeeft. De onderzoekers vonden klanten die zelf opriepen tot gemeenschappelijke actie om de loverboys “mores te leren” of een meldpunt op te zetten voor de politie. De beheerders van de website hebben daarover zelfs met het Ministerie van Justitie contact gehad, maar zonder succes. De onderzoekers hebben een korte survey op de site geplaatst en in totaal hebben 298 klanten deze ingevuld. Loverboys zijn het vaakst gezien in Amsterdam en op de vraag in welk segment loverboys het meest actief waren antwoordde de meerderheid (49%) raamprostitutie. Maar een kleine 2% noemt het internet (Bovenkerk en Van San, 2006; 2011).

Grijze literatuur
Betreffende de grijze literatuur over voorlichting wordt er een onderscheid gemaakt tussen de beschikbare informatie op internet en de preventieprojecten die bijvoorbeeld op scholen plaatsvinden.
Het probleem met de informatie op internet is volgens het rapport van Rood Utrecht (2009) dat door alle verschillende steunpunten en instanties gericht op loverboys voor sommige meiden de wirwar op internet nu zo onoverzichtelijk is dat ze niet de informatie vinden waar ze naar zoeken. Er zou dus eigenlijk één goede site moeten zijn. Nijkamp (2007) heeft voor haar scriptie onderzoek gedaan naar seksuele voorlichting op internet. Ze heeft jongeren en experts gevraagd wat er precies op zo’n website moest staan. In totaal vindt 70% van de jongeren en 84% van de experts het heel belangrijk dat er informatie over loverboys op zo’n website komt te staan: “Tips over hoe je van loverboys afkomt en hoe je het fenomeen loverboys tegen kunt gaan zijn veelgenoemde antwoorden. Een stappenplan is een goede oplossing; hierin moet dan duidelijkheid worden verschaft over de handelswijze en praktijken van loverboys.” Wanneer gekeken wordt naar hoeveel er op het internet wordt gezocht op het onderwerp loverboys blijkt, niet geheel als verrassing, dat meisjes (34%) opvallend meer informatie zoeken over loverboys dan jongens (8%). Tevens blijkt dat de leeftijdsgroep vijftien tot achttien jaar het belangrijker vindt dan jongere leeftijdsgroepen en jongeren op havo/vwo niveau dit belangrijker vinden dan jongeren met een vmbo opleiding. Hoger opgeleide jongeren vinden informatie over seks in ruil voor geld belangrijker dan lager opgeleide jongeren. Deze gegevens zijn van belang, omdat dit een vergelijking kan scheppen met slachtofferrisicogroepen.
In opdracht van minister Opstelten is de website www.meldknop.nl opgezet waar jongeren terecht kunnen als zij (door een loverboy) benaderd zijn op het internet (digibewust.nl). Vanaf hier worden zij dan doorverwezen naar allerlei andere sites. Een vergelijkbare site is www.helpwanted.nl.

Aangezien 25 tot 30 procent van de middelbare scholen aangeeft te maken te hebben met loverboyproblematiek (Movisie, 2011) zijn de meeste preventieprojecten gericht op scholen. Steunpunt Seksueel Geweld van de GGD Amsterdam (2010) heeft een overzichtgids van preventieprojecten loverboyproblematiek en seksueel misbruik gemaakt. De gids biedt een overzicht van preventieactiviteiten, weerbaarheidtrainingen en voorlichtingsmethoden ter voorkoming van seksueel misbruik en gedwongen prostitutie. Van de 26 preventieprojecten gaan er drie in op de gevaren van loverboys op het internet. Gemiddeld genomen zijn ze gericht op meisjes, in twee van de drie projecten ook jongens, van 12 t/m 18 jaar in het onderwijs, zowel regulier als speciaal. Het centrale thema is de gevaren van internet en webcam en de werkwijze verschilt van interactieve theatervoorstelling tot discussiegroepen. Dat dit alleen nog maar Amsterdam betreft geeft aan dat we de goede kant op gaan qua voorlichting over de digitale loverboy. Mooi aansluitbaar op dit onderzoek is de masterscriptie van Garnier (2009), waarin ze een inventarisatie gemaakt heeft van preventie in heel Nederland bij de aanpak van loverboyproblematiek. Ze heeft 37 projecten geïdentificeerd en het blijkt hier vooral te gaan om incidentele projecten met een preventieve aanpak, gericht op voorlichting, met als doelgroep ‘risicomeiden’, ‘slachtoffers’ en ‘scholen’. Van de door haar gevonden projecten gaan er drie (andere dan gevonden door SSG) in op de rol van het internet en chatten, vaak in de vorm van een theatervoorstelling of voorlichting en het aanbieden van achtergrondinformatie, overeenkomstig met de gegevens van SSG van de GGD Amsterdam (2010). Veilig internetten wordt verder op de agenda gezet door scholen te benaderen voor het formuleren en verspreiden van ‘Gouden regels’, er in de les aandacht aan te besteden, ouderavonden te organiseren en achtergrondinformatie aan te bieden. Over de effecten van deze projecten is echter weinig bekend. Wel hebben Mooij en De Wit (2008) gevonden dat in 2008 74% van de leidinggevende op scholen aangeeft dat er op hun locatie afspraken zijn over ‘veilig gebruik’ van internet en e-mail binnen de school.

De al eerder besproken organisatie Pretty Woman geeft, naast het uitvoeren van onderzoek en het bieden van individuele en groepshulpverlening, ook voorlichting op scholen, buurtcentra, moskees en andere instellingen. Een voorbeeld van hun voorlichtingsbijeenkomsten is ‘flirten voor de webcam’. Pretty Woman richt zich op twee doelgroepen. Allereerst op de minderjarige meisjes met risicovolle contacten, die een verhoogd risico lopen om door een loverboy in de prostitutie gelokt te worden. De tweede groep zijn de al in de prostitutie werkende meerderjarige meiden (en meiden die daar gewerkt hebben).

Volgens TransAct (2006) is het van belang dat loverboy voorlichtingprogramma’s aansluiten bij de leefwereld van de doelgroep en Jongeren Informatie Punt Delft en Steinmetz de Compaan (2009) heeft daar rekening mee gehouden. Ze hebben een brochure en gesprekshandleiding ontwikkeld over loverboys en gedwongen prostitutie speciaal voor meiden met een licht verstandelijke beperking (LVG). De brochure is niet specifiek gericht op de digitale loverboy, maar toch het vermelden waard omdat deze zich richt op een speciale slachtoffergroep. Zij erkennen dat vooral voor jongeren met een licht verstandelijke beperking het lastig is om grenzen te stellen en goede van slechte intenties te onderscheiden, zoals ook al uit eerdere literatuur bleek (o.a. De Graaf en Vanwesenbeeck, 2006).
Tevens zijn er campagnes die zich ook voor een deel richten op ouders. Een voorbeeld is campagne ‘Loverboys 2.0’ uit de gemeente Rotterdam (Rotterdam.nl; HetCCV.nl). Ze hebben een voorlichtingsfilm gemaakt, waarvan het doel is ouders bewust te maken van de gevaren van internet.

Voorlichting kan dus gericht worden op sitebeheerders, slachtoffers, daders en klanten. Vooral deze laatste groep blijkt effectief. Tevens blijkt dat er behoefte is aan één duidelijke site over loverboys. De meeste fysieke voorlichting is gericht op scholen door verscheidende hulporganisaties. Een goede afstemming tussen voorlichting en opsporing is nodig.


5.9 Andere dan seksuele exploitatie

Wetenschappelijke literatuur
De loverboymethode is wellicht minder aan prostitutie gebonden dan meestal wordt gedacht. Verliefdheid laat zich ook exploiteren bij het overhalen van meisjes om uit winkels te stelen, om fraude te plegen met leningen en om als drugskoerier te gaan werken. Zo komt in het onderzoek van Bovenkerk en Pronk (2007) het verhaal voor van een meisje dat in de loop van een paar maanden dolverliefd wordt op Mr. Goodlooking. Hij beweerde een probleem te hebben en zij moest hem helpen. Ze zat voor een kom bolletjes drugs en weigerde. Mr. Goodlooking werd agressief en ruw en drukte een pistool tegen haar hoofd. Uiteindelijk heeft ze 96 bolletjes ingenomen en werd door de Nederlandse douane op Schiphol gesnapt. Het vermoeden heerst dat ook de persoonlijke achtergronden van drugskoeriers soms overeen komen met het loverboyfenomeen. Hoe vaak zijn vrouwelijke koeriers door loverboys overgehaald? De opzettelijke verliefdsheidsrelatie laat zich inzetten in de activiteit die het meeste opbrengt of dit nu prostitutie is of drugssmokkel (Bovenkerk en Pronk, 2007). Het is onjuist om de strafbaarheid van de loverboymethode uit de sfeer van de seksuele delicten te halen. Dit is de reden dat veel onderzoekers en hulpverleners weigeren de term ‘pooierboy’ te gebruiken. Het gaat om mensenhandel en dat is een economisch delict.

5.10 Jongensprostitutie en lovergirls

Wetenschappelijke literatuur
Hoewel er bij de loverboyproblematiek wellicht niet direct aan mannelijke slachtoffers wordt gedacht komt dit zeker voor. Juist door de taboe die op jongensprostitutie ligt is het een erg stiekeme variant. Onder jongensprostitutie wordt verstaan: betaalde seks tussen personen van het mannelijke geslacht. Korf, Benschop en Knotter (2009) hebben een grootschalig onderzoek uitgevoerd om de jongensprostitutie in Nederland in kaart te brengen. Het is een vorm van prostitutie die minder geschikt is voor raam- of clubprostitutie. Internet is dan een uitermate geschikt middel. Korf, Benschop en Knotter (2009) omschrijven het ‘slachtoffertype’ als jongens die seks tegen hun zin hebben gehad, vaak onder druk van een zogenaamde vriend. Het zijn vooral minderjarige jongens en met de overgrote meerderheid van de geïnterviewde jongens konden klanten contact met hen opnemen via het internet. De onderzoekers concluderen dan ook dat er ten aanzien van deze jongensprostitutie in de afgelopen jaren een enorme verschuiving heeft plaatsgevonden van de klassieke straat- en bordeelprostitutie naar het internet. Internet heeft op dit gebied ook vele wegen geopend.

