Een handreiking voor goed en tijdbesparend terugkoppelen in je onderwijs

Een vaardigheid leer je vooral door oefening. Bij veel vakken oefenen de studenten door opdrachten uit te voeren en vervolgens terugkoppeling te krijgen. Waaruit bestaat nu goede terugkoppeling (=hulp)? En hoe organiseer je dit zonder dat het je als docent heel veel tijd gaat kosten?

Voor wie zich bovenstaande vragen stelt is de handreiking “ Het inbouwen van terugkoppelvoorzieningen die goed en tijdsbesparend werken” geschreven, waarvan u hieronder een korte samenvatting vindt. Voor de volledige handreiking, zie de link onderaan de pagina.

Samenvatting
Studenten leren door te oefenen en door hulp, in de vorm van terugkoppeling op gemaakt werk of op gedrag, te krijgen bij het oefenen. Waaruit bestaat nu deze te geven terugkoppeling (=hulp)?
De terugkoppeling kan bestaan uit een advies hoe verder te gaan als een student vastgelopen is in zijn werk of uit een studiesuggestie als blijkt dat het oefenen fouten bevat of anders aangepakt zou moeten worden. Kenmerkend is dat de te geven studiesuggestie gebaseerd is op de sterke en zwakke kanten van de student en op een actueel probleem als daar tenminste sprake van is.

Het lastige is dat je als docent wel eerst de sterke en zwakke kanten van de student moet kennen en moet achterhalen of er een bepaald probleem speelt. Dat kost tijd, zeker als de groep studenten groot is.

In “Het inbouwen van terugkoppelvoorzieningen die goed en tijdsbesparend werken” komen diverse praktijkvragen die hiermee te maken hebben ter sprake, zoals: Wanneer geef ik goede terugkoppeling zonder dat dit te veel tijd kost? Hoe organiseer ik het terugkoppelen in mijn cursus? Wie geeft terugkoppeling (docent en/of assistenten en/of studenten)? Hoe kom ik tot de criteria om het werk van de studenten te kunnen beoordelen? Hoe kan ik actuele problemen snel opsporen? Kan ik software gebruiken bij het terugkoppelen?

Het artikel biedt handvatten voor het inbouwen van terugkoppeling in cursussen. Er wordt ingegaan op de verschillende functies en de principes van terugkoppeling en op het formuleren van beoordelingscriteria en diagnosticeren van (tussentijds) oefenresultaat. Bij het diagnosticeren kan het daarbij zowel gaan om de handelingen als de vakinhoud die daarvoor nodig waren.

Een concrete werkwijze wordt aangereikt waarmee in negen stappen de eigen cursus voorzien kan worden van goede terugkoppeling. De werkwijze correspondeert met een methodiek die bij technisch ontwerpen wordt toegepast, namelijk ervan uitgaan dat eerst de door het systeem te vervullen functies opgesteld worden en de keuze van de middelen pas later volgt.
Bij het vormgeven van het terugkoppelen worden diverse middelen afgewogen en wordt slim gekozen voor middelen die samen in een cursusorganisatie passen. De docent kan de terugkoppeldetails uitwerken in een cursusdraaiboek.

Bij het kiezen van middelen hoort ook de keuze wie de terugkoppeling geeft. Eén mogelijkheid daarbij is studenten elkaar feedback te laten geven. Bovendien kan gekozen worden voor het gebruik van software ter ondersteuning van het terugkoppelen. In dat geval wordt het terugkoppelen georganiseerd overeenkomstig de mogelijkheden die de software biedt.

Lees hier meer over in: Het inbouwen van terugkoppelvoorzieningen die goed en tijdsbesparend werken (Roossink, 2006)


Voor nadere informatie:
Auteur: Henk Roossink
ITBE/Onderwijskundige Dienst – Universiteit Twente

Tel. 053 – 489 2053 (2050)

E-mail: h.j.roossink@utwente.nl