Invoering van de 3TU Academische Criteria bij de faculteit Management en Bestuur

De Faculteit Management & Bestuur (M&B) bezint zich op een herontwerp van het curriculum naar een meer competentiegerichte opzet. In dit kader werd in maart een conferentie georganiseerd met als doel tot verdere concretisering van de plannen te komen en vooral om van elkaar en van enkele deskundigen te leren.

De Startconferentie Academische Competenties

Binnen de Faculteit Management & Bestuur wordt al enige tijd nagedacht over een herontwerp van het curriculum naar een meer competentiegerichte opzet. Maar waar gaat dit nu precies over? Wat is de betekenis van dit plan voor de faculteit? Hoe moet de faculteit hierbij te werk gaan? Om antwoorden te verkrijgen op deze en andere vragen, werd in maart een conferentie georganiseerd. De conferentie had tot doel om te komen tot verdere concretisering van de plannen te komen, ervaringen te delen en vooral ook van elkaar te leren. Enkele externe deskundigen waren uitgenodigd (onder andere Jospeph Kessels) om sturing te kunnen geven aan de vervolgstappen en de nodige input te leveren voor ideeënvorming en discussie.

Een kort verslag van de bijdrage van de verschillende sprekers is op te vragen via de contactpersoon (zie onderaan deze pagina). In dit artikel gaat de aandacht uit naar de wijze waarop de faculteit M&B invulling geeft aan haar plannen.

De “Meijers criteria” als uitgangspunt

De faculteit M&B zit nu nog in een verkennende fase en is daarbij gestuit op de criteria voor academische bachelor en master curricula zoals die in 2006 in 3TU verband zijn vastgesteld. Centraal in die criteria staan ca. 50 “academische competenties” die gegroepeerd zijn in een zevental “competentiegebieden”. Deze kunnen op verschillende manieren gebruikt worden:

·

als begrippen- en beoordelingskader bij het ontwikkelen, beschrijven, analyseren en evalueren van opleidingen

·

als kader waarmee de competenties van universitaire studenten getoetst kunnen worden voorafgaand, tijdens of aan het einde van hun opleiding

·

als inspiratiebron bij het bepalen van de leerdoelen van individuele vakken

·

voor het articuleren van het academische profiel van een opleiding: opleidingen kunnen zwaartepunten en minimumniveaus definiëren die aansluiten op de eigenheid van de eigen discipline(s) en waarmee zij zich onderscheiden van andere opleidingen.

Zoals het laatste type gebruik aangeeft, kan dit raamwerk van academische competenties flexibel gehanteerd worden. Aangezien de 3TU-criteria onlangs door de NVAO zijn erkend als alternatief voor de zogenaamde Dublin descriptoren, wordt het toepassen ervan ook vanuit een kwaliteitszorgperspectief interessant.

Verschillende opleidingen binnen de faculteit hebben zich de afgelopen maanden georiënteerd op de criteria. De opleidingen Technische Bedrijfskunde (bachelor) en Industrial Engineering & Management (master) hebben de 3TU-set van academische competenties en competentiegebieden gebruikt voor een eenvoudige vorm van quick scan voor de mate waarin verschillende competenties vertegenwoordigd zijn in het curriculum. Door een drietal Opleidingsdirecteuren van de faculteit is bovendien een bijeenkomst bijgewoond met de geestelijke vader van de 3TU Criteria, Prof. Anthonie Meijers (TU/e). Vervolgens heeft de beleidsmedewerker onderwijs in februari deelgenomen aan het “3TU Seminar on Academic Competences and Quality Assurance” in Eindhoven en heeft in maart 2007 een interne startconferentie plaatsgevonden, waarbij naast de decaan de opleidingsdirecteuren, -coördinatoren, managers en enkele beleidsmedewerkers aanwezig waren.

Als een van de conclusies kwam uit de startconferentie naar voren dat de 3TU Academische Competenties goede aanknopingspunten bieden om de opleidingen onder de loep te nemen:

·

ze bieden een raamwerk voor systematische beschrijving van eindtermen

·

ze bieden een mogelijkheid om opleidingen beter met elkaar te vergelijken en eigen accenten te verhelderen

·

ze bieden een helder en herkenbaar begrippenkader waarmee consultaties en discussies m.b.t. het ontwerp of herontwerp van (delen van) de MB-opleidingen gevoerd kunnen worden met docenten, werkgevers, alumni en de eigen studenten.

Tegelijk zijn er ook zorgen, zoals het punt dat het nog een ontwikkelproject is (de methode is onvolgroeid) en dat het complex in gebruik (lees ook: arbeidsintensief) kan zijn als je de methodiek in de volle breedte zou willen inzetten.

Invoering in stappen en met betrekking van diverse stakeholders

Een andere belangrijke conclusie van de startconferentie is dat er voldoende enthousiasme leeft en er een momentum lijkt te zijn voor het uitvoeren van een of meer pilots. Hierbij bestaat overigens een voorkeur voor een meer incrementele benadering, waarbij dus vanuit een bestaande situatie in een aantal tussenstappen naar een gewenste situatie wordt toegewerkt. Ook wordt de opvatting gedeeld dat er, naast de verantwoordelijkheid die je als universiteit zelf dient te nemen voor het formuleren van je eindtermen, aandacht zou moeten zijn voor een outside-in benadering: wat zijn de eisen die vanuit de praktijk worden gesteld?

Om in de terminologie van de gastspreker op de startconferentie, Prof. Joseph Kessels, te spreken: de relevante bekwaamheden uit het competentieprofiel dienen vastgesteld te worden in overleg met diverse stakeholders, waaronder het beroepenveld én de studenten. Vervolgens dien je je af te vragen hoe je de competenties denkt te gaan toetsen en wat de consequenties daarvan zijn voor je onderwijsprogramma. Als je voor deze weg kiest heeft het gevolgen voor de inrichting van je onderwijs. Alleen erover praten heeft geen zin!

Versterking van de identiteit

Een derde conclusie van de startconferentie was dat men competentiegericht onderwijs ziet als een mogelijkheid om de identiteit van de faculteit MB te versterken. Opleidingen zijn geen eilanden, delen zelfs vakken met elkaar. Het ligt dan ook voor de hand om meer met elkaar samen te werken, waarbij het wel zo moet blijven dat de opleidingsdirecteur voldoende ruimte houdt om de uniciteit van zijn/haar opleiding te waarborgen.

Hoe verder?

In de komende maanden zal binnen één of twee MB-opleidingen worden gewerkt aan de definitie van een pilotproject.

Voor meer informatie, kunnen belangstellenden zich wenden tot de contactpersoon:

Hans v.d. Berg, coördinator kwaliteitszorg ITBE-OD / Universiteit Twente,

tel.: 053-489 4793.