Grijze literatuur
In de wetenschappelijke literatuur komt de term lovergirl zo goed als niet voor, terwijl op meerdere websites gewaarschuwd wordt voor deze meiden. Ook in de kranten stond dat steeds meer meisjes slachtoffer worden van lovergirls (www.nu.nl, 2007). Een lovergirl is de vrouwelijke tegenhanger van een loverboy. Ze zoek een, vaak, eenzaam meisje en stelt zich op als haar beste vriendin. Haar werkwijze is hetzelfde als die van de loverboy. De lovergirl heeft stoere praatjes en geeft cadeautjes. Uiteindelijk zal ze het meisje proberen in de drugshandel of prostitutie te laten werken.

5.11 Vergelijking wetenschappelijke en grijze literatuur

Nu een inventarisatie is gemaakt van zowel de wetenschappelijke als grijze literatuur omtrent het onderwerp ‘digitale loverboy’ zijn er een aantal overeenkomsten en verschillen tussen de twee opvallend. Een belangrijk verschil ligt logischerwijs aan het type literatuur. Voordat literatuur als wetenschappelijk wordt bestempeld dient het te berusten op gegronde onderbouwing en betrouwbare bronnen. Veel aspecten over digitale loverboys zijn echter niet wetenschappelijk onderzocht en hier mag dus ook weinig over gezegd worden. Met andere woorden: de wetenschappelijke literatuur blijft voorzichtig en beperkt.
Schrijvers van grijze literatuur aan de andere kant hoeven zich niet zozeer aan al die richtlijnen en regeltjes te houden. Opvallend is dan ook dat er veel sneller aannames worden gemaakt zonder veel onderbouwing. Een duidelijk voorbeeld is de stelling van de kinderconsument.nl dat door de seksualisering op sociale netwerksites en in chatboxen jongeren eerder gedwongen worden hun grenzen te bepalen en dat kwetsbare jongeren hier minder goed toe in staat zijn. Deze informatie wordt gepresenteerd als een feit zonder een enkele verwijzing naar een onderzoek en klinkt aannemelijk, maar het berust al op minstens drie assumpties. Is er werkelijk sprake van een seksualisering op sociale netwerksites, worden jongeren werkelijk gedwongen eerder hun grenzen te bepalen en in vergelijking met wanneer dan, en zijn kwetsbare jongeren hier echt minder goed toe in staat? Uit het wetenschappelijke onderzoek van De Graaf en Vanwesenbeeck (2006) blijkt inderdaad dat jongeren regelmatig seksueel benaderd worden via het internet (in het afgelopen jaar 72% van de jongens en 83% van de meisjes) en hoewel de leeftijd van die jongeren laag ligt (rond de 16 jaar) kan er niet bewezen worden dat deze jongeren eerder hun grenzen moeten bepalen dan de jongeren van twintig jaar geleden. Om deze aanname hard te maken zou weer een ander onderzoek moeten worden gedaan. De onderzoekers concluderen ook dat meisjes die negatieve gebeurtenissen en seksueel misbruik in hun jeugd hebben meegemaakt relatief meer ongewenste seksuele ervaringen op het internet meemaken. Kwetsbare jongeren lijken inderdaad dus minder goed in staat te zijn hun grenzen te bepalen. Deze onderzoekers hebben echter voorafgaand aan hun conclusies een literatuurstudie gedaan, interviews afgenomen met expert en zorgvuldig geteste vragenlijsten afgenomen bij een representatieve streekproef van 13.495 respondenten. De antwoorden zijn vervolgens geanalyseerd door middel van verschillende statistische toetsen, waaronder de Chi2-toets en binaire logistische regressie met een significantieniveau van .01. Kortom, hun informatie lijkt wetenschappelijk gegrond in tegenstelling tot de soortgelijke informatie op de kinderconsument.nl
Verder is de ruimte voor meningen is veel groter binnen de grijze literatuur. Onderwerpen die in de wetenschappelijke literatuur nog niet zijn geaccepteerd worden volop aangehaald, zoals lovergirls. De vrijheid binnen de grijze literatuur maakt dus dat er meer informatie beschikbaar is. Een nadeel van die vrijheid is natuurlijk dat de betrouwbaarheid van die informatie niet gewaarborgd is, omdat de stukken niet aan peerreviews zijn onderworpen. Een ander verschil is dat de grijze literatuur veel meer praktijk gericht is. De nadruk ligt op opsporing, aanpak en voorlichting.
Toch is er ook overlap tussen de twee. Zo wordt er in politieonderzoeken gerefereerd naar wetenschappelijke literatuur, bijvoorbeeld naar Zanetti in de managementsamenvatting van politiekorps Rotterdam-Rijnmond, en geven beide literatuurtypen soortgelijke beschrijvingen van de modus operandi van loverboys. Deze overlap is deels te verklaren door de belangrijkste overeenkomt tussen de literatuursoorten: beide blijven strikt beschrijvend. Hoewel de literatuur uit journals bestempeld wordt als wetenschappelijk behandelt deze hetzelfde soort informatie als de grijze literatuur. De nadruk ligt op de werkwijze van loverboys, wie er in een risicogroep valt, wat er allemaal mis kan gaan op het internet en hoe de problematiek aangepakt zou kunnen worden. Nergens in de wetenschappelijke literatuur wordt er echter aandacht besteed aan een theorie die meer licht zou kunnen werpen op het probleem en dit is een serieuze tekortkoming. Het gedrag van daders en slachtoffers wordt beschreven, maar niet verklaard. Terwijl juist een goede theorie erg bruikbaar kan zijn en veel inzicht kan verschaffen. Dit zal de toegevoegde waarde van deze studie zijn: het toepassen van theorieën op de (digitale) loverboyproblematiek.



5.12 Toepasbare theorieën

Het belang van een goed bruikbare theorie kan niet genoeg benadrukt worden, vooral bij een praktisch onderwerp als de digitale loverboy. Het geeft inzicht, begrip en mogelijk een nieuwe insteek wat betreft de aanpak van het probleem. Om die reden wil ik ook een onderscheid maken tussen slachtoffer- en dadertheorieën. Het slachtoffer doorloopt een aantal stadia. Zo worden theorieën toegepast op haar achtergrond, de beginfase, de blijffase en de stopfase. Voor de dader wordt er gekeken naar zijn omgeving en individuele drijfveren. Internet is een zeer belangrijk middel, maar het blijft een middel achter een motief. De gebruikte theorieën gaan dus niet zozeer specifiek op internet in.

5.12.1 Slachtoffertheorieën

Zoals bij de grijze literatuur al is toegelicht stelt de organisatie Pretty Woman (2009) dat het slachtoffer zeven stadia doorloopt voordat zij inziet dat ze gebruikt wordt en wil stoppen met de relatie. Al eerder is vermeld dat deze stadia eigenlijk de modus operandi van de loverboy betreffen, maar dat de wijze waarop het slachtoffer dit ervaart hetgeen is dat er vanuit praktisch oogpunt toe doet. Zo kan uit de stadia worden afgeleid wanneer zij vatbaar is voor hulp en wanneer niet, daarom worden de stadia vanuit het slachtofferperspectief gebruikt. De stadia zijn door verschillende jeugdzorg- en andere organisaties zelf getest. Hoewel dit niet perse een teken van betrouwbaarheid is lijkt het feit dat de fasen als standaardrichtlijnen gebruikt worden in de praktijk toch wel naar praktisch nut te wijzen. De stichting Pretty Woman is strikt gespecialiseerd in de loverboyproblematiek, waardoor er in redelijke mate vanuit kan worden gegaan dat de fasen overeenkomen met de werkelijkheid. Tevens acht ik de fasen overeenkomstig met de behandelde wetenschappelijke (en grijze) literatuur. Beide literatuurtypen hanteren (soortgelijke) stadia, maar gaan niet in op de psychologie van de zaak. Deze tekortkoming maakt ze geschikt voor het doel van deze these: het toevoegen van een waardevolle theoretische achtergrond aan deze praktische omschrijving. De stadia opgesteld door Pretty Woman zijn achtereenvolgens de groomingfase, de inpalmingsfase, de honeymoon fase, de seksuele contacten fase, de fase van het verleggen van grenzen, de aanzet tot prostitutie fase en de exploitatie fase. In deze laatste fase ziet het meisje haar fouten in en wil ze loskomen van de loverboy. Om het proces compleet te maken voeg ik zelf de achtergrond van het slachtoffer als eerste fase toe en het daadwerkelijke einde, bijvoorbeeld door het doen van aangifte, als laatste fase. In tabel 3 wordt een overzicht geschetst van de fasen en theorieën die behandeld worden.

