Tips voor het begeleiden van studententeams

Samenwerking tussen studenten speelt vaak een belangrijke rol in het onderwijs van opleidingen. Het biedt grote voordelen. Twee weten immers meer dan een. Bovendien is samenwerken een vaardigheid die in de beroepspraktijk onontbeerlijk is.

In praktijk verloopt de samenwerking tussen studenten echter niet altijd zoals gehoopt. Zo mondt samenwerken soms uit in het gezellig, maar weinig productief, bij elkaar zitten of het mondt uit in ruzies doordat de leden niet goed met elkaar weten samen te werken. In een andere situatie worden de taken opgesplitst, waarbij de verschillende uitwerkingen net voordat de opdracht ingeleverd dient te worden, in een bestand bijeengevoegd worden, zonder dat de samenhang en kwaliteit bewaakt wordt. Ook komt meeliften voor.

Samenwerken moet, net als andere vaardigheden, geleerd en geoefend worden. De coach vervult een belangrijke rol in dit leerproces en bij het voorkomen of oplossen van de beschreven probleemsituaties. In dit artikel vindt u tips die u kunt gebruiken bij het coachen van studenten teams.

Rollen/taken van de coach

Powell en Weenk (2003) wijzen er op dat studenten die niet eerder aan een project hebben deelgenomen, het werken in een projectteam nog moeten leren. Dat geldt voor onderling samenwerken, plannen, taakverdelen, vergaderen, presenteren enz. Volgens deze auteurs zullen studenten vooral bij hun eerste projecten de coach graag laat aangeven wat er precies moet gebeuren en hoe. “De coach die daaraan toegeeft wordt al snel de voortrekker van de groep. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Laat het voortouw liever in handen van de groep en laat de groepsleden meer afhankelijk van elkaar zijn dan van de coach. Daarom beantwoor­den veel coaches een vraag van een student bij voorkeur niet rechtstreeks, maar stellen zij eerder een tegenvraag aan de groep.”

De coach draagt bij aan de verantwoordelijkheid voor het tot ontwikkeling laten komen van de juiste studieactiviteiten in de groep. Het stellen van vragen past goed bij de rollen van de coach. Het op het juiste moment stellen van de juiste vragen is niet alleen uitdagend voor de groep maar voorkomt ook dat studenten tijdens hun ontdekkingstocht geheel vastlopen of rond blijven zwemmen.

De volgende rollen zijn volgens Powell en Weenk (2003) veelal van toepassing op de coach.

a. rol van aangever van de opdracht

Kenmerkend voor het projectwerk is dat er bepaalde leerdoelen zijn waarbij de groep moet plannen, communiceren/samen­werken, bijstellen, compromissen sluiten. De leerdoelen begrenzen de vrijheid van de groep. De opdracht is gestructureerd in die zin dat de belang­rijkste randvoorwaarden en eisen van het project bepaald zijn. De opdracht is vrij in de zin dat de groepen zelf invulling geven aan de opdracht, de wijze van werken en de planning. De coach bewaakt de projectopdracht door:

-

om een goed product te vragen

-

deadlines vast te stellen

-

aandachtspunten aan te geven voor de vorm en de inhoud van het eindproduct en eventuele tussenproducten.

b. rol van stimulator

De coach vervult de rol van stimulator door:

-

interesse te tonen en aandacht te hebben voor het werk van de groep; afhankelijk van wat de groep nodig heeft, is de coach luisteraar of opponent en uitdager door het stellen van vragen. Vraag bijvoorbeeld naar werkafspraken en samenwerking in de groep. Werkt de groep met een duidelijke agenda en houdt ieder zich aan gemaakte afspraken? Wordt geluisterd naar de inbreng van een ieder?

-

de groep regelmatig naar het waarom en hoe te vragen en aan te moe­digen tot creativiteit en activiteit en aan te zetten tot meer diep­gang.

-

de groep door een periode heen te helpen als het allemaal niet zo gemakkelijk gaat. En dat doet zich bij langer durende projecten nogal eens voor.

c. rol van leerprocesbewaker (samenwerking bevorderen)

Het leren samenwerken in projectgroepen zal niet altijd even soepel verlopen. Dat zal de coach kunnen merken aan:

-

onduidelijkheid over de te ondernemen activiteiten

-

blijven steken in de taakverdeling

-

onduidelijke werkstrategie en onderlinge afsp­raken

-

slechte voorberei­ding van de bijeenkomsten, geen agenda

-

het leiden van de bijeenkomst functioneert slecht

-

het gevoel bij de groepsleden van plichtmatig bijeenkomen; groepsklimaat laat te wensen over, enz.

