Good practices voor kleinschalig, intensief, activerend onderwijs

Onderwijs van het hoogste niveau. Kleinschalig en intensief onderwijs, actieve studenten, veel contacturen en groepswerk. In de strategienota Route 14 staan de voorstellen, maar wat betekent dit voor de praktijk? En is dit wel realiseerbaar als je met een instroom van jaarlijks 300 studenten zit? Op de site van het Platform Studiesucces geven verschillende universiteiten aan hoe zij deze uitgangspunten in de praktijk brengen.

Praktijkplatform Studiesucces

Om discussie over studiesucces in de bachelorfase te ondersteunen heeft de VSNU het Platform Studiesucces opgericht. Het platform biedt mogelijkheden voor samenwerking, uitwisseling van good practices en ervaringen en voor discussie over het vergroten van het studiesucces in de bachelorfase. Dit gebeurt zowel via bijeenkomsten als digitaal, via een website. Een van de onderdelen van de website, is een databank met good practices die universiteiten zelf hebben aangedragen.

Hiernavolgend worden enkele good practices beschreven waarbij de nadruk ligt op uitgangspunten als: kleinschaligheid, betrokkenheid, intensief onderwijs, activering van de studenten, groepswerk en begeleid werken. Het gaat om zowel voorbeelden van maatregelen op cursusniveau, als om maatregelen die wat verstrekkender zijn en soms ook de opzet en organisatie van het hele onderwijsprogramma betreffen.

Wie meer wil lezen over deze en andere voorbeelden, wordt aanbevolen zelf eens een te kijkje nemen op Praktijkplatform studiesucces. En wie weet, misschien kunt u er ook een eigen good practice aan toevoegen?

Enkele good practices voor kleinschalig, intensief, activerend onderwijs

GP: Studio Classroom/Blended learning

Doelgroep: Eerstejaars Technische Natuurkunde, TUDelft

Voor het vak Natuurkunde 2, dat voorheen een notoir laag slagingspercentage had, is een Studio Classroom ingericht. De studenten zitten in kleine groepen (4-5 studenten) in steeds wisselende samenstelling in een speciaal ingerichte zaal. Via een carrousel krijgen de groepen demonstraties waarover vragen volgen. Er zijn meer contacturen dan voorheen (van 4 naar 8 uur, totaal 56 uur) en er is minder zelfstudie noodzakelijk.

Na vrijwel iedere sessie volgt een toets, deels groepsgewijs, deels individueel. De docenten (ca. 1 op 25 studenten) zijn zowel begeleiders als beoordelaars. Indien een student gedurende de onderwijsperiode gemiddeld een voldoende haalt, hoeft hij of zij geen tentamen te doen. De mogelijkheid voor een afsluitend tentamen is er nog wel.
Het slagingspercentage bleek door deze onderwijsvorm spectaculair te verbeteren.

GP: aanpassing cursussen in de specialisatiefase

Doelgroep: tweede-en derdejaars biologiestudenten, RuG

Bij de opleiding Biologie was men ontevreden over de opkomst bij verschillende onderdelen van de specialisatiecursussen en over de betrokkenheid van de studenten. Een aantal aanpassingen zijn doorgevoerd, die geleid hebben tot veel minder absentie, grotere betrokkenheid, betere motivatie bij studenten en docenten en lagere werkbelasting van de docent:

Ÿ

een aantal regels werden opgelegd, bekend gemaakt en gecontroleerd, zoals de verplichting om bij het eerste contactuur van de cursus te zijn;

Ÿ

studenten kijken de verslagen van collega-studenten na (peer-review);

Ÿ

studenten geven zelf een deel van de colleges. Bij lastige onderwerpen biedt de docent hulp.

GP: peer reviewed learning

Doelgroep: studenten rechtsfilosofie B, UvT

Deze cursus werd door de Universiteit van Tilburg bekroond met de eerste prijs voor de beste onderwijsinnovatie. Het geheim: studenten kijken oefenvragen van ándere studenten na. De vragen zijn bedoeld als extra kans om te oefenen voor het tentamen. De studenten die als correctoren meedoen en hun werk goed doen, ontvangen een bonuspunt. De studenten die de vragen beantwoorden krijgen hiervoor geen extra punt, maar wel veel gelegenheid tot oefenen.

De studenten kunnen vrijwillig aan deze werkvorm meedoen en steeds meer studenten maken van deze mogelijkheid gebruik. Van de studenten die in afgelopen jaren meededen, slaagden een groter deel en door studenten van deze groep werd vaker een hoog cijfer gehaald.