Tabel 3 Overzicht van fasen en theorieën betreffende het slachtofferproces

Fase

Theorie

Achtergrond van het slachtoffer

Sociale Bindingstheorie van Hirschi

1. Groomingfase

SPF-theorie van Lindenberg

2. Inpalmingsfase

SPF-theorie van Lindenberg

3. Honeymoon fase

SPF-theorie van Lindenberg

4. Seksuele contacten fase

SPF-theorie van Lindenberg

5. Fase van het verleggen van grenzen

SPF-theorie van Lindenberg, Psychological Entrapment Theorie van Brockner en Rubin

6. Aanzet tot prostitutie fase

Psychological Entrapment Theorie van

Brockner en Rubin

7. Exploitatie fase

Learned Helplessness Theorie van Seligman

Einde van de afhankelijkheidsrelatie

Slachtoffer-Beslissingsmodel van Greenberg en Ruback


5.12.1.1 Sociale Bindingstheorie

Uit eerdere literatuur blijkt dat het slachtoffer vaak uit een instabiele omgeving komt (Zanetti, 2009; De Smet en Mahjoub, 2008). De kwetsbare meisjes zijn afkomstig uit probleemgezinnen, waarbij sprake is van seksueel misbruik, gewelddadige ruzies, echtscheidingen, overlijden van één van de ouders enzovoort. De Sociale Bindingstheorie van Hirschi (1969) stelt dat er bij hen eerder sprake zal zijn van weinig binding met de maatschappij en hun ouders, doordat in sommige gezinnen geweld aan de orde van de dag is, kinderen verwaarloosd worden of een ander trauma zich heeft voorgedaan. Dit komt overeen met het beeld dat slachtoffers vaak eenzame en onzekere meisje zijn. Bij conflictsituaties met ouders zal een meisje eerder ingaan op voorstellen van de loverboy (Pieren, 2009). Ook wanneer er in het gezin geen mannelijk voorbeeldfiguur aanwezig is, krijgt het meisje moeilijker een realistisch beeld van de rol van een man binnen een gezin of relatie. Dit geldt nog sterker wanneer een mannelijke rol binnen het gezin vertolkt wordt door een persoon die anderen binnen het gezin fysiek of psychologisch mishandelt. Het gedrag dat een kind waarneemt in zijn omgeving is van invloed op haar gedrag op latere leeftijd (Belsky, Steinberg en Draper, 1991). In de puberjaren, waarin loskoppeling van de ouders veelvoorkomend is, kunnen peers tevens een grote invloed hebben. Wanneer binnen de vriendenkring losbandig gedrag normaal wordt geacht zal het meisje zich ook sneller zo gedragen. Hoe minder sterk de banden zijn, hoe sterker de meisjes denken dat zij niets te verliezen hebben. Zij zullen dan sneller risico’s nemen en avonturen aangaan. Daarnaast leven wij in een maatschappij waarin de media veel agressie en geweld laat zien (Bovenkerk et al., 2006) en er sprake is van seksualisering op het internet (De Graaf en Vanwesenbeeck, 2006). Hoewel de directe link tussen media en menselijk gedrag niet bewezen is, is er toch de verwachting dat wanneer vrouwenuitbuiting op tv gepromoot wordt (denk aan rapmuziek), dit een soort gewenning zal oproepen bij het meisje. Daarbij komt dat veel tieners uren per dag achter internet zitten en regelmatig seksuele verzoeken krijgen (De Graaf en Vanwesenbeeck, 2006). Deze ontwikkelingen zullen wellicht haar verwachtingen van wat normaal is bijstellen.

5.12.1.2 SPF-theorie

De Sociale Bindingstheorie van Hirschi (1969) kan verklaren dat het meisje tot een risicogroep behoort, maar waarom laat ze zich inpalmen door een loverboy? De Sociale Productie Functie theorie van Lindenberg (2001) (hierna SPF-theorie te noemen) geeft aan dat mensen hun eigen geluk als het ware produceren. Dit welbevinden bereikt men door middel van de doelen die men voor ogen heeft en middelen die hen ter beschikking staan. Dit doel algemeen welbevinden bestaat uit twee subdoelen: fysiek welbevinden en sociaal welbevinden. Deze doelen worden op hun beurt weer bereikt door instrumentele doelen. Fysiek welbevinden wordt bereikt door stimulatie en comfort. Onder stimulatie wordt een bepaald soort gezonde spanning of prikkeling verstaan. Comfort is onder andere vitaliteit, de afwezigheid van honger, dorst, pijn en angst. Sociaal welbevinden wordt bereikt door status, gedragsbevestiging en affectie. Status heeft te maken met iemands relatieve positie ten opzichte van anderen, vooral gemeten aan de beschikking over schaarse middelen. Gedragbevestiging is waardering van anderen dat je dingen goed doet en affectie betreft de liefde, zorg en acceptatie die men van naasten ontvangt. Deze vijf instrumentele doelen kunnen bereikt worden door verschillende hulpbronnen. Welke dit zijn verschilt per mens. De instrumentele doelen kunnen, afhankelijk van hun relatieve prijs, gesubstitueerd worden. Wanneer bijvoorbeeld het comfort van iemand afneemt door het krijgen van een ziekte, kan diegene dat compenseren door zijn affectie toe te laten nemen in de vorm van steun van familie en vrienden. Het model is schematisch weergegeven in figuur 1.

Figuur 1. SPF-theorie (Lindenberg, 2001).

Kijkend naar de digitale loverboyproblematiek is dit gegeven goed toe te passen. Wanneer een meisje bijvoorbeeld een laag zelfvertrouwen heeft omdat ze niet veel vrienden heeft (lage sociale status) en thuis niet de liefde en affectie krijgt die zij nodig heeft om dit te compenseren (weinig affectie), zal zij wellicht op het internet op zoek gaan om deze doelen te vervullen. Ze kan gemakkelijker zwichten voor de aandacht van een digitale loverboy en deze zal snel de belangrijkste persoon in haar leven worden en haar zo manipuleren. Door te doen wat hij zegt, bijvoorbeeld dat ze zich moet uitkleden voor de webcam, zal het meisje (niet-gemeende) affectie ervaren en gedragsbevestiging krijgen. Dus wanneer de gedragsbevestiging en affectie niet direct komen van familie of vrienden kan een meisje makkelijker vallen voor een loverboy omdat hij in de eerste maanden juist invulling geeft aan deze behoeften (Bovenkerk et al., 2006). Ook wanneer er in de toekomst minder lichamelijk welbevinden naar voren komt, zoals het ervaren van pijn en angst, zal de beleefde affectie een mogelijke reden zijn om bij de loverboy te blijven. Ook door zich te gedragen volgens de gedragsregels binnen de loverboys vriendenkring zal ze vermoedelijk haar sociale status op willen krikken. Sociaal welbevinden wordt belangrijker dan fysiek welbevinden. Er is hier sprake van substitutie.

5.12.1.3 Psychological Entrapment en Learned Helplessness

Nadat het meisje een relatie is aangegaan met de loverboy is er sprake van een afhankelijkheidsrelatie, waardoor ze door de ongelijke machtsverhouding niet gemakkelijk de relatie kan verbreken (Lünnemann, Goderie en Tierolf, 2010). Er bestaan verschillende theorieën over waarom slachtoffers in gewelddadige relaties bij hun daders blijven totdat ze besluiten hem te willen verlaten. De Psychological Entrapment theorie en de Learned Helplessness theorie passen naar mijn mening echter het beste op de loverboyproblematiek. Deze theorieën zijn al eerder in verband gebracht met gewelddadige afhankelijkheidsrelaties en uit meerdere onderzoeken blijkt dat dit een prima fit is (Strube, 1988; Rhatigan, Street en Axsom, 2006; Bell en Naugle, 2005; Walker, 1979).

De Psychological Entrapment theorie is als eerste genoemd door Brockner en Rubin (1985) en houdt in dat vrouwen hun investeringen in een misbruikrelatie doorzetten om vorige pogingen om de relatie te laten werken, te vergoelijken. Er wordt gezocht naar een manier om de beslissing om bij hun partner te blijven, te rechtvaardigen (Rhatigan et al., 2006). Uiteindelijk heeft de vrouw zoveel geïnvesteerd in de relatie dat het bijna onmogelijk lijkt om te stoppen (Bell en Naugle, 2005).
In de loverboyproblematiek komt dit tot uiting in het feit dat het slachtoffer gaat werken in de prostitutie voor de liefde en aandacht van haar loverboy. Ze is verliefd op de loverboy, ze hebben seks gehad en als hij haar dan vraagt dingen te doen die te ver gaan, bijvoorbeeld een filmpje maken voor de webcam of extreme seksuele handelingen te verrichten, zal ze dat doen om de jongen een plezier te doen. Wanneer ze tot prostitutie wordt aangezet zal ze zich misschien teleurgesteld of bedrogen voelen, maar investeert ze in de wensen van de loverboy, in de hoop ook haar eigen gevoelens te bevredigen.
Wanneer het slachtoffer dan toch doorkrijgt dat de relatie niet meer te redden valt en ze wil stoppen gebruikt de loverboy dwangmiddelen (Zanetti, 2010). Hij dreigt bijvoorbeeld gemaakte foto’s of filmpjes op het internet te zetten of gebruikt geweld. De theorie van Learned Helplessness (Seligman, 1975) lijkt hier toepasbaar. Walker (1979) heeft deze theorie voor het eerst toegepast op vrouwen in een gewelddadige relatie en de theorie heeft de test der tijd doorstaan (Rhatigan et al., 2006). De theorie suggereert dat vrouwen die geweld of misbruik ervaren in hun relatie verwachten dat hun toekomstige reacties – die erop gericht zijn de relatie te verbeteren en het geweld terug te dringen – toch gewelddadige consequenties opleveren (Rhatigan et al., 2006). Daardoor stoppen slachtoffers met het ondernemen van pogingen om de situatie te verlaten of veranderen. Ze ontwikkelen gevoelens van schaamte en geven zichzelf de schuld van alles (“hoe heb ik het zover kunnen laten komen”), wat een lage eigenwaarde en een toenemend gevoel van hulpeloosheid versterkt (Herbert, Silver en Ellard, 1991). Zo zal, nadat de loverboy het slachtoffer al meerdere malen heeft mishandeld of gechanteerd, zij het vertrouwen verliezen dat ze eruit kan stappen wanneer ze wil. Hij heeft haar in zijn greep en dat maakt haar hopeloos. Ze blijft in de prostitutie werken, want andere opties ziet ze niet. En wellicht is ze alsnog een beetje verliefd op de loverboy en blijft ze hopen dat, als ze genoeg geld verdient, ze kan stoppen en zij samen een leven kunnen opbouwen.

5.12.1.4 Slachtoffer-Beslissingsmodel

Op een gegeven moment moet er een besef komen dat ze actie moet ondernemen om uit de situatie te geraken. Greenberg en Ruback (1992) hebben op basis van 20 onderzoeken een model ontwikkeld waarin de verschillende mechanismen die een rol spelen bij het wel of niet vluchten of doen van aangifte na een misdrijf in kaart worden gebracht. Dit ‘Slachtoffer-Beslissingsmodel’ is opgezet voor alle soorten misdrijven, gaat uit van de individuele beleving van het slachtoffer en is gebaseerd op universele cognitieve en affectieve processen. Een grafische weergave van het Slachtoffer-Beslissingsmodel is te zien in figuur 2.