De coach ondersteunt een goed verloop van de samenwerking door te fungeren als een soort vangnet rond de taken van de gespreksleider. Een coach kan:

1.

de groep een goede start laten maken op de eerste bijeenkomst. De coach kan daarbij aanwezig zijn en zo nodig ook iets over zichzelf vertellen, hoe zij tegen de opdracht aankijkt, welke verwachting hij/zij heeft van het project.

2.

a. bevorderen dat de groep hard en geconcentreerd volgens de afgesproken procedures werkt en dat ieder in voldoende mate bijdraagt.

NB. Per bijeenkomst een wisselend voorzit­terschap is voor iedereen leerzaam. Alleen als de groep het nodig heeft, aanbieden zelf gespreksleider te zijn en vanuit die positie het ordenend voorbeeld te geven. Risico’s: te veel sturen en domineren; te weinig aandacht voor hoe er beslist wordt en teveel op wat besloten wordt.

3.

a. aandringen op afspraken maken voor activiteiten tussen de bijeenkomsten door. Zorgen dat de leerdoelen vertaald worden in heldere activiteiten. Vage leerdoelen zijn vaak de oorzaak van tijdverspil­ling tijdens de bijeenkomsten en tussentijds.

 

b. afspraken laten noteren en op een werkblad en dit vooraf laten aanreiken; nakomen van afspraken controleren.

 

c. de gespreksleider coachen t.a.v. voorbereiding agenda, samenvat­ten enz.

 

d. letten op het tijdschema, per bijeenkomst en over de hele projectperiode.

4.

a. controleren of de groep zinvol samenwerkt en dat in het groepje bespreken (onder­deel van de agenda).

 

b. achterblijvers aanmoedigen een achterstand in te halen, hen op het goede spoor helpen.

 

c. letten op het zwijgen van een groepslid. Huiswerk niet gedaan of andere oor­zaak?

Bij langer durende projecten kunnen veel van de punten zó op de wekelijkse agenda.

d. rol van expert (specialist)

Een coach zal veelal zelf expertise hebben op het betreffende gebied. De rol van expert zal echter met mate dienen te worden uitgeoefend:

1.

de coach probeert in de discussie met de groep het uitleggen en lesgeven te voorkomen zodat de groep in een actieve rol geplaatst wordt.

2.

de coach beperkt zich tot het op verzoek kort verhelderen van een moeilijk punt,

nadat is vastge­steld dat de groep er zelf niet uit kan komen of anders niet snel genoeg verder kan. Ook kan het signaleren van aperte misverstanden of onjuistheden aan het eind van een bijeenkomst nodig zijn.

 

e. rol van evaluator

We praten hier nog niet over het beoordelen van het project en de eventuele rol van de coach daarbij. Hier kijken we naar de (tussentijdse) procesevaluatie van het project:

Tijdens de laatste tien minuten van elke bijeenkomst kan de coach het verloop van de bijeenkomst becommentariëren. Dit is niet bedoeld als beoordelen. Het is bedoeld om het werken gedurende het project te verbeteren. Vooraf gestelde criteria zijn bij die evaluaties meestal niet nodig. De coach bespreekt bijvoorbeeld het werken aan de taken, wat goed ging en wat er beter kan gaan; de mening van de projectgroep over het verloop van de bijeenkomst; de zin of tegenzin van iedereen, de wijze waarop de coach de taak opvat enz.

De groep probeert vooral ook zelf zwakke plekken te vinden en zelf oplossingen te bedenken. De coach belicht de sterke en zwakke kanten van het werk van studenten. Een sterk negatief oordeel van de kant van de coach roept irritatie, ontmoediging en verzet op. Twee belangrijke aandachtspunten zijn:

-

werktempo: over de werkplanning kan ieder groepslid zich verantwoorden, bijvoorbeeld aan de hand van een logboek of werkbladen. De zorg voor de inhoudelijke voortgang van de groep wordt door alle groepsleden gedragen.

-

taakverdeling: de groep maakt afspraken over onderlinge taakverdeling gedurende de groeps­bijeenkomsten en de werkzaamheden tussentijds. De taakverdeling is zo gekozen dat ieder groepslid in beginsel in gelijke mate bijdraagt aan het realiseren van het eindresultaat. Ten aanzien van de gespreksleider van de bijeenkomst: houdt zich aan de agenda, stimuleert de groep bij de voortgang, houdt het gesprek op het goede spoor, vat regelmatig samen en let op ieders inbreng.

