Test je onderwijsopvattingen

Het geven van onderwijs heeft alles met opvattingen en gedachten over het leren te maken. Zonder dat je je daar bewust van bent, sluit jouw denken en handelen misschien vooral aan bij de behavioristische stroming. Of misschien juist meer bij het cognitivisme of constructivisme? Of – wie weet – blijk je een grotere voorstander van de principes van het ‘nieuwe leren’ dan je altijd gedacht hebt. Doe de test en je weet meer!

Test hoe jij over onderwijs en leerprocessen denkt

De volgende serie vragen helpt je om een idee te krijgen hoe jij over onderwijs en leerprocessen denkt. In grote trekken gaat het erover, hoe je opvatting past bij de volgende stromingen:

Behaviorisme

Cognitivisme

Constructivisme

“Het Nieuwe Leren”

Wat deze stromingen (de eerste drie zijn gebaseerd op een leertheorie) inhouden, zal uitgelegd worden in het laatste gedeelte.

Instructie: Ga bij de volgende vijf gevallen na, welke twee van de aangegeven alternatieven je het meest aanspreken en noteer de betreffende letters. Denk daarbij aan het onderwijs, dat je gaat verzorgen (tertiair onderwijs) en eventueel aan het onderwijs dat daar direct aan vooraf gaat (bovenbouw HAVO of VWO).

1.

Bij het kiezen van de doelen die in het onderwijs (HBO, WO) dienen te worden nagestreefd, is het belangrijk om te bedenken:

a.

de docent moet de kans krijgen zijn/haar expertise in te zetten: daarom moet een vakdocent vooral aan de vakkennis werken, minder aan algemene zaken

b.

de door de docent behandelde stof is secundair, primair is wat de studenten zich aan vaardigheden en eigen denkwijzen eigen maken

c.

het is een belangrijke opdracht, op elk onderwijsniveau, om studenten de weg te wijzen naar “een leven lang blijven leren”

d.

het uitsluitend onderwijzen van aparte ‘vakken’ (disciplines) leidt er niet toe dat de studenten zich een geïntegreerde probleemaanpak eigen maken

e.

onderwijs behoort een solide kennisbasis op te leveren; het leren van (complexe) vaardigheden en beroepshoudingen kan alleen plaats vinden met zo’n basis

f.

veel belangrijke dingen die studenten moeten leren zijn complex (‘competenties’) en lopen dwars door afzonderlijke vakgebieden heen

2.

Als het gaat om het stimuleren van een goede, effectieve manier van leren door studenten, denk ik vooral aan:

a.

de kennis van de student zal zich gaandeweg ontwikkelen en daarom dient het onderwijsaanbod zich steeds aan het ontwikkelingsniveau aan te passen

b.

ervaringen uit de échte praktijk, eventueel in een voor de student aangepaste vorm, zijn van eminent belang voor het leren en voor de motivatie

c.

het begin van elke module dient een stevig theoretisch fundament te geven, dat betaalt zich later terug in meer diepgaand begrip

d.

onderwijs dient, naast informatieverstrekking, beslist ook te bestaan uit sessies waarbij studenten oefenen met de stof, en daarbij goede feedback ontvangen

e.

studenten gaan een onderwerp pas echt begrijpen, wanneer het vanuit een aantal zeer verschillende invalshoeken wordt bekeken

f.

studenten leren effectief door veel dingen te proberen, daarbij succeservaringen op te doen en ook nu en dan hun neus te stoten

3.

De inrichting van onderwijsarrangementen (b.v. een cursus, of een module daarin) dient bij voorkeur aan de volgende kenmerken te voldoen:

a.

bij de instructie dient terdege rekening gehouden te worden met (verschillen in) de voorkennis van de studenten: individueel onderwijs zou het beste zijn

b.

bij het aansnijden van een nieuw onderwerp is het goed het voorgaande, voor zover het nieuwe stuk erop berust, kort te herhalen

c.

de doelen zijn meestal complex, en dat vraagt de docent om goed te structureren, te organiseren en de informatie in volgorde te zetten

d.

de student dient vooral nuttige leerervaringen op te doen, en daarmee vervolgens de individuele kennisbasis verder uit te bouwen

e.

goede instructie maakt een uitgekiend gebruik van media (video, audio, digitaal) om de verschillende informatiekanalen optimaal te benutten

f.

het is nuttig een soort ‘wedstrijdje om de beste prestatie’ tussen studenten in te bouwen

4.

De docent functioneert het beste, wanneer deze …

a.

bij uitleg (over b.v. praktijktoepassingen) eerst peilt in hoeverre studenten op de hoogte zijn van actuele zaken, die met het onderwerp verband houden

b.

de kunst verstaat de studenten op een zinvolle manier aan het werk te krijgen en dat werk ook effectief kan begeleiden

c.

de principes/hoofdpunten van zijn/haar discipline bondig weet te formuleren en daardoor effectief onderwijs kan verzorgen

d.

de studenten aanspreekt op hun verantwoordelijkheid voor het zelf ophalen van weggezakte voorkennis, die in een bepaalde situatie paraat moet zijn

e.

in staat is complexe zaken uiteen te leggen in elementen, en dan voor die elementen goede oefening kan verschaffen

f.

rekening houdt met individuele verschillen tussen studenten, maar daarbij laat blijken dat het programma vast ligt en dat iedereen op dezelfde leerstof wordt afgerekend

5.

Om te stimuleren dat de student op het goede spoor blijft, zich voldoende inzet en tot een goede aanpak van de studie komt, is het gewenst …

a.

activiteiten te bedenken, waarbij de studenten enthousiast en zinvol bezig zijn; het is meegenomen als met die activiteit veel vakkennis wordt opgedaan

b.

dat de student van zichzelf de juiste drive heeft, anders leiden allerlei pogingen om de juiste informatie en oefening te geven tot niets

c.

de leerstof gedoseerd aan te bieden, bij abstracties goed het verband met de realiteit aan te geven, aan te sluiten op de voortschrijdende ontwikkeling van de student

d.

principes van straf en beloning toe te passen: dat zijn de beste middelen om het gewenste gedrag uit te lokken

e.

steeds bij een nieuw gedeelte van het programma een introducerende activiteit te doen, die met de stof te maken heeft en voor studenten herkenbaar is

f.

te tonen hoe een vakman/vakvrouw (de docent dus) op grond van een gedegen kennis met het vak omgaat en probleemsituaties benadert

Score
Als je de vragen hebt beantwoord, dan kun je je “score” bepalen aan de hand van de volgende tabel. Je zet in een rij een plusje (soms twee) als je het vermelde alternatief had gekozen. Idem met de minnetjes.

Scoretabel

Plusjes

Minnetjes

Totaal

Behaviorisme

2f 3f 5b 5d

 

 

Cognitivisme

1e 2a 2d 2e(2x) 3c 3e 4e 5c

2c 4d

 

Constructivisme

1b 1f 2b 3a 3d(2x) 4a 4b 5e 5f

1e 2c 3b 4c

 

Nieuw Leren

1b 1c 1d 1f 3a 4b 5a

1a 3c 3f 4f

 

Wil je weten wat de score betekent? Klik dan op het pijltje in het oranje vlakje hieronder.