Leidingen aanpassen voor groen en buitenlands gas

Taede Weidenaar onderzoekt hoe dat zou moeten

Geplaatst op 02-12-2009 in het UT Nieuws

Nederland is toe aan een ander gasnetwerk. Het gas uit de Groningse bel bij Slochteren raakt op en daarvoor komen groen gas en gas uit het buitenland in de plaats. Die gassen kun je echter niet zomaar door de huidige leidingen pompen. Promovendus Taede Weidenaar onderzoekt de komende vier jaar hoe het gasdistributienetwerk aangepast moet worden.

Taede Weidenaar
(Foto: Gijs van Ouwerkerk)

Het Nederlandse gasnetwerk ondervindt de komende decennia een aantal grote veranderingen. Gronings gas maakt plaats voor gas uit Rusland, Noorwegen en Noord-Afrika en bovendien rukt groen gas (opgewerkt biogas) op. Een van de Nederlandse doelstellingen is dat in 2030 twintig procent van het gas dat door onze leidingen stroomt groen is. Dat klinkt eenvoudig, maar dat is het niet, weet Taede Weidenaar (25). Het huidige gasnetwerk kan al die andere gassoorten namelijk niet zonder meer aan.

Weidenaar studeerde in september af bij werktuigbouwkunde en begon vorige maand aan zijn promotie bij de CTW-vakgroep Ontwerp, Productie en Management. De grootste uitdaging wordt het gereedmaken van het gasdistributienetwerk voor de opkomst van groen gas. `Waar biogas beschikbaar is, is de vraag te laag', schetst Weidenaar de kern van het probleem. `Biogas wordt opgewekt op een boerderij en dan gepompt in het lokale gasnetwerk. Maar vaak zijn er in landelijke gebieden slechts een paar honderd aansluitingen. Er wordt daar teveel gas geproduceerd voor de vraag. Het is zonde om dat allemaal te gaan affakkelen, dus moeten we een manier verzinnen waarop het in het landelijke netwerk kan worden gebracht.'

Het Nederlandse gasnetwerk kent drie niveaus: het landelijke hogedruknet van de Gasunie, het middendruknet dat het gas naar de verschillende regio's leidt en het lokale distributienet waar elk huishouden op is aangesloten. In Dokkum start binnenkort een project waarbij een aantal boerenbedrijven een eigen biogasnetwerkje hebben. Vanuit dat netwerk gaat het gas naar een opwerkinstallatie. Biogas voldoet namelijk niet aan de eisen van gewoon aardgas en sommige apparatuur werkt daardoor niet. `De kwaliteit moet dus omhoog. Het voordeel van zo'n centrale opwerkinstallatie is dat van daaruit het groene gas rechtstreeks naar het landelijke net gepompt kan worden. Zo los je dus ook het probleem op van de beperkte lokale vraag.'

Een tweede uitdaging waarover Weidenaar zicht buigt, is de opkomst van gas uit Rusland, Noorwegen en Noord-Afrika. `Dat gas is eveneens van een andere kwaliteit en dat kun je dus niet zomaar de Nederlandse leidingen inpompen. We gebruiken al Russisch gas en dat mengen we met ons eigen gas. Dat kan nu relatief simpel, maar het is de vraag hoe dat moet als de instroom van buitenlands gas sterk toeneemt. Het gas uit Slochteren zal in de toekomst meer en meer als back-up worden gebruikt.'

Over vier jaar hoopt Weidenaar een decision support tool te hebben ontwikkeld waarmee regionale netbeheerders hun netwerk kunnen vernieuwen. Gas uit Slochteren wordt nu al beperkt ingezet, zeker in de zomermaanden. Het aandeel van andere gassen in de Nederlandse gasvoorziening zal snel verder stijgen. Binnen tien jaar zullen gassen afkomstig uit het buitenland de Nederlandse gasvoorziening domineren. Het gasnet moet relatief snel op deze veranderingen worden aangepast. Ondanks die tijdsdruk, is de studie naar vernieuwingen redelijk onontgonnen gebied, aldus Weidenaar. `Dat maakt dit onderzoek ook zo aantrekkelijk: het is nieuw en er is een concreet maatschappelijk doel.'

De promovendus is overigens niet bang dat door zijn onderzoek straks het hele leidingenstelsel in Nederland op de schop moet. `Ik houd zoveel mogelijk rekening met het bestaande netwerk. Aanpassingen kunnen gedaan worden tijdens regulier onderhoud en bij de aanleg van nieuwe wijken. Zeker niet elke straat hoeft straks open te worden gebroken.’