De student-correctoren zijn geselecteerd op basis van hun cijferlijst. De docent controleert steekproefsgewijs de beoordelingen. In de correctorenbijeenkomsten geeft de docent de goede antwoorden, maar ook de criteria waarop de studenten een voldoende of onvoldoende moeten geven. De correctoren worden erop gewezen niet al te streng te zijn (waar de neiging toe bestaat) en opbouwende kritiek te geven.

GP: samenwerkend leren met behulp van Social Software

Doelgroep: studenten van de Vrije Universiteit/Faculteit Letteren

Binnen de faculteit der Letteren is geëxperimenteerd met diverse vormen van samenwerkend en activerend leren, waarbij gebruik werd gemaakt van online tools:

Ÿ

studenten Geschiedenis deden gezamenlijk verslag van een bronnenonderzoek in één wiki

Ÿ

studenten Archeologie scheven samen een Antropologische visie op een antieke nederzetting

Ÿ

studenten Communicatie- en Informatiewetenschappen (CIW) gebruikten een samenwerkingstool van Google in het kader van het onderzoekspracticum Taalgebruik in tekst

Ÿ

kleine groepjes CIW-studenten voeren samen groepsopdrachten uit vanaf hun studieverblijf in het buitenland.

De inzet van ict heeft het face-to-face onderwijs niet vervangen, maar het onderwijs juist geïntensiveerd.

GP: academische vaardigheden en binding

Doelgroep: eerstejaars studenten faculteit der Managementwetenschappen, RUNijmegen

De Faculteit der Managementwetenschappen van de RU doet mee aan een programma tot onderwijsintensivering. De faculteit richt zich op het verhogen van het aantal contacturne in het eerste semester, intensivering van de studiebegeleiding aan het begin van de studie, verbetering van de kwaliteit van het onderwijs en versterking van de ‘binding’ van de studenten aan de opleiding.
De faculteit haar inspanningen geconcentreerd op de cursus Academische vaardigheden (AV). Kenmerken van de nieuwe opzet zijn: een opleidingsspecifieke inkleuring, homogene groepen, 4 contacturen (2 bijeenkomsten) per week gedurende 2 x 8 weken, 6 EC studielast, aanwezigheidsplicht en een eindcijfer.
Bij de bijeenkomsten gaat het voornamelijk om werkcolleges. De studenten zijn actief bezig, vaardigheden worden gekoppeld aan vakinhouden en een paper, waarvoor een literatuuronderzoek, een interview en een observatie dient plaats te vinden, vormt de rode draad. Iedere bijeenkomst introduceert een student een actueel onderwerp.
De studenten maken op verschillende manieren kennis met de vakgemeenschap. Er wordt een excursie georganiseerd en de studievereniging verzorgt een kennismakingsbijeenkomst.

De docent is eerstelijns studiebegeleider en mentor. Na de tentamenperiodes worden studievoortganggesprekken gehouden. De studenten schrijven na de eerste bijeenkomt een persoonlijk essay en contact met de begeleider vindt vaak informeel plaats tijdens de bijeenkomsten.

De maatregelen hebben er o.a. toe geleid dat studenten meer uren besteden aan de studie, vroegtijdig ervaren of de studie wat voor ze is (zelfselectie), zich meer op de hoogte houden van het vakgebied en zich thuis voelen bij de opleiding. De studenten waarderen het intensieve, frequente, langdurige en persoonlijke contact met begeleider en medestudenten.

GP: 1000 studenten en 50 onderzoekers werken aan 333 goede Bachelor Theses

Doelgroep: bachelorstudenten EUR

Het Bachelor Thesis traject duurt bij de EUR 9 maanden en heeft als doel de studenten te leren een onderzoek te ontwerpen, uit te voeren en hierover te rapporteren. Ieder jaar nemen ca. 1000 studenten deel aan dit traject. De uitdaging is om bij deze massaliteit toch kleinschaligheid en intensieve begeleiding te realiseren, maar tegelijk de processen en organisatie beheersbaar te houden. De EUR bewerkstelligt dit op de volgende wijze:

Ÿ

beperking tot 24 studenten per onderzoeksthema (studenten schrijven zich naar keuze in voor een thema);

Ÿ

een onderzoeksthema wordt aangeboden door een docent en hij/zij begeleidt de studenten in teams van drie;

Ÿ

standaardisatie van het onderwijsleerproces, met tegelijk nog voldoende flexibiliteit om tegemoet te komen aan de individuele wensen en interesses van docenten en studenten;

Ÿ

een uitgekiende planning van de activiteiten van zowel de studenten als de docenten. Er wordt gewerkt met deelopdrachten waarvan de uitwerkingen cumulatief toewerken naar het onderzoeksontwerp en naar de uiteindelijke verslaglegging . Ondersteunend materiaal wordt “just-in-time” aangeboden;

Ÿ

voor de opdrachten gelden strikte deadlines voor het inleveren van werk en voor het, door de docenten, verstrekken van feedback;

Ÿ

de feedback is snel en individueel. Er is regelmatig interactie tussen student en begeleider.