Typen studenten en bijbehorende interventies

Samenwerken in een groep gaat niet altijd automatisch goed. Je hebt te maken met personen met verschillende karakters en werkhouding. Het omgaan met verschillende personen, vergt dat er verschillende benaderingen worden gehanteerd. Moust e.a. (1997) onderscheiden een tiental verschillende soorten studenten. Naast een beschrijving geven zij tips hoe deze typen het best benaderd kunnen worden. Onderstaande interventies zijn in het algemeen de verantwoordelijkheid van de gespreksleider (voorzitter). De coach fungeert als 'vangnet' bij lastige situaties waar de student-gespreksleider moeilijk raad mee weet of waarop hij/zij niet adequaat reageert. Bij het omgaan met de hieronder beschreven type studenten, kan interventie door de coach noodzake­lijk zijn.

1. De destructivist

Deze student zit tegen zijn zin bij de bijeenkomsten van de projectgroep. Gevolg hiervan is dat hij de buitengewoon negatieve instelling op de groep dreigt over te brengen en irritaties wekt. Dit soort problemen kan worden voorkomen door de doelen van het project en van de manier van werken duidelijk voor het voetlicht te brengen. Verder moet deze student nauw bij het projectwerk betrokken worden zodat een gevoel van medeverantwoordelijkheid geschapen kan worden.

2. De 'best-wel' student

Deze student is uiterst gevoelig. Alles moet in de groep bespreekbaar gemaakt kunnen worden. Als een groep daar afwijzend op reageert wil deze student nog wel eens dichtslaan. Vooral de destructivist zal het slecht met de 'best-wel' student kunnen vinden. Dit soort studenten denkt in dit soort situaties snel dat de groep hem/haar niet mag. Dit leidt tot een slecht functioneren van de groep. Het is van belang dat deze overgevoeligheid afgeremd wordt. Het kan een vlotte voortgang van het project belemmeren als er veel dingen in de groep besproken moeten worden. Het afremmen zal op een subtiele manier moeten gebeuren. Probeer dit bij voorkeur in een persoonlijk gesprek buiten de groep te doen.

3. De stille

Dit type student is erg verlegen, durft niet snel iets vanuit zichzelf te zeggen. Als de coach deze student aanspreekt zal er met moeite een reactie los te peuteren zijn. Dat is niet omdat hij/zij niets mee te delen heeft, maar omdat de verlegenheid erg remmend werkt. Omdat er eerst een zekere drempel overwonnen moet worden kan het voorkomen dat de opmerking die uiteindelijk wel geplaatst wordt niet meer ter zake doet. Mocht de opmerking te laat komen, laat dit dan niet duidelijk merken maar geef er serieuze aandacht aan. Geef ruimte en kap botte opmerkingen van bijvoorbeeld de destructivist resoluut af. Door voldoende en lang genoeg mogelijkheid tot respons te geven wordt het deze student ook mogelijk gemaakt actief in de groep mee te doen.

4. De zeurpiet

Deze student heeft altijd wel iets aan te merken. Iets is nooit goed. Samen met de destructivist kan dit een ijzersterk duo zijn dat het project volledig kan saboteren. Reageer niet door stekelig te worden. Geef op tijd aandacht aan het gezeur zodat het niet uit de hand gaat lopen. Kap gezeur ook af. Dit kan door de groep te laten reageren of door zelf op een juiste manier van repliek te dienen. Voorkom dat een groep het gezeur overneemt. Vooral tegen het einde van de dag is dit gevaar levensgroot.

5. De prater

De prater heeft altijd zijn mond open. Dit zou niet erg zijn, ware het niet dat de meeste opmerkingen niet uitblinken in ter zake kundigheid. De rest van de groep is meestal niet geïnteresseerd in de opmerkingen van de persoon in kwestie. Rem de prater af door duidelijk te maken wie wanneer aan het woord is. Geef duidelijke regels over hoe men aan het woord kan komen. Mocht dit niet voldoende zijn, omdat de prater overal dwars doorheen gaat, regel dan een groepsreactie door beurten te geven. Laat iedereen strikt de hand houden aan de regels zoals die gehanteerd worden. Laat ze dus voor de hele groep van toepassing zijn en niet alleen voor de prater. Mocht de groep al duidelijk corrigerend willen optreden ten aanzien van de prater, laat dit dan ook zo nu en dan gebeuren: er is niets zo pijnlijk als door de eigen groep (medestu­denten) gecorrigeerd te worden. Voorkom echter dat de groep de prater ‘afmaakt’.

