02-2008: Praktijkondersteuners geen oplossing huisartsentekort (in diverse media)

Praktijkondersteuners geen oplossing huisartsentekort

Huisartspraktijken met praktijkondersteuners zijn duurder dan praktijken zonder. De praktijkondersteuning draagt evenmin bij aan de oplossing van het huisartsentekort. Dat concluderen onderzoekers van de Universiteit Twente.

Tegen de verwachting in heeft het inzetten van praktijkondersteuners (POH’ers) of nurse practitioners (NP’s) geen invloed op het aantal patiëntcontacten en het aantal ingeschreven patiënten van een huisartsenpraktijk. Dit blijkt uit een vergelijkende studie onder 9 huisartsenpraktijken. In praktijken met ondersteuners ligt het aantal ingeschreven patiënten per fte huisarts gemiddeld zelfs iets lager. Dit terwijl de gemiddelde loonkosten per patiënt daar hoger zijn dan bij een traditionele praktijk met enkel praktijkassistenten.

Ook blijkt het takenpakket van de huisartsen door de inzet van POH’ers en NP’s maar in beperkte mate te veranderen. Er komt minder arbeidscapaciteit vrij dan verwacht. Maar de inzet van ondersteuners kost wel extra coördinatietijd, wat ten koste gaat van de productie van de huisartsenpraktijk. Met een praktijkondersteuner wordt gemiddeld een half uur per week afgestemd per fte huisarts en met een nurse practitioner een uur. Wel kan de inzet van praktijkondersteuning tot verbetering van de zorgkwaliteit en verruiming van het zorgaanbod leiden.

Door de huidige vergoedingen en subsidies voor ondersteuning missen huisartsenpraktijken-met-ondersteuning de prikkel om de productie te verhogen, zo stellen de onderzoekers. Zij achten het wenselijk praktijken te beoordelen op kwaliteit en substitutie-effecten, zodat goed presterende praktijken extra kunnen worden beloond.

Het onderzoek is in opdracht van organisatieadviesbureau Hoeksma, Homans & Menting te Enschede uitgevoerd binnen het Center for Healthcare Operations Improvement & Research (CHOIR) van de Universiteit Twente. Het betreft een casestudy naar twee huisartsenpraktijken met POH’ers, twee met POH’ers en een NP, en vijf met alleen praktijkassistenten. (Gezien de mate van overeenstemming in de resultaten binnen de beide groepen en de methodische opzet van de caseanalyse verwachten de onderzoekers dat de resultaten generaliseerbaar zijn.) De dataverzameling bij de cases bestond uit het opvragen van archiefdata, jaarverslagen en websites van de praktijken en gesprekken met werkzame personen binnen de praktijken. De archiefdata van de cases zijn vergeleken met data van vijf traditionele huisartspraktijken. 

Noot voor de pers:

Meer informatie is verkrijgbaar bij K.H. Brummelhuis, k.h.brummelhuis@student.utwente.nl en prof. dr. ir. Krabbendam, 053-489 3494.

Contactpersoon Universiteit Twente, afdeling Communicatie: Berend Meijering, 053-489 4385, b.meijering@utwente.nl.