De noodzakelijke afstemming tussen docenten wat betreft leerdoelen, begeleiding en gestelde eisen aan studenten vindt plaats door het organiseren van docentenbijeenkomsten en door het verstrekken van templates van de deelopdrachten en van de feedback die daarop gegeven kan worden. Voor de beoordeling is een beoordelingsprotocol ontwikkeld (inclusief een ‘rubrics’ met specificering van niveaus op basis van een aantal vaste beoordelingscriteria).

Het rendement van deze onderwijsvorm is hoog: meer dan 80 % slaagt bij de eerste poging en studenten en docenten zijn tevreden over de opzet.

GP: Maatregelen in combinatie ingezet voor de bachelor Psychologie

Doelgroep: bachelorstudenten Psychologie, EUR

De opleiding kampte met een laag propedeuse- en bachelorrendement. Een aantal maatregelen zijn in combinatie ingevoerd. Dit heeft geleid tot een propedeuserendement dat ongeveer twee maal zo hoog is als de rendementen elders en tot een bachelorrendement van 70%.

De maatregelen:

Ÿ

beperking van de instroom tot maximaal 250 studenten om de anonimiteit tegen te gaan;

Ÿ

invoering (universiteitsbreed) van het bindend studieadvies (BSA); de studenten moeten in het eerste jaar minimaal 40 studiepunten halen;

Ÿ

er wordt gewerkt in kleine groepen, met wekelijkse controle op de voortgang. Tutor en medestudenten bewaken dat het afgesproken werk ook werkelijk gedaan wordt. Studenten worden daarbij systematisch beoordeeld op hun professioneel gedrag;

Ÿ

modulaire opbouw van het programma. Er wordt gewerkt in thematische blokken van vijf weken, zonder concurrentie van andere vakken;

Ÿ

toetsing gebeurt om de vijf weken;

Ÿ

het aantal herkansingen is beperkt;

Ÿ

ter bevordering van de communicatie met de student is er een geavanceerde elektronische leeromgeving, genaamd Psyweb, ontwikkeld;

Ÿ

studenten met studiemoeilijkheden worden systematisch vroegtijdig opgespoord. Studenten die in de eerste 3 maanden slecht presteren, worden voor een gesprek met de studieadviseur uitgenodigd.

GP: kleinschalige colleges in de bachelor Psychologie

Doelgroep: bachelorstudenten Psychologie, UU

In de bachelor opleiding Psychologie van de UU stromen jaarlijks 500 eerstejaars studenten in. Door invoering van kleinschalige colleges werkt de opleiding aan verbetering van de onderwijskwaliteit.

De studenten zijn ingedeeld in werkgroepen van 25 studenten. Ze volgen in deze groepen practica onder begeleiding van – zo veel als mogelijk – vaste tutoren (werkgroepdocenten). Vier werkgroepen tezamen vormen met hun tutoren een “college”, onder leiding van een collegehoofd (senior docent). De colleges hebben een naam en kunnen beschikken over een eigen fysieke ruimte.

Deelname aan collegeactiviteiten is niet verplicht; er zijn geen studiepunten aan verbonden. De activiteiten zijn bedoeld om de cohesie tussen de studenten en tussen studenten en docenten te bevordere, verrijking te bieden en de studenten te stimuleren tot initiatieven en activiteiten in het verlengde van hun studie. Activiteiten bestaan tot nu toe onder andere uit: kennismakingsbijeenkomsten, aanvullende voorlichtingsbijeenkomsten over studie(pad)keuze, lezingen en workshops door vertegenwoordigers uit het beroepsveld; vertoning en bespreking van films en documentaires over psychologische thema’s en presentaties van eerstejaarsstudenten over verschillende onderwerpen.
De eerste reacties duiden er op dat zowel studenten als docenten de kleinschalige activiteiten en samenwerking binnen de colleges (zeer) positief waarderen.