Figuur 2. Het Slachtoffer-Beslissingsmodel van Greenberg en Ruback (1992).

De auteurs onderscheiden drie stadia in het nemen van beslissingen na een misdrijf:
1. het slachtoffer labelt een gebeurtenis als misdrijf
2. het slachtoffer bepaalt de ernst van het misdrijf
3. het slachtoffer beslist wat te doen
Wanneer het slachtoffer de gebeurtenis als misdrijf ziet zal haar distressniveau toenemen. De term distress kan naar het Nederlands vertaald worden als droefheid, pijn, angst, zorg en nood. De ernst van het misdrijf wordt bepaald op basis van de mate waarin het slachtoffer zich onrechtvaardig behandeld voelt en de mate waarin het slachtoffer zich kwetsbaar voelt voor herhaling van het misdrijf. Het distress niveau neemt toe als de daadwerkelijke schade groot is, maar neemt af als de mogelijke schade groot is (“het had veel erger kunnen zijn”). Als de werkelijke schade groot is en het voor te stellen is dat de schade veel groter had kunnen zijn, neemt het gevoel van kwetsbaarheid voor herhaling toe. In het derde stadium neemt het slachtoffer een beslissing. Ze heeft hierbij vier verschillende opties en welke beslissing wordt genomen is afhankelijk van de attitudes die het slachtoffer heeft ten aanzien van de mogelijke beslissingen – voor een deel beïnvloed door de sociale omgeving - en van opgeslagen kennis over de beslissingen. De opties zijn (1) een persoonlijke oplossing zoeken, (2) de situatie revalueren, (3) naar de politie gaan of (4) niets doen. Persoonlijke oplossingen kunnen bestaan uit het vermijden van de dader, de dader tegemoet komen of het aanvallen van de dader. Bij cognitieve revaluatie vermindert het slachtoffer haar angst en kwetsbare gevoel door anders tegen de zaken aan te gaan kijken. De werkelijkheid wordt verdraaid in een poging vast te kunnen houden aan haar bestaande wereldbeeld. Het gevaar bestaat dat slachtoffers zichzelf hier de schuld gaan geven. Naar de politie gaan is een belangrijke optie voor het slachtoffer. Afhankelijk van het geloof in de politie kan het distress niveau verminderen. Wanneer het slachtoffer actie ondernemen als een onmogelijke opgave ziet wordt er niets gedaan. Hier is wellicht learned helplessness nog van toepassing. Walker (1979) stelt dat aan slachtoffers herhaaldelijk getoond moet worden dat ze wel degelijk hun leven kunnen veranderen. Het kost echter tijd, alvorens slachtoffers in staat zijn permanent te ontsnappen aan hun situatie (Bell en Naugle, 2005).

Doornbos (2006) heeft in haar scriptie dit model getest door interviews te houden met twaalf slachtoffers van loverboys, waarvan er zes actie ondernomen hebben voordat zij gedwongen werden als prostituee te werken, en experts. Het model bleek goed te passen en ik zal hier beknopt haar conclusies per stadium toelichten. Allereerst is het nodig dat slachtoffers dat wat de loverboy hen heeft aangedaan, veelal het dwingen tot prostitutie, erkennen als misdrijf. Het blijkt echter dat lang niet alle meisje direct de dwang tot prostitutie herkennen als zijnde een misdrijf. Redenen die expert hiervoor gaven waren dat meisjes vaak nog verliefd zijn, zichzelf de schuld geven of simpelweg niet op de hoogte zijn van de wet en dus niet weten dat de loverboy iets doet dat niet mag. Ook de werkwijze van de loverboy heeft invloed op het labelen. Het slachtoffer zal zijn daden eerder als misdrijf labelen als ze een pistool op haar hoofd heeft gekregen of gedwongen wordt. Wanneer ze zo wordt gemanipuleerd dat ze denkt dat ze het doet voor hun toekomstperspectief wordt labelen vaak moeilijker en duurt het langer. Het gevoel ‘dat er iets niet klopt’ is aanwezig, maar nog niet sterk genoeg.
Hoewel de meerderheid van de geïnterviewde meisjes gewaarschuwd werd en zelf ook signalen zag gaven ze aan dat de gedwongen prostitutie voor hen onverwacht was. De verwachte schade was dus laag. Daadwerkelijke schade kan onderverdeeld worden in emotionele en materiële schade. Voorbeelden zijn gedwongen prostitutie, (dreiging) van geweld, ook naar familieleden toe, uitgelekt chantage materiaal, kapot maken van eigendommen en het afkappen van vrienden. Twee van de zes slachtoffers geven aan dat het echter veel erger had kunnen aflopen (Doornbos, 2006). De rest dacht juist dat, als ze maar hadden geluisterd naar vrienden en familie, het veel minder erg had kunnen zijn. De emotionele gevolgen als gevolg van de schade door een misdrijf bepalen hoe ernstig het slachtoffer het misdrijf vindt. Alle slachtoffers zeiden dat zij zich onrechtvaardig behandeld voelden en erg bang zijn of zijn geweest. Angst voor wraak of straf was vaak nog aanwezig, maar ook het vertrouwen in andere mannen hebben zij verloren. Tevens voelden de meisje schaamte en hadden zij een schuldgevoel.
Vervolgens kunnen de slachtoffers vier dingen doen, zoals zichtbaar is in het model. Alle slachtoffers hebben oplossingen gezocht in het vermijden van de dader en het gedwongen werk. Vluchten had echter geen zin. Een quote uit de scriptie van Doornbos (2006) geeft dit aan: “Als ik weg was gelopen dan was ik er nu waarschijnlijk niet meer geweest”. Om dezelfde reden heeft niemand geprobeerd de loverboy aan te vallen. De dader tegemoet komen hield voor de slachtoffers vooral in dat ze gewoon door bleven werken voor hun loverboy. Het stappen naar de hulpverlening staat niet in het model, maar plaatst Doornbos (2006) onder persoonlijke oplossingen. Maar één van de twaalf meisjes nam zelfstandig deze stap. Bij cognitieve revaluatie wordt de werkelijkheid verdraaid in een poging vast te kunnen houden aan haar bestaande wereldbeeld. Volgens Doornbos (2006) komen er uit de verhalen van de slachtoffers duidelijk een aantal signalen van revaluatie naar voren. Bijna alle slachtoffers voelden zich schuldig, omdat ze het ‘hadden zien aankomen’. Door anders naar de zaken te kijken, werd het misdrijf minder onverwacht, wat het gevoel van onrecht kan doen verminderen. Alle slachtoffers uit het onderzoek kregen op een bepaald moment contact met de politie, omdat de respondenten via de politie zijn geworven. Zes meiden kozen hier zelf voor, bij vier gevallen hebben ouders of leraren aangifte gedaan en in één geval is het slachtoffer zelf benaderd door de politie. Slachtoffers die niets doen zijn niet meegenomen in het onderzoek, omdat hier geen contact mee is opgenomen. Concluderend kan gesteld worden dat het Slachtoffer-Beslissingsmodel goed van toepassing lijkt op loverboyslachtoffers.

Van de behandelde slachtoffertheorieën hebben er mijns inziens twee het meeste praktisch nut, namelijk de SPF-theorie en het Slachtoffer-Beslissingsmodel. Beide geven aan dat er behoefte is aan bepaalde informatie bij potentiële slachtoffers. De SPF-theorie stelt dat een risicomeiden een duidelijk beeld moeten hebben van het verloop en de gevolgen van een loverboyrelatie en volgens het Slachtoffer-Beslissingsmodel moet het meisje in staat zijn het misdrijf te labelen als misdrijf en weten wat haar opties zijn. Dit zou allen bereikt kunnen worden door de juiste voorlichting. Implicaties van deze theorieën worden verder besproken in 6.2. Op de daders zijn weer andere theorieën van toepassing.

5.12.2 Loverboytheorieën

Het groomen van een meisje is een eenmanstaak. Het meisje moet immers verliefd worden op één enkele loverboy en vanachter een computer kan dit ook prima alleen gedaan worden. Het exploiteren van een meisje gebeurt geleidelijk aan echter steeds meer in groepsverband. Zoals al eerder is aangegeven opereren loverboys vaak in een sociaal netwerk (Bovenkerk en Van San, 2011; Terpstra en Van Dijke, 2005; Zanetti en Kanters, 2009). Het moderne pooiersysteem is vergelijkbaar met een organisatie. Het systeem bestaat uit oudere jongens die de organisatie op zich nemen en de jongere jongens die de meisjes groomen, advertenties op het internet plaatsen en ze in de gaten houden. Maar echt een goed georganiseerd criminele organisatie is het volgens Terpstra en Van Dijke (2005) niet. Inkomsten worden dan ook niet op een gelijke manier verdeeld. Nieuwe loverboys worden ‘opgeleid’ en worden vaak eerst te werk gesteld als hulpjes. De hoofdaannemer betaalt zijn hulpjes. De onderzoekers vonden dat van de 92 onderzochte verdachten 22 nog hulpje waren. Ook de Nationaal Rapporteur Mensenhandel (2005) vond dat loverboys vrijwel altijd in groepen werken. Er zijn zeventien diepte-interviews uitgevoerd met loverboys en die kenden allemaal ten minste vijf andere loverboys erg goed.
Maar wat maakt dat een jongen een loverboy wordt? Deze vraag kan zowel op individueel niveau als op groepsniveau worden beantwoord. Naast dat de jongen zich uiteindelijk zelf gedraagt als loverboy beïnvloedt ook zijn sociale omgeving, zoals foute vrienden en familieleden, hem. Voor hij wordt geaccepteerd in een dergelijk sociaal netwerk en ‘taken’ krijgt is de jongen al redelijk meegegroeid in de heersende cultuur. Er kan voorzichtig gesteld worden dat de achtergrond en omgeving van de loverboy voor een deel zijn verdere loopbaan bepaald.

5.12.2.1 Sociale omgeving

Eerst zal ik de achtergrond van de beginnende loverboy theoretisch behandelen. Twee theorieën zijn hierbij van belang: de Subcultuurtheorie van Cohen (1955) en de Sociale Bindingstheorie van Hirschi (1969). De Subcultuurtheorie van Cohen (1955) is vooral gericht op het verklaren van delinquent gedrag van groepen, vooral jeugdgangs, die een van de conventionele samenleving afwijkende leefstijl op nahouden. Verondersteld wordt dat in deze groepen een alternatief systeem van waarden en gedragsregels bestaat. De groepsleden willen in eigen kring erkenning en respect verwerven en delinquentie is vaak een door de eigen groep gelegitimeerd middel. Leden van de groep bevinden zich in een nieuw soort kansenstructuur. Tal van illegale mogelijkheden zijn beschikbaar. Opvattingen over welke delinquente gedragingen wel of niet aanvaardbaar zijn maken deel uit van het in de subcultuur heersende waarden- en normenstelsel. Deze theorie is prima toe te passen op het sociale netwerk van de loverboy. Het is een eigen groep met eigen normen en waarden, waarbij het plegen van delicten niet zeldzaam is. De meeste loverboys hebben, zoals eerder al toegelicht, al een strafblad voor zij als pooier gaan werken (Zanetti, 2009). Een door de groep gelegitimeerd middel is de loverboymethodiek en ook geweld en agressie worden als normaal beschouwd. Respect is gebaseerd op de hoeveelheid geld dat verdiend is of het aantal meisjes dat voor een loverboy werkt.
De Sociale Bindingstheorie van Hirschi (1969) ondersteunt de theorie van Cohen in het geval van de digitale loverboy. Ook is deze theorie van toepassing op de achtergrond van het slachtoffer. Centraal in de Sociale Bindingstheorie staat de stelling dat jongeren ongehinderd evolueren naar delinquenten wanneer hun banden met de conventionele sociale orde verbroken zijn. Hoe sterker een bepaald persoon geïntegreerd is in een bepaalde intermediaire groepering, hoe sterker hij de normen van deze groep zal naleven. Hirschi (1969) veronderstelt dat individuen die sociaal sterk gebonden zijn zich niet snel delinquent zullen gedragen, omdat zij dan het risico lopen om bindingen aan conventionele personen te verliezen. Wanneer individuen weinig of geen van dergelijke banden hebben dan hebben ze ook weinig te verliezen en is de kans op delinquent gedrag groter. Vier elementen van sociale binding worden beschreven: (1) attachment: affectieve bindingen met belangrijke anderen, zoals ouders, vrienden en leerkrachten; (2) commitment: betrokkenheid bij conventionele activiteiten, gekoppeld aan een bereidheid om beloftes na te komen; (3) involvement: de inzet bij conventionele activiteiten, zoals bijschoolse activiteiten en werk; (4) belief: het geloof in de regels van de samenleving.
In het geval van de loverboy is er al sprake van een hechte groep met eigen normen en waarden. Hoe meer de jongen zich dan bij de groep gaat voegen en hoe meer hij zich afsluit van andere sociale contacten, hoe gemakkelijker hij dus de stap naar het loverboy worden kan maken. In zo’n geval heeft de jongen volgens de elementen bijvoorbeeld naast de groep weinig of slechte affectieve bindingen met zijn ouders, leerkrachten of vrienden met een goede invloed; gaat hij niet of nauwelijks naar school; heeft hij geen (bij)baantje of zet hij zich niet in voor bijvoorbeeld een (school)sport; en geloofd hij niet in de conventionele normen en waarden in Nederland. De twee behandelde theorieën samen kunnen verklaren dat de jongen én bij een bepaalde subcultuur hoort én buiten die groep weinig sociale bindingen heeft. Naar conventionele anderen toe is wellicht de Labelling Theory van kracht (Becker, 1963). Jongens worden bestempeld als probleemjongeren en blijven dat daarom ook.

5.12.2.2 Individuele overwegingen

Het probleem van bovenstaande theorieën is dat ze zich vooral afspelen op macroniveau en persoonlijke overwegingen en keuzes niet meenemen. Ze zijn redelijk passief, terwijl de jongen toch echt zelf de keuze maakt om loverboy te worden. Waarom gaan ze dan, vanuit individueel oogpunt, werken als (digitale) loverboy?
De Differentiële Associatietheorie van Sutherland (1939; Siegel, 2010) stelt dat deviant gedrag aangeleerd is door middel van associatie met vrienden en anderen die dit gedrag plegen. Het leerproces dat men ondergaat omvat zowel het aanleren van technieken, maar ook van motivaties, waarden en normen. De nadruk van deze theorie ligt op het persoonlijke leerproces en is daarom onder individuele overwegingen geplaatst, echter sluit de theorie wel goed aan bij de eerder behandelde Subcultuurtheorie. Toegepast op de loverboy kan gezegd worden dat zij gewend raken aan een milieu waarin het pooier zijn en daarbij geweld gebruiken de normaalste zaak van de wereld is. Doordat hun vrienden hiermee hun geld verdienen, nemen zij de waarden en normen van deze subcultuur over. Hierdoor zullen zij vlugger de stap tot loverboy zetten.
Doordat ze de technieken al grotendeels beheersen en gewend zijn aan de heersende pooiercultuur zullen jongens op een gegeven moment de kans krijgen zich ook als loverboy op te stellen. Volgens de Gelegenheidstheorie is de gemakkelijkste weg vaak de gekozen weg. Beschikking hebben over een internetverbinding maakt het allemaal nog gemakkelijker en haast binnen handbereik.
En misschien wel de meest doorslaggevende factor is de Rationele Keuzetheorie. De belangrijkste grondleggers van deze benadering waren de 18e-eeuwse filosofen Beccaria en Bentham (Siegel, 2010). Crimineel gedrag wordt beschouwd als een vrije keuze, waarbij de kosten en baten van belang zijn. En deze verhouding is voor de loverboy vaak gunstig. Zo verdienen de jongens grof geld. Een meisje kan duizend euro per nacht opbrengen en gemiddeld prostitueren loverboys twee tot drie meisjes tegelijk (Terpstra en Van Dijke, 2005). Een meisje via het internet groomen is redelijk gemakkelijk. Sociale netwerkprofielen kunnen per grote getalen in de gaten gehouden worden en de jongen kan meerdere hengels tegelijk uitgooien en door gebruik van de webcam kan de loverboy meteen zijn prooi controleren. Filmpjes van de webcam kunnen gemakkelijk als chantage materiaal dienst doen en een meisje is binnen een paar minuten te adverteren op bepaalde sites. Tevens is de pakkans erg laag. Doordat de loverboys in internetcafés zitten is het IP-adres niet te achterhalen en het slachtoffer zal toch niet snel haar mond open doen. Daarbij komt dat het internet anoniem, goedkoop en laagdrempelig is en dat er nauwelijks controle op dit soort activiteiten is.

Van de behandelde dadertheorieën hebben er mijns inziens drie het meeste praktisch nut. Op het gebied van preventie is dit de Subcultuurtheorie. Wanneer een belangrijk persoon uit de subcultuur van de potentiële loverboy voorlichting geeft of afkeuring laat blijken zal dat volgende de theorie veel invloed hebben. Door het gebruik van een informant zou volgens de Differentiële Associatietheorie veel inzicht in de gedoceerde loverboytechnieken kunnen worden verkregen. Dit inzicht in de werkwijze zou volgens de Rationele Keuzetheorie de risico’s van het loverboy zijn verhogen, waardoor ze er eerder van zullen afzien. Ook het verhogen van de straffen verhoogt de kosten en zou afschrikkend werken. Verdere implicaties van deze theorieën worden behandeld in 6.2. Alle toegepaste theorieën kunnen echter inzicht verschaffen in de aspecten die een rol spelen bij daders.

6 Conclusie en discussie

6.1 Samenvatting en conclusie

In deze studie zijn twee dingen gedaan. Ten eerste is er een inventarisatie gemaakt van de wetenschappelijke en grijze literatuur omtrent de digitale loverboy. Ten tweede zijn theorieën toegepast op zowel het slachtoffer als de dader.
Samenvattend kan worden gesteld dat loverboys over het algemeen jong zijn, al een strafblad hebben, een autoritaire persoonlijkheid hebben en afkomstig zijn van verschillende etnische achtergronden. Tevens heeft het prototype digitale loverboy een problematisch jeugd gehad, overeenkomend met die van het slachtoffer. Naast de daders hebben ook de slachtoffers een prototype profiel. Deze zijn jong, hebben een Nederlandse nationaliteit, een (licht) verstandelijke beperking en problemen thuis. Een belangrijke invloed van buitenaf blijkt de seksualisering op het net en het populair willen zijn op sociale netwerksites. De werkwijze van de digitale loverboy is in te delen in verschillende fasen en typen, variërend per onderzoek. Een voorbeeld hiervan zijn de grooming-, inlijving- en exploitatiefasen van Zanetti (2009). Loverboys werken verder vaak samen in een CSV en handelen naar wat het meeste oplevert, of dit nu prostitutie of drugshandel is. De basis van elke loverboycasus lijkt echter hetzelfde: er is sprake van een afhankelijkheidssituatie. Dat het internet veel voordelen heeft voor de loverboy moge duidelijk zijn. Hij bereikt gemakkelijk een groot publiek, heeft meer invloed op het sneller gaande emotionele proces en hij kan zijn slachtoffer laten wennen aan prostitutie door gebruik van de webcam. Daarbij komt dat het internet anoniem, goedkoop en laagdrempelig is en dat er nauwelijks controle op dit soort activiteiten is en de pakkans laag is. Tevens kan het internet als informatie- of strategisch middel dienen. En, vanuit de calculerende aard van de loverboy heel belangrijk, sinds controle in het vergunde circuit is toegenomen is er veel geld te verdienen aan het adverteren van tienermeisjes op websites.
Opsporing van digitale loverboys kan door het achterhalen van een IP-nummer, het plaatsen van een internettap, het gebruik van lokprofielen en door het zoeken naar onzuivere advertenties. FCA en Artikel 248e bieden wellicht nieuwe handvatten voor politie en justitie. De overheid loopt in haar strijd tegen de loverboyproblematiek echter nog tegen problemen op. De controle zou toenemen, maar uit resultaten van de korpsmonitor blijkt echter dat veel korpsen alleen reactief en/of incidenteel de niet-vergunde prostitutie controleren. Ook aan de aanpak schort het nog. Veel aangiftes worden plankzaken. Oorzaken voor de moeilijke aanpak zijn onvoldoende erkenning van het probleem, het ontglippen van delinquenten voordat het loverboys worden, moeizame opsporing van internetactiviteit en de aanwezigheid van verschillende facilitators. Er is duidelijk meer ICT kennis nodig bij de politie. De loverboyslachtoffers die uiteindelijk naar de politie gaan zijn doorgaans ontevreden over de aanpak. Naast de daadwerkelijke opsporing is ook voorlichting van belang. Deze kan gericht worden op sitebeheerders, slachtoffers, daders en klanten. Vooral deze laatste groep blijkt effectief. Tevens blijkt dat er behoefte is aan één duidelijke site over loverboys. De meeste fysieke voorlichting is gericht op scholen door verscheidende hulporganisaties. Een goede afstemming tussen voorlichting en opsporing is nodig.
Afwijkend van de stereotype loverboyproblematiek laat verliefdheid zich ook exploiteren bij het overhalen van meisjes om uit winkels te stelen, om fraude te plegen met leningen en om als drugskoerier te gaan werken. Ook prostitutie waarbij het gaat om mannelijke slachtoffers of lovergirls komt voor.