6. De lolbroek

Heeft altijd wel een leuke opmerking bij de hand. De lolbroek ligt meestal erg goed in de groep en is van grote invloed op het emotionele klimaat in de groep. Omdat de lolbroek altijd een grap klaar heeft is het wel zaak ervoor te zorgen dat de boel niet uit de hand loopt. Zorg er ook voor dat de lolbroek niet ten koste van andere studenten (zoals de 'best-wel'-student) zijn grappen spuit. Het is meestal wel aan te raden zelf niet op een grap te reageren. Het risico van afgaan of teruggepakt te worden is groot.

7. De intelligenterik

Heeft altijd net iets gelezen, gehoord of gezien dat net een andere mening verkondigt dan wat de coach of de groep als vaststaand inneemt. De intelligenterik weet het altijd beter of pretendeert het beter te weten. Maak eventueel buiten de groepsbijeenkomsten gebruik van kennis die hij heeft; op deze manier voorkom je dat de meningen van anderen ondergesneeuwd raken. Meestal irriteert hij de rest van de groep geweldig. Bescherm hem daarom tegen zichzelf.

8. De criticaster

De criticaster is nauw verwant aan de destructivist. Het verschil is echter dat de geleverde kritiek nu wel relevant is. De criticaster is meestal heel resoluut in zijn kritiek: het meeste dat in de groep gezegd wordt is volgens hem flauwekul. De kritiek kan voortkomen uit frustraties; onderschat de hardnekkigheid van de persoon in kwestie dan ook niet. Ga in de meeste gevallen kort maar serieus in op de kritiek: de groep heeft meestal het verschil tussen criticaster en destructivist haarscherp in de gaten. Zorg er daarom voor gefundeerd tegengas te geven. Het gezag over een groep kan ervan af hangen.

9. De diepgraver

De diepgraver wil overal dieper op ingaan en vindt de bijdragen van anderen meestal te oppervlakkig. Geef de diepgraver het idee dat wat hij zegt wel degelijk van belang is. Probeer echter te voorkomen dat het verloop van de groepsbijeenkomst teveel afgeremd wordt. Het is van belang goed duidelijk te maken dat het soms niet gewenst is overal te diep op in te gaan.

10. De constructivist

Het ideale groepslid: doet altijd serieus mee, houdt zich aan de afspraken en is goed in contacten met andere groepsleden. Stelt de juiste vragen op hetzelfde moment en is als een glas water in de woestijn: je smacht er naar maar er zijn er maar weinig te vinden. Interventie is overbodig.

Meer informatie:

In het hoger onderwijs speelt de coach (of tutor) een belangrijke rol. Hier en daar is het traditionele doceren geheel vervangen door het coachen van studentenKomt dit door de veranderende opvattingen over leren? Wat verandert er voor een docent indien hij/zij als coach gaat functioneren? Welke rollen en taken heeft de coach in het projectonderwijs? In ‘Coaching in het Hoger Onderwijs’ worden deze vragen door docententrainer Wim Weenk beantwoord. 

Het gevaar van studenten die meeliften op de activiteiten van anderen ligt op de loer als u hen laat werken in teams. ‘Meeliften tegengaan’ (Roossink, 2006) bevat tips om deze valkuil te omzeilen.

Meer weten over het begeleiden van studententeams? Klik hier voor het professionaliseringsaanbod. van de Onderwijskundige dienst op het gebied van coaching van teams.

Over verschillende teamrollen is veel informatie te vinden. Op http://www.thesis.nl/belbin/ vindt u de beschrijving van teamrollen door Belbin. Naast sterke en zwakke punten van de verschillende rollen vindt u hier een leuke test waarmee u kunt ontdekken welke rol u bij voorkeur aanneemt in een team.

Bronnen:

Moust, J., Bouhuijs, P., & Schmidt, H. (1997). Probleemgestuurd leren, een wegwijzer voor studenten. Groningen: Wolters-Noordhoff, 1997.

Powell, P., & Weenk, W. (2003). Project-Led Engineering Education. Utrecht, LEMMA Publishers.

Auteur: Martine Hilderink, Onderwijskundig adviseur, OD, Universiteit Twente.