Tips voor het maken van (beroeps)contextrijke zelfstudieopdrachten

Hoe kun je bestaande huiswerk- en zelfstudieopdrachten zo verbeteren dat ze echter lijken en in een beroepscontext zijn te situeren?


Maakbaarheid vergroten:

1.

Is het een leer- of maakopdracht?  Zorg dat ook de leeropdracht tot iets maakbaars komt. Betreft de opdracht het leren van een studietekst; vraag dan een schema van een tekst te maken, of laat op grond van de tekst een advies geven of een bruikbaar stappenplan opstellen.

2.

Zet er bij hoeveel tijd ongeveer nodig is en hoeveel ruimte het antwoord inneemt.

3.

Geef enkele hints om te garanderen dat studenten op gang kunnen komen.

4.

Geef aan hoe studenten zichzelf kunnen controleren als ze het werk afhebben.

5.

Zet in de opdracht er bij wat in de volgende les met het resultaat zal gebeuren en plan de les zo, dat dit ook gebeurt, dat je voortbouwt op de gemaakte opdracht ongeacht of iedereen de opdracht maakte.

6.

Vermijd om in de volgende les de opdracht klassikaal te behandelen: hier is individuele feedback efficiënter. Klassikale behandeling kan leiden tot het gevoel: “dan had ik het net zo goed niet hoeven doen”.


Context toevoegen:

7.

Probeer in de opdracht enkele keuze-elementen op te nemen: laat een voorbeeld bedenken, getallen zelf kiezen, uitgaan van een bekende situatie of ervaring.

8.

Vraag studenten iets toe te voegen dat ze uit de eigen omgeving, uit familie of vriendenkring moeten navragen, of uit de krant van de afgelopen dagen moeten halen.

9.

De opdracht heeft waarschijnlijk indirect verband met het toekomstig werk; zijn er manieren om dat verband te versterken, bijvoorbeeld door ook iets over de context te schetsen waarin de opdracht voorkomt?

10.

Probeer de opdracht te herformuleren zoals die aan een beginnend professional gegeven wordt in een toekomstige werksituatie, zodat de student in de rol van de beroepsbeoefenaar wordt geplaatst.

11.

Neem in de opdracht informatie op die nodig is om het “voorafgaande” en de context te begrijpen, en voeg een deelopdracht toe over het voorafgaande. Betreft het een som, dan is er een technische of bedrijfscontext te bedenken die voorafgaat aan het moment dat de berekening moet plaatsvinden.


Achter de opdracht kijken:

12.

Door de lessen krijgt de student hints over de aanpak en het soort probleem. Die hints zijn er later niet. Kun je ook een opdracht opnemen die heel anders dan met de geleerde methode moet worden aangepakt, beter met het gezond verstand bijvoorbeeld, of kwalitatief als kwantitatief verwacht wordt?  Op deze wijze leren studenten de andere opdrachten misschien in een perspectief te plaatsen.

13.

Neem een vraag op naar de verborgen vooronderstellingen bij de opdracht.

14.

Verzin wat er met het resultaat zou kunnen worden gedaan, dat een verkeerde interpretatie betreft van dat resultaat, en maak op grond daarmee een uitbreiding van de opdracht. Met de uitkomst van een technische of bedrijfskundige som worden bijvoorbeeld beslissingen voorgesteld die niet op grond van de uitkomst alleen kunnen worden verdedigd. Om te illustreren wat de reikwijdte is van de aanpak.

15.

Neem een opgave of opdracht op die door een verzonnen persoon verkeerd is aangepakt en vraag de student daarop kritiek te leveren, vraag om een foutenanalyse toe te passen.

16.

Maak van de opdracht een nieuwe, waarbij vier verschillende uitkomsten of conclusies gevonden worden. Leg die voor en laat de student nagaan welke uitkomst het meest plausibel is, op welke gronden.


Het vervolg:

17.

Pas schaalvergroting of -verkleining toe, voor zover relevant. “Wat zou er gebeuren als we te maken hebben met honderd keer zoveel… of zo weinig?”

18.

Laat de student na afloop van de opdracht een stappenplan construeren over de aanpak, of een schema of matrix ontwerpen om het materiaal overzichtelijk in samen te vatten.

19.

Voeg aan de opdracht iets toe, waardoor studenten elkaar (telefonisch of per email) moeten raadplegen, of elkaars opdracht moeten nakijken en controleren voor ze in de les komen.

20.

Kies een opdracht die veel tijd kost (10-100 uur) en vraag om daarvoor een eerste opzet te bedenken in 30 minuten, een schets te bedenken van de richting waarin de gedachten gaan.

21.

Kies een opdracht die in drie minuten kan, en voeg vragen toe over de herkomst, de context, de randvoorwaarden, het vervolg, de verschillende visies op de situatie, enz.

22.

Geef de student een format, een indeling van de bladzijde, waarin de oplossingsroute, de inhoud of de conclusies verkort moet worden weergegeven.

23.

Vraag de student naar dezelfde opdracht of situatie te kijken vanuit een andere discipline of professie.

24.

Vraag de student een vraag of opdracht te bedenken om medestudenten mee te toetsen en daarbij op een ander vel papier een schets van het antwoord te zetten. En gebruik die opdrachten voor een volgende les.

25.

Geef studenten bij sommige opdrachten de vrijheid om als ze niet verder kunnen, de opdracht of een deel daarvan zo te herformuleren, dat ze die opdracht wel kunnen oplossen. Daarbij mogen ze redelijke aannamen doen en de eigen opdracht verder uitwerken.

Drs. F.B. de mink, Onderwijskundig Centrum, Universiteit Twente, 053-4892051 of  0570-632280. Email: F.B.deMink@wxs.nl