Concluderend lijkt de rol van internet tweezijdig. Enerzijds wordt internet steeds vaker gebruikt door loverboys, anderzijds ook als preventie- en opsporingskanaal tegen de problematiek. Het speelt op elk gebied een grotere rol, maar het is en blijft enkel een middel. Een ander interessant punt is de relatie tussen de seksualisering, toename van internetgebruik en de digitale loverboy, want wat veroorzaakt wat? Al met al geeft de gemaakte inventarisatie een duidelijk beeld van de beschikbare informatie omtrent de digitale loverboy. Het kan zo een handig hulpmiddel zijn bij vervolgonderzoek, maar ook bij het plannen van interventie zal het zijn vruchten afwerpen.

Uit de informatie van de wetenschappelijke en grijze literatuur is verder een belangrijke conclusie getrokken: beiden blijven strikt beschrijvend, juist waar een dieper gaande theorie erg nuttig kan zijn. Daarom zijn enkele theorieën toegepast op zowel slachtoffer als dader. Bij het slachtoffer is gebruik gemaakt van de stadia van het slachtofferproces gebruikt door Pretty Woman (2009). De sociale bindingstheorie , de SPF-theorie, de theorie van psychological entrapment en learned helplessness en het Slachtoffer-Beslissingsmodel zijn op de stadia toegepast. Bij de dader is een opdeling gemaakt in omgevingsinvloeden en individuele overwegingen. De toegepaste theorieën zijn de subcultuur theorie, de sociale bindingstheorie, differentiële associatietheorie, de gelegenheidstheorie en rationele keuze theorie. Opvallend is dat hoewel de theorieën vaak erg oud zijn ze alsnog goed passen op de onderwerpen loverboys en internet.

6.2 Implicaties van de gebruikte theorieën

De theorieën bieden een nieuw inzicht op de loverboyproblematiek en kunnen zo mogelijk bijdragen aan de aanpak hiervan, daarom is het van belang te profiteren van de beschikbaarheid aan informatie van de grijze en wetenschappelijke literatuur. Er zijn twee belangrijke implicaties van de slachtoffertheorieën, namelijk dat de SPF-theorie en het Slachtoffer-Beslissingsmodel aangeven dat er behoefte is aan bepaalde informatie bij loverboyslachtoffers. De SPF-theorie is van toepassing op het aangaan van de relatie en draait om het maximaliseren van het algemeen welbevinden. Mogelijke slachtoffers zou duidelijk moeten worden gemaakt dat een relatie met een loverboy altijd negatief zal uitpakken voor zowel hun fysieke als sociale welbevinden. Ook al lijkt het dat hij haar status, affectie en gedragsbevestigingen kan geven, uiteindelijk blijkt dat niet het geval. Risicomeiden moeten dus goed voorgelicht zijn over de gevolgen van een loverboyrelatie. Wanneer het slachtoffer uit de relatie wil stappen is het Slachtoffer-Beslissingsmodel van toepassing. Het is belangrijk dat meiden hun situatie labelen als een misdrijf en weten wat hun opties zijn. Dit labelen als misdrijf zou kunnen worden versterkt door goede voorlichting. Potentiële slachtoffers dienen een juist beeld te hebben van de scheiding tussen een normale relatie en een loverboyrelatie en weten dat er een gevangenisstraf staat op de laatste. Het is belangrijk dat deze voorlichting wordt gegeven voorafgaand aan het begin van een loverboyrelatie, bijvoorbeeld al vroeg op scholen. Gelukkig gebeurd dit al vaak (zie 5.8). Ook zou voorlichting duidelijk moeten maken dat slachtoffers naar hulpverlening of politie moeten stappen als zij zich in een loverboysituatie bevinden en dat zij daar veilig zijn en geholpen worden.
Een andere manier van preventie is het richten op potentiële daders. Volgens de Subcultuurtheorie maakt de beginnende loverboy deel uit van een bepaalde subcultuur en willen zij aanzien winnen binnen die groep. Een invloedrijk groepslid zou als belangrijke voorlichter kunnen dienen, wanneer deze duidelijk zou maken dat loverboymethoden niet worden geaccepteerd. Volgens de Subcultuurtheorie zou dit meer invloed hebben dan voorlichting van een conventionele buitenstaander en enkele eerdere acties lijken dit te beamen. Zo zijn er Marokkaanse buurtvaders met succes ingezet en bespreken enkele imams het onderwerp loverboys (Bovenkerk en Pronk, 2007). Betreffende de aanpak van loverboys kan de Differentiële Associatietheorie hulp bieden. Deze theorie zegt dat motivaties en waarden en normen worden aangeleerd, maar dat ook technieken binnen de loverboyorganisatie worden gedoceerd. Meer inzicht in die technieken, bijvoorbeeld door het gebruik van een informant, zou de politie enorm kunnen helpen met de opsporing van loverboys en zo de pakkans vergroten. Het nadeel van deze implicaties is dat de medewerking van een persoon uit de subgroep nodig is. Het verkregen inzicht zou echter volgens de Rationele Keuzetheorie een grote invloed kunnen hebben op de keuze van loverboys om een slachtoffer te zoeken. Wanneer de kosten of risico’s van het ‘beroep’ hoger zijn dan de baten zal de jongen eerder geneigd zijn ermee te stoppen. Het verhogen van de kosten kan ook door het verhogen van de straffen.
Naast deze specifieke implicaties zal een gegrondere theoretische achtergrond tevens het onderwerp ‘loverboys’ wat meer aanzien kunnen geven in de wetenschappelijke wereld.

6.3 Kanttekeningen studie

Er dient een aantal belangrijke kanttekeningen te worden gemaakt betreffende deze studie. De toepassingen van de theorieën zijn, behalve bij het Slachtoffer-Beslissingsmodel, niet onderzocht. Het betreft enkel speculaties gebaseerd op de bestudeerde literatuur. Een ander punt van kritiek is het gebruik van stukken afkomstig uit de grijze literatuur in de inventarisatie. Deze dienen met zorg te worden beoordeeld. Ze zijn niet gepubliceerd of gecontroleerd door medeonderzoekers en hun kwaliteit is niet te garanderen. Vaak brengen ze echter wel goed in beeld wat er speelt en kunnen daarom erg waardevol zijn. Tevens is er alleen gebruik gemaakt van praktijkkennis uit literatuur. Er zijn dus geen interviews en dergelijke gehouden. Wellicht is niet alle beschikbare praktijkkennis meegenomen. Ook bestaat de kans dat op het gebied van wetenschappelijke literatuur iets gemist is.
Door de beperkte hoeveelheid onderzoek op het gebied van loverboys moeten de genomen conclusies verder voorzichtig worden geïnterpreteerd. Ze zijn gebaseerd op de weinige beschikbare informatie en betreffen geen absolute waarheden.

6.4 Aanbevelingen

Aan deze studie kunnen een aantal aanbevelingen worden onttrokken. In de inventarisatie zijn enkele globale aandachtspunten genoemd, zoals het maken van afspraken over de definitie ‘loverboy’, een betere controle op de niet-vergunde internetprostitutie en een betere coördinatie tussen site beheerders en politie. In de praktijk is ook aangeraden de prioriteit te leggen op de verbetering van de ICT kennis van politiemedewerkers en het inbedden van informatie over werkwijze en profielen van loverboys in opleidingen van de politie en het Openbaar Ministerie (De Nationaal Rapporteur, 2010). Dit zou kunnen bijdrage aan een betere opsporing van de internetactiviteiten van loverboys. Uit de literatuur blijkt tevens dat er behoefte is aan één duidelijke voorlichtingssite en dat loverboyslachtoffers die naar de politie gaan vaak ontevreden zijn (Rood Utrecht, 2009). Het is aan te raden de politie hierop attent te maken. De voorlichting gericht op klanten bleek effectief (Bovenkerk en Pronk, 2007), het zou goed zijn hiermee door te gaan. Deze aanbevelingen zijn echter erg algemeen en al eerder voorgesteld. Persoonlijk zou ik een nieuwere aanbeveling voor vervolgonderzoek willen doen en dat is het toetsen van de hier toegepaste theorieën. Zo kunnen de slachtoffertheorieën allen onderzocht worden door middel van vragenlijsten of interviews, voorafgaand aan de relatie om kwetsbare groepen te identificeren aan de hand van de Sociale Bindingstheorie of na afloop van de relatie aan de hand van de andere theorieën. Betreffende de dadertheorieën zal onderzoek moeilijker worden, omdat de medewerking van loverboys nodig is. Wellicht hebben onderzoekers een kans bij gedetineerde loverboys. Wanneer dit zou lukken zouden alle theorieën door middel van vragenlijsten of interviews onderzocht kunnen worden. Onderzoek van de eerder genoemde implicaties, waaronder het gebruik van interne voorlichters en informanten zou ook zeker waardevolle informatie opleveren. Aangezien het waarschijnlijk onrealistisch is te verwachten dat een bij een instantie bekende loverboys zoveel meewerken kan dit ook een stapje terug worden genomen door een persoon te gebruiken die net iets verder van de problematiek af staat. Voorbeelden hiervan zijn de eerder genoemde Marokkaanse buurtvaders en imams. Het geheel aan theorieën zou een goed werkend onderzoeksparadigma opleveren met praktisch nut.

