Interview met toetsdeskundige Henk Roossink

Op 18 december 2007 nam Henk Roossink afscheid als toetsdeskundige bij de Onderwijskundige Dienst van de UT. In dit interview gaat hij in op de belangrijkste veranderingen op toets-gebied, zoals hij die in ruim 30 jaar heeft meegemaakt.

Meer dan 30 jaar actief voor de UT

Hoewel Henk Roossink in 1973 van plan was een jaar of 4 bij de UT te blijven werken, is dat wat anders gelopen en nam hij op 18 december j.l., na ruim 30 jaar, afscheid bij de Onderwijskundige Dienst. Vanaf het begin heeft hij zich veel beziggehouden met het onderwerp toetsing. In zijn jaren bij de UT heeft hij heel wat zien veranderen.

Toetsing loopt achter

Henk Roossink: “Het onderwijs en de visie over goed onderwijs is geëvolueerd. We vinden het tegenwoordig van belang dat studenten actief bezig zijn om kennis op te nemen, er wordt meer aandacht besteed aan aantrekkelijke werkvormen. Zo heeft het projectonderwijs voor een groot deel het klassieke onderwijs, met hoorcolleges en zelfstudie, vervangen. Maar als het onderwijs verandert, moet de toetsing van dit onderwijs mee veranderen. De praktijk is echter dat de toetsing achterloopt.” Hij doelt hier bijvoorbeeld op het feit dat het in het onderwijs tegenwoordig om competenties of geïntegreerde vaardigheden gaat. Toch worden de vakken vaak nog afzonderlijk getoetst. Volgens Henk is het juist belangrijk om de overkoepelende competenties te toetsen. “Competenties als kunnen onderzoeken of kunnen ontwerpen worden nergens als geheel getoetst.”

Toetsen met opdracht vaak niet in orde

Wat er nu vaak gebeurt, is dat de theorie in een tentamen wordt getoetst en dat de studenten tijdens de cursus een opdracht krijgen die beschouwd wordt als een toets en dit cijfer wordt vaak gecombineerd met het tentamencijfer. Henk Roossink heeft hier twee problemen mee.

Ten eerste wordt de toets nu niet afgenomen onder tentamencondities. Een toets is een meting van individuele competenties, er moet dus individueel getoetst worden. De toets is dus onbetrouwbaar als je niet weet hoe er is samengewerkt, aldus Henk Roossink.

Zijn tweede bezwaar heeft te maken met het moment van toetsen: “Als de student tijdens de loop van de cursus een opdracht moet maken, zou het doel ‘oefenen’ moeten zijn. Hij hoeft de stof op dat moment tenslotte nog niet te beheersen. Pas na afloop van een cursus kun je toetsen of de cursus effect heeft gehad.”

Docenten te snel tevreden

Een andere verandering die Henk Roossink ziet, is dat docenten tegenwoordig sneller tevreden lijken te zijn met hun toetsen. “Als er bij de accreditatie geen commentaar komt, zit het wel goed”, lijken docenten te denken. Ook aan professionalisering op het gebied van toetsen wordt weinig tijd besteed. Dat is jammer, vindt Henk Roossink, want toetsen zijn een belangrijk middel om studenten aan het studeren te krijgen. Over het algemeen kun je stellen dat de studenten doen, wat de toets vraagt. En hoewel een toets niet als stok achter de deur gebruikt zou moeten worden, begrijpt hij studenten wel. “Ze moeten tenslotte kiezen waar ze hun tijd aan besteden: geld verdienen, sociale contacten en verplichtingen en hun studie. Dat betekent dat opleidingen moeten zorgen voor goede toetsen die het onderwijs goed afdekken, dan vergroot je het studieresultaat van de studenten.”

Toekomst

Kortom, Henk Roossink heeft nog genoeg ideeën om zich nog eens 30 jaar op de UT met toetsing bezig te houden, maar hij heeft toch besloten om met pensioen te gaan. Wel wil hij de UT graag nog iets meegeven: “Deze universiteit heeft twee hoofdfuncties: onderzoek en onderwijs. Er wordt wel gezégd dat het onderwijs belangrijk is, maar dit blijkt verder nauwelijks uit het beleid. Personeel wordt afgerekend op hun onderzoek en veel minder op hun onderwijskwaliteit. Toch is dit voor studenten wel erg belangrijk. Het zou goed zijn als er de komende tijd meer belang wordt gehecht aan de UT als onderwijsinstelling.”