7 Literatuurlijst

Wetenschappelijke literatuur

Antheunis, M.L. (2009). Online Communication interpersonal attraction and friendship formation. Enschede: Print Partners Ipskamp.
Bakker, F. & Vanwesenbeeck, I. (2006). Seksuele gezondheid in Nederland 2006. Delft: Eburon.
Becker, H.S. (1963). Outsiders: Studies in the Sociology of Deviance. New York: The Free Press.
Bell, K.M. & Naugle, A.E. (2005). Understanding stay/leave decisions in violent relationships: a behavior analytic approach. Behavior and Social Issues, 14, 21-45.
Belsky, J., Steinberg, L. & Draper, P. (1991). Childhood Experience, Interpersonal Development, and Reproductive Strategy: An Evolutionary Theory of Socialization. Child Development, 62, 647–670.
Boutellier, J.C.J. (1991). Prostitution, criminal law and morality in the Netherlands. Crime, Law and Social Change, 15, 201-211.
Boutellier, H. (2006). De veiligheidsutopie. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Bovenkerk, F. & Pronk, G.J. (2007). Over de bestrijding van loverboymethoden. Justitiële verkenningen: mensenhandel, 7, 82-95.
Bovenkerk, F. & San, M. van (2011). Loverboys in the Amsterdam Red Light District: A realist approach to the study of a moral panic. Crime Media Culture, 7, 185–199.
Bovenkerk, F., San, M. van, Boone, M., Boekhout van Solinge, T. & Korf, D. (2006). Loverboys of modern pooierschap. Amsterdam: Augustus.
Brockner, J. & Rubin, J.Z. (1985). Entrapment in escalating conflicts: A social psychological analysis. New York: Springer-Verlag.
Broek, A. van den & Keuzenkamp, A. (2008). Het dagelijks leven van allochtone stedelingen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Bullens, R.A.R. & Van Horn, J.E. (2000). Daad uit ‘liefde’: gedwongen prostitutie van jonge meisjes, Justitiële verkenningen, 26, 25-41.
Cohen, A. (1955). Delinquent Boys. New York: Free Press.
Dettmeijer-Vermeulen, C. (2012). Trafficking in Human Beings. Ten Years of Independent Monitoring by The Dutch Rapporteur on Trafficking in Human Beings. European Journal on Criminal Policy and Research, online versie. Verkregen op 22 april 2012 van: http://www.springerlink.com/content/g277130747358514/fulltext.html.
Elzinga, P. (2011) . Formalizing the concepts of crimes and criminals (Unpublished doctoral dissertation). Universiteit van Amsterdam, Amsterdam.
Fishbein, M. & Ajzen, I. (1975). Belief, attitude, intention, and behavior: An introduction to theory and research. Boston: Addison-Wesley.
Gillespie, A. (2001). Children, Chatrooms and the Law, Criminal Law Review, 435–46.
Goderie, M. & Boutellier, H. (2006). Prostitutie in Rotterdam. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Goderie, M., Spierings, F. & Woerds, ter, S. (2002). Illegaliteit, onvrijwilligheid en minderjarigheid in de prostitutie een jaar na de opheffing van het boordeelverbod. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Graaf, H. de, Meijer, S., Poelman, J., & Vanwesenbeeck, I. (2005). Seks onder je 25e. Seksuele gezondheid van jongeren in Nederland anno 2005. Utrecht: Rutgers Nisso Groep.
Graaf, H. de & Vanwesenbeeck, I. (2006). ' Seks is een game': gewenste en ongewenste seksuele ervaringen van jongeren op internet. Utrecht: Rutgers Nisso Groep.
Greenberg, M.S. & Ruback, R.B. (1992). After the Crime, victim desicion making. New York: Plenum.
Herbert, T. B., Silver, R. C., & Ellard, J. H. (1991). Coping with an abusive relationship: how and why do women stay? Journal of Marriage & the Family, 53, 311-325.
Hirschi, T. (1969). Causes of Delinquency. Berkeley: University of California Press.
Hoogeboom, M., Giebels, E., & Bakker, I. (2010). Mensenhandel: Daders onderzocht. Het Tijdschrift voor de Politie, 72, 6-10.
Hulst, R.C. van der. & Neve, R.J.M. (2008). High-tech crime, soorten criminaliteit en hun daders. WODC rapport, Meppel: Boom Juridisch uitgevers.
Jole, F. van. (2001). Valse horizon: Over internet en maatschappij. Amsterdam: Meulenhof.
Kassin, S., Fein, S. & Markus, H.R. (2008). Social Psychology. Belmont: Wadsworth.
Korf, D.J., Benschop, A. & Knotter, J. (2009). Verborgen werelden: minderjarige jongens, misbruik en prostitutie. Amsterdam: Rozenberg Publishers.
Lindenberg, S. M. (2001). Social rationality versus rational egoism. In J.H. Turner (Ed.), Handbook of Sociological Theory (pp. 635-668). New York: Kluwer Academic/Plenum.
Lünnemann, K., Goderie, M. & Tierolf, B. (2010). Geweld in afhankelijkheidsrelaties. Ontwikkelingen in vraag naar en aanbod van hulp en opvang. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Lunnemann, K., Nieborg, S., Goderie, M., Kool, R. & Beijers, G. (2006). Kinderen beschermd tegen seksueel misbruik (elektronische versie). Utrecht, Verwey-Jonker Instituut.
Pardoen, J. & Pijpers, R. (2006). Mijn kind online: hoe begeleid je je kind op internet? Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Pardoen, J. & Pijpers, R. (2006). Verliefd op internet. Over het internetgedrag van pubers. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Poel, S. van der. (1995). Solidarity as boomerang. The fiasco of the prostitutes’ rights movement in the Netherlands. Crime, Law & Social Change, 23, 41-65.
Rhatigan, D.L., Street, A.E. & Axsom, D.K. (2006). A critical review of theories to explain violent relationship termination: implications for research and intervention. Clinical Psychology Review, 26, 321-345.
Schultz, P.D. (2008) Naming, blaming and framing: moral panic over child molesters and its implications for public policy. In Krinsky, C (ed.) Moral Panics over Contemporary Children and Youth. Farnham UK: Ashgate, 96–110.
Seligman, M.E.P. (1975). Helplessness: On depression, development, and death. San Francisco: Freeman.
Siegel, L.J. (2010). Criminology. Theories, Patterns, and Typologies. Belmont: Wadsworth.
Smet, S. de & Mahjoub, S. (2008). Op het scherp van het net: Een verkennende studie over jongeren, internet en betaalseks. Anderlecht: Impresor.
Sutherland, E. H. (1939). Principles of Crimonology. Philadelphia: Lippincott.
Strube, M. (1988). The decision to leave an abusive relationship: Empirical evidence and theoretical issues. Psychological Bulletin, 104(2), 236-250.
Terpstra, L. & Dijke, A. van. (2005). Loverboys: feiten en cijfers. Een quick scan, Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Terpstra, L., Dijke, A. van, Berger, M. & Geurts, E. (2006). De betovering verbroken. Methodiek preventie en aanpak meisjesprostitutie. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Vanwesenbeeck, I., de Graaf, H., Meijer, S., en Poelman, J. (2006) Een update over het seksuele gedrag en de seksuele gezondheid van jongeren in Nederland: De belangrijkste bevindingen uit ‘Seks onder je 25e’, Tijdschrift voor Seksuologie, 30, 57 64.
Vanwesenbeeck, I., Zessen, G. van, Ingham, R., Jaramazovic, E. & Stevens, D. (1999) Factors and processes in heterosexual competence and risk: an integrated review of evidence. Psychology and Health, 14, 25-50.
Venicz, L. & Vanwesenbeeck, I. (1998) Aard en omvang van (gedwongen) prostitutie onder minderjarige (allochtone) meisjes. Utrecht: Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek.
Verhoeven, M.A., Gestel, B. van & Jong, D. de (2011). Mensenhandel in de Amsterdamse raamprostitutie. Een onderzoek naar aard en opsporing van mensenhandel. Den Haag: Boom Juridisch Uitgevers.
Verwijs, R., Mein, A., Goderie, M., Harreveld, C. & Jansma, A. (2011). Loverboys en hun slachtoffers: inzicht in aard en omvang problematiek en in het aanbod aan hulpverlening en opvang. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Walker, L.E. (1979). The battered woman. New York: Harper and Row.
Webb, L., Craissati, J. & Keen, S. (2007). Characteristics of Internet Child Pornography Offenders: A Comparison with Child Molesters, Sex Abuse, 19, 449-465.
Wiele, D. van der & Ruiter, F. de. (2011). De kleine gids signalering en behandeling slachtoffers loverboys. Kluwer, Deventer.
Zanetti, V.S.M. (2009). De digitale loverboy, Proces, 5, 279-291.
Zanetti, V.S.M. (2010). Op jacht naar loverboys op het internet, Cahier Politiestudies Policing multiple communities, 2010, 2, 183-196.
Zhang, S.X. (2011). Woman pullers: pimping and sex trafficking in a Mexican Border City. Crime, Law and Social Change, 56, 509-528.

Overheidsrapporten

Arendsen, F. (2009) Handleiding Loverboy-Casussen. Politie Gelderland-Midden. Verkregen van www.hetccv.nl.
Cops, 2007. Apeldoorn: Politieacademie, Kennisnetwerk. Reeks Cops@cyberspace, jrg. 11, 9-15.
Cops, 2010. Apeldoorn: Politieacademie, Kennisnetwerk. Reeks Cops@cyberspace, jrg. 16, Verkregen van webblog op 22 april 2012: https://copsincyberspace.wordpress.com /2010/08/24/man-staat-terecht-wegens-digitale-kinderlokkerij/.
Gemeente Nijmegen, afdeling Onderzoek en Statistiek (2009). Een quick scan naar gedwongen jeugdprostitutie en loverboys in Nijmegen. Verkregen van www.nijmegen.nl.
Jansen, M. & Remijnse, M. (2007). Loverboys in de Keten(s). Advies ketens loverboyproblematiek in Zeeland. Middelburg: Scoop.
Ministerie van Veiligheid en Justitie (2011). Rijksbrede aanpak loverboyproblematiek, Actieplan 2011– 2014. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Nationaal Rapporteur Mensenhandel (2005). Mensenhandel. Aanvullende kwantitatieve gegevens. Vierde rapportage van de Nationaal Rapporteur. Den Haag: BNRM.
Nationaal Rapporteur Mensenhandel (2010). Mensenhandel – 10 jaar Nationaal Rapporteur Mensenhandel in Nederland – Achtste rapportage van de nationaal rapporteur. Den Haag: BNRM.
Rood Utrecht (2009). In gesprek met slachtoffers van loverboys: een onderzoek naar ervaringen met politie en justitie van het proces van aangifte tot de veroordeling. Utrecht: Rood Utrecht.
VVD-CDA Regeerakkoord (2010). Vrijheid en verantwoordelijkheid. Verkregen van www.rijksoverheid.nl
Werson, H. & Hertog, A. den (2011). Korpsmonitor prostitutie & mensenhandel 2010. Verkregen van www.hetccv.nl.
Zanetti, V.S.M & Kanters, K. (2009). Management samenvatting: analyse loverboys op internet. Politiekorps Rotterdam-Rijnmond. Verkregen van www.hetccv.nl.

Literatuur van instanties

Borne, A. van den & Kloosterboer, K. (2005). Inzicht in uitbuiting: handel in minderjarigen in Nederland nader onderzocht. Opgesteld door ECPAT Nederland, Defence for Children International Nederland, Unicef Nederland en Plan Nederland. Verkregen van www.ecpat.nl.
Bureau Jeugdzorg Twente (2006). Project aanpak loverboys Twente. Verkregen van: www.jeugdprostitutie.nl.

CoMensha jaarcijfers 2009. Verkregen van www.comensha.nl.
CoMensha jaarcijfers 2010. Verkregen van www.comensha.nl.
CoMensha (2011). Helft slachtoffers mensenhandel doet aangifte. www.comensha.nl; 16 juni 2011.
Comscore (2012). Sociale media cijfers februari 2012. Verkregen van www.marketingfacts.nl ECPAT Nederland (2003). Minderjarigen in de prostitutie in Nederland: een quick scan. Amsterdam: ECPAT- NL.
GGD Amsterdam, Steunpunt Seksueel Geweld (2010). Overzichtsgids. Preventieprojecten loverboyproblematiek en seksueel misbruik. Stadsdrukkerij Amsterdam N.V.
Jongeren Informatie Punt Delft & Steinmetz de Compaan (2009). Nieuwe brochure 'Fout vriendje?' met gesprekshandleiding. Verkregen van www.jso.nl.
Movisie (2007). Over de grens. Opvattingen van jongeren en beroepskrachten over grensoverschrijdend seksueel gedrag van jongeren. Utrecht: Movisie.
Movisie (2011). Experts over ontwikkelingen en trends in seks en seksueel geweld. Utrecht: Movisie.
Multiscope (2010). Sociale netwerken in cijfers. Verkregen van: www.mediaonderzoek.nl.
O’Briain, M., A. van den Borne & T. Noten (2004). Joint East West Research on Trafficking in children for sexual purposes in Europe: the sending countries. Amsterdam: ECPAT-NL.
Pretty Woman, Stichting Stade (2009). Loverboy doorloopt zeven stappen. Utrecht: Stichting Stade.
Prostitutie Maatschappelijk Werk (2003). Verkocht: zorg na mensenhandel. Rotterdam: Humanitas.
Repetur, L. (2005). Werkplan 2006: informatiepunt jeugdprostitutie. Utrecht: TransAct.
Repetur, L. (2006). Meerjarenplan jeugdprostitutie 2007/2008/2009: jeugdprostitutie: hoe staan we ervoor? Utrecht: TransAct.
Rijksoverheid. Mensenhandel. Verkregen van: www.rijksoverheid.nl.

Rijksoverheid. Wat is cybercrime en waar kan ik dit melden? Verkregen van: www.rijksoverheid.nl.

Scharlaken Koord(2004). Beware of Loverboys. Verkregen van: www.bewareofloverboys.nl.

TransAct (2006). Naar een effectieve ketenaanpak van jeugdprostitutie: randvoorwaarden en succesfactoren. Utrecht: TransAct.

Scripties en kennispunten (ongepubliceerd)

Doornbos, A. (2006). Je beste vriend: een onderzoek naar de aangiftebereidheid van slachtoffers van loverboys, masterscriptie Groningen RUG en politie Groningen.
Garnier, W. (2007). Moderne vormen van prostitutie in de Nederlandse jongerencultuur. Een onderzoek naar de denkbeelden van mannelijke adolescenten, bachelorscriptie Universiteit Twente en Stichting Prostitutie Maatschappelijk Werk, Humanitas Rotterdam.
Garnier, W. (2009). Inventarisatie van (dader)preventie in Nederland bij de aanpak van loverboyproblematiek, masterscriptie Universiteit Twente en Bureau Nationaal Rapporteur Mensenhandel.
Kahlman, J. (2009). Het Internetgebruik van (criminele) jeugdgroepen, masterscriptie Universiteit van Amsterdam en politie Amsterdam-Amsteland.
Mooij, T. & Wit, W. de (2008). Ontwikkeling van sociale veiligheid in het Voortgezet (Speciaal) Onderwijs 2006 – 2008. Brochure. Radboud Universiteit Nijmegen.
Nijkamp, I. (2007). Van Twee Kanten Bekeken: Seksuele Voorlichting op Internet. Een onderzoek naar de wensen van jongeren en experts ten aanzien van websites over seksuele voorlichting, afstudeerscriptie voor de Universiteit Twente, in opdracht van NIGZ.
Pieren, M. L. (2009). In handen van een Loverboy…Een zoektocht naar de risicofactoren die een rol spelen bij de kans op slachtofferschap. Universiteit Utrecht.
Welzen, van, Y. (2011). Opsporing misbruik beeldmateriaal: Prestaties van gezichtsherkenningssoftware. Kennispunt Bètawetenschappen, Universiteit Utrecht.

Kamerstukken

Kamerstukken II 2008-2009, 28 638 nr. 39, p. 1.

Jurisprudentie

Wetboek van Strafrecht, artikel 273f, verkregen van www.maxius.nl.
Wetboek van Strafrecht, artikel 248e, verkregen van www.maxius.nl.

Overige websites

www.defenceforchildren.nl

www.dekinderconsument.nl

www.digivaardigdigibewust.nl

www.helpwanted.nl

www.hetccv.nl

www.humanitaspmw.org

www.jeugdprostitutie.nu

www.jeugdzorgcompleet.nl

www.meldknop.nl

www.mijnkindonline.nl

www.movisie.nl

www.rotterdam.nl

www.saferinternetday.nl

www.stichtingstade.nl

www.totaleovergave.nl

www.vraaghetdepolitie.nl


Krantenberichten

‘Betere registratie slachtoffers loverboys’, www.nu.nl, 31 mei 2009.

‘Facebook is to blame for friendship addiction and is fuelling insecurity in users’, Telegraaf, 22 oktober 2008.

‘Groei seksueel misbruik via internet’, Noord-Hollands Dagblad, 16 november 2006.

‘Loverboys worden zwaarder gestrafd’, Volkskrant, 29 februari 2012.

‘Meer slachtoffers loverboys door internet’, www.nu.nl, 15 januari 2009.

‘Meisjes ook slachtoffer van lovergirls’, www.nu.nl, 1 oktober 2007.

‘Pedofiel gepakt na internetdate’, Metro, 16 mei 2007.

‘Slachtoffers van loverboys weinig vertrouwen in politie’, www.ad.nl, 5 juni 2009.



Bijlage 1: Artikel 273f van Het Wetboek van Strafrecht

Tweede Boek. Misdrijven

Titel XVIII. Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid

Artikel 273f


1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

1°. degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;

2°. degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

3°. degene die een ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

4°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt;

5°. degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling beschikbaar te stellen dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen of zijn organen tegen betaling beschikbaar stelt, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

6°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander;

7°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de verwijdering van organen van een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat diens organen onder de onder 1° bedoelde omstandigheden zijn verwijderd;

8°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling of de verwijdering van diens organen tegen betaling, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

9°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde of van de verwijdering van diens organen.


2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.


3. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien:

1°. de feiten, omschreven in het eerste lid, worden gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2°. de persoon ten aanzien van wie de in het eerste lid omschreven feiten worden gepleegd, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt.


4. Indien een van de in het eerste lid omschreven feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft of daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.


5. Indien een van de in het eerste lid omschreven feiten de dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste achttien jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd.


6. Artikel 251 is van overeenkomstige toepassing.



Bijlage 2: Artikel 248e van Het Wetboek van Strafrecht


Tweede Boek. Misdrijven

Titel XIV. Misdrijven tegen de zeden
Artikel 248e


Hij die door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstelt met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon is betrokken, te vervaardigen wordt